[p. 1]
Nu ik het vorige dagboek – de weekagenda groot formaat – gelaten heb, voor wat het is, bekruipt me toch het gevoel dat iemand krijgt die iets waardeloos, maar tóch: iets dierbaars meegegeven heeft aan de vuilnisman. Een envelop met een bijzonder stempel, een kranteknipsel, een foto. Flarden van leven uit een leven van niks – voor de buitenstaanders.
Eergisteren ben ik met Rutger naar de Ermitage-tentoonstelling1 geweest: het is toch jammer daar niets van over te houden dan een steeds vager wordende herinnering aan de ergernis over drommen mensen, geïrriteerde suppoosten, de gebrekkige voorlichting (ik kocht geen catalogus) – een dagboek moet.
Ermitage – een tentoonstelling van het overbekende. De hoenderhof van Hondecoeter, het binnenhuistafereel van De Hoogh; Rubens, Both, Potter, Rembrandts Flora: dat heb je al duizend keer gezien. En ook wat je nooit gezien hebt, heb je toch duizend keer gezien. Je herkent dat: dat grote gebaar, die zwier van de renaissance in Holland en Vlaanderen, de hanigheid van de man in die tijd. Je vindt dat bv. in dat schilderij (van wie?) waarop de schilder éen ruiter afbeeldt, heel sinjeuraal, en een landman, die in een kar heel behoedzaam zijn paard (en wagen) ment, een helling op. Heren en slaven. Autoritair en nederig gedrag. Het bestaat nog allemaal. De Vondeliaanse alexandrijn, in het picturale. ‘Hoogdravend’ heette dat bij Vondel, vanwege Pegasus, en dat was een kwaliteit, een deugd. Het was vooral een voorrecht. Je ziet datzelfde uitgebeeld in die haan op de hoenderhof. In de stillevens van Kalff. Het is nog iets anders dan platte opschepperij – een streven naar het hogere, waar dan het lagere de tol voor betalen moet. Of is dat toch al anders bij Kalff: die omgevallen rijkdom?
Recht overeind blijft de Black Widow, in een zwart lijfje dat niet zomaar een plek dode verf is – het zwart is heel essentieel voor de compositie – . Zij blaakt van levenslust. De naam van de schilder schiet me niet meer te binnen, maar drukt hij niet hetzelfde uit als Kalff? Waar zijn zij gebleven, die zo genoten hebben van wat ons hier wordt getoond?
Bij Rembrandt ontbreekt dit. Flora is niet nederig, niet hoogdravend, maar even menselijk als zegenrijk. Rembrandt is ook groter dan Vondel en groter dan de Vondels in het schilderkunstige. Dat was toen al zo, in de tijd van Saskia, toen hij steenrijk was, en zijn huis uitpuilde van de attributen, die hij voor zijn werk nodig had. Ik ben niet bereid de kwaadsprekerij over zijn schraapzucht te geloven.
Een andere uitzondering is Ruysdael, bij wie realisme en romantiek éen zijn. Die kolossale bomen, dat kleine mannetje in die ‘Lichtung’. Voelt hij zich geborgen in die weidse natuur? Of bedreigd door zoveel geweld? Bij Ruysdael voel je je geen renaissancist. Je kunt in je eigen eeuw blijven, in huize de Leegte, waar romantiek en realisme, pantheïsme en existentialisme stuivertje wisselen met elkaar.
Ik ben met Rutger ook nog gaan kijken naar de eigen collectie van Boymans, en heb weer eens het verschil gezien tussen zwier (de Renaissance) en gratie (bij de 18e-eeuwers). Datzelfde huis. Maar hier zijn de bewoners vlinders. En meer tijdgenoten van ons, geloof ik. Slauerhoff’s Fin de siècle.2
V.N. met een artikel uit Humo door Herwig Leus. Een interview met de weduwe van Louis Paul Boon. Ze vertelt weinig nieuws, maar toch ook dit, wat ze van een oude bekende citeert: ‘Uw man dat is nogal ne charel geweest, die had 25.000 vrouwen’.
Ze vertelt van zijn Fenomenale Feminatheek – ’t bijhouden ervan was een practisch dagelijks werk voor hem. Zijn liefde voor vrouwen, vooral jonge.
Een hang naar vrouwen, een bestaan waarin geen vrouwengeschiedenis voorkomt. Maar wat is dit anders dan afgunst jegens de playboy Don Juan? Waardoor hij aan de rol gaat – in wat hij schreef of uitbeeldde – met vrouwen die hij in de practijk met rust liet.
Kun je zijn klassenstrijd ook zo zien?
Typerende titel: mijn kleine oorlog.
Typerend type: Reinaert.