Zoiets doet men niet

 


 

Ivoorkleurig tapijt uit Nain, provincie Ispahaan (Iran).(Aanklikbaar) ivoorkleurig tapijt uit Nain, provincie Ispahaan (Iran).

 

Leestijd: tussen de 8 en de 98 minuten

 

Ik woon hier in mijn eigen huis;
nooit heb ik iemand nagedaan
en – ik lach alle meesters uit,
die zonder zelfspot door het leven gaan.
(Nietzsche, motto bij De vrolijke wetenschap).

Een van de neveneffecten van het sociaal worden van de media is dat elke gebeurtenis tot evenement wordt verheven. Dat geldt vanaf de dagelijkse verjaardagen tot aan de aanslag op Charlie Hebdo. Het maakt dat ik de massale steunbetuigingingen direct vanaf het begin met weerzin onderga. Mensen tonen graag betrokkenheid bij dingen waar ze geen betrokkenheid bij voelen, omdat juist dat ‘betere’ mensen van ons maakt: niet-egoïstisch, niet-klein, niet-benepen. En in potentie hebben politieke gebeurtenissen van deze omvang ook dat effect: ze herinneren je eraan dat de wereld groter is dan jezelf; er gaat onmiskenbaar een pedagogische werking van uit. Maar de manier waarop men als op commando in de houding springt en hoe op Facebook de bekende registers worden opengetrokken maakt moedeloos: een steunpagina, een badge, enz. Engagement als lifestyle, als identiteitsbevestiging, als ultiem vignet van burgerdom. Je suis Charlie staat zo voor alles wat niet-onafhankelijk is, niet-tegendraads, niet-Charlie.

En wat staat er helemaal op het spel? In een blogstuk getiteld On Debating Dead Moral Questions schreef de Amerikaanse retoricastudent Frederik de Boer gisteren:

‘We are having a series of loud, impassioned, righteous conversations about questions like “Should people murder?” and “Should we have the right to publish cartoons?” We’re debating, in other words, dead moral questions, and for the same reason we always do: because that debate allows us to ignore the ones that might lead us to a different place than the celebration of our own liberal righteousness. To read the people writing about this attack, this is the fundamental question at hand: were these killings OK? If that were actually a moral question worth asking, then it would provoke disagreement. And yet I see no disagreement. None at all.’

Daarentegen:

‘The question of the price that Muslims will pay for these attacks– that is a live question, the security and rights of the Muslim people is very much uncertain, indeed. If there is anything that this country has stood for in the last 15 years, it is its willingness to sacrifice anything to fight Muslim extremism, and in the process, innocent Muslims. We have invaded multiple Muslim countries, sent secret raids into far more, killed Muslims with drones and bombs, wiretapped Muslims at home and abroad, sent agents to infiltrate their mosques, thrown dozens of them into a prison camp without trial or judicial review, assassinated them without due process, tortured them, and spent billions of dollars and thousands of lives in doing so. Of all the things that you should fear your government will lose the resolve to do, fighting Muslim terrorists should be at the absolute bottom of your list. There is no function that our government has performed more enthusiastically for years.’ 1

In zijn column 2 gisteren op de voorpagina van Het Parool verklaart Theo Holman inderdaad dat we ‘in oorlog’ zijn en dat hij het bangst is voor de ‘overgave’. Dat klinkt in elk geval al wat militanter dan het rouwbeklag op Facebook en het is voor hem ook maar een kleine sprong naar de Tweede Wereldoorlog waarin zijn krant als verzetskrant werd opgericht. En het is precies daar dat zijn column vervaarlijk retorisch begint te galmen, met misplaatste kreten als vrij en onverveerd. Wat zijn krant in de oorlog deed was wel wat anders dan wat de cartoonisten van Charlie Hebdo deden. In Het Parool verscheen wel satire, maar het was allicht geen vrolijk weekblad. De rolverdeling was überhaupt anders: de jihadisten van nu zijn de verzetsstrijders van toen; ze strijden alleen voor een andere zaak. Holman meet voor het vrije westen de rol van underdog aan maar zo rekent hij zich arm; daar verandert de nieuwe roman van Houellebeq 3 niets aan.

Als schrijver en ‘intellectueel’ behoor ik me de aanslag op Charlie Hebdo aan te trekken en me zorgen te maken over het vrije woord dat voorwaarde is voor mijn bestaan. Maar als de termen om dat te doen ontbreken en er alleen holle clichés voorhanden zijn, hoe moet ik dat dan doen? ‘Ik voel mij machteloos. Als er iets is, zoals een profeet die je niet mag bespotten, niet kritisch mag bestuderen, op geen enkele manier mag afbeelden, dan blijf je machteloos,’ zegt Holman. En Salman Rushdie gaf gisteren de volgende verklaring af:

‘Religion, a mediaeval form of unreason, when combined with modern weaponry becomes a real threat to our freedoms. This religious totalitarianism has caused a deadly mutation in the heart of Islam and we see the tragic consequences in Paris today. I stand with Charlie Hebdo, as we all must, to defend the art of satire, which has always been a force for liberty and against tyranny, dishonesty and stupidity. “Respect for religion” has become a code phrase meaning “fear of religion.” Religions, like all other ideas, deserve criticism, satire, and, yes, our fearless disrespect.’ 4

Het klinkt allemaal zo vanzelfsprekend, maar is het dat ook? Bij ons in het westen wordt satire, d.i. het bespottelijk maken van een persoon of toestand, als een vanzelfsprekend grondrecht beschouwd. Dat wil zeggen dat het een ontologisch primaat heeft en dat de objecten van secondair belang zijn, anders gezegd: satire gaat aan alles vooraf en alles mag bespot worden. In dat opzicht is het een typische houding van atheïsten, die niet meer willen vereren en knielen maar wel nog zitten met een instantie die op die verering aanspraak maakt; zo beval wijlen Rudy Kousbroek het honen en spotten aan als enige juiste houding tegenover het religieuze.

Het komt mij voor dat honen een slechte eigenschap is, een ‘sad passion’ 5 in de zin van Spinoza, en een waar ook een felle antichrist als Nietzsche zich nooit aan bezondigd heeft, hoe hartstochtelijk en op het vileine af hij het christendom ook bestreed. Daar was hij, om het in zijn eigen termen te zeggen, te voornaam voor.

Ik ben geen atheïst; ik ben ook niet gelovig. Ik ben zelfs geen agnost: voor mij is religie geen vraag waarop ik een antwoord schuldig zou zijn. Ik heb mijn eigen afgoden: mezelf in de eerste plaats, en mijn werk, en de helden en boeken (en films etc.) die ik daarin betrek. En ik weet dat ik gek zou worden als me dat zou worden ontnomen, als ik me daar niet meer in spiegelen kon. Van de week had ik het hier over Vestdijk: dat was nou een a-religieuze man, maar met een speciale gevoeligheid voor het religieuze. In zijn boeken gaat het vaak om de verhouding tussen een ‘vader’ en diens ‘zoon’, dwz tussen een voorbeeld en een romanheld die naar dat voorbeeld leeft. Als ik voor de gelegenheid mijn eigen vader mag citeren:

‘De botsing tussen vader en zoon (de eenzijdige beëindiging van de dialoog) biedt de roman de kans tot de sprong in het onbekende, in het ‘moderne’, in de automatische schriftuur, hoe weinig automatisch die bij Vestdijk ook is. (…) Op zo’n moment is het gesprek tussen de romanheld en diens voorbeeld uit. Deze laatste, belichaming van een zo langzamerhand niet meer te verdragen conformerende moraal, wordt in de steek gelaten en de daardoor eigenmachtig geworden hoofdpersoon uit de roman is voor geen redelijk argument meer vatbaar. Le Roy [uit De ziener] verscheurt in zo’n moment in tranen zijn kostbaarste bezit, het postzegelalbum. “Zoiets doet men niet”, denkt hij er nog bij, “…niet eens als men zijn leven ermee kan redden”. Desondanks voltooit hij de vernietiging.’ 6

Hoe weinig religieus ik ook ben, dáár kan ik me wel wat bij voorstellen. Ook Nietzsche was trouwens de wanhoop nabij toen hij besefte dat God dood was:

‘De dolle mens sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. “Waar God heen is?” riep hij uit. “Dat zal ik jullie zeggen! Wij hebben hem gedood – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons, om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets?”‘ 7

Afgaande op de beelden schetst Nietzsche hier niet zozeer de moderniteit als wel de postmoderniteit, het verlies van alle waarden en alle richting.

 

Sarouk tapijt, 191 x 132 cm. 'This dramatic carpet from the Farahan district features a characteristically dense Herati pattern in a Mina Khani-style arrangement that allows small amounts of the dark blue field to peek through. Multiple guardbands, taupe inner borders embellished with latchhook-pyramids and colorful border motifs set on neutral ground complete this richly-colored design.'Sarouktapijt, 191 x 132 cm.
‘This dramatic carpet from the Farahan district features a characteristically dense Herati pattern in a Mina Khani-style arrangement that allows small amounts of the dark blue field to peek through. Multiple guardbands, taupe inner borders embellished with latchhook-pyramids and colorful border motifs set on neutral ground complete this richly-colored design.’

 

Om mijn nieuwe woning van iets als een ziel te voorzien heb ik vorig jaar twee Perzische tapijten gekocht. Het tapijt dat in de voorkamer ligt lijkt wel wat op dit Sarouktapijt. Als je de orde ziet (klik gerust op het plaatje) in de geometrische patronen van die tapijten, de regelmaat in de bloemmotieven, de symmetrie, de gecalligrafeerde randen, en de eindeloze variaties binnen die orde: hoe anders is dat dan de chaos waarin wij sinds de dood van God zijn geworpen. En als je dan aan de Arabische geest denkt die ons tijdens onze donkere middeleeuwen voorging in wiskunde en astronomie, dan is het alsof je in de ruimte kijkt als je boven zo’n tapijt staat. Je loopt als het ware over het uitspansel. Zo begreep ik ineens dat die geest zichzelf niet zozeer verbood om de profeet (of welk levend wezen ook) af te beelden, maar dat die daar helemaal geen behoefte aan had. Het allerhoogste was er al. Die abstractie is Allah, een volmaakter beeld van de hoogste orde is niet denkbaar en niet voorstelbaar – hooguit vergelijkbaar met mandala’s of sommige glas-in-loodramen bij ons. Met elk tapijt dat geknoopt wordt beeldt de mohammedaan zijn God af.

Ik denk dat het daarmee moet beginnen. Met het inzicht dat niet satire aan de dingen vooraf gaat, maar dat de dingen aan een evenwichtige orde gehoorzamen en dat voor mensen die hun postzegelalbum nog niet hebben doorgescheurd de verstoring van die orde buitengewoon verontrustend is. Daarop past geen spot, laat staan hoon, maar inzicht, en geduld misschien. ‘Ik kom nog te vroeg’, zegt Nietzsches dolle mens:

‘het is mijn tijd nog niet. Dit ongelooflijke gebeuren is nog onderweg, het maakt een omweg – het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternten heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig, ook nadat ze gedaan zijn, om gezien en gehoord te worden! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesternten – en toch hebben ze haar zelf verricht.’

Misschien is het voor veel moslims nog niet zover, maar laat ze die daad zelf onder ogen zien. Deze Arabier geeft alvast wat aanzetten:

 

  


 

  1. On Debating Dead Moral Questions. []
  2. Wij zijn Charlie. []
  3. Waarin Frankrijk in 2022 zijn eerste islamitische president krijgt. []
  4. Geciteerd van The Guardian. []
  5. Zie Deleuze and the Passions voor een lijstje sad passions. []
  6. De artistieke opbouw van Vestdijks romans. []
  7. ‘De dolle mens’, uit De vrolijke wetenschap, af. 125 (vertaling Pé Hawinkels). []

 

»

Bij het nieuwe jaar

 


 

"Here, you better drink this" Ingrid Bergman in Hitchcock's "Notorious".“Here, you better drink this”
Ingrid Bergman in Hitchcock’s “Notorious”.

 

Epiloog

Vergeet het jaar dat u weemoedig maakt,
Vergeet het jaartal dat u heeft doen beven,
Vergeet de helden die voor ‘t voetlicht sneven,
Vergeet het ziekbed waar gij hebt gewaakt.

Niets is er dat niet in ‘t vergeetboek raakt,
Waar zichtbaar slechts het jaar staat opgeschreven
Waarin wij fel en onnadenkend leven,
Zoodat men opgelucht het blaad’ren staakt.

Maar and’ren willen, dat men ‘t jaar omarmt
Als een geliefde van wie men gescheiden
Ter lange loutering door ‘t noodlot is.

En wie zich zóo over het jaar erbarmt
Vergeet zijn angst en zijn bekommernis
En vindt een goudmijn in de nacht der tijden.

(S. Vestdijk, uit: Verzamelde gedichten deel II, Amsterdam Den Haag, 1971, p. 83).

Op oudejaarsnacht, een paar uur in het nieuwe jaar, kwam dit gedicht me via de Facebookpagina van Vestdijk onder ogen. Het is, zoals de titel al uitdrukt, het laatste van een cyclus van twaalf gedichten getiteld ‘Rondgang door het jaar’, waarin de twaalf maanden van het jaar worden beschreven, plus deze afsluiter, uit de Gestelsche liederen (1949).

Allereerst werd ik getroffen door die speciale Vestdijkhumor, die een extreem standpunt relativeert door die in een tegenovergestelde vorm uit te drukken. Ik bedoel de viervoudige anafoor waarmee hij aan het begin van zijn gedicht het vergeten erin ramt… Ik moet daar om lachen, al is humor allicht toch niet het goede woord, want Vestdijk kiest deze vorm niet zomaar: juist de gedurfdheid ervan geeft blijk van zijn ernst, van het ultieme van zijn poging de beste vorm te vinden voor zijn gedachte. De boodschap lijkt duidelijk: laat het jaar dat voorbijgaat los. En wees blij dát het voorbijgaat.

Toch geeft Vestdijk ook van dit standpunt meteen het alternatief: in het sextet spreekt hij van “and’ren [die] willen dat men ‘t jaar omarmt”. Wie die and’ren zijn? Ik denk: dezelfden. Vestdijk verdedigt gewoon beide gezichtspunten. Het verleden loslaten betekent tenslotte niet dat je ‘t moet afwijzen of verwerpen – zomin als dat het verleden omarmen moet betekenen dat je eraan vasthoudt. Het gaat erom het midden te vinden.

Die derde strofe heeft nog wel een lastige syntaxis, waarvan ik me afvraag of die in 1949 zoveel gemakkelijker gelezen werd dan nu. Er staat, als ik het goed heb, dat men het voorbije jaar moet omarmen als een geliefde van wie men door het noodlot gescheiden is; en het is die scheiding van de geliefde die louterend werkt.

In de voorlaatste regel wordt de anafoor op ‘Vergeet’ nog een vijfde keer ingezet, nu niet langer als imperatief, maar gevarieerd naar de 3e persoon, die zijn angst voor de toekomst en zijn bekommernis om het verleden kwijtraakt en in plaats daarvan, door de trouw aan wie men was – want daar komt dat vergeten en omarmen toch op neer – op een “goudmijn in de nacht” stuit: een pracht van een beeld aan het einde van een fase waar geen eind aan komt: de nacht der tijden.

Vestdijk heeft iets met dat moment: “het eeuwige telaat”, “de uiterste seconde”, momenten op een grens die het tegendeel uitdrukken van het midden waarop hij, Weegschaal, zijn evenwicht zoekt. Het is een limiet die toch geen einde is, al was het maar omdat dat moment niet ons, maar iets buiten ons toebehoort. Tot nader order gaat de dood ons niet aan. Of zoals hij het in het elfde gedicht over de maand november zegt:

… al wie zich gelaten kwijt
Van ‘t vóorlaatste bewaart zijn God voor ‘t laatst.

In de Abécédaire vertelt Gilles Deleuze, in zijn vroege jaren een groot drinker, dat het alcoholisten eveneens om het voorlaatste is te doen, en wel om het voorlaatste glas: het glas dat hun toestaat om de volgende dag verder te drinken:

“Drinking (…) is a question of quantity. People make fun of addicts and alcoholics who pretend to be able to stop. But what they want is to reach the last drink/glass. An alcoholic never ceases to stop drinking, never ceases reaching the last drink. The last here means that he cannot stand to drink one more glass that particular day. It’s the last in his power, versus the last beyond his power which would cause him to collapse. So the search is for the penultimate drink, the final drink… before starting the next day.” 1

Hoe verhoudt nu deze methode van het voorlaatste zich tot die goudmijn in de nacht der tijden, waar men door trouw te blijven op kan stuiten? In het essay ‘Waarom is men trouw?’ uit Essays in duodecimo (1952) verklaart Vestdijk die trouw uit een kristallisatieproces van de liefde:

“Ieder liefde heeft in het begin de neiging tot ‘uitkristalliseren’ d.w.z. tot het aannemen van vast omschreven, objectief te bepalen en duurzame vormen (…). Wij beminnen een vrouw, – derhalve is zij mooi, volmaakt, verstandig, goed, talentvol, dit is een ‘cristallisation’ zoals Stendhal die bedoelt. (…) Men ziet in met welk een volharding een liefde zich kan handhaven, ook wanneer de physico-chemische toestand, die haar ontstaan bepaalde, zich totaal gewijzigd heeft. (…)
Maar daar de mens zich de zoveel zoetere bekoringen van het oorspronkelijk fluïdum der liefde steeds zal blijven herinneren, zal hij er ook steeds naar streven de omgekeerde weg in te slaan, het kristal weer op te lossen in de bewegelijke onschuld van de vloeistof, en de duurzaamheid, die niet zonder hardheid of ontbering is, in te ruilen voor de vervoering van het moment, – die hij gekend heeft”  (cursiveringen aangebracht, rhcdg).

We herkennen de thematiek van de schrijver van Terug tot Ina Damman, die onmiddellijk erkent dat het niet mogelijk is om terug te gaan. Maar er is de herinnering aan dat levende beeld, dat in die oorspronkelijke staat moet worden bewaard, als een zachte, vloeibare kern omringd door een hard heden. In de trouw herkent Vestdijk een “‘heilig huwelijk’, niet van twee wezens, maar van twee principes: het heden en het verleden – dat wat men geworden is, en dat wat men vroeger was en dat men niet meer kan prijsgeven.”

Opvallend genoeg vergelijkt Deleuze in The Logic of Sense het moment van de roes eveneens met een streven naar een hard, kristalliserend heden waarin het verleden zich als een vloeibaar moment kan handhaven: “Alcoholism does not seem to be a search for pleasure, but a search for an effect which consists mainly in an extraordinary hardening of the present.” De alcoholist leeft in twee tijden tegelijkertijd: in een verleden dat wordt omsloten door een tegenwoordige tijd: “The present has become a circle of crystal or of granite, formed about a soft core, a core of lava, of liquid or viscous glass” (cursivering aangebracht). Deleuze drukt dit uit in de vervoeging ik heb + voltooid deelwoord: I have-loved, I have-done, I have-seen. In die grammaticale formule, waarbij het heden als een hard kristal een vloeibare voltooid verleden tijd insluit leeft de alcoholist. Het is het hebben van iets – een liefde, bv. – én het verlies ervan, op een en hetzelfde moment.

In Vestdijks gedicht zien we iets van dat omsluiten terug in het octaaf, waar het mannelijke rijm het vrouwelijke rijm omarmt (abba). In de eerste regel van het sextet wordt het woord ‘omarmt’ zelfs nog expliciet genoemd. Maar de voltooid verleden tijd – in het Engels zo apart uitgedrukt in de term past perfect – ontbreekt bij hem; zijn wereld moet nog worden gemaakt: vergeet…

Deleuze beschrijft hoe bij alcoholisten de voltooid verleden tijd uiteindelijk in een louter I have-drunk komt te verkeren. De alcoholist slaagt er niet langer in om via deze weg dat verleden in stand, of liever in beweging te houden; het verleden wordt zijn dronkenschap. En daarmee gaat alles teloor: “Everything culminates in a ‘has been‘. This effect of the flight of the past, this loss of the object in every sense and direction, constitutes the depressive aspect of alcoholism.”

Het mooie van Deleuze is dat hij zich hierdoor niet tot moralisme laat verleiden, althans niet van de bekende soort. In plaats daarvan vraagt hij zich af in hoeverre wij die ons met deze problemen bezig houden, het ons kunnen veroorloven schone handen te houden en niet deel te nemen aan deze katabasis – hij noemt het een barst (‘crack’) – van dronkaards, verslaafden, slachtoffers, patiënten.

“When Bousquet speaks of the wound’s eternal truth, it is the name of the personal and abominable wound which he bears within his body. When Fitzgerald or Lowry speak of this incorporeal metaphysical crack and find in it the locus as well as the obstacle of their thought, its source as well as its drying up, sense and nonsense, they speak with all the gallons of alcohol they have drunk which have actualized the crack in the body. When Artaud speaks of the erosion of thought as something both essential and accidental, a radical impotence and nevertheless a great power, it is already from the bottom of schizophrenia. (…)

If one asks why health does not suffice, why the crack is desirable, it is perhaps because only by means of the crack and at its edges thought occurs, that anything that is good and great in humanity enters and exits through it, in people ready to destroy themselves–better dead than the the health which we are given. (…) We cannot foresee, we must take risks and endure the longest possible time, we must not lose sight of grand health.” 2

Met dat laatste doelt Deleuze op Nietzsche’s grote gezondheid, “die men niet alleen heeft, maar ook nog voortdurend verwerft en verwerven moet, omdat men haar telkens weer prijsgeeft, prijsgeven moet…!” 3

Ik wil maar zeggen met deze post: denk goed na over je goede voornemens voor het nieuwe jaar, misschien is het tijd om je iets slechts voor te nemen… Here, you better drink this…

Een vrolijk 2015 aan iedereen!

  


 

  1. Geciteerd naar de parafrase van Charles J. Stivale. []
  2. The Logic of Sense, ‘Twenty-Second Series – Porcelain and Volcano’, pp. 176-183. []
  3. Nietzsche, De vrolijke wetenschap, af. 382. []

 

»

Life style change

Bron: Hot Road Review, jaargang 30, december 2014, p. 9.
De auteur tijdens de Meeuwen Makrelen Loop.

 

Tot vier jaar geleden rookte ik een pakje per dag, dronk een fles wijn en/of een paar glazen whisky per dag, at elke dag vlees, deed niets aan lichaamsbeweging, sliep van 4 uur ‘s nachts tot 12 uur ‘s middags, bezondigde me aan drugs (af en toe) en woog 107 kilo.

Vanochtend wees de weegschaal 94 kilo aan. Nog altijd een kilo of 10 boven mijn ideale gewicht denk ik, maar het is zeker 20 jaar geleden dat ik die cijfers voor het laatst tussen mijn tenen zag. Het roken en de drugs heb ik opgegeven, ik drink 1 à 2 dagen in de week, ben nagenoeg vegetariër, lig meestal voor 2 uur in mijn bed en ik loop zo’n 45 km per week achter de snelle jongens van de trailgroep aan.

Wat is er met me gebeurd? Is het de samenleving die dat gedrag uit de eerste alinea niet langer tolereert en via allerlei subtiele indoctrinatie het gedrag uit de tweede aan me opdringt? Heb ik met mijn 51 jaar zelf eindelijk de jaren des onderscheids bereikt en leef ik nu naar de inzichten die dat oplevert? Is het omdat die leeftijd me allerminst bevalt en ik alsnog denk jonger te kunnen zijn dan ik ben? Of komt het doordat een cardioloog me vier jaar geleden wegens hartritmestoornissen met enige klem een life style change adviseerde?

Allemaal waar. Maar het hardlopen zelf heeft de doorslag gegeven: het ploegen door kou, regen en wind, het lopen van afstanden die ik vroeger op de fiets nog te ver vond, mee kunnen met mensen die eerder een onachterhaalbare voorsprong op me leken te hebben, mezelf voor de spiegel tevoorschijn te zien komen achter wegtrekkende lagen vet… Genoeg kortom om de gezelligheid onderweg en daarbuiten, de feedback van een peer group, de wedstrijden en andere uitingen van socialiteit te kunnen verdragen…

Dit is mijn zesde column voor de Hot Road Review, en voorlopig even mijn laatste. Met ingang van volgend nummer is deze plek dus beschikbaar, meld je bij de redactie!
Zelf verdwijn ik achter de schermen, gewapend met rood potlood. Zet hem op, mensen!

»

Weinig in te brengen

 

Bron: Hot Road Review, jaargang 30, oktober 2014, p. 9

 

Boslandschap door Rudy Cornets de Groot, olieverf op doek

 

Waarom zou ik mij haasten?
Waarom zou ik sneller lopen dan de bloemen?

Aan deze regels van de dichter Arjen Duinker moest ik denken toen ik laatst, middenin een goed gesprek, plotseling verrekte van de pijn en bij de boerderij afscheid nam van mijn groepje. Het groepje door naar het strand, ik terug naar de club. Ja, ik vind het wel.

Wat een stilte ineens. Geen geklets, geen gedraaf. Geen voorbijschietende bomen. Alles in de ruststand die intreedt zodra wij onze hielen hebben gelicht. Alsof het licht anders staat, de lucht anders beweegt. Wat is dat voor vogel? En staat daar nou een hert? Er gebeurt hier kennelijk van alles als wij er niet doorheen sjezen.

De dagen daarna wachten nog meer zegeningen. Geen gehaast meer om thuis te komen. Lekker uitgebreid koken. Glaasje wijn vooraf? Geen probleem. Nog één? Welja! ‘t Is pas kwart voor zeven. Ren je maar gek, jongens, ik zit hier goed. Proost.

Trouwens, geblesseerd zijn betekent niet dat de club niet meer bestaat: ook daar, in die veredelde kroeg, kan gedronken worden. Er is altijd wel iemand jarig. Of zoveel jaar getrouwd, of gescheiden. En ‘t is niet duur!

Dan, als je alle zegeningen van dit vrije, zorgeloze leven hebt geteld, gebeurt er iets merkwaardigs. Iets maakt zich van je los. Je voelt het haast niet: een bijna onmerkbare trilling, een onrust, een heel licht, onwezenlijk gevoel. Maar juist dat lichte maakt het op den duur ondraaglijk: je benen willen eruit. Ze willen lopen! Bewegen, de grond onder zich wegtrappen. Tegen een heuvel oplopen. Iets voelen waar ze wat mee kunnen.

Ziedaar de gevolgen van al die trainingen: je bent in eigen huis geen meester meer. Je benen maken de dienst uit. En werktuigelijk volg je ze, zodra het weer kan en als je weer mag. Waarschijnlijk veel te vroeg – maar heb je soms wat in te brengen?

 

»

Over twee recente films

 


‘Magic in the Moonlight’ (Woody Allen)
en
‘A most wanted man’ (Anton Corbijn)
 

 

 

De laatste films van Woody Allen worden steevast ‘geen meesterwerk’ genoemd of ‘niemendalletjes’. Maar wat willen de critici? Allen is 78. In het algemeen beleeft men zijn Sturm und Drang in de jeugd en ontstaan de grote meesterwerken op middelbare leeftijd. In de ouderdom manifesteert meesterschap zich in een bepaalde ascese, een soberheid die ook een zekere oppervlakkigheid met zich meebrengt. Zie de beheersing in een paar even losse als trefzekere lijnen van de oude Rembrandt of Frans Hals, of het eenvoudige verhaaltje van een laat werk als ‘Ruisend gruis’ van Hermans, ik noem maar wat. Eenvoud waar een heel leven van oefening in zit.

Intussen denk ik dat Allen met zijn metafoor van de helderziendheid wel degelijk zinspeelt op een hedendaags verschijnsel dat ons allemaal in de greep heeft. Als Emma Stone beweert iets te zien, iets door te krijgen – ‘U was in Duitsland'; ‘uw man was kamerlid’, enz. – dan is dat niet anders dan wanneer wij iemand googelen voordat we kennismaken. Over enige tijd, met zo’n bril op, zijn we allemaal helderziend.

 

 

In deze tijd op zich al een vrij pervers idee om wat nu jihadisme heet te gebruiken als opzetje voor een film die in dat onderwerp eigenlijk niet geïnteresseerd is. De film kan vooral geen genoeg krijgen van zichzelf, getuige een eindeloze reeks clichés en stereotyperingen. Daarbij nog een scenario waarin kleine mensen van goede wil het weer eens af moeten leggen tegen de boze machten die over ons gesteld zijn: vinden we het gek dat de Duitse intelligence man die het verhaal mag dragen rookt en drinkt alsof zijn leven ervan afhangt? Mannen als hij zijn tot dit walgelijke humanisme veroordeeld, want hij doorziet het, maar is niet in staat er wat tegen te doen.

Eigenlijk is ook voor óns, westerlingen, het wachten dus op een bevrijder, een verlosser – en wie hebben we daar: een jihadist die Hamburg infiltreert en als een Jezus onder zijn kap angstig om zich heen kijkt: a most wanted man. Later in de film mag hij zijn baard afscheren, anders is hij niet geschikt voor de seksuele innuendo’s met een van onze roomblanke dochters die hem beschermen wil. Zeldzame combinatie van hypocrisie en slechte smaak: hij gooit papieren vliegtuigen tegen een plastic scherm in zijn tijdelijke appartement. Intussen is hij helemaal geen jihadist, maar een lieve jongen die goed wil doen met zijn geërfde miljoenen. Want zulke moslims zijn er heus óók.

Met acteurs als Willem Dafoe en de betreurde Philip Seymour Hoffman kan het haast niet mis, zou je denken. En het duurt nog best lang ook voordat je ziet met hoeveel overleg en berekening deze film tot stand is gekomen, en dat hij precies daaraan mank gaat. Doe mij maar liever zo’n ‘niemendalletje’ van Woody Allen dan deze pretentieuze clichétrommel.

»

De sjacheraar als rabbijn

Over ‘Fading Gigolo’ (John Turturro, 2013)
 

Dit stuk veronderstelt bekendheid met de film.

 

 

Opvallende keten van betekenaars in Fading Gigolo (2013) van John Turturro. Het verhaal speelt in de joodse gemeenschap van Brooklyn, New York. Een arts (Sharon Stone) vraagt Murray (Woody Allen) om een trio te organiseren; zij is dermatologe. Van zowel Fioravante (Turturro) als haarzelf wordt de zachte huid geprezen. Als Avigal (Vanessa Paradis) bij Fiovarante op de massagetafel ligt, is ze bedekt onder een laken en daaronder nog haar blouse. Later in de film demonstreert ze hoe een vis wordt gefileerd en biedt ze hem de wangetjes aan, het lekkerste deel. Als ze op het punt staan elkaar te kussen verwijdert Fioravante eerst de pruik waaronder ze haar eigen haar verborgen houdt.
Het zijn allemaal varianten op het joodse thema van de besnijdenis. Omgekeerd zien we hoe Murray’s zwarte huishoudster dikke lappen vlees in paneermeel wentelt. Wanneer haar zoontje klaagt over pijnlijke ontlasting zegt ze dat hij ook groenten moet eten; kennelijk zijn sommige spijswetten niet alleen op joden van toepassing. Op het honkbalveldje brengt Murray beide culturen met elkaar in aanraking.
Overigens is ook de huid van de film zelf tastbaar: niet digitaal, maar ouderwets analoog en met zelfs wat korrelige 8 mm video aan het begin, om een ‘fading’ wereld vast te leggen.

‘I think this is the beginning of a beautiful friendship’ zegt Murray aan het eind van de film. Het is niet het enige citaat uit Casablanca (1942), al wordt naar ‘Here’s looking at you, kid’ alleen zijdelings verwezen. ‘First, I want to look at you’, zegt Fioravante tegen Avigal als zij hem vraagt haar te kussen. Eerder had een van zijn cliëntes hem al verteld dat het diepste verlangen van vrouwen is ‘to be looked at’. Kijken gaat blijkbaar nog aan aanraken vooraf, maar zonder dat laatste kan er van vriendschap, in de bredere zin zin van samenleving, gemeenschap geen sprake zijn. En het is de joodse gemeenschap die aan het aanraken weer grenzen stelt. Voor een tribunaal moet Avigal verantwoorden dat Fioravante haar rug heeft aangeraakt. Ze vertelt dat ze moest huilen. ‘Van schaamte?’ vraagt een rabbijn. ‘Van eenzaamheid’, antwoordt ze.

Inmiddels krijgt Fioravante het met zijn beide cliëntes in bed niet meer voor elkaar: hij is verliefd geworden op Avigal. Toch zegt zij haar liefde voor hem de wacht aan en keert terug in de schoot van de joodse gemeenschap. Daarop besluit hij zich uit zijn onderneming met Murray terug te trekken. Totdat ze in het koffiehuis een Française tegenkomen en Murray kansen ziet voor een nieuwe ménage à trois. Een echte dit keer: niet tussen zijn partner en twee vrouwen, maar tussen hen beiden en een derde, wie het ook mag zijn. Was in Casablanca Ingrid Bergman de bemiddelende factor tussen Rick en Victor Laszlo, daar is Avigal dat in deze film. Met haar vertrek, zoals met het vertrek van Bergman, vallen maatschappelijke voorwaarden voor gemeenschapszin weg en ontstaat, dwars door alle verbanden en belangen heen, ruimte voor een nieuwe vriendschap. In Casablanca was dat tussen de opportunist Rick en de foute kapitein Renault die altijd al beter wisten, in deze film tussen Murray en Fioravante. Conclusie: echte vriendschap bestaat nog. En: moreel leiderschap wordt niet gegeven door baardige mannen met wetboeken in de hand, maar door sjacheraars in de marge, die weten hoe je je buiten de wet om door het leven kunt slaan.

 

Vanessa Paradis in 'Fading Gigolo'Vanessa Paradis in ‘Fading Gigolo’.

 

»

Tussen ik en atoom

 

Over: Sasja Janssen, Ik trek mijn species aan, Querido, Amsterdam 2014.
Bron: Awater, zomer 2014, jaargang 13, nr. 2, p. 22-23.

Omslag van Sasja Janssen, 'Ik trek mijn species aan'

 

Aan Sasja Janssens derde bundel gaat een motto van W.F. Hermans vooraf: ‘dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben’.

Hoe onmetelijk groot ook de afstand tussen ik en atoom, deze eigenschappen blijven door alle ontwikkelingsfasen heen beide vormen aankleven. Met de titel Ik trek mijn species aan doet de dichteres enerzijds afstand van dit ik en geeft ze zich over aan de species, d.i. de soort waartoe ze behoort; aan de andere kant vereenzelvigt ze zich met die soort en verklaart onomwonden

Ik ben mijn geslacht

dat ze enkele regels eerder als ‘kutje’ heeft aangeduid, en waarvan een roze sculptuur in dons het omslag siert.

Het lijkt een openhartige bekentenis, in antwoord op een identificatieplicht die altijd van vrouwen wordt verlangd zodra ze zich buiten het huishouden en het moederschap wagen, ook in de dichtkunst helaas. De dichteres voldoet aan de verwachting, maar vertelt met deze uitspraak in feite niets over zichzelf; ze ontkleedt zich, maar bedekt haar naaktheid in dezelfde beweging met het dons van haar geslacht. Ze houdt het midden tussen wie zij ‘zelf’ is en de species waartoe ze behoort.

En geef haar eens ongelijk. Waarom zou ze zich ook terug laten dringen op een ‘identiteit’, een vast punt dat haar de wet zou voorschrijven? Alsof aan het begin van de dingen het meest waardevolle en wezenlijke zou staan: een beroemde voorouder, of een ster die ons lot bepaalt. Het tegendeel is het geval. De weg terug is er niet een van selectie, maar van verdeling. Hoe verder we teruggaan, hoe meer we opgaan in ontelbare levens die ons onder het mom van het ik elke identiteit verbieden. Vrijwel niets is daar nog bepaald; de ordes, geslachten en soorten moeten zich er nog vormen. Voor de ontsnapping uit het ik waar deze dichteres op uit is, is het daarom nodig dat dit ik oplost en zich verspreidt over de talloze levensvormen waaruit het voortkomt, helemaal terug tot aan Hermans’ atoom, ‘diep in de stof, verder dan onze instrumenten reiken’, zoals ook Achterberg eens schreef. Het gaat er niet om terug te vinden wat al was, een ‘eerste identiteit’, een oorsprong, maar om herkomst, om sporen uit het verleden die in ieder individu een onontwarbare kluwen vormen.

Ik herinner me mijn gedichten, niemand begrijpt ze

is bij Janssen daarom geen klacht, maar eerder een geruststelling aan de lezer: haar gedichten zijn er niet om te begrijpen, want begrip veronderstelt een hanteerbaar object, een vrouw uit één stuk, een wezen waar je de hand op kan leggen. Alles wat in beweging is daarentegen, alles wat nooit thuis is, ook bij zichzelf niet, alles wat zich afspeelt tussen ik en atoom zonder nader te kunnen worden bepaald, onttrekt zich aan begrip. Het kan hooguit worden ‘herinnerd’, met inbegrip van de hele evolutie: als mens, als vrouw, als atoom – even weerloos, machteloos en vervangbaar.

Impliciet – want stellig en poëticaal is ze nergens – kiest Janssen hiermee positie tegenover twee dominante richtingen in de hedendaagse poëzie: een op het ik gerichte, humanistische dichtkunst waarin de dichter zichzelf en zijn lotgevallen bezingt of betreurt, en een ‘posthumanistische’ poëzie waarin het ik zich tot andere ikken moet zien te verstaan in meerstemmige, flarfachtige experimenten.

Voor een dichterschap dat het ik als instantie überhaupt afwijst is een dergelijke keuze niet nodig. Bij Sasja Janssen keert in moderne vorm iets terug van het aloude begrip ‘persoonlijkheid’, dat ooit een criterium was voor de waarde van literatuur. Er werd het vermogen van een auteur onder verstaan om tegenstellingen in zich te verenigen en niet alleen te zijn wie hij was, maar ook wie hij niet was, of wie hij worden kon. De dichter valt dan niet samen met wie hij is, maar hoeft van zichzelf ook geen afstand te doen:

Ik draag mee mijn grenzeloosheid als wapen
mijn bloed tegen koortsen en knokkelangst
ontelbare landkaarten zodat ik weet waar ik niet moet zijn
mijn kinderjezus aan een kruis om die te laten zien
hoe hij hangt in het land waar het blaffen pas wegsterft
in de ochtend. We dragen dezelfde naam, aanbidden
dezelfde grond, de hond en ik.

Sasja Janssen schreef een sterke, doordachte en thematisch samenhangende bundel die – en dat is nog het mooiste – in alles het tegendeel uitdrukt van de kwalificaties uit Hermans’ motto.

 

Sasja Janssen
Ik trek mijn species aan
Querido, 2014
73 blz., €18,99
ISBN 9789021456010 

 

»

Twee minuten

 

Bron: Hot Road Review, jaargang 30, juli 2014.

Twee minuten duurde de sprong door het luchtledige. Twee minuten waarin ik overeind en in beweging moest zien te blijven. Twee minuten, vier keer achter elkaar, met telkens twee minuten wandelen tussendoor: zo stond het op het schema dat ik had gedownload. In de tweede week werden dit drie minuten, in week 3 vier minuten en in week 4 vijf minuten. Vijf minuten! Met meer verbazing nog dan trots vertelde ik het mijn omgeving: ik kan vijf minuten achter elkaar hardlopen! Van schrik liet men zijn sigaret vallen.

Het is alweer lang geleden. Niet eens in jaren, maar – hoe zal ik het zeggen: in kilometers. Inmiddels sta ik voor de vraag: wat nu? Hóe nu? Met welk doel? Want het mag duidelijk zijn: zonder doel wordt er niet gelopen. Mét doel daarentegen, en dan een goed doel, zweven we als vanzelf over de keien, opgetild door naastenliefde en liefdadigheid, om maar niet zómaar te lopen, voor niks, voor het lopen zelf… Want al die energie die in dat lopen wordt gestoken en dus aan de maatschappij wordt onthouden, dat is gewoon immoreel. Maar waar had ik het over.

Je grenzen verleggen. Van twee minuten naar vijf. Van je eerste vijf kilometer naar tien. Van de halve marathon naar de hele. En dan de hele over een bergkam, of over de Chinese muur, of dwars door de woestijn of over de Noordpool. En dan, op een goede dag, na de zoveelste ultratrail, adventure race of survivalrun door modder, ijswater en stroomdraden, hang je met spijkers aan een bergwand boven de peilloze diepte van het spoor dat je bent kwijtgeraakt.

Salvador Dalí, ‘El Christo de San Juan de la Cruz’, 1951.

En ineens weet je: dit had niets met grenzen verleggen te maken. Al die excessen waren evenzovele tekenen dat die grens allang was bereikt. Je was iets aan het bewijzen, maar je weet niet meer wat, of waarvoor, of aan wie – behalve dat er nooit een grens was, alleen maar een doel dat telkens opschoof. Het was nooit goed, maar altijd te weinig. En nu, hangend boven die afgrond, is het alsof je zelf bent verschoven, ‘verrückt’ zoals de Duitsers zeggen. Geen übermensch die zichzelf overwon, maar een groteske parodie daarvan, een hysterische robot die voldeed aan een eis.

 

»

Het cadeau gekregen al

 

Over: Frans Kuipers, Molwerk, Atlas Contact, Amsterdam 2014.
Bron: Awater, zomer 2014, jaargang 13, nr. 2, p. 12-13.

Omslag bundel 'Molwerk' van Frans Kuipers

Molwerk heet de nieuwe bundel van Frans Kuipers, maar met ondergrondse arbeid heeft die titel niet veel te maken. ‘Ik ben een lichtknoeier op weg naar een zwart gat en wie ben jij?’ vraagt Sjamaya voorin de bundel. Een dichter dus op zoek naar het licht, die onderweg is verdwaald: die interpretatie ligt wat meer in de lijn van Kuipers’ eerdere werk, waarvan de titels veelal aan het blaue Hinein refereren: Wolkenjagen (1997) bijv. of Het nergensgesternte (2005). Maar ook een dichter op weg naar inzicht: in de wereld en in zichzelf. Sjamaya blijkt trouwens een oud pseudoniem van Kuipers zelf te zijn, waarmee de vraag ‘Wie ben jij?’ vooral een zelfbevestiging van de dichter aankondigt. En dat blijkt nodig te zijn ook, in de confrontatie met de onbepaalbare en overweldigende werkelijkheid waarvan zijn dichterschap het product is:

Omdat de wereld tot mij spreekt spreek ik,
Vallend Blad, Vogeltje voor de Kat, tot de wereld.

Het is om deze relatieve onaanzienlijkheid dat hij zijn stem moet laten horen. Niet omdat hij daar recht op heeft, maar omdat de wereld zichzelf ook in het kleinste moet kunnen terugvinden. De dichter moet zich dus rekenschap geven van zijn ervaringen met een sublieme werkelijkheid; alleen is de verhouding tot de wereld zo ongelijk dat hij er pas recht aan kan doen als hij zelf tekortschiet. Bij Kuipers heeft de wereld niet genoeg aan zichzelf, maar is verdeeld in object en waarnemend subject, waarbij dat subject zich maar moet zien te handhaven wanneer de wereld op het punt staat hem te verzwelgen.

Want zoveel staat er bij deze ervaring van het sublieme op het spel. De dichter wordt aangedaan door ervaringen waarvan hij de enorme proporties wel beseft, maar waaraan hij in beelden geen uitdrukking kan geven. Hij kan alleen terugdeinzen voor het ‘stomwonder’. Precies dat onvermogen wordt door Kuipers gethematiseerd. De vraag is natuurlijk of dat bevredigende poëzie kan opleveren. In het eerste gedicht geeft hij meteen al toe:

Ik verklaar ding noch gedaante, jota noch job

en even later, in het vierde gedicht, vertelt hij over zijn ervaring van

de wijde, wisselvallige, ongenaakbare zee

: een plaatje van een subliem beeld. Hij kan er niks mee, met die zee, ze is hem te groot, te onvatbaar. En van die onmacht getuigt de dichter de hele eerste afdeling. Hij wordt ‘niet ontmoedigd door vergeefsheid’, maar loopt ‘zonder deugdelijk kompas’ in situaties ‘te dolzinnig voor woorden’. Later volgen nieuwe pogingen:

Laten wij voor één keer proberen bij het begin te beginnen.
Laten wij voor één keer proberen te schetsen de situatie.

Met deze verwoording van de inzet is meteen het maximale bereikt – en kennelijk ook het doel van deze poëzie.

Het bezwaar hiertegen is natuurlijk dat er teveel aan de taal wordt overgelaten en te weinig aan de verbeelding. Je kunt als dichter niet zeggen dat iets subliem is en je vervolgens verontschuldigen; de ervaring moet worden overgebracht.

Een poging daartoe levert Kuipers toch door zijn gebruik van neologismen. Ze komen in deze bundel minder vaak voor dan in eerder werk, maar ze zijn er nog wel: ‘ingewitseld geworden, vlokkenweversvlug’, bv. De vergelijking met de Tachtigers dringt zich op, die hun veelsoortige indrukken vaak ook niet anders dan in samengestelde begrippen kwijt konden. Maar het is ook weer een symptoom van het onvermogen om die indrukken te verwerken in een vorm waarmee greep op die wazige, impressionistische werkelijkheid kan worden verkregen. De totale gescheidenheid van object en subject heeft op zijn minst ook dit effect, dat er met alle overweldigende indrukken niets kan worden gedaan. Ze klonteren letterlijk in de neologismen samen, als het equivalent van lichtgeknoei, zonder het zwarte gat van inzicht te bereiken.

Wat desondanks blijft is een volkomen oprecht en getuigend dichterschap, even bescheiden als trots en dankbaar voor ‘het cadeau gekregen al’. Om dat voorbeeld alleen is deze poëzie de moeite toch al waard.

Frans Kuipers
Molwerk
Atlas Contact, 2014
64 blz., €21,99
ISBN 978 90 254 4288 0 

»

Buiten bereik

 

Bron: Hot Road Review, jaargang 30, maart 2014.

 
Screen shot van Runkeeper interface
 
Als dit nummer verschijnt ligt de 40e editie van de CPC 1 net achter ons en kan er worden teruggezien op een ongekend succes. Voor het eerst, en al maanden van tevoren, was het spektakel uitverkocht; zelfs de reservelijst was vol. Beetje raar wel: hoe kan een reservelijst ooit vol zijn?

Aan mij heeft het in elk geval niet gelegen. Een van mijn voornemens voor dit jaar was om niet meer aan dit soort massale loopevenementen mee te doen. Ik heb geen zin meer om bij de start boven beukende muziek uit naar een volksmenner te luisteren die vanwege zijn almachtsdroom wil dat we allemaal even zwaaien. Ik heb ook geen zin meer om tijdens de race omver te worden gelopen, of om af te remmen, of om het hele parcours te slalommen. Wat heeft dat met hardlopen te maken? Het is net zo erg als de Spuistraat op zaterdagmiddag.

Voeg daarbij nog de stress van de tijdmeting. Zeker, de CPC is een wedstrijd – maar ik ben geen topsporter. Ik weet wel zo’n beetje wat mijn tijden zijn. Vanwaar dan die druk om binnen een bepaalde tijd binnen te komen? ‘Meten is weten’ zeggen ze tegenwoordig – maar wat weet je dan precies? Van het zweet, de pijn, je wanhoop en je euforie hou je alleen een abstracte getallenreeks over, even objectief als nietszeggend.

Zo reduceren we onze ervaring tot een cijfer, een beoordeling, en krijgt ons NSA-profiel weer wat meer reliëf. Apps als Runkeeper, die via de satelliet je routes en je tijden vastleggen, leven van die vergissing. Ik heb er zelf een poos mee rondgelopen en het is mooie technologie, maar als ik ga hardlopen wil ik buiten bereik blijven van de grijpgrage handen van overheid, bedrijfsleven en medemens. Ik loop niet voor niets in de buitenlucht, door de duinen, in de natuur. En dan zo hard!

NSA-klokkenluider Snowden zei een tijdje geleden: ‘Een kind dat vandaag wordt geboren groeit zonder enig idee van privacy op. Het zal nooit weten wat het betekent een moment voor jezelf te hebben, een niet-opgenomen, niet-geanalyseerde gedachte.’

Enfin, vanavond weer een lekker stukje rennen. Zonder app, zonder telefoon. Ik vraag na afloop wel aan iemand hoeveel kilometer…

  


 

  1. De City Pier City, het grootste hardloopevenement in Den Haag. []

 

»