Start

Als een maquette rees Batavia uit mijn onrust op

Gastbijdrage van Chrétien Breukers

Het lot van de zogenaamde buitenkampers, Indo’s die niet in de Jappenkampen werden geïnterneerd, krijgt de laatste jaren steeds meer aandacht. Er is een site, er was een paar jaar geleden een docu (hier nog te bekijken) en gisteren tijdens de Indiëherdenking vertelde Frits Leidelmeijer (bekend van Tussen kunst en kitsch) op de NOS-site over de ervaringen van zijn gezin buiten de kampen.

Ik las het en alles wat hij vertelde herkende ik woord voor woord uit Tropische jaren. In 1986, toen de roman verscheen, werden de buitenkampers als zodanig nog niet onderscheiden, en het was Cornets de Groots insteek ook niet om hen als zodanig op de kaart te zetten. Maar zou dat boek achteraf niet dé roman blijken te zijn over het leven buiten de kampen?

Op Facebook vroeg ik het met een link naar de pdf. Chrétien Breukers las het boek en schreef er op zijn weblog een stuk over, dat ik hieronder met dank overneem.
RHCdG

Versozijde omslag 'Tropische jaren'

Op 15 augustus 1945 (gisteren eenenzeventig jaar geleden) capituleerde Japan en was de Tweede Wereldoorlog écht afgelopen. Echt? Voor een groot aantal Nederlanders, woonachtig in Indonesië, nog niet. De Bersiap brak aan, een periode waarin de onafhankelijke republiek Indonesië was uitgeroepen, maar nog niet officieel geïnstalleerd. Het ‘buitenlandse gezag’ werd niet langer getolereerd door Soekarno en andere Indonesische politici en militairen, wat soms leidde tot geweld tegen als vijandig beschouwde buitenlanders. Oók tegen de Nederlanders die tussen 1942 en 15 augustus 1945 al onder de Japanse bezetter van Indonesië hadden geleden. Na de capitulatie werden de buitenlanders, ironisch genoeg, vaak beschermd door diezelfde Japanners.

In Nederland vond het leed van de Indo’s weinig weerklank. Van de mensen die in de Japanse kampen in Indonesië ( zogenaamde ‘Jappenkampen’) hadden gezeten, werd over het algemeen gedacht dat ze beter af waren geweest dan de mensen die naar Duitse concentratiekampen waren afgevoerd. Ze mochten niet klagen. Het zonnetje scheen in Ons Indië en er hadden geen gaskamers in die kampen gestaan, dus die Jappen waren heus niet zo slecht als de Duitsers. De Indo-gemeenschap heeft tot op de dag van vandaag met dergelijke (voor)oordelen te maken. Ja, hun lot was betreurenswaardig, maar nee, ze hebben het niet zo zwaar gehad als de Joden, de zigeuners, de politieke gevangenen, de homo’s en de geesteszieken die in Duitsland en verder richting het oosten werden uitgeroeid.

Bovendien: niet alle Indo’s werden tijdens de Japanse bezetting in kampen opgesloten. Wie niet al te Hollands was en een kwartierstaat kon overleggen met genoeg Indonesische bloedbanden erin bleef gewoon vrij. Niet overal (huizen waren in beslag genomen, banktegoeden bevroren, salarissen werden niet doorbetaald en gezinshoofden werden wel opgepakt), maar in de zones waar de bezetter het toestond, mocht wat er restte van de Indogezinnen in ‘vrijheid’ doorleven. Deze zogenaamde buitenkampers hadden het natuurlijk helemáál gemakkelijk, althans, dat was het Hollandse idee nadat veel Indo’s eind 1946 waren teruggekeerd. Zij hadden de oorlog immers in vrijheid doorgebracht.

In de Trouw van gisteren staat een artikel waarin Frits Leidelmeijer (van Tussen Kunst en Kitsch), geboren in 1942 en een buitenkamper, over deze status vertelt: ‘We leefden in een vijandige omgeving. De Japanners hadden de Indonesiërs tegen ons opgezet. Er was veel angst.’ En: ‘Als wij erover begonnen zeiden ze “ach het was toch allemaal niet zo erg in Indonesië, het was lekker warm, je kon de bananen zo uit de bomen plukken dus je had altijd te eten. Maar wij hebben de Hongerwinter gehad.”’ Het lijkt wel of er pas de laatste jaren, nu de meeste buitenkampers al heel oud zijn, of overleden, meer aandacht komt voor deze groep. Het interview met Leidelmeijer is daar als het ware de bezegeling van: een beroemdheid van de televisie die bevestigt dat het erg was, toen. Erger dan wij dachten of denken. Het is tijd voor een boek of een roman over deze buitenkampers.

Welnu. Die roman is er al. Hij heet Tropische jaren, werd geschreven door R.A. Cornets de Groot en verscheen in 1986 bij de Prom. Op de website van Cornets de Groot is het boek als pdf of in html te lezen. Hoofdpersoon Leo de Brauw, in de oorlog een puber, ondergaat tijdens de Japanse bezetting de maatregelen van de Japanner en wordt langzaam maar zeker in de positie van buitenstaander gedwongen. De wereld van ‘Ons Indië’ verbrokkelt. De Indonesische Nederlanders zijn geen Indonesiërs en geen Nederlanders, maar wat zijn ze dan wel? De vijand en de voormalige kolonisator in Indonesië. Mensen met rare eetgewoonten en een vreemd accent in Nederland.

In zijn roman benadert Cornets de Groot de autobiografische stof via een omweg. Leo de Brauw reist naar Istanboel met zijn geliefde Narda, en daar komen de herinneringen aan de oorlog en aan de na-oorlogse tijd naar boven: ‘Ik had in die stad gelopen met Narda, urenlang, uren die dagen zouden worden, zeven in totaal. Istanboel – een Aziatische stad voor haar, een Europese voor mij: Istanboel is een Indo onder de steden’. De constante dreiging, waar Leidelmeijer in het interview over spreekt, is in het boek overal aanwezig. De Brauw ervaart die ook in Istanboel en ook in zijn omgang met zijn geliefde, die hem terug doet denken aan de liefdes die hij in Indonesië had. Het hele boek is een mengsel van herinnering aan dreiging, oorlog, dreigend geweld, puberteit, ontluikende seksualiteit, identiteitsvragen – en politiek. In een dagboekaantekening (opgenomen in de pdf van het boek) zegt Cornets de Groot hierover:

Mijn boek is ook een politiek boek.
De politiek overrompelt de mensen in dat boek: ze weten niet wat ze overkomt. Duitsers worden opgepakt en afgevoerd naar Australië, of getorpedeerd. Zij weten tenminste, waar dat voor is. Maar die achterbleven en werden vernederd en verdrukt? Die wisten nergens van. Die werden gestraft, zonder inzicht in hun delict: onmondigheid.
Politiek wordt pas actueel voor onpolitieke mensen, wanneer zij zich met die mensen bemoeien gaat. Grote politieke veranderingen, ook de binnenlandse, verscheuren het familieverband. Vrienden gaan vijandig uiteen, huwelijken worden ontbonden, kinderen staan tegen hun ouders op. Verdachtmaking, aangifte doen, de zwarte lijst, Geheime Diensten. Het is moeilijk een Erasmus te zijn in onze dagen. In bezet Batavia kon dat nog.

Als schrijver was Cornets de Groot bij leven een ‘buitenkamper’, iemand die weliswaar werd gewaardeerd maar nergens echt bij hoorde. Misschien wordt het, nu literatuur en autobiografisch proza steeds vaker in elkaar overlopen, tijd voor een herwaardering. Of zelfs voor een heruitgave van Tropische jaren. Ik heb het boek, nadat ik er gisteren via een Facebookpost op werd gewezen, met veel plezier gelezen.

Chrétien Breukers

Beluister hieronder een interview voor NCRV-Literama met Cornets de Groot over ‘Tropische jaren’.

»

Onze man in Gibraltar

Gastbijdrage van Heere Heeresma jr.
Vandaag, 3 februari, is de 87e geboortedag van Rudy Cornets de Groot; helaas heeft hij de laatste 25 ervan zelf niet meer meegemaakt. Om de dag toch luister bij te zetten volgt hieronder een gastbijdrage van Heere Heeresma jr., de zoon van Louise (ook wel Loes, Loekie) Cornets de Groot, Rudy’s zuster. Heere, die vorige week in Trouw nog de gemoederen in beweging kreeg, 1 vertelt hier over onze gemeenschappelijke grootvader, Piet Cornets de Groot (1903-1971).
RHCdG
Louise Heeresma en haar vader Piet Cornets de Groot, ±1970.Louise Heeresma en haar vader Piet Cornets de Groot, ±1970.

Beste Rutger,

Onze grootvader zat met zijn rug naar de televisie. Toen al, eind jaren ’60, had hij een vooruitziende blik ten aanzien van dit medium en ook met zijn doofheid was hij zijn tijd ver vooruit. Hij zat in zijn draaibare stoel Het Vaderland te lezen terwijl zijn gezin in de huiskamer van de flat aan de Steenvoordelaan in Rijswijk naar de zwart-wit TV keek. Dat gezin bestond toen uit zijn vrouw Dicky, onze grootmoeder, die door mij Nana werd genoemd, uit zijn dochter Loekie, mijn moeder, en uit mijn vader en mij. Om acht uur moest ik naar bed, maar vaak zat ik om de hoek van de deuropening mee te kijken, niet zelden met medeweten van mijn vader die mij wel in de gaten had. Waar keken we toen naar? Misschien naar een aflevering van De Wrekers. En ik herinner mij ook een scène uit The Garment Jungle, waarin een man in een gesaboteerde goederenlift te pletter valt. Aan onze grootvader was het allemaal niet besteed. Hij was een uitgesproken lezer, een man die, zoals je weet, acht talen beheerste, waaronder het Hongaars. Maar misschien was dat niet de enige reden dat de kunstmatige spanning van de televisie hem onberoerd liet.

Niet alleen voor de buitenwereld, ook voor zijn gezin was onze grootvader een plichtsgetrouwe ambtenaar die bij de Bescherming Bevolking (BB) werkte, een overheidsdienst die de bevolking tegen de gevolgen van de dreigende atoomoorlog met de Sovjet-Unie moest beschermen. Daar verdiende hij het leeuwendeel van het inkomen voor het huishouden waar ook zijn dochter, schoonzoon en oudste kleinzoon toentertijd deel van uitmaakten. We hadden al eerder bij mijn moeders ouders ingewoond, op de Hanenburglaan in Den Haag. Daarna verhuisden we naar de Leidsekade in Amsterdam, waar we naast Harry Mulisch woonden. Op de Leidsekade schreef mijn vader het scenario voor zijn eerste speelfilm, De verloedering van de Swieps, en de verhuizing naar Rijswijk moet hebben plaatsgevonden voordat de opnamen begonnen, want ik herinner mij een panische zoektocht door de flat van onze grootouders naar een schoentje dat ik in enkele scènes had gedragen en dat vanwege de continuïteit bij de volgende opnamen niet mocht ontbreken. Mijn ouders sliepen in de kleine logeerkamer, ik op een bed in de eetkamer. Mijn moeder werkte bij het Ministerie voor Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk dat schuin aan de overkant lag. Mijn vader schreef in die tijd zijn pornopersiflages Gelukkige paren, Over de last de lusten en Zij die wijd geschapen zijn die hij onder de pseudoniemen Johannes de Back, Rochus Brandera en Ben Bulla bij een Antwerpse uitgever publiceerde. Dankzij die boeken kon hij van zijn pen leven en een eigen flat betrekken, drie etages lager en recht onder die van onze grootouders. En dat werd tijd, want ik herinner mij verhitte discussies tussen mijn vader en onze grootvader. ‘Pa, als u een stok zoekt om de hond te slaan, dan ligt die pal voor uw voeten,’ hoor ik mijn vader nog zeggen. Maar dat waren uitzonderingen. Meestal werd er onbedaarlijk gelachen en iedere avond werd er feestelijk gegeten dankzij Nana, die mij schandelijk verwende. Vroeg in de ochtend, als mijn vader nog in bed lag, ging onze grootvader naar zijn werk en ’s avonds kwam hij rond zeven uur weer thuis. In de winter droeg hij een soort tennisrackets onder zijn schoenen om niet uit te glijden. Maar is het geloofwaardig dat een voormalig inspecteur der posterijen uit Nederlands-Indië, die acht talen beheerste, een vage functie vervulde bij een organisatie die de bevolking adviseerde om bij het zien van een vallende atoombom onder een tafel te gaan zitten? Voor mij steeds minder en daar heb ik de volgende redenen voor.

Vertaling P. Cornets de Groot, uitgegeven door J.H Gottmer, Haarlem, 19977.Vertaling P. Cornets de Groot, uitgegeven door J.H Gottmer, Haarlem, 1977.

Naast de briefwisselingen die onze grootvader met buitenlandse correspondenten voerde, vaak over zeldzame postzegels, vertaalde hij The Zimmermann Telegram in het Nederlands. Deze historische studie van de Amerikaanse schrijfster Barbara Tuchman vertelt het verhaal van het gecodeerde telegram van de Duitse minister van buitenlandse zaken Arthur Zimmermann aan de Duitse ambassadeur in Mexico, waardoor Amerika bij de Eerste Wereldoorlog betrokken raakte. Voor zover ik weet is dit het enige boek dat hij ooit heeft vertaald. Hij heeft zijn vertaling bij Bruna en Elsevier aangeboden, maar die wilden het niet hebben. Wel vond Bruna de kwaliteit van de vertaling van dusdanig peil, dat ze hem een positie als vaste vertaler aanboden; maar kort daarop werd hij ziek en overleed hij. Na zijn dood heeft mijn vader ervoor gezorgd dat het bij Gottmer werd uitgegeven, in 1984 werd het door Elsevier herdrukt. In Het Zimmermann telegram (onze grootvader sprak altijd van Het telegram Zimmermann, wat veel elektrischer klinkt) gaat het over cijferschrift en code, de specialiteit van mijn moeder die, voordat ze met mijn vader trouwde, bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) werkte. Doe ik aan Hineininterpretierung als ik een verband zie tussen het vertaalproject van onze grootvader en mijn moeders werk?

Ook was er een vreemd voorval dat mij onlangs weer te binnen schoot. Zoals je weet, gingen onze grootvader en ik iedere zondag bij jullie aan de Denneweg op bezoek met gebak en andere, vaak Indische lekkernijen. We namen bus 18 uit Rijswijk. Ik herinner mij die bussen nog. Ze waren geel en roken heerlijk naar diesel. Leyland-Verheul was de fabrikant en de banden waren van Vredestein. Ik wilde altijd een zitplaats waar ik de chauffeurs de versnellingspook kon zien bedienen. Thuis bootste ik de nonchalante bewegingen waarmee ze schakelden na. Gedurende enige tijd was ik zelf een bus, waarmee ik mijn moeders geduld zwaar beproefde, want ik moest een vaste route volgen. Toen we een keer in de bus naar jullie onderweg waren verscheen een oude, grijze heer naast ons bankje. Deze stak een hand in de binnenzak van zijn jas en overhandigde een kleine, bruine envelop. Daarna stapte hij bij de eerstvolgende halte uit. Onze grootvader liet mij de postzegels zien die in de envelop zaten.

 

Piets paspoort

En dan is er nog een paspoort van onze grootvader dat ik in mijn archief terugvond. Hij had het in juli 1961 aangevraagd en op de visumpagina’s stonden stempels waaruit bleek dat hij in augustus van dat jaar een dag in Gibraltar is geweest. Ik wist niet dat hij daar geweest was. Wat had hij daar te zoeken? En waarom was hij daar maar één dag? Gaat het te ver om een verband te leggen met de Berlijnse Muur, met de bouw waarvan in diezelfde maand werd begonnen? Met het paspoort zelf is ook iets geks aan de hand. Het lijkt alleen voor Gibraltar gebruikt te zijn; er stonden geen andere visumstempels in. Het was ook alleen geldig voor Europa, terwijl onze grootmoeder een paspoort voor de hele wereld had. Het lijkt er dus op dat hij het speciaal voor zijn reis naar Gibraltar heeft aangevraagd. Zou hij het daarna ‘verloren’ zijn en een duurder wereldpaspoort hebben aangevraagd? Het blijft gissen, maar het wordt wel steeds moeilijker om onze grootvader als een functionaris bij de BB te blijven zien. Ik begin nu in ieder geval te vermoeden waarom hij met zijn rug naar de schijnwereld van de televisie zat. Zijn leven was misschien veel spannender.

Met schuin omhooggestoken rechterbeen, je neef,

Heere Heeresma jr.

—o0o—

Meer over Piet Cornets de Groot:

Intieme optiek 4, Rudy Cornets de Groots herinneringen aan zijn vader
Beluister de stem van Piet!
Foto’s van Piet en zijn gezin in Nederlands-Indië.





NOTEN
  1. Zie zijn opiniestuk Natuurlijk mag verzet tegen massamoord en de reactie van Ger Groot, Alle burgers strijders? Daarmee doe je terroristen groot plezier. ↩

»

Over Bleib gesund! Brieven van Heeresma

Goed, die serie over Istanboel 1 komt niet meer af. Het is spijtig voor de mooie bespiegelingen over tapijten, badhuizen en dansers die ik voor me zag, gelardeerd met verhalen over Istanboel en de manier waarop ik er de gangen van Leo de Brauw naging: hoe in een nachtclub, waar ik op zoek was naar Lilith – de buikdanseres uit het begin van Tropische jaren – plotseling Julie, Carla en Sylvia uit het boek sprongen en ik aan de eerste van 1001 nachten ontsnapte. Hoe ik dat boek, met opdracht voorin – ‘voor Rutger, die zijn vader altijd zo opbeurt’ – op het vliegveld van Istanboel per ongeluk achterliet en hoe ik met alleen een klein tapijtje als souvenir terugvloog naar huis, ‘met oorsuizingen van verrukking’.

Ik wilde maar kort blijven hier en in het najaar nog naar Indonesië, maar er kwam een boek tussen dat vertaald moest worden, 2 mijn moeder werd ziek, het geld raakte op en mijn eigen boek, dat er toch eens moet komen, kwam ook al zijn rechten opeisen. En nu is het te laat. De wereld drong zich tussen toen en nu, zegt de dichter.

Omslag van Bleib gesund!

Inmiddels verscheen vorige week bij De Arbeiderspers Bleib gesund!, een boek met brieven van Heere Heeresma, samengesteld en ingeleid door Hein Aalders. Als ik het zo opschrijf lijkt het al een contradictio in terminis: brieven van Heeresma, de man die dat spreekwoordelijke brandscherm om zijn leven optrok? Maar dan bedenk ik dat hij zelf ook al brieven had laten verschijnen, onder de schitterende titel Vlieg vogel vlieg met me mee tralala – een titel die naar mijn idee alleen een dichter kan verzinnen.

Ook wordt er gepraat over een biografie. En opnieuw denk ik: hoe zou die ooit de geest van Heeresma kunnen laten waaien? Maar in de laatste zin van zijn laatste, onvoltooide brief gewaagt hij zelf van het idee. Wie zou het kunnen doen? Misschien alleen zijn zoon, Heere Heeresma jr; die heeft tenslotte ook voor het laatst contact met hem gehad, vlak voordat sr’s kotter de Johannes de Heer op de Noord-Atlantische Oceaan verging… 3

Thuis in Leiden met Heere Heeresma, 1977Thuis in Leiden met Heere Heeresma, 1977.

Intussen komt mijn vader, Heeresma’s zwager, er in het brievenboek niet erg goed vanaf. De twee brieven die zijn opgenomen bevestigen naar mijn smaak te veel het beeld van de slappe Indo die zich gemakkelijk omver liet blazen. Hugo Brandt Corstius droeg het zijne aan dat beeld bij: ‘Eenmaal heb ik Cornets de Groot ontmoet – hij was toen zo licht dat mijn handdruk hem optilde.’ 4 Maar ook zelf cultiveerde Cornets de Groot die indruk: oog in oog met Vestdijk weet hij zich geen raad, 5 en voor een schaaktoernooitje op school introduceert hij zichzelf als ‘de graag verliezende Cornets’. 6 Over schaken gesproken: als hij in Amsterdam Hein Donner tegenkomt gaat het al niet beter:

Bij zijn [Donners] postuur vergeleken ben ik een timide, weerloze schim, overbluft door zijn redenaarsgaven en door zijn gebarentaal in een hoek gedrukt. Met de beste bedoelingen uiteraard, propagandistische voor Mulisch – en zonder dat hij daarbij de verdiensten van andere schrijvers verkleinde. Een solide type. Een Schneiderhahn – al vond hij in mij geen Corinth tegenover zich. 7

Minstens zo ‘solide’, als het zo moet heten, was Heeresma. In de laatste brief aan Cornets de Groot, op p. 176 van het boek, veegt hij hem de mantel uit:

Hoe háál je het in je hoof! Ben je dan zó karakter- en krachteloos? Daar geloof ik niets van. Maar, anderzijds, heb je daarvoor geleefd? Heb je daarvoor jouw aanleg tot talent gesmeed? Greep je daarvoor zo drastisch in, in het leven van jezelf én de anderen? Om te verzompen in het huishouden? Tussen afwasteil en het middagmaal? Man, zo zak je weg in een dras die de jouwe niet is! Eindelijk eindelijk kom je tot dát waarvan ik altijd overtuigd was, een onafhankelijk schrijverschap. En nu lijk je te worden vermalen tot shit door de shit. Mocht je misschien maar één boek schrijven? Over je ‘affaire’? Waarom wordt jou niet toegestaan verder te gaan in het aftasten van je wortels om tot de reden van je eksistentie te komen? Ik, je zwager, Heere, weet je wel, protesteer hiertegen. Zat ik tegenover je, het gehele huiskamerameublement ging door je eigen ruiten. Voor deze ontwikkeling is geen ekskuus! 8

Liet Cornets de Groot zich dergelijke taal zo maar welgevallen? Het is misschien de verkeerde vraag. In polemieken legde hij feilloos de vinger op juist dit soort bluftaal in teksten van academici en close readers, waarmee zij probeerden tegensprakigheden in eigen werk te overschreeuwen en tegenstanders de mond te snoeren. 9
Van zijn zwager kon hij meer hebben. Bovendien: waarom zou hij grenzen stellen aan wat hij kon verdragen als Heere zich niet beheersen kon? Vandaar de volgende, Indische reactie:

Je veronderstelling dat ik karakter- en krachteloos zou zijn, werp ik van mij, en gelukkig doe jij in een en de zelfde zin dat ook.

Alleen, en dat is jammer, staat die reactie niet in het boek. Maar hij staat, met nog acht andere brieven, hier.

Bij zijn schoonouders op de Hanenburglaan; op de achtergrond mijn moeder Willy van den Berge.  Bij zijn schoonouders op de Hanenburglaan; op de achtergrond mijn moeder Willy van den Berge.

Eergisteren, in de trein, las ik op pagina 411 dat Heere jr. op 11 december 1961 ter wereld is gekomen. Nooit geweten. ‘Jaardagen worden bij ons niet gevierd’, staat er op p. 314. Ik kijk op mijn telefoon: maar is dat niet vandaag? Verrek… Ik stuur mijn neef een sms met bericht van de ontdekking en een felicitatie. Zijn reactie: ‘Weer bijzonder indiscreet van mijn vader, maar toch bedankt’. Zelf wil hij het boek niet lezen.

—o0o—

Heere Heeresma, Bleib Gesund!
Samengesteld en ingeleid door Hein Aalders
De Arbeiderspers, Privé-Domein
446 blz., € 24,99
ISBN 9789029504720




NOTEN
  1. Zie de voorgaande blogberichten Avontuur in Istanboel I en II. ↩
  2. Zie mijn blogstukje over de vertaling van Tussen de wereld en mij van Ta-Nehisi Coates. ↩
  3. Zie Heere jr’s verslag ‘Vaders uitvaart’ in Uitgelezen boeken, jrg. 15, nr. 2, p. 2-3. ↩
  4. Battus, Hoe men een boek niet moet lezen. ↩
  5. Zie Iets persoonlijks. ↩
  6. Zie Wie houdt van vluggertjes? ↩
  7. Personages uit Het stenen bruidsbed. Citaat uit De kunst van het falen, p. 69. ↩
  8. Correspondentie Heere Heeresma (1958-1985), brief 9. Of nu Heere Heeresma, Bleib gesund!, Amsterdam 2015, p. 176. ↩
  9. Zie vooral de bundel Intieme optiek. ↩

»

Avontuur in Istanboel (II) - moskeeën en missigits

Mijn vliegtuig landt zondagavond om kwart voor negen in het laatste licht van de ondergaande zon. Anderhalf uur later sta ik in het hotel en is het aardedonker. Ik heb geen enkel plan, geen enkel idee, maar ik heb honger en ga de stad in. Als ik de straat uitloop stuit ik na vijftig meter op een imposant gebouw. Wat zou het zijn? Ik loop over de voorhof naar een deur. In een soort Turkse variant van het Engels die ik nog vaker zal tegenkomen lees ik op een bord: “Don’t step here with your shoes!”

sehzade2Şehzade moskee, 16e eeuw.

De Şehzade Moskee. Ik zal de wijsheid dat eerst het vreten komt en dan pas de moraal om moeten draaien, want ik ben nog nooit in een moskee geweest en laat me voor de poort van dit kasteel niet meer wegsturen, door mijn maag niet en door het gebod niet.

Binnen: een enorme ruimte. Geen schip, geen kerkbanken, maar een immens roodkleurig tapijt onder een geweldige koepel. Verspreid over het tapijt wat mannen, sommige half liggend, steunend op één arm, anderen geknield, biddend. In een nis zit een bebaarde geleerde op zijn knieën voor een lessenaar in een gecalligrafeerde koran te lezen; zijn lippen bewegen mee met zijn vinger over de pagina. Ik bedwing de reflex om mijn telefoon tevoorschijn te halen.
Als ik om de gebedsruimte heenloop hoor ik gedempt vrouwenstemmen. Waar komen ze vandaan? Ach, daar zitten ze, achter een schot… Je zou verwachten dat het onderscheid tussen de geslachten in deze ruimte voor God weg zou vallen, maar het treedt er juist verscherpt aan de dag. Ik hoef er niet over te oordelen – wat moet je zeggen tegen een geschiedenis van anderhalf millennium: dat ze het altijd verkeerd hebben gedaan? Wel vraag ik me af hoe lang dit zo nog kan duren. ‘t Zou me niets verbazen als ineens de vlam in de pan sloeg en een kleine revolutie er een eind aan maakte. ‘t Wachten is op de eerste vrouw die voldoende moed bijeenraapt om dat schot omver te werpen en naast haar man in die lege ruimte plaats te nemen. Een islamitische Rosa Parks, om het geloof over zichzelf heen te tillen, in plaats van uit handen te geven aan het opportunisme van fanatici.

In de cartografie van Tropische jaren speelt een zogenaamde missigit, of mesigit volgens Van Dale, een speciale rol.

‘Aan het eind van de Straat met het Hollandse Huis stond er een. De straat splitste zich daar, waardoor een driehoekig plein gevormd werd. Daarop stond de missigit, een gebouw dat door zijn langwerpige, ondiepe vorm en door de rondbogen in Moorse stijl eerder laag leek dan hoog. () Een koepel voltooide het silhouet. Op het erf onder een afdakje, hing verticaal de grote, houten ketoek, een tongtong, die de gelovigen aanspoorde tot gebed.
“Het is geen moskee,” zei Carla. “Het is een missigit. Er is in Indië maar één moskee, en die staat in Medan.”
Ik geloofde haar, al kende ik het verschil tussen moskeeën en missigits niet. Het gebouw had witte muren; de zuilen waarop de bogen rustten, waren tot op de helft blauw betegeld. Daarachter schaduw, waarin je je verliezen zou. Het erf rond dit gebouw was mooi: laag hout, met grote gras- en bloemperken vooraan, die sinds de oorlog werden verwaarloosd. Soms stond het gras er kniehoog. Dat deed veel af aan de koelheid die de missigit zo typeerde. Ze lag er dan wat broeierig bij, en dan ruiste de tamarindeboom achter in de tuin zo heel anders boven de aanplant van de jonge pisangbomen uit.
Ik vertelde dit verhaal.
“Wij hebben geen tongtong,” zei Mr. Edip. “Wij roepen de gelovigen van de minaret af bijeen.”‘ (p. 13/14).

Inderdaad, als ik om half twaalf op een terras even verderop aan mijn eerste Turkse maaltijd zit – gefrituurde aubergines, champignons met kaas, een in de oven opgeblazen deeg, en thee uit zo’n Turks glaasje – klinkt er uit een luidspreker in de hoogte achter me gezang op. Niemand lijkt er acht op te slaan.
Ik vind het mooi. Poëzie en zang als sociaal bindmiddel. Het is het eerste onvervreemdbare bewijs dat ik ergens anders ben dan thuis.

Met behulp van de aantekeningen bij de roman zoek ik de missigit uit Batavia op in Google Maps.

De missigit nu, de Masjid Jami' Matraman.Jakarta nu: de missigit nu, de Masjid Jami’ Matraman.

 

‘Het toeval wilde immers, dat wij in het voormalige Batavia in de Heveastraat woonden, een straat die pal Noord-Zuid liep. Als je midden op de rijweg ging staan, zag je in de verte, in het zuiden de Goenoeng Gdeh. Aan de noordkant lag de missigit, aan de zuidkant stond het Hollandse Huis. () Aan de overkant, aan de lage oever, lag de tangsi, de kazerne, met het excercitieterrein, waar – een tautologie – bij het op- en ondergaan van de zon de Japanse vlag gehesen en gestreken werd. () Op dit coördinatenstelsel, op die windroos is een essentieel deel van de roman, van mijn jeugd, mijn leven opgetrokken. Er is hier geen woord verzonnen. Begin met de feiten: niets kan verhinderen dat geschiedenis uitmondt in poëzie.

Poëzie regelde mijn leven,- overal, altijd.’ (Dagboek, 4 maart 1989).

Vreemd, ik ben in Istanboel en zoek de weg in Jakarta. Maar in het boek is het niet anders. Als ik in street view de Heveastraat (eigenlijk: Heveaweg; nu: Jalan Mataram Dalam) uitscroll sta ik ineens oog in oog met dat Hollandse Huis.
Het is vervallen, het dak staat op instorten. Maar het staat er nog.

Het Hollandse Huis.Jakarta nu: Het Hollandse Huis.

‘Het had verdiepingen, dakkapelletjes en een hoektoren met zo’n ui als spits, net als in Holland. Ik ben één keer in dat huis geweest. Hansje woonde daar. Hij wees me op de bijzonderheden. De architect was zelfs niet te beroerd geweest om er een schouw in te bouwen – zonder schoorsteen natuurlijk, al was er op het dak wel een schoorsteenpijp. Ze waren er voor de mooiigheid. De wanden waren tot halve hoogte met donkerbruin hout betimmerd, “net als in Holland”. Hoewel het gebouw uit baksteen was opgetrokken, waren de muren wit gekalkt, vanwege de hitte. Een korte oprijlaan naar de garage, opzij van het huis, liep steil omhoog. De tuin lag immers hoog boven straatniveau en was als het ware ingedijkt door grote witgekalkte stenen. Een wirwar van doornstruiken hing over de rand – een borstwering van waarachter het huis oprees als een fort. Het was on-Indisch. Misantropisch. Wie kon zich hier zo onveilig voelen? Twee rondgeschoren boompjes in een kuip stonden aan weerskanten van de witte, met klimop begroeide ronde toren. Sinds Hansje, net elf geworden, er niet meer woonde – hij verdween met zijn moeder naar een vrouwenkamp, Tjideng -, huisden er NSB-ers in: een weduwe, een klein mager kreng, met haar zoon en haar grijze zuster. Toen die jongen ons een bal teruggaf die wij in hun tuin hadden geschopt, riep ze hem met schelle stem terug en schold hem uit: “Landverrader!”
Ik vond het vreemd dit uit haar mond te horen. Maar letterlijk had ze natuurlijk gelijk: hij was haar zoon.’ (p. 11/12).

De volgende dag ga ik als eerste naar de Blauwe Moskee. Ze is gesloten voor gebed; ik moet anderhalf uur wachten. Ik besluit naar het verderop gelegen Topkapi Paleis te gaan en de rest van de dag komt het er niet meer van. De derde dag ben ik op tijd, maar eerst maak ik kennis met een Istanboels systeem van referenties:
Een jongen komt op me af: Hi, where are you going? To the Blue Mosque? It’s over here, let me show you. Ik vraag hem of hij ook weet waar het Carpet Museum is. Oh, you like carpets? Ja, ik heb er thuis een paar liggen. 1 Hij brengt me naar de ingang en we nemen afscheid. Wat zijn ze hier toch aardig, denk ik.
Omdat ik in een korte broek loop wordt me een omslagdoek voor mijn benen aangereikt. Ik doe het ding om, stop mijn sandalen in mijn tas en ga naar binnen.

Een koepel als een uitspansel, nog hoger, nog wijdser. Daaronder een onafzienbaar tapijt. We mogen de gebedsruimte niet betreden. Het is druk, iedereen staat te filmen en ik hoor alle talen van de wereld om me heen. Om eerlijk te zijn vind ik het hier verschrikkelijk en wil ik zo snel mogelijk weer naar buiten.
Was het in 1979 minder druk?

Blauwe moskee, Istanboel.Blauwe moskee, Istanboel.

‘Een overstelpende ruimte, een open ruimte onder een koepel, wijd als de sterrenhemel zelf. Doorschijnende, satijnzachte openheid, met vrijheid voor het oog naar alle kanten. En waar het zich aan hechtte, daar gleed het weer van af, door de watervlugge, vloeiende bewegingen der ornamenten. Een leegte waaronder een moskeebreed tapijt, waarboven een koepel. Ramen tot de vloer, en heel dit interieur doorzogen van blauw licht, o luisterrijke nacht…
“Het verstand wordt hier heel letterlijk – en letterlijk: door niets – buiten werking gesteld,” zei Mr. Edip, “een gelovige hoeft niet te denken.”
“Nee,” beaamde ik. “0, hier zou ik het denken ook wel willen laten, maar straks, buiten?”‘ (p. 31).

Als ik tien minuten later buiten sta, komt dezelfde jongen weer op me af, nu in gezelschap van een andere jongen. Kennelijk is hij omgelopen en heeft op me gewacht. Hi, you are wonderful, I want you to meet my friend. Gedrieën lopen we op. Na vijftig meter zegt hij dat hij terug moet omdat hij een afspraak heeft. Hij geeft me een hand en drukt daarbij zijn rechterschouder tegen mijn rechterschouder. Samen met de tweede jongen loop ik verder naar het plein voor de Blauwe Moskee. Hier stond in de Romeinse tijd het hippodroom waar wagenrennen werden gehouden, vertelt hij, zoals die uit Ben Hur; kijk, deze zuil en die daar markeren de beide keerpunten. Waar zijn de tribunes? vraag ik. Daar hebben ze de Blauwe Moskee van gebouwd, zegt hij. But come, I want you to meet my uncle.

Voor een tapijtenwinkel zitten wat mannen aan een tafel; ik word uitgenodigd en voorgesteld en krijg een kopje Turkse koffie. ‘Holland? Echt Hema’, roept er een. Hij blijkt de eigenaar te zijn en in Dordrecht te hebben gewoond. ‘Hoe dichter bij Dordt, hoe beter het wordt’, zegt hij, terwijl ik rotter invoeg. We lachen. ‘Kom, ik laat je wat van mijn tapijten zien.’

(Wordt vervolgd)

  • Klik hier voor een pdf met de volledige tekst van het boek, inclusief briefwisseling met de uitgever, eigen commentaar, een interview en alle recensies.




NOTEN
  1. Zie Zoiets doet men niet op mijn weblog. ↩

»

Avontuur in Istanboel (I)

Versozijde omslag 'Tropische jaren'Tropische jaren (De Prom, 1986)
‘Ik heb in Istanboel beelden gevonden, archetypen van wat Batavia mij was. 0, niet alleen de stank, het stof, de helse drukte en de hitte. Maar ook de nachten, de geur van jasmijn, de zang van kippen, krekels en kikkers. Als een maquette rees Batavia uit mijn onrust op, uit mijn herinneringen aan vrienden, meisjes – aan rampen, lang geleden gebeurd.’

Zo schrijft Cornets de Groot in het laatste hoofdstuk van zijn roman Tropische jaren.

Vorige week was ik in Istanboel. Een korte vakantie in die stad leek me een goede opstap naar Indonesië waar ik later dit jaar wat van zijn sporen op wil rapen. Zelf fungeerde die stad toen hij er was tenslotte als opstap naar een beslissende wending in zijn schrijverschap: na Tropische jaren heeft hij zijn aandacht grotendeels verlegd naar zijn jeugd in Indië, dat hij in 1946 op 17-jarige leeftijd verliet. Het verhaal van Tropische jaren is in Istanboel gesitueerd, maar gaat in wezen over zijn geboorteland Nederlands-Indië.

Tropische jaren (klik hier voor een pdf met de volledige tekst van het boek (140 blz.) inclusief briefwisseling met de uitgever, eigen commentaar, een interview en alle recensies) is zijn tweede roman. Ik las het boek toen het uitkwam, in 1986. Ik geloof niet dat ik het daarna nog een keer heb gelezen, al heb ik de tekst op de site gezet en heb ik er stukken uit geciteerd – maar van kaft tot kaft heb ik het niet meer gelezen. Ik was er destijds niet door gegrepen, al was ik wel geïmponeerd door de literaire taal, in de goede zin van het woord. Maar Istanboel, Batavia, een jeugd om op terug te kijken – alledrie waren ze me vreemd. Nu ik zelf zo oud ben als hij toen hij de stad bezocht en het boek schreef, leek een hernieuwde kennismaking op zijn plaats. ‘Ik ben een reisgids kinderen, leer mij lezen’, zei Bert Schierbeek ooit, en onder dat motto ben ik op weg gegaan. Met de roman in mijn tas, niet als tekst om naar te handelen, maar als plattegrond met markeringen voor te ondernemen eigen acties. En zonder verdere voorbereiding. Vier dagen om het boek te lezen en na te lopen. Vier dagen om me in een andere werkelijkheid onder te dompelen.

Om met dat laatste te beginnen: tussen de romanwerkelijkheid en de werkelijkheid van nu zitten 36 jaar. Een periode die begrensd wordt door de namen van Ecevit, een man die zich de militairen van het lijf moest houden, en Erdogan. Die laatste is bepaald geen lieverd, maar het zijn toch andere tijden dan toen: ik heb in Istanboel, behalve als bewakers bij het serail, in elk geval geen gewapende militairen gezien:

‘Ze doelde op de talloze soldaten () die we in groepjes van twee, drie en vier hadden zien surveilleren in drukke straten, op pleinen, voor openbare gebouwen en banken’, p. 8).

Daarmee zou een van de voorwaarden voor de Proustiaanse reflex die aan de geboorte van het boek ten grondslag ligt in deze tijd zijn weggevallen:

‘De aanblik van zwaarbewapende soldaten, het gevoel dat je doorlopend in de gaten werd gehouden () – het drukte me met mijn neus op mijn jeugd tijdens de Japanse bezetting’ (Dagboek, 4 maart 1989).

Zoals Istanboel de ik-zegger in het boek, Leo de Brauw, aan Batavia doet denken, zo moest ik denken aan een stad uit míjn geschiedenis: New York. A city that never sleeps… Ik vond het er ook niet smerig (‘Istanboel is zonder twijfel de smerigste stad die ik ooit gezien heb. Het vuil stapelt zich op de stoepen op en laat zich door de wind door de straten jagen’, p. 9). Integendeel, overal zag ik voortdurend schoonmaakploegen aan het werk, gewapend met stoffer en blik of in wagentjes met van die draaiende borstels (‘”Ze zouden hier wonderen doen, die wagens,” zei ik’, p. 9).
Of dit een verbetering is, valt weliswaar te bezien:

‘Bergen vuilnis, die door gele, valse honden worden onderzocht en omgewoeld. Zwerfkatten, de aandoenlijkste, de liefste, de smerigste – ik zag er een tiental tegelijk in zo’n theehuis, waar oude straatfilosofen het harde bestaan van de mens overpeinzen. Eeuwenoud vuil hecht zich aan muren, daken, gebouwen. Ook dat zou je veel te denken kunnen geven, zelfs zonder thee. Ach, het materiële dat tot rust gekomen is, en dat nu zonder eerzucht en zonder toekomst voort mag leven, doet nooit tevergeefs een beroep op de romanticus’ (p. 9).

Wat blijft daarvan over nu heel de wereld het reinheidsideaal van Singapore navolgt?

Andere verschillen:
Ik ben geen zeven dagen in Istanboel geweest, maar vier.
Ik was er niet met een partner, maar alleen, en ik heb geen gids in de arm genomen, zoals de in het boek optredende Mr. Oral Edip.
Ik heb geen kwartels gezien of gegeten (‘We bestelden iets vooraf en kwartels voor de hoofdschotel: het sterft hier van de kwartels’, p. 24).
Ik heb wel een boottocht over de Bosporus gemaakt, maar niet naar de Prinseneilanden in de Zee van Marmara (p. 11); ik ging de andere kant op, naar de Zwarte Zee.
Ik ben niet naar het Maritieme Museum gegaan (p. 105; wat moest hij daar in godsnaam?) maar naar het Museum voor Turkse en Islamitische kunst.
Ik zag dansende derwisjen, die in de roman niet voorkomen, maar ik heb – tot mijn grote spijt – geen buikdanseres gezien (p. 103); wel werd ik de laatste avond naar een nachtclub ontvoerd waar ik ruimschoots voor dat gemis werd gecompenseerd, al kostte het me een vermogen.
Ik had geen hotel ver buiten de stad op een berg, maar een midden in de stad (in de wijk Laleli). Daardoor is ‘de geur van jasmijn, de zang van kippen, krekels en kikkers’ die eveneens Batavia opriepen aan mij voorbij gegaan. Om dezelfde reden zag ik vanuit mijn hotel helaas de skyline van de stad ook niet, noch hoe

‘die zich zo grillig vormt, met minaretten en koepels en palmen, naar een regel schoonschrift uit de koran’ (p. 7)

: een zin die wat mij betreft kan wedijveren met Multatuli’s frase over de gordel van smaragd.

Pagina uit album met calligrafieën van profetische tradities, door Hamdullah ibn Mustafa Dede, ca. 1500.Pagina uit album met calligrafieën van profetische tradities, door Hamdullah ibn Mustafa Dede, ca. 1500.

(Wordt vervolgd)

  • Een link naar een pdf met de volledige tekst van Tropische jaren (140 blz.) inclusief briefwisseling met de uitgever, eigen commentaar, een interview en alle recensies.

 

»

Gevaarlijke oude mannen

Over een uitspraak van Leo Trotski

 

Deze scène uit The Assassination of Trotsky (1972) van Joseph Losey, met Richard Burton als de titelheld, Alain Delon als zijn moordenaar en Romy Schneider als diens liaison Gita Samuels, zag ik toevallig (?) vannacht in het kader van de filmcursus die ik mezelf geef via de Cinema-boeken van Gilles Deleuze. Die bespreekt de films van Losey op pp. 140-144 van het eerste deel.

Een schok van herkenning! Ik had er natuurlijk aan gedacht toen ik deze film, die Deleuze niet noemt, uitkoos, maar niet gerekend op juist deze uitspraak, die op deze lange, lange pagina met gevleugelde gezegdes van de revolutionair schittert door afwezigheid.

‘Ouwe mannen zijn gevaarlijk, als ze oud genoeg zijn’. Voor het eerst haalt Cornets de Groot de spreuk aan in 1981, voor een stuk over Lucebert, als hij zelf nog maar 52 jaar oud is (de leeftijd die ik over een paar maanden hoop te bereiken). 1

Een paar jaar later, in zijn liefdesroman Liefde, wat heet! (1983) geeft hij Narda de spreuk in de mond, in reactie op een opruiend gedichtje van Tuli Kupferberg:

I say government oppose fucking
because old men oppose fucking

I say anyone who hates this poem is jealous
I say come all ye fuckfull

I say fuck is beauty
fuck is God 2

– overigens een gedicht dat Cornets de Groot jaren eerder al bespreekt voor het provoblaadje Iets. 3

Ook in een aantekenboekje met aforismen noteert hij de uitspraak. Hij laat hem daar direct volgen op de spreuk ‘Men is zo jong als zijn minnares’, waarvan hij zich de bron niet herinnert, en die mogelijk uit eigen koker komt. 4 Hierbij mag worden aangetekend dat Cornets de Groots eigen minnares, later zijn vrouw – de Narda uit Striptease en Liefde, wat heet! – 23 jaar jonger was dan hij.

In 1986 schrijft hij in zijn correspondentie aan Jan Elburg: ‘Ik las met veel belangstelling de interviews die je gaf (…) met daarin je uitspraak “De helden zijn moe”, en ik dacht: dat moet Jan niet doen, daar wordt onmiddellijk misbruik van gemaakt: je weet wat helden overkomt als ze moe zijn.’ Je hoort Trotski’s gezegde erdoorheen. In zijn retourbrief geeft Elburg hem onmiddellijk gelijk en maakt er zich met een grapje vanaf; uit de biografie van Van der Vegt weten we inmiddels hoe beroerd Elburg er in die jaren al aan toe was. 5

Hoe anders was Cornets de Groot. In september 1990, balancerend op de limiet, schrijft hij mij, tussen Nietzschebespiegelingen door:
‘Ik overleef dit. Ik wil oud worden: wie oud wordt, overleeft alles, omdat hij gehoorzaamt aan oeroude natuurwetten,- ik zou haast zeggen: aan Nietzsche. “Oude mannen zijn gevaarlijk als ze oud genoeg zijn”, zei Trotsky aan het eind van zijn leven; men móest hem wel vermoorden. In zijn geval had hij gelijk; ik wil het hebben in het mijne.’ 6

Een half jaar later overleed hij, 62 jaar oud. Vandaag, op 3 februari, zou hij 86 geworden zijn.





NOTEN
  1. Zie Notities voor een recensie. ↩
  2. Zie Liefde, wat heet!, Een adembenemend portret, p. 130. ↩
  3. Zie Underground literatuur. ↩
  4. Zie Aforismen, p. 15. ↩
  5. Zie brief 17 en 18 uit de Correspondentie Jan G. Elburg. ↩
  6. Brief 11 uit de Correspondentie RHCdG. ↩

»

Twee akkoorden

Over Mozarts Don Giovanni
Handschrift van 1e maten Don Giovanni  De eerste twee akkoorden in Mozarts handschrift.

 

Irun Scheifes, gewaardeerd schrijver en jazzmuzikant en liefhebber van mijn vaders werk, mailt me weer eens en complimenteert me met de site: ‘van historisch belang’. Wel mag het van hem allemaal wat persoonlijker, wat frivoler, wat minder ‘wetenschappelijk’. Om te beginnen: wie ben ik en wat is mijn relatie tot mijn vader?
Ik antwoord hem dat hij het persoonlijke niet moet zoeken in privéfeiten, maar dat het een kwestie van perspectief is. Anders gezegd: het zit hem in de stijl (in brede zin), de invalshoek. En daar zit meteen ook de ‘frivoliteit’. Ja, soms moet je een zin misschien twee keer lezen. So what? Dan lees je hem twee keer. Goed kauwen is je halve eten…

Maar zaterdagavond was ik in het Zuiderstrandtheater en wat ik daar zag en hoorde maakte een hernomen confrontatie met mijn vader en de laatste periode van zijn leven onontkoombaar. Het was een uitvoering van Mozarts Don Giovanni door Het Symfonieorkest. Ik vond het erg leuk om deze opera, die ik zo goed ken, nu eindelijk een keer live bij te wonen. Mijn vader luisterde er in zijn laatste twee jaren veel naar; zijn vrouw gaf hem de cd 1 op zijn ziekbed na zijn ternauwernood overleefde hartaanval, waar hij verslag van doet in zijn laatste publicatie, De robot en het woord (1990), een essay over Luceberts Troost de hysterische robot. 2

‘Het is geen duistere, maar een nachtelijke opera,’ schrijft hij in een van zijn Ongedateerde aantekeningen uit de eerste dagen na dat infarct, ‘een geslaagde aanslag van de hemel op een uitzonderlijk man. 3 Ik associeer vooral de tweede acte graag met de sfeer van de eerste oorlogsdagen, de maskerades, de ontmaskeringen, de gevoelens van wraak en de volksgerichten van toen. Een opera tijdens de verduistering, waarin licht en verlichting gevaarlijk zijn. Maar was Leporello niet blij, toen hij zich, in ‘t duister gesnapt, in zijn ware gedaante kon tonen? Telkens opnieuw moet ik daar aan Osewoudt denken.’

Die laatste opmerking heb ik altijd wat problematisch gevonden, want op welk moment heeft Osewoudt (uit Hermans’ De donkere kamer van Damokles) zich na zijn aanhouding in zijn ware gedaante kunnen tonen? Wat was eigenlijk zijn ‘ware’ gedaante? En werd zijn waarheid in het duister gesnapt zoals bij Leporello, of werd die aan overbelichting prijsgegeven? Toch blijkt die vergelijking met Osewoudt en diens dubbelganger Dorbeck nog zinvol genoeg te zijn.

Een jaar later houdt de opera hem nog steeds bezig. Aan Hans Dütting schrijft hij:

‘Ken jij tussen twee haakjes Mozarts opera Don Giovanni? Ik heb die altijd – en doe dat nog – voor de opera onder de opera’s gehouden. Wat mij daarin het meeste bezig houdt, is de figuur van de door Don Giovanni in een duel om het leven gebrachte commendatore: de vader van een van de vele door deze vrouwenveelvraat belaagde dames. De man krijgt een standbeeld, herleeft daarin en komt als “stenen gast” bij Don Giovanni op een diner. Bij die gelegenheid nodigt hij zijn gastheer uit voor een tegenbezoek. De stenen gast loopt. In de muziek is dat aangegeven door een zeker gestamp: lichtvoetigheid bestaat hier natuurlijk niet.’

En dan:

Omslag boek Heyerdahl over Paaseiland

‘Zoals je weet is er in Brussel kort geleden een tentoonstelling geweest van de beelden van het Paaseiland. Thor Heyerdahl die dat eiland bezocht, vroeg zich af, hoe die beelden van de hak- en houwplaats af naar het strand werden vervoerd. Hij was van mening dat ze over boomstammen naar de plaats van bestemming werden gerold. “Nee,” zei een stamhoofd: “ze wandelden”.
Ze wandelden? Hoe dan? Dat wist het stamhoofd niet. Heyerdahl keek eens naar het voetstuk van zo’n beeld. Dat was niet plat, zoals je zou verwachten, en zoals zeker het geval zou zijn, wanneer ze werkelijk over boomstammen naar het strand waren gerold, nee – het voetstuk was links en rechts enigszins rond afgesleten. Het beeld was naar het strand gewandeld. Het volk dat hem bij die wandeling begeleidde, had hem een paar stevige touwen om het hoofd gebonden, waarmee hij in beweging kon worden gezet, en zo, terwijl men beurtelings aan de touwen trok of die beurtelings liet vieren, kwam hij ten slotte op zijn standplaats terecht. Zo zou ik willen dat de stenen gast in de Don Giovanni zich bewoog: waggelend,- niet lopend: een echte zombie, een robot. Ik was al met robots bezig, voor ik me in Luceberts hysterische robot verdiepte. Ikzelf zou zo’n robot zijn…’ 4

Mozart. Gevraagd naar zijn favoriete componist antwoordde hij eens: Bach is natuurlijk de grootste, maar ik hou meer van Mozart. De vredelievende achttiende eeuw, dat wufte, half-verwijfde sprak hem meer aan dan de grillige maar strenge barok van de calvinist: ‘Ik heb wel es een huilerige bui – maar dat is ook de bron waar mijn aandacht voor Feith en voor de lyricus Staring uit voortkomt.’ 5 De enige keer dat we samen naar de bioscoop gingen was dan ook om Amadeus (1984) te zien, in Amsterdam waar ik toen woonde. We vonden het allebei een schitterende film en ik weet nog dat ik hem iets later enthousiast het Poesjkindeel uit Van Oorschots Russische Bibliotheek liet zien, waarin ik de bron van de Salierilegende had gevonden:

MOZART
… Genie en boosheid zijn
Twee dingen die niet samengaan. Niet waar?

SALIERI
Zou je dat denken?
Strooit vergif in Mozart’s glas
Drink eens uit. 6

Eigenlijk zitten we met deze robot/zombie, dit standbeeld midden in het schema van – ik schakel even – Cornets de Groots schrijverschap, of althans een belangrijk deel daarvan. Want deze figuur komt niet alleen bij Mozart en Lucebert voor, maar ook bij Vestdijk, en wel in een werk dat zijn ideeënvloed vanaf zijn debuut op gang heeft bracht: Aktaion onder de sterren. Vestdijk beschrijft aan het eind van die roman hoe de centaur Cheiron, Aktaions paidagogos, in zijn grot een marmeren beeld houwt van zijn pupil, dat na diens dood zijn spelonk uitzweeft om in het uitspansel zijn plaats in te nemen: een apotheose, een opneming van de heros ‘onder de sterren’. En bovendien een ‘astrologische’ variant van de kosmische metafoor, d.i. de band tussen de schrijver en diens voorstelling van het heelal, een vinding waarmee Cornets de Groot de letterkunde van een nieuw instrument wilde voorzien. 7 Trouwens ook Mulisch en de alchemie hebben hun plaats in dit schema, want wat is de Steen der Wijzen anders dan dit tot stilstand gekomen leven, waar toch nog beweging in zit? Het is de literatuur zelf:

‘De dood is onmiddellijk poëtisch, want de dode is van een andere soort werkelijkheid dan de werkelijkheid der levenden. De dode is in zekere zin ‘werkelijker’ dan wij: een beeld, geen stroom. Een visie, geen voorwerp meer voor laster of roem, die voorbijgaan in Story of Privé. Hij is voorgoed zichzelf.’ 8

En Lucebert, in ‘Geboorte’, uit Troost de hysterische robot:

Het wordt niet gehoord
Noch gezien
Hoe het nog leeft dat wat dood is

Zoals wat werd verwekt
Niet terstond wordt ontdekt.

Wat de Don Giovanni nog betreft: zelf werd ik altijd getroffen door de twee akkoorden waarmee de opera begint, en ik vertelde hem dat. In zijn dagboek schreef hij daarover:

‘Wij praten over Mozarts Don Giovanni. “Die twee accoorden,” zegt hij. Ook ik heb dat altijd schitterend gevonden. Twee accoorden. Waarom twee – waarom geen negen, zoals in Verdi’s eerste opera Don Carlos?
Twee. Er zijn twee bedrijven; het zijn de zuilen waar de opera op rust, de degens, die worden gekruist, en die niet alleen het lot van de commendatore bepalen, maar ook dit van don Giovanni.
Twee accoorden. “Ze vormen het begin van de ouverture. Twee angstaanjagende tonen, angstaanjagend,- indien al niet voor de echte don Giovanni, dan toch voor de don Giovanni, die in de hoorder huist. () Ze komen immers terug die tonen, later, wanneer de stenen gast don Giovanni oproept berouw te tonen of ten onder te gaan. Twee accoorden. De eerste beeldt de aanklager uit, de tweede de rechter. De eerste zegt: heb jij dat gedaan, don Giovanni? De tweede wijst vonnis. No? Si.”’ 9

Zijn commentaar: ‘Over opera praten zonder de muziek door te lichten met behulp van de tekst.’ Het is het enige voorbeeld van mijn ‘essayistiek’ uit die dagen – ik was 27 – dat tot zijn werk is doorgedrongen.

Ook in Amadeus wordt de Don Giovanni Mozarts ‘blackest opera’ genoemd. Salieri vergelijkt de figuur van de commendatore met Leopold Mozart, Wolfgangs overheersende vader:
 

 
Cornets de Groot, over die relatie:

‘Donna Anna, treurend over haar vader, die de hysterische robot van don Giovanni werd, donna Anna: “Waar is mijn vader heen?”
Maar wat bestaat er dan tussen donna Anna en don Giovanni? Een don Juan zou, in tegenstelling met wat hier gebeurt, immers op zoek zijn gegaan naar zijn moeder-imago. Dat dat hier anders is, bewijst dat de Don Giovanni niet gecomponeerd en niet gezien is van don Juan uit. De Don Giovanni is gezien met de ogen van een kind, dat zijn vaders dood beweent. De zoektocht van donna Anna naar don Giovanni is een Vatersuche.’

Toch blijft de vraag open: gaat het wel om een vader? Of gaat het, inderdaad zoals bij Osewoudt, om een dubbelganger, een ‘double’? Uit de literatuur is bekend wat er gebeurt met mensen die hun double tegenkomen: ze moeten het met hun dood bekopen.

Intussen had mijn vader na zijn infarct aan twee werelden deel:

‘Je voelt je opeens opgepakt en weggezet van “hier” naar “daar”, naar een nieuwe wereld, waar alles net een tikkeltje anders is dan in die oude, waarop je de aansluiting helaas kwijt bent, terwijl je op de nieuwe geen aansluiting weet te vinden. Díe logica ken je nog niet. Maar moet je daar zo ondersteboven van zijn? Roekeloos of voorzichtig probeer je terug te keren naar “hier”, ook al ben je een deel van dat andere, nieuwe, dat jij niet los laat en dat jou niet loslaat. Natuurlijk is dat allemaal maar theorie, dat verplaatsen van “hier” naar “daar”; je bent immers “hier” gebleven, je geneest ook “hier”. Maar in de geest genees je “daar” met de dingen van “daar” en je terugkeer in het land der levenden is de komst van een vreemde. Met een blik van: “O, je denkt natuurlijk dat je weg bent geweest. Nu, dat is misschien niet helemaal waar”, maken de mensen je verlegen.

De commendatore, mijn grote voorganger: gestorven en als een robot teruggekeerd onder de levenden. Om don Giovanni, zíjn stenen gast, zijn “double”, te gaan halen.’ 10

Of gaat het toch om de geboorte van een ster? ‘Van historisch belang’…

 





NOTEN
  1. De uitvoering die mijn vader beluisterde, met Kiri Te Kanawe onder leiding van Colin Davis (hij noemt hem per abuis David Collins) kan hier worden beluisterd en bekeken. ↩
  2. De robot en het woord. ↩
  3. In een noot geeft hij er een citaat van Nietzsche bij: ‘Een don Juan wordt naar de hel gezonden, dat is zeer naïef. Heeft men wel opgemerkt dat in de hemel alle interessante mensen ontbreken?’ ↩
  4. Brief 64 aan Hans Dütting, 24 juni 1990. ↩
  5. Zie Ik. ↩
  6. Uit Poesjkin, ‘Mozart en Salieri’, Verzameld proza en dramatische werken, Amsterdam 1957, p. 125. ↩
  7. Zie met name De artistieke opbouw van Vestdijks romans en Bikini. ↩
  8. Nawoord bij Heren zeventien, p. 51. ↩
  9. Intermezzo 3 – ongedateerde aantekeningen. ↩
  10. Idem. Het is opvallend hoe alles ten slotte bij elkaar blijkt te horen, want Joseph Losey maakte van de Don Giovanni in 1979 een prachtige film. En wat zegt Deleuze over de karakters van Losey, in het bijzonder over de niet-Jood Mr. Klein (Alain Delon) uit de gelijknamige film, die zich aan het eind van de film naar Auschwitz laat deporteren:
    ‘But what is peculiar to Mr Klein is that the violence of the impulses which dwell in him draw him into the strangest becoming: taken for a Jew, mistaken for a Jew under the Nazi occupation, he begins by protesting, and puts all his gloomy violence into a court inquiry, in which he wants to denounce the injustice of that assimilation. But it is not in the name of the law, or of a recognition of a more fundamental justice, but purely in the name of the violence within him that he gradually makes a decisive discovery: even if he was a Jew, all his impulses would still be opposed to the derived violence of an order which is not theirs, but the social order of a dominant régime. So that the character begins to assume that state of Jewishness which is not his own and consents to his disappearance among the mass of Jews led off to their deaths. It is exactly the becoming-Jew of a non-Jew. The role of the double [cursivering RHCdG] and the course of the court inquiry in Mr Klein has been widely commented on. To us these themes appear secondary and subordinate to the impulse-image, that is, to the static violence of the character, whose only outlet in the derived milieu is a reversal against himself, a becoming which leads him to disappearance, as to the most overwhelming assumption of responsibility.’ Deleuze, Cinema I, Continuum Edition, p. 142. ↩

»

Kouwenaar en de vierde dimensie

Gerrit Kouwenaar 1923-2014

 
Kouwenaar met achter zich een foto van Lucebert Kouwenaar met achter zich Lucebert.
 
Over de deze maand op 91-jarige leeftijd overleden Gerrit Kouwenaar zou ik kort kunnen zijn: hij komt in Cornets de Groots werk vrijwel niet voor. Alleen is dan de vraag natuurlijk waaróm niet, zeker gezien deze passage uit een ongepubliceerde tekst uit 1959, drie jaar voor Cornets de Groots debuut:

‘Ik beschrijf hen als één groep; dat is gerechtvaardigd. Werpt men mij tegen, dat men Kouwenaar apart moet bekijken en Lucebert ook, dan antwoord ik, dat ik dat niet kan, om de doodeenvoudige reden, dat Kouwenaar Kouwenaar niet is zonder Lucebert en Lucebert Lucebert niet, zonder Kouwenaar.” 1

– waaruit in elk geval blijkt dat in 1959 de Vijftigers nog niet met elkaar werden vergeleken, maar met de lyriek die zij afwezen. Pas later zouden vooral Lucebert, Elburg en Schierbeek zich voor Cornets de Groot uit de groep losmaken:

“[Vinkenoogs] bloemlezing Atonaal zette me later op het spoor van de andere Vijftigers, van wie Campert, Claus, Lucebert en Koos Schuur het meest tot mijn verbeelding spraken. Met Kouwenaar voelde ik me minder op mijn gemak: ik hield hem eerder voor een prozaschrijver, toen – hoewel: Schierbeek was een prozaïst, wiens Het boek ik me overrompelde: ik kende hele fragmenten daarvan uit mijn hoofd.” 2

En inderdaad, afgezien van zijn talrijke publicaties over Lucebert en (in mindere mate) Jan Elburg schreef hij over Vinkenoog drie essays, over Claus een, over Campert en Kousbroek elk althans nog een half, 3 maar over Kouwenaar alleen een enkele korte, uit geldnood geboren recensie. Dat zegt weliswaar niet alles, want ook aan de genoemde Koos Schuur en aan Rodenko, die hij wèl waardeerde 4 schonk hij geen aparte aandacht.

Een tip van de sluier wordt opgelicht door de volgende uitspraak, in die typische Cornets de Groot-stijl die à la Paul Schiltkamp 5 de kool en de geit lijkt te willen sparen, maar alleen om wat werkelijk gezegd wil worden recht door het midden te sturen:

“Deze gedachte herinnert me er trouwens aan dat ik eens toevallig een bemoedigend woord van Gerrit Kouwenaar gelezen heb, die stelt dat men gemakkelijk eksperimentele poëzie kan lezen, mits men zijn mitologiese, filosofiese en andere handboeken maar het raam uitgooit…” 6

Daarvan kon bij Cornets de Groot met zijn boeken over alchemistische en astrologische invloeden op literair werk natuurlijk geen sprake zijn.

Omslag Landschappen en andere gebeurtenissen

Alleen in januari 1975, ter gelegenheid van de bundel Landschappen en andere gebeurtenissen – een antwoord op Luceberts mooi uitzicht & andere curioziteiten? – verscheen dan die ene recensie, zijn eerste voor het tijdschrift Bzzlletin, vlak na de scheiding van zijn eerste vrouw in een periode waarin hij nauwelijks tot schrijven komt; 7 het baantje zal hij wegens geldgebrek hebben aangenomen, misschien ook om de jonge uitgeverij te steunen. Hoe dan ook: de grote afwezige duikt juist op wanneer de kans daarop het kleinst is.

De positieve kwalificaties liegen er weliswaar niet om: een ‘indrukwekkend stuk werk’, een ‘sublieme reeks gedichten’, ‘aangrijpend’. 8 Maar het zijn termen uit een hem doorgaans vreemd recensentenvocabulaire die gebrek aan werkelijke belangstelling misschien moeten verhullen. Want de bezwaren blijven, ook daarna. Nog een jaar voor zijn dood schrijft hij:

“Hij werd me snel te analytisch, en wel al te snel een voorbeeld voor de jeugdige poëet. Ik volg hem al jaren niet meer, al behoudt hij vaak iets joviaals dat voor hem inneemt.” 9

Een voorbeeld van dat joviale is dan misschien dat ene motto uit ‘Slaapliedje’ (1964) dat in Intieme optiek bovenaan een lange beschouwing over de Beatrijs staat:

Of wij nu links of rechts zijn
wij gaan slapen
omdat wij moe zijn 10

waarmee hij wilde benadrukken dat menselijke verrichtingen die ook natuurverrichtingen zijn, prevaleren boven uitingen van de geest – reden waarom hij Beatrijs, met haar zinloze geruk aan klokkentouwen, een ‘dwangneurotisch typetje’ kon noemen: in alle opzichten het tegendeel van wat Kouwenaar in zijn inleiding tot het boekje Vijf 5-tigers ‘de mens van vlees en zenuwen’ had genoemd. Díe verwantschap, met Kouwenaar de Vijftiger, bleef:

“Ik denk, dat de nieuwe poëzie wel degelijk, zoals Kouwenaar zei – al kwam hij er in het boekje Vijf 5-tigers een beetje op terug – met een ‘andere’ mentaliteit van doen heeft. De opvatting dat je aan cultuur doet, wanneer je met een glas cognac voor het open haardvuur bent gezeten, liep er een doodklap aan op.” 11

Allicht moet de verwijdering tussen Cornets de Groot en Kouwenaar worden toegeschreven aan Kouwenaars gang van Vijftig en Cobra naar het gedicht als onpersoonlijk en onzijdig ding, waarmee hij zoveel school zou maken. De daarbij behorende esthetica is dan eerder die van de Nul- of Zerogroep (met Armando, Henk Peeters, Jan Hendrikse en Jan Schoonhoven) dan die van het humanistische Cobra. Hoe opvallend is het dat Lucebert, die Cobra wél trouw bleef, dan in een ‘voor de dichter g.k.’ getiteld gedicht uit de bundel de amsterdamse school schrijft:

we zeiden tegen elkaar
we laten ons niet langer bela
zero (…)

Cornets de Groot, die later bevriend zou raken met Jan Schoonhoven, worstelde met die tegenstelling tussen Cobra en Zero: richtingen die ver uiteenliepen maar die hij beide een warm hart toedroeg. In een artikel over de tekenkunsten van zijn dochter Machteld kwam hij tot een oplossing voor dit probleem:

Body paintings door Yves Klein

“Het is waar dat Yves Klein ooit een naaktmodel in zijn blauwe verf doopte en haar door assistenten over een plat vlak liet slepen, waardoor van de beweging van het model een spoor achterbleef. Klein ensceneert; hij wil niet anders. Maar juist daardoor wordt het mij duidelijk, dat er tussen Cobra en Zero een fase overgeslagen werd: die van de kunstenaar die zelf in een lichamelijk bepaalde ruimte een door het eigen lichaam bepaald kunstwerk tot stand brengt, waarin de vierde dimensie expressief kan meespelen.” 12

Wie met dát gegeven aan Kouwenaar denkt ziet in zijn poëzie het equivalent van die tussenpositie. In regels als:

Je hand is bijna je hond
je huid is bijna je huis
je vorm is bijna je worm
je gedicht is bijna wat je gedacht had

zien we die vierde dimensie in actie. Het is ‘het ogenblik: terwijl’. Zo vertegenwoordigt de in zijn werk zo afwezige Kouwenaar deze lacune tussen levend lichaam en dood lichaam: de tijd zelf.

 

Paneel door Cornets de Groot, ± 1955.

Nul-kunst van Cornets de Groot? Paneel, ± 1955.

 

P.S. Zelf leerde ik Kouwenaars werk pas laat kennen, dankzij zijn ‘definitieve’ verzamelde werk Vallende stilte, waar ik een lang stuk over schreef. 13





NOTEN
  1. De non-conformist van de massa, 1959. ↩
  2. Het woord en de stem, 1970. ↩
  3. Zie Een quiz. ↩
  4. Beluister Cornets de Groots voordracht van Rodenko’s Het beeld en Schuurs Om wat ik van de liefde weet. ↩
  5. De boeddhistisch angehauchte voorstander van ‘het rijk van het midden’ en held van Vestdijks roman De dokter en het lichte meisje, zie hier vier fragmenten. ↩
  6. Van letter tot letter, 1965. ↩
  7. In heel 1975 publiceert hij maar twee essays en zes recensies. ↩
  8. Zie de recensie. ↩
  9. Brief 6 aan H.A. Wage, 1990. ↩
  10. Zie bovenaan Nonnenwerk is monnikenwerk. Zie ook deze voordracht op de site van Canvas (VRT). ↩
  11. Post uit de Herenstraat – Nawoord bij Ontwerp etc., 1985. ↩
  12. Ogen dicht!, 1980. ↩
  13. Zie Proeven van Hineininterpretierung op mijn blog. ↩

»

Van bal masqué tot droommachine

Bij de dood van Hugo Brandt Corstius

 


 

P.C. Hooft, door Jan Lutma Jr.P.C. Hooft, door Jan Lutma Jr.

Het is alweer anderhalve maand geleden dat Hugo Brandt Corstius Jan Hoet 1 achterna ging. Ik had beloofd er een bericht aan te wijden en zo volgt deze blogbiografie dan de waan van de dag als eenmaal de waan van de dag is verstreken – nogal anders dus dan Brandt Corstius in zijn hoogtijdagen.

Eén keer maar hebben ze elkaar ontmoet. In een column voor De Volkskrant, een paar jaar na Cornets de Groots dood, vertelt Brandt Corstius:

Hij was toen zo licht dat mijn handdruk hem optilde. 2

Wat hij daarmee precies bedoelde: het is mij eerlijk gezegd een raadsel. Dat Cornets de Groot een klein Indisch mannetje was? Of dat hij een meester was in de ‘kunst van het falen’? Of was het weer zo’n bizarre uitkomst van een aan zichzelf overgelaten denkproces, waarin alleen wat logische operatoren de dienst uitmaakten? Kwaad bedoeld zal het niet zijn geweest, zoals wellicht niks kwaad bedoeld was door Brandt Corstius, deze stille getuige van het werk van alter ego’s – het werd alleen maar kwaad ontvangen.

In een eerdere Volkskrantcolumn, van maart 1989, figureert Cornets de Groot met o.m. Hugo Claus, Remco Campert en Rudy Kousbroek in een groep van zes schrijvers van wie het geboortejaar 1929 de belangrijkste noemer is, plus het feit dat Battus zegt ze graag te lezen. 3 Het is een typische Battuscolumn, waarin met behulp van de verzamelingenleer uit een enkel gegeven even oppervlakkige als verstrekkende conclusies worden getrokken. Hoewel Battus vergeet te vermelden dat niet alleen Kousbroek in Indonesië is geboren, was Cornets de Groot bijzonder ingenomen met de column, – zozeer zelfs, dat hij hem liet inlijsten en in zijn Leidse woning op de wc ophing. Ik vond dat destijds nogal veel eer. Zo blij te zijn om er zo bekaaid van af te komen – was zijn behoefte aan erkenning dan zo groot?

Of ging het hem ook om iets anders? Misschien komt het door deze column dat Cornets de Groot dat geboortejaar 1929 als uitgangspunt nam voor zijn studie over de dichter-zanger Speenhoff, die in dat jaar op toernee ging door Nederlands-Indië. In zijn ‘zelfportret met liedjes van Speenhoff’, geschreven in de maanden na Battus’ column, schrijft hij: ‘Toen Speenhoffs zon voor de laatste keer rees, ging die van Soekarno voor het eerst onder. 4 Maar het was die zon, die deze baby tot een tijdgenoot maakte van Speenhoff en Soekarno.’ 5 En waar hij het jaar 1929 vroeg in zijn oeuvre nog een ‘gedenkwaardig krisisjaar’ 6 noemt, daar spreekt hij in zijn laatste werk over dat geboortejaar als over ‘het wonderjaar 1929’. 7 Alsof aan het puur formele principe waarmee Battus zijn column ordende op deze manier alsnog betekenis voor eigen werk kon worden verleend.

Bij welke gelegenheid beiden elkaar hebben ontmoet weet ik niet, al ligt het voor de hand dat dit in het kader van de geruchtmakende PC Hooftprijs van 1984 is gebeurd, waarvoor Cornets de Groot een van zijn weinige jurylidmaatschappen bekleedde. 8 Dat jaar veroorzaakte de prijs nogal wat rumoer toen de verantwoordelijke minister de nominatie van Brandt Corstius naast zich neerlegde, omdat Brandt Corstius ‘het kwetsen tot instrument had verheven’ (lees: minister Ruding met Eichmann had vergeleken). De prijs werd daarop twee jaar lang niet uitgereikt en verloor de status van staatsprijs; in 1987 werd hij in nieuwe vorm alsnog aan Brandt Corstius toegekend.

Het lijkt niet aannemelijk dat de nominatie van Brandt Corstius op voorstel van Cornets de Groot tot stand is gekomen. De jury, onder voorzitterschap van Cornelis Verhoeven, bestond naast een ambtelijk secretaris verder nog uit Cyrille Offermans, Kees Verheul en K. Schippers. In zo’n gezelschap voelde Cornets de Groot zich doorgaans niet geroepen om zich te laten gelden, tenzij het onderwerp of de gelegenheid hem bijzonder aan het hart ging. Daar viel een literaire prijs waarschijnlijk niet onder: voor de Essayprijs van de gemeente Amsterdam van 1971 ging hij doodleuk akkoord met de toekenning aan een boek van literatuurwetenschapper T.A. van Dijk, van wie hij in dezelfde tijd een andere publicatie de grond in boorde. 9

Hugo Brandt Corstius neemt op 3 juni 1988 in de aula van de Koninklijke Bibliotheek in 's-Gravenhage de geprivatiseerde P.C. Hooft-prijs in ontvangst. [Bron: DBNL]
Cornets de Groot verdedigde zijn instemming met de voordracht van Brandt Corstius wel.

En nu herinner ik me, dat Hans [Dütting] me vroeg, waarom ik zo dwaas was geweest, in te stemmen met de toekenning van de P.C. Hooftprijs aan Brandt Corstius.
Ja, waarom?
Omdat al zijn personages van Stoker tot Piet Grijs van ieder bal masqué een succes maken. Omdat hij van computers droommachines maakt, en van sprookjes satires. Omdat hij op kinderlijke wijze uiterst rationeel kan zijn, en op leugenachtige waarheidlievend. Je zou kunnen zeggen: maar dan moet hij de Multatuliprijs krijgen. Nu, die kreeg hij ook. 10

En:

Piet Grijs, Stoker, Battus… Daarom is die Multatuliprijs zo passend. Multatuli schreef ook onder pseudoniemen. Multatuli is daar een van, maar ook Sjaalman en Droogstoppel. 11

In een veel vroeger artikel uit 1971, onder de passende titel Hebben literaire prijzen nog zin? 12 wijst hij erop dat voor Beatrijs het hebben van een naam voorwaarde is voor erkenning:

Het is () opmerkelijk dat voor Beatrijs het tij pas keert, wanneer ze eindelijk, na 14 jaar, besluit uit bedelen te gaan. Pas daarna immers wordt haar openbaar gemaakt dat ze als heilige hoer door de moedermaagd in evenwicht wordt gehouden. Het is een mirakel – een prijs die de kosteres toevalt uit erkentelijkheid voor haar innerlijke trouw. En het verdient een beetje onze aandacht, dat ze pas na de verkrijging van genade voor het eerst met de naam Beatrijs wordt aangeduid: men reikt nu eenmaal geen prijzen uit aan iemand die anoniem is, of dat wenst te zijn – want een prijs is een onderscheiding en onderscheidingen reikt men uit aan wie zich bewust willen onderscheiden.

En hij voegt eraan toe:

We kunnen er niet blind voor zijn dat tal van schrijvers van wie ik alleen Vinkenoog en Vaandrager noem, hebben gezocht naar het boek dat een niet-schrijver, Jan Cremer, schreef. Daarom werd zijn boek ook bekroond, en naar mijn mening niet omdat het ‘individualistisch’ is, ook al heet het opzichtig en diplomatiek Ik, Jan Cremer.

Het is dus merkwaardig dat Cornets de Groot zelf nooit in de prijzen is gevallen. Hij kwam er toch meervoudig voor in aanmerking:

  • BOUWEN BAKE – pseudoniem als dichter van ‘pornografische sonnetten’. Een ‘rond 1940 overleden Zeeuw’, resp. ‘aanbrenger van geuzen in ‘t Antwerpse in de jaren ’60 van de 16e eeuw’. 13
  • A.R. RONIN – als auteur van provoïde schotschriften. ‘Ronin is de naam, zei hij bij de eerste ontmoeting. Nee, niet op z’n frans, ronin is japans – een ronin is een samoerai die de dienst van zijn heer verlaten heeft, en rondzwerft door het land, in de hoop emplooi te vinden in een burgeroorlog‘. 14
  • THÉODORE DE ST. JUSTE MILIEU – als auteur van stukken in de Gele Vellen. Een ‘tegenstrijdige figuur, die in allerlei gedaantes optreedt. Hij is revolutionair èn (zoals zijn naam ook al zegt) bourgeois satisfait. Bovendien is hij heilig. Daardoor onttrekt hij zich aan de gebruikelijke maatstaven. Hij is een verschijnsel.’ 15
  • COR GROOTSTENDE – anagram van Cornets de Groot en alter ego in Striptease. ‘Kees Grootstende, Cor, voor vrienden’, ‘groot wichelaar’, ‘vriendelijk handelsman’, literatuurvorser. ‘Stond toen op het punt naar Djakarta te vertrekken, en ik heb in jaren niets van hem gehoord.’ 16
  • SIMON LUCARD – uit onderdelen van Vestdijk, Lucebert en Narda samengesteld pseudoniem van de auteur van de roman Liefde, wat heet! ‘Het viel mij ook al op dat de naam bij omkering verwees naar de maagdebloedzuiger. In sommige godsdiensten wordt de duivel beschouwd als een omgekeerde god, een deus inversus. Lucard zou zo beschouwd een omgekeerde duivel zijn, een diabolus inversus, en dus een God, een schepper.’ 17

 

Brief VN





NOTEN
  1. Zie de vorige blogpost over de Vlaamse kunstpaus. ↩
  2. Zie Battus’ column Hoe men een boek niet moet lezen. ↩
  3. Zie Battus’ column Een half dozijn geachte duo’s viert een gros lustra. ↩
  4. Onafhankelijkheidsstrijder Soekarno werd dat jaar gearresteerd door het koloniale bewind. ↩
  5. De dichter-zanger J.H. Speenhoff of zelfportret met liedjes, p. 13. ↩
  6. Zie de inleiding tot De open ruimte. ↩
  7. Zie hoofdstuk 3 van We’ll meet again some sunny day en de dagboekaantekening van 10 september 1990. ↩
  8. Zie het overzicht van literaire prijzen van het Letterkundig Museum. ↩
  9. Zie Intieme optiek, p. 13-15. ↩
  10. Dagboek, 2 januari 1986. ↩
  11. “Van elke drie leerlingen is er één leraar”. ↩
  12. Hebben literaire prijzen nog zin? ↩
  13. Zie Bouwen Bake. ↩
  14. Zie Een onroman een bitterboek, p. 146. ↩
  15. Zie de inleidende verantwoording bij de Gele vellen. ↩
  16. Zie Striptease, 18/2, Girl picture album foldout, 20/2 en 22/3. ↩
  17. Zie Brief 6 aan Hans Dütting. ↩

»

Cornets de Groot en de beeldende kunst

 


 

Goed, we zouden hier gaan bloggen en dat betekent dat we, naast de afleveringen van de blogbiografie in wording, zullen reageren op de actualiteit wanneer die daar aanleiding toe geeft.
Vandaag wordt het nieuws beheerst door het overlijden van Jan Hoet, de oprichter van het SMAK in Gent, waar ik stomtoevallig morgen met een aantal Vlaamse vrienden voor de tentoonstelling RE:Painted heb afgesproken.

Hoet komt in het werk van Cornets de Groot voor dankzij de tentoonstelling Europese kunst na ’68 uit 1980, waarover hij vertelt in de video hierboven. Cornets de Groot vertelt erover in een aflevering van zijn Gele vellen, 1 die hij later omwerkte tot een hoofdstuk van zijn roman Liefde, wat heet! 2

 

Yannis Kounellis, 'Zonder titel', 1980. 260 x 66 x 35 cm, natuursteen, palet, sporen van vuurhaard.Yannis Kounellis, ‘Zonder titel’, 1980. 260 x 66 x 35 cm, natuursteen, palet, sporen van vuurhaard.

Over dit werk van Yannis Kounellis schrijft hij:

Jongensdromen waren het allemaal, de dingen die ik zag. Ik noem er nog één: een zaal van 15 bij 30 m en zeker 5 m hoog. Witte muren en zoldering, een rood geplaveide vloer. Een open ruimte, leeg. Maar in een hoek staat een ingestort stenen komfoor voor houtskool: wie heeft het zo inderhaast verlaten? Tegen de smetteloos witte muur heeft zich roet afgezet, en daarboven, aan een spijker, hangt een zojuist gereinigd houten palet. Tekens van een prometheïsch leven…
Je mag er niet in, in die zaal van Yanis Kounellis. Een ketting verspert de toegang. Want men kan met dromen niet omgaan als met dingen. Maar men kan dromen maken tot onaanraakbaar monument: de verbeelding bereikt het object, als Mozes het Beloofde Land.
Kunstenaars! Die weten pas wat je je zintuigen moet voorschotelen! 3

Ooit, in de jaren vijftig, en net als Jan Hoet, wilde Cornets de Groot beeldend kunstenaar worden. ‘Ik wilde met alle geweld beeldend kunstenaar worden. Ik heb er het talent niet voor, maar ik probeerde het wel. Het was de tijd van het begin van de Vijftigers en de opkomst van blaadje als Braak en Blurb en Reflex. Die kreeg ik per toeval eens een keer in handen en dat vond ik erg interessant, omdat dat natuurlijk ook beeldend kunstenaars waren. Mensen als Lucebert en Jan Elburg. Ik ben me toen voor literatuur gaan interesseren.’ 4 Zijn kennismaking met literatuur verliep dus via de beeldende kunst: die was primair. Hij gaf zich op voor een studie Tekenen aan de Haagse Academie voor Beeldende Kunst en volgde een cursus ‘Decoratief Schilderen’. Maar:

‘(1960) Ik ben ‘t me heus wel bewust dat dit zo niet blijven kan, en ik zal dus naar andere mogelijkheden moeten zoeken. Als ik jong was, zou ik ernst kunnen maken van mijn sluimerende tekentalenten. Ik ben echter getrouwd en in de winter moeten er kranten aan te pas komen, omdat ik geen dekens blijk te hebben. Armoe genoeg dus, en ik heb de pest aan armoe. Twee jaar al studeer ik geschiedenis, als er stemmen opgaan die met de nodige nadruk de zinloosheid van zo’n studie verkondigen: er is geen droog brood mee te verdienen. Wèl hield ik met deze studie op, maar niet omdat er niets mee te verdienen valt: wie studeert er nu voor geld? Vroeger deden dat alleen de hoofdaktemensen – daar kan ik me onmogelijk mee vergelijken, is ‘t wel? In de haast om dit idiote baantje eindelijk op te geven, haal ik een lagerakte tekenen, maar ook met die halvegare papieren kunnen ze de grachten wel dempen hier. Ik heb dus niets om wat dan ook te beginnen! (1960).
Niets dan pen en papier, een beetje verstand en een hoop chaotiese ideeën. Daarmee moet ik het kunnen maken…’ 5

Pas veel later, in de jaren tachtig, komt zijn lagerakte Tekenen nog van pas, wanneer hij op zijn school naast Nederlands ook in dat vak enkele uren geeft.

Aan een studente die onderzoek doet naar zijn werk schrijft hij rond ’75: ‘Mijn leven is rustig, en ik hoop ‘t zo nog een tijdje uit te houden, – een artist is er aan mij in ieder geval niet verloren gegaan.’ 6 Maar wanneer hij voor zijn autobiografische romans Liefde, wat heet! en Tropische jaren een alter ego moet ontwerpen, geeft hij die figuur, Leo de Brauw, het beroep van kunstschilder. In het boek vertelt De Brauw:

Eens kreeg ik een boek vol naakttekeningen in handen, Il nudo nel disegno europeo. Het kon me niet schelen wat het kosten moest. Ik wilde dat boek hebben, en geen ander. Het leek me verrukkelijk zó te kunnen tekenen – je een wereld in te richten, vol moois dat je zelf gezien of gefantaseerd had. Een wereld, vergeleken waarbij de grot van Monte Cristo een krot was. Dat wilde ik leren, tekenen, zó tekenen dat het leek of er leven in zat, of er geen dood bestond. 7

 

Tekening van Antoine Watteau uit 'Il Nudo nel Disegno'.Tekening van Antoine Watteau uit ‘Il nudo nel disegno europeo’.

 

Hoe Cornets de Groot op het spoor van dit boek is gekomen is niet bekend. Het bevat een keur aan gezond ogende naakten van Europese kunstenaars door de eeuwen heen, uitgegeven in het fascistische Italië in het oorlogsjaar 1944…

In Tropische jaren vertelt De Brauw hoe hij het boek aan een zekere meneer Mohr laat zien.

Toen ik hem eens mijn boek Il nudo nel disegno europeo toonde, bekeek hij dat met aandacht. Hij krabde zich op de kale kop, keek over zijn brilleglazen mijn richting uit en kneep zijn lippen samen. Toen vroeg hij: ‘Interesseer jij je hiervoor?’
’0 ja,’ zei ik. ‘Zo zou ik ook wel willen tekenen.’
‘Goed, dan zal ik je dat leren,’ zei hij. En hij stond op en pakte een map en toonde me een paar etsen en tekeningen. ‘Bosboom… Junghuhn… Spies…,’ zei hij, even achteloos als trots.
Hij haalde boeken uit zijn kast en liet me zien wat Rembrandt gemaakt had, en Vermeer, plaatjes die ik wel kende uit andere boeken. Maar hij versloeg me, toen hij met een paar impressionisten kwam: Manet, Monet. Ik was verpletterd. Niet in het minst door de dingen die hij over hun werk vertelde, en over het licht daarin. En dat het afgelopen was met goden en godinnen, helden, heiligen met flauw vallende ogen, boeren en hun verhaaltjes. 0, niet dat er opeens ruimte kwam voor gewone mensen, hoewel – maar er was ruimte gekomen voor het schilderen zelf. Voor de muziek, de poëzie ervan.Toen ik de volgende dag kwam, stond er een gipsen tors van een vrouw voor me klaar. Die moest ik natekenen. Hij had er een schijnwerper op gezet, zodat het spierwitte beeld aan de niet belichte kant een uiterst genuanceerd schaduwspel liet zien. Op van dat grauwe oorlogspapier en met een pijp houtskool van de kokki ging ik aan de slag. En het werd natuurlijk niets.
‘Je schuift een paar zenuwachtige lijntjes aan en tegen elkaar. Schetsen noem je dat, maar het is onwetendheid. Een lijn is driftig weet je, of ontspannen of zwoel. Zoekend of doortastend, maar nooit karakterloos. Dit zijn karakterloze lijntjes. Er zit geen aarzeling achter, maar ook geen weten. Dan is het dus niks: lijntjes van iemand die geen idee heeft wat hij doet. Zie je trouwens lijntjes? Ik niet. Ik zie licht. En schaduw, geen lijntjes.’
Of: ‘Je verliest je in details, lieve jongen. Je moet de hoofdzaak eerst klaar voor ogen en vooral op papier hebben. De verfijningen, die schaduwen en schaduwtjes komen heus later wel.’
Of: ‘Heb je nou wel in de gaten hoe hard dat hout is, hoe zacht die stof? Je oog is een tastorgaan, zoals je nu wel weet, maar je handen zijn dat ook. Voel nou eens hoe hoekig dit is, hoe glad geslepen dat staal. Hoe kun je de hardnekkigheid der dingen kennen als je er niet op afgaat?’
Of: ‘Je moet werken. Je moet je inspannen. De muzen vergen het uiterste. Dat moet je willen geven.’
Het liefst werkte ik naar aanleiding van een stilleven. ‘Vervorm de dingen maar,’ zei hij. ‘Dik hun karakter aan, of doe het juist geweld aan.’
Hij bracht een zeldzame ontmoeting van vruchten, bloemen, kratten, kippegaas en jutezakken tot stand in zijn stillevens.
‘Weet je, anatomie, perspectief – die bestaan alleen in de verhitte geest van de westerling en nergens anders. Nergens! Zie jij anatomie in deze wajangpop? Toch is hij door een rasartist gemaakt.’ Hij toonde me de pop en bezong die.
Ik dacht lang na over zijn woorden. Geen anatomie, geen perspectief. Het lokte mij aan, het lag in mijn aard, maar ik wou dat andere – Indo, die ik was!
Thuis kopieerde ik ijverig uit het Italiaanse boek, en uit mijn hoofd tekende ik de openvallende bloesjes van Bea. Ik dacht altijd met heimwee aan die bloesjes, en met heimwee zette ik hun vulling op papier. 8

 

Heer horrorTekening bij notities over Luceberts gedicht ‘horror’.

 

Cornets de Groot is altijd blijven tekenen. Zijn manuscripten, in de marge gelardeerd met talloze vrouwenfiguren, getuigen ervan. Hoewel hij liefhebber was van twee zeer uiteenlopende richtingen in de Nederlandse beeldende kunst, het wilde, dionysische van Cobra en het zakelijke, apollinische van Nul met vooral Jan Schoonhoven, draagt zijn eigen werk vooral de sporen van het kubisme, waarin het ‘mobiele oogpunt’ hem aantrok: een manier om het weer te geven object van alle kanten af te tasten, als een kunstenaar zijn beeld, of geliefde. Ook de lijnvoering in zijn portretten wijst op de invloed van met name Picasso en ook van Matisse.

Op de vraag wat er ten slotte van Cornets de Groots kunstzinnige aspiraties is overgebleven geeft hij zelf in De kunst van het falen het volgende antwoord, wanneer hij op de kwalificaties wijst die zijn schrijverij hem in de kritiek hebben opgeleverd:

‘Over de artistieke aard van mijn werk [bestaat] geen verschil van mening bij de critici: () anti-essay (Marcel Janssens), experimenteel essay (Georges Wildemeersch), creatief betoog (J.J. Oversteegen), artistiek essay (H. Doedens). Bij alle verscheidenheid in woordkeus lijken het synoniemen.’ 9

—o0o—

De pagina Grafisch werk biedt een overzicht van Cornets de Groots teken- en schilderkunsten. Een overzicht van zijn beschouwingen over beeldende kunst:

 

Stilleven met buste, flessen en fruitCornets de Groot, ongetiteld, olieverf op doek, 50 x 70 cm, 1955. Klik op de afbeelding voor een vergroting.



NOTEN
  1. Memoriaal. ↩
  2. Het zesde hoofdstuk, getiteld Hedendaagse kunst. ↩
  3. Liefde, wat heet!, p. 34. ↩
  4. Interview over Tropische jaren. ↩
  5. Een onroman een bitterboek, p. 150. ↩
  6. Geachte mejuffrouw. ↩
  7. Tropische jaren, hoofdstuk VI, p. 41. ↩
  8. Tropische jaren, hoofdstuk VIII, p. 53. ↩
  9. De kunst van het falen, Inleidend, p.27. ↩

»