VI. Komot, mijn overgrootmoeder

Bron: Saskia Cornets de Groot, Verborgen identiteit, Den Haag, 2024, p. 77-88.

Misschien ben ik nog trotser op het Indonesische bloed van mijn overgrootmoeder Komot dat door mijn aderen stroomt dan op mijn Nederlandse Cornets de Groot-bloed. Beide komen in mij samen en deze mix vormt mijn indo-identiteit. Als ik aan mijn Indonesische afkomst denk, denk ik altijd met veel warmte aan Komot. Tegelijkertijd denk ik aan het onrecht haar aangedaan, alleen omdat ze een inlandse was.
Het is jammer dat ik zo weinig van Komot weet, van haar afkomst, haar familie, hoe en waarom ze de njai (concubine) van Willem August werd. Gelukkig kon ik een deel van haar leven beschrijven, vooral gebaseerd op wat mijn vader over haar schreef.1
Het boek De Njai van Reggie Baay was heel informatief over de positie van de njai in het algemeen.2 Zij was de inheemse vrouw met wie Europese mannen in voormalig Nederlands-Indië samenleefden. De nakomelingen uit hun relatie zijn de indo’s. De njai is hun oermoeder.

Omdat Komot een njai was, kwam zij na lezing van het boek weer bij me naar boven. Hiermee gaf zij mij na al die jaren de finale zet om naar Indonesië te gaan. Ik had het toen nodig haar foto’s, waarmee het eerste hoofdstuk begint, weer te zien. Na mijn vaders overlijden had het nogal wat voeten in de aarde gehad om dit voor elkaar te krijgen. Ik had geen contact meer met mijn vaders vrouw en halfzusje Machteld. Toen ik ze via via toch een keer onder ogen kreeg, kon ik een start maken met de voorbereidingen van mijn eerste reis.3 Deze reis was vooral gericht op de theeplantage Tjigaroe (Cigaru) waar Komot en Willem August gewoond hadden.

Toen zij ouder was hebben Machteld en ik ons contact gelukkig hersteld. Daarnaast ben ik heel blij dat ik de fotoalbums samen met alle originele documenten uit mijn grootvaders nalatenschap in bezit heb, ze zijn het meest dierbare wat ik heb.

De bijzondere serie foto’s (uit hoofdstuk 1) is genomen op de dag dat mijn vader ruim twee maanden oud was en zijn grootvader Willem August binnen een maand zou overlijden. Op één foto ligt mijn vader in de armen van zijn grootmoeder Komot.

Mijn vader als baby in de armen van zijn grootmoeder Komot. Rechts zijn grootvader, op de voorgrond zijn vader en op de achtergrond zijn zusjes,
29 april 1929.

Geïnspireerd op de njai-portretten van Reggie Baay wijdde ik in 2010 uit eerbetoon een eenmalig blog aan Komot.4  5

Ik neem het hier in aangepaste vorm op en ben blij dat ik Komot in dit verhaal nog eens extra zichtbaar heb kunnen maken.

Zij heette Komot en werd in 1885 te Soekaboemi (Sukabumi) geboren.6 Zij was een Soendanese vrouw. Hij, jhr. Willem August Cornets de Groot, werd op 3 juli 1866 te Batavia geboren. Hij genoot het bij zijn afkomst passende onderwijs en kwam als administrateur terecht op de onderneming Tjigaroe, een theeplantage ten zuidwesten van Soekaboemi.7
Het moet voor het jaar 1902 geweest zijn toen Komot en Willem August elkaar ontmoetten. Zij was pas zestien jaar oud, hij negentien jaar ouder. Te Tjaringin (Caringin) werden al snel kinderen geboren. In 1902 hun dochter Geertruide, in 1903 gevolgd door een zoon, mijn grootvader Piet. Willem August gaf hun geboorte niet aan, zij kregen daarmee de status van inlander, de status van hun moeder.
Willem August veranderde van baan en verhuisde met Komot naar Batavia. Piet bleef achter. Mijn vader schrijft:

Zijn vader [Willem August] maakte er geen bezwaar tegen dat een naburig gezin het jongetje de verzorging zou geven waartoe hij niet geroepen, en Komot niet in staat was.8

Omdat Piet, mede dankzij de zorgen van deze mensen, zo goed kon leren en mee kon komen op school, voelde Willem August zich toen toch vader. “Niet uit liefde misschien, maar uit trots in ieder geval”, schrijft mijn vader, ging hij toen, op Piets dertiende, pas over tot de wettelijke erkenning van de jongen als zijn zoon.9

Piet kreeg zijn achternaam Cornets de Groot. Maar hoe kwam hij eigenlijk aan zijn voornaam Piet? Mijn vader schrijft:

Hij [Piet] had niet eens een naam. Zelf moest de jongen er zich een toeëigenen in de ‘brabbelperiode’. Ik weet niets van kleutertalen en zeker niet van deze die bloeien in een milieu waar Maleis, Soendanees en Nederlands hun eigen plaats hebben in het kommunikatiesysteem – talen die, wat kleuters betreft, voor de meest verrassende alchemistische verbindingen openstaan. De kleine jongen duidde zichzelf met internationale klanken aan: p-ie-t: klanken ook voor een Hollandse naam, een naam die in het geslacht waar Willem August uit stamde, groter vaderen dan hij er een was, gedragen hadden.
Het was Piets eerste wraak op zijn verwekker, een zelfbevestiging die levenslang – en misschien langer – onuitwisbaar blijven zou.10

Of mijn grootvader zichzelf echt de naam Piet heeft gegeven, weet ik niet zeker. Het is ook mogelijk dat zijn vader hem al jong zo noemde (voordat hij hem zou erkennen). Mijn vader wilde met dit citaat vermoedelijk vooral duidelijk maken dat mijn grootvader vanaf het begin zélf over zijn leven besliste.
Met zijn achternaam kreeg Piet de status van Europeaan. Hij kon toen naar de westerse hbs (die voor een goede loopbaan vereist was) in plaats van naar het onderwijs voor inlanders. Die hbs stond niet in de omgeving van de theeplantage, maar in de stad Bandoeng (Bandung), waar hij klasgenoot werd van de iets oudere Eddy du Perron, aldus mijn vader.11
De erkenning ontnam Komot haar kinderen, want ze moest afstand van hen doen. Mijn vader licht toe: “‘Erkenning’ van een kind hield in dat de ongehuwde Indonesische moeder alle aanspraken op haar kind verloor, om te voorkomen dat zij uit de boedel van haar man zou erven”.12 Komot had geen zeggenschap meer over hen, al bleef ze de njai van Willem August en stelde hij haar royaal schadeloos. De erkenning en de toegang tot de hbs laten zien dat er in de kolonie sprake was van rassenonderscheid: de bevolking was ingedeeld in twee bevolkingsgroepen: Europeanen en inlanders. Hier werd in 1925 de categorie vreemde oosterlingen (met een niet-Europese of niet-inheemse afkomst, zoals Arabieren en Chinezen) aan toegevoegd. Voor deze groepen golden verschillende rechten. Zo was de Nederlands-Indische samenleving wettelijk langs etnische lijnen ingericht. Ook in Nederlands-Indië was er sprake van apartheid.
Als buitenechtelijk kind was Piet niet meer van adel, want het was niet mogelijk om adeldom over te laten gaan op kinderen die buiten een wettelijk huwelijk geboren waren. In zijn brief over het familiegeslacht (zie hier) schrijft Piet dat “mijn zoon en ik geen aanspraak maken op de jonkheerstitel”. Hij trok dit liever als een eigen initiatief naar zich toe dan dat het verlies van de verheffing in de Nederlandse adel hem overkomen was. Mijn vader zei me later dat het niet erg is niet meer van adel te zijn, omdat “we daar te democratisch voor zijn”. Dit heb ik van hem meegekregen, ik hou ook niet van het maken van een dergelijk onderscheid tussen mensen.
Later verspeelde de gokverslaafde Willem August zijn geld en verloor hij zijn baan. Piet moest met zijn overgangsrapport van de 3e naar de 4e klas hbs van school.13 Over zijn vader sprak Piet nooit.

Toen Willem August op 28 mei 1929 te Batavia overleed, ruim drie maanden na de geboorte van mijn vader op 3 februari 1929, waren hij en Komot maar liefst een kleine dertig jaar samen geweest.

Door hun langdurige relatie en doordat Komot op de foto’s staat, ga ik ervan uit dat er sprake was van een liefdesrelatie. Reggie Baay schrijft:

Want dat veel vrouwen geliefd en gewaardeerd werden, daarvan zijn de foto’s het onweerlegbare bewijs; anders immers liet de Europese man zijn inheemse vrouw, de moeder van zijn kinderen, niet zo vaak en liefdevol fotograferen. Vanwege de liefde en waardering lapte hij de gangbare koloniale code (met een inheemse vrouw leven mag, maar niet openlijk) aan zijn laars.14

Komot keerde terug naar haar geboorteplaats Soekaboemi, waar Piet haar eens in de maand opzocht. Dat Komot bestond, hield hij voor de buitenwereld en ook voor zijn eigen gezin verborgen. “Voor kantoor”, zei Piet als hij zijn moeder ging bezoeken. Mijn vader verklaart:

Het was geen uitzondering, wanneer je je afkomst van haar [de moeder] verborgen hield. Vooroordeel, rassenwaan bestonden eenvoudig, in het voormalig Indië, en dit gedrag – je afkomst verzwijgen – voorkwam roddel, spot en hoon.15

De dag voordat haar kleinkinderen in 1946 op de boot naar Nederland vertrokken, zag Komot hen na zeventien jaar weer voor het eerst. Nu om voorgoed afscheid van hen te nemen. Zij was toen de zestig gepasseerd, mijn vader was zeventien. Later schrijft hij over zijn grootmoeder:

Maar de dag vóór het vertrek kregen we Komot te zien, een welgestelde vrouw naar haar kleding te oordelen.16
‘Kom,’ zei mijn vader, ‘groet je Oma. Dit is mijn moeder.’
Zijn moeder? Ik wist nergens van, hij had me nergens op voorbereid, ik wist van het hele bestaan van mijn Oma niets af! In mijn bedremmeling wist ik niets te zeggen, niets te doen.
Ik schaamde me.17Ik heb van mijn vader in heel mijn leven één dag een grootmoeder gehad.18

Van zijn moeder was Piet nooit vervreemd geraakt. Hij bleef in Indonesië achter tot hij met Indisch pensioen kon gaan. Hoe het Komot verder is vergaan en wanneer zij is overleden weet niemand.

Met dit schrijnende portret in mijn hoofd gingen Sven en ik in Cigaru op zoek naar het administrateurshuis waar Komot en Willem August gewoond hadden. Het werd een hele zoektocht. We zagen de theeplantages die nog altijd in dit gebied liggen. Voor de eerste keer zag ik theestruiken. Ook vonden we de administrateurswoning, die dienst deed als guesthouse. Hier heb ik me het meest verbonden gevoeld met mijn afkomst: ‘Hier kom ik vandaan!!!’ ging er door me heen.
Bij het schrijven van dit verhaal kwam ik er pas achter dat het de administrateurswoning van de nabijgelegen theeonderneming Bojong Asih in Cihaur was en dus niet die van de theeplantage in Cigaru. Helaas! Toch heb ik me er zo verbonden gevoeld dat ik niet opnieuw op zoek zal gaan naar de woning van mijn overgrootouders. Ik laat het bij deze ervaring die heel mooi was.

Theestruiken in de buurt van de administrateurswoning op de theeplantage waar mijn overgrootouders Komot en Willem August woonden, 2010.
Administrateurswoning van een theeplantage in de buurt van die van Komot en Willem August, Cihaur 2010.

We gingen ook naar Caringin, de plaats waar mijn grootvader geboren is. We vonden een medische post die ik voor het idee fotografeerde (op het bord links staat vertaald: dokter 24 uur open), want ik wist natuurlijk niet of dít het gebouw is waar Piet ter wereld is gekomen.

Op 75 kilometer van de theeplantage moet het in die tijd per rijtuig, maar ook per auto (ik weet niet hoe zij reisden) een enorme reis zijn geweest om hier een kind ter wereld te brengen. Want wij deden er met de auto van Cigaru naar Sukabumi al 1,5 uur over, terwijl Caringin nog verder ligt. Wellicht was er geen medische hulp dichter bij huis te vinden of was dit voor een geboorte de beste medische locatie in de omgeving.

Gezondheidscentrum waar mijn grootvader wellicht geboren is, Caringin 2010.

Ook bezochten we Sukabumi waar Komot vandaan komt. Ik stelde me voor dat ze er gewoond had, bijvoorbeeld in een van die huisjes waar de was te drogen hing, en vroeg voorbijgangers of zij de naam Komot kenden. Dat bleek niet het geval. Men legde een relatie met het eiland Komodo. Omdat ik geen Indonesisch sprak, kwam ik niet veel verder.
Later heeft Irwan, mijn gids in Sumatra met wie ik bevriend raakte, bij de burgelijke stand van Sukabumi naar haar geïnformeerd. Men wist hem te vertellen dat over Komot geen gegevens te vinden zijn. Over haar naam kwam hij te weten dat Komot een in die tijd gebruikte Soendanese naam was, die tegenwoordig niet meer voorkomt.

Huisjes in Sukabumi, de plaats waar mijn overgrootmoeder Komot vandaan komt, 2010.
Sukabumi bezocht ik nog een keer met mijn vriendin Joos. Hier staat zij onder de poort met de naam van de stad, 2013.

Uit het op 15 augustus 2023 ontsloten Indisch-Oud Paspoortarchief heb ik kunnen opmaken dat Komot is overleden in de periode 1950-1953. Ze woonde in deze laatste periode van haar leven in Cibatu-Cisaat in het regentschap Sukabumi. Na het overlijden van Willem August zal zij naar haar kampong zijn teruggekeerd. De plaats ligt op vijf kilometer van Caringin. Dit verklaart waarom zij in Caringin van haar twee kinderen is bevallen. Zij zal haar zwangerschap bij haar familie hebben doorgebracht en niet op de theeplantage.

Dit hoofdstuk eindigt met een mooie toegift. Zoals gezegd was Komot niet alleen de moeder van Piet, maar ook van zijn één jaar oudere zus Geertruide (zij werd Truus genoemd). Ik wist dat mijn grootvader een zus had, maar ik kende haar niet, noch haar familie.

Mijn overgrootouders Komot en Willem August met hun dochter Truus (rechts) en hun kleinzoon Otto, 29 april 1929.

Per toeval ontmoette ik in 2019 mijn collega-vrijwilliger Erik in Museum Sophiahof – van Indië tot nu. Hij bleek de schoonzoon van Truus te zijn.

Met mijn collega en nieuw gevonden familielid Erik in Museum Sophiahof, Den Haag 2019.

Erik is met haar jongste dochter Fenna getrouwd geweest en kon mij vertellen wie de voor mij onbekende familieleden op de fotopagina (uit hoofdstuk I) zijn. Ook vertelde Erik dat Truus haar leven lang getrouwd is geweest met Leo en met hem vijf kinderen (drie jongens en twee meisjes) kreeg. Zij overleed in Nederland in 1998.

Op een kleine, mooie familiereunie die Erik in het museum organiseerde, ontmoetten mijn zus Andrea en ik enkele nieuwe familieleden.

Er werd mij nog meer duidelijk. Nu ik wist wie Truus en Leo waren, begreep ik uit het condoleanceboek van mijn grootvaders uitvaart dat zij bij de plechtigheid zijn geweest. Tot het laatste moment was er contact tussen mijn grootvader en zijn zus.

Extra bijzonder is dat ik al jarenlang een felicitatiekaartje voor mijn geboorte in bezit heb, dat is ondertekend door “Oom Leo, Tante Truus en kinderen”. Wat vind ik het fijn te weten dat mijn Indische familieleden de ondertekenaars zijn.

Felicitatiekaartje voor mijn geboorte van Truus, de zus van mijn grootvader, haar man Leo en kinderen, 1959.

  1. Cornets de Groot 1973: 100-101. []
  2. Baay 2008. []
  3. Het was mei 2009 toen ik mijn eerste e-mail naar Merapi Tour & Travel stuurde. []
  4. Baay 2010. []
  5. Cornets de Groot, Saskia 2010. []
  6. Op mijn grootvaders persoonskaart staan de naam, geboorteplaats en het geboortejaar van zijn moeder vermeld. Zulke persoonskaarten uit het Nationaal Register Overledenen zijn gemaakt van personen die in Nederland zijn overleden tussen 1939 en 1 oktober 1994. []
  7. Als administrateur was Willem August het hoofd van de onderneming, hij leidde het bedrijf. []
  8. Cornets de Groot 1973: 101. []
  9. Cornets de Groot 1973: 101. []
  10. Cornets de Groot 1973: 100-101. []
  11. Cornets de Groot, R.A. 1989b. Zie ook Snoek 2005: 149-167; een sfeertekening over deze hbs is te lezen in zijn biografie over E. du Perron (hoofdstuk 7). []
  12. Cornets de Groot 1986: 138. []
  13. In de Preangerbode van 25 april 1918 vond ik het bericht over mijn grootvaders overgang van de 1e naar de 2e klas. Hij ging dus twee jaar later (april 1920) van school en was toen 16 jaar. []
  14. Baay 2010: 13. []
  15. Cornets de Groot, R.A. zonder datum c. []
  16. Willem August heeft haar in goede doen kunnen achterlaten, waarschijnlijk door haar zijn nalatenschap, zoals de inboedel van het huis, te laten erven. []
  17. Cornets de Groot 1986: 38. []
  18. Cornets de Groot 1986: 125. []

Plaats een reactie