I.M. Evert Verschuur (1938-2022)

I

Het LMC en de kunst van het motoronderhoud met Schuur en Cornetto.

Soms dacht ik nog aan Evert Verschuur, maar nooit was er een aanleiding om zijn adres of telefoonnummer op te zoeken. Afgelopen oktober stierf hij, en nu spijt het me dat ik dat dan maar niet zonder aanleiding heb gedaan. Het bericht bereikte me pas onlangs en kwam als een schok, want als kind was ik erg op hem gesteld. Van 1970 tot 1985 was hij mijn vaders naaste collega – hun leslokalen lagen naast elkaar op de begane grond – aan het Lodewijk Makeblijde College (LMC) in Rijswijk, waar hij wiskunde gaf. In 1974, toen mijn vader bij ons het pand verliet en aan een nieuw leven begon, bood hij hem een paar maanden onderdak op zijn zolder. Als elfjarige zocht ik hem in de weekends op, met bus 1 van de NZH vanaf de Turfmarkt naar Waterland nr. 8 in Zoetermeer: een groot huis, bestierd door zijn vrouw Wil, met lichte kamers en een open trap die in de huiskamer uitkwam. Ik speelde er met zijn kinderen Eveline en Joep, en keek toe bij het bridgen waar hij mijn vader in inwijdde.

’s Avonds bracht hij me in de auto terug naar ons huis aan de Denneweg. Bij elke hoek mocht ik zeggen welke kant we opgingen: linksaf of rechtsaf. Allebei was goed, zolang het niet twee keer dezelfde richting was. Hoe hij het geometrisch voor elkaar kreeg weet ik nog steeds niet, maar plotseling stonden we dan voor mijn huis. ‘Ga je niet mee naar boven?’ vroeg ik verbaasd, toen hij me alleen liet uitstappen. Hij kwam zo vaak boven, maakte geregeld deel uit van de zoete inval daar. Hij keek me vriendelijk verontschuldigend aan: ‘Nee…’ Op dat moment drong voor het eerst tot me door dat mijn vader hier niet meer woonde.

Later, in de brugklas, gaf hij me wiskundebijles, vooral algebra waar ik maar weinig van snapte. Hij rookte sigaren en om hem te bedanken kocht ik van het geld van mijn krantenwijk een doosje voor hem, ongematteerde, dat was heel belangrijk! Ik was zo verlegen dat ik ze niet aan hem durfde te geven, dus zocht die middag naarstig naar een plek in huis waar ik ze onopvallend kon achterlaten. Hij heeft er nooit wat van gezegd, begreep wel dat ik het te ongemakkelijk vond, wat alleen maar bewees hoe gek ik op hem was.

Daarna verloor ik hem uit het oog, tot hij in 1995, vier jaar na mijn vaders overlijden, op het LMC een poëziemanifestatie organiseerde. In mijn exemplaar van het bundeltje dat bij die gelegenheid verscheen, en waarin ook gedichten van leerlingen staan, prijken handtekeningen van Jaap Blonk, Herman de Coninck en Simon Vinkenoog – de laatste met mijn naam voluit erbij in groot handschrift; hij kon zich mijn vader nog goed herinneren. Voor Verschuur was de dag een groot eerbetoon aan zijn overleden vriend, die in 1984 de eerste editie onder de titel ‘Rebel mijn hart…’ op touw had gezet, een legendarische middag vol politiek engagement en met onder meer Schierbeek en Elburg als gastdichters.1 Bij de opening hield hij een postume lofrede; tot de huidige dag spijt het me dat ik die miste doordat ik te laat arriveerde.

Verschuur was er op beslissende momenten in mijn vaders leven: na de scheiding toen hij een onderkomen zocht, maar ook bij zijn aanvraag voor een eerstegraadsbevoegdheid, waardoor hij er aanzienlijk in inkomen op vooruit zou gaan zonder er nog eens vier jaar voor te hoeven studeren. Het was een idee waar Verschuur hem zelf op gewezen had. In het liber amicorum dat mijn vader bij zijn afscheid van het LMC kreeg, schrijft hij:

In mijn bezit is het concept van een brief aan de minister van O. & W. om de eerstegraadsbevoegdheid voor Ruud te verkrijgen. Kennelijk vertrouwde hij Piets Smits en mij niet en stelde hij de brief namens ons op. De brutaliteit! De laatste alinea, na regels vol prijzende woorden over zichzelf, luidde: ‘Wij besluiten, o.i. redelijkerwijs, met het uitspreken van de overtuiging dat Uwe Excellentie eveneens van mening zal zijn dat ons verzoek niet afgewezen kan worden. Wij zijn U voor deze zienswijze bij voorbaat bijzonder dankbaar!’
In een naschrift stond: ‘Beste Evert, ’t is wat brutaal, maar ’t succes hangt daarvan af. En voor jullie is ’t motto boven deze brief’ en dat was: ‘Het kerkhof ligt vol onmisbare lieden’. Is dat alles niet brutaal?2

Omgekeerd had Cornets als redacteur van de Gele vellen, het lerarenorgaan van het LMC, gelegenheid te over om zijn collega’s te sarren, onder wie zo nu en dan ook Verschuur, bijvoorbeeld in een stukje over de zgn. ‘Brainbox’, een hoek in de lerarenkamer:

Schuur kan ik er niet ontlopen. Wit als een doopkaars, met interessante grijze slapen. Hij gebaart veel, met vrouwelijke, zou ik haast zeggen, ja, bijkans met elegante, doorschijnende handen. Is het niet zonde dat hij, die zo begaafd is in wetenschappelijk en artistiek opzicht, overmoed dan wel lichtzinnigheid aan grenzeloze oppervlakkigheid paart?3

Het is een stijl die de kool en de geit spaart – uitermate geschikt voor het katholieke LMC – zonder de waarheid uit het oog te verliezen. Maar was die vermeende oppervlakkigheid van Verschuur werkelijk een bezwaar? Allerminst:

Mensen die van zichzelf vinden dat ze ‘diep’ zijn, zijn in het algemeen bijzonder vervelende mensen. Ik vind Plato uitzinnig vervelend, evenals Descartes, Kant, Freud (nu, die heeft nog wel iets interessants). Mensen zouden wat oppervlakkiger moeten zijn, vind ik, hun ziel aan de buitenkant moeten dragen. Het mooiste zou zijn, wanneer hun ziel de buitenwereld zou vormen. Dan is dat gewroet (Freud) voorgoed voorbij.4

De leraren op het LMC die deel uitmaakten van de zgn. ‘Brainboxgemeenschap’ waren stuk voor stuk mensen met een sterke persoonlijkheid, in de betekenis die het tijdschrift Forum (1932-1935) aan die term toekende: figuren met vele, vaak tegenstrijdige eigenschappen, raadsels voor zichzelf en de wereld, maar des te aantrekkelijker in de omgang. De vriendschap tussen Cornets de Groot alias ‘Cornetto’ en Verschuur – ‘Schuur’ – doet wel denken aan die tussen Du Perron en Ter Braak. Ze berustte meer op die overeenstemming in karakters dan op gedeelde waarden, zoals die laatste voort kunnen komen uit een gemeenschappelijke achtergrond. In dat opzicht was de band tussen Cornets de Groot en Jan Verstappen, ook leraar Nederlands en afkomstig uit de tropen, hechter en intiemer.5 Maar wanneer Du Perron in een brief aan Ter Braak ‘voor de eerste keer het gevoel [heeft] van een serieuse scheiding tusschen ons’ – laat dat, nog in dezelfde alinea, onverlet dat ‘je mijn vriend bent en blijven zult’.6 Ik vind dat ontroerend, zeker als je bedenkt dat beide mannen goed de vinger op de zere plek konden leggen en beruchte polemisten waren. Maar wat doen meningsverschillen, wat doet ideologie ertoe? Hoe sterker daaraan wordt vastgehouden, hoe groter het risico dat vrienden en naasten elkaar verraden.

Everts dochter Eveline gaf me de boeken die Evert in de loop der jaren van mijn vader verzameld had. Hij bezat ze allemaal, ook de vroegste bundels van voor hun kennismaking, met een prijsje voorin; kennelijk had hij die opgesnord. Allemaal waren het gave, ongelezen exemplaren. Is dat niet teleurstellend? Nee! Dat is vriendschap. Je hoeft niet alles van elkaar te weten of te begrijpen.

II

Na afloop van een schooltoneelvoorstelling, ± 1977. Vlnr: Rudy Cornets de Groot, Jan Verstappen, Pieter Konings, Evert Verschuur, Cobi Machielse, Jan Streng, Gerard de Leede.
Maar daar kwam de nieuwe binnen, de asblonde voor Geschiedenis. Zij had zich die morgen aan Ad en mij al voorgesteld als Eliane, en maakte nu kennis met de rest. () Tegen Evert, die wat verfijnder is doorgaans, en meestal onbezorgd en oppervlakkig, zei ze: ‘Een vrolijke boel hier!’ – Toen hij nauwelijks reageerde, voegde ze eraan toe: ‘U lijkt me wat zwaarmoedig.’
‘Dat komt omdat er zoveel vragen in uw verschijning schuilen,’ zei hij. Hij zond haar zijn zonnigste glimlach.
‘Moet ik blozen?’ vroeg ze.
‘Ach, nee! Als een man een vrouw ongewild in verlegenheid brengt, moet ze bewijzen dat ze niet zachter, niet anders is dan hij.’ Er werd gelachen.7

Zo, onder zijn eigen naam, verschijnt Verschuur in Cornets de Groots eerste roman Liefde, wat heet! (1983). Afgaande op zijn opmerking, lijkt hij karakter en sociale dispositie belangrijker te hebben gevonden dan het uitdragen van de waarheid. Het ging erom dat de verhoudingen in evenwicht waren; kennis van wie je was, of hoe de wereld verder in elkaar stak, kwam op de tweede plaats. Aan het handelen hoefde tenslotte geen overzicht of analyse vooraf te gaan, zoals een schaker die maakt: je deed het met wat je had, zoals een bridgespeler alleen zijn eigen hand ziet, niet die van zijn medespelers. Er spreekt een epicurische terughoudendheid uit, die de sociale actieradius beperkt tot het eigen domein. Alleen: voor een leraar was het problematisch, omdat die juist geacht wordt zijn leerlingen voor te bereiden op hun rol in de wereld. Voor Cornets de Groot was daaraan geen twijfel:

‘Hoe stelt u zich het onderwijs voor?’ werd me bij mijn sollicitatie gevraagd. Ik antwoordde (): ‘Ik wil dat mijn pupillen over zichzelf, over de wereld en over mij iets leren, en met iets bedoel ik zoveel mogelijk.’ ‘Dat wordt dan een dolle boel,’ zei de directeur. ‘Ja,’ zei ik. En ik mocht komen.8

In de scène in de lerarenkamer manifesteert Evert zich gaandeweg als verdediger van een verdwijnende wereld, een waarin er nog iets op het spel stond, een ideaal dat het leven de moeite waard maakte.

Was het Talleyrand niet,’ – hij wendde zich tot de blonde – ‘Talleyrand, die zei dat je zeventienzoveel meegemaakt moest hebben om te weten wat ‘la douceur de vivre’ kan zijn?’
‘Zeventiennegenentachtig,’ zei ze. ‘Het Ancien Régime.’
‘Het Ancien Régime,’ herhaalde hij triomfantelijk.
‘Verdorven romantiek!’ riep Ad. ()
‘Niks romantiek,’ antwoordde Evert. ‘Een gebureaucratiseerde maatschappij! ()’ Hij keek voorovergebogen met slimme oogjes de kring rond, duim en wijsvinger strijkend langs zijn snor. En op gedempte toon, alsof hij een mysterie onthulde: ‘En dat komt allemaal terug! Wij kunnen allemaal die schandelijke avonturen, die smerige intriges beleven die eens het voorrecht waren van koningen en hoeren!’9

Inmiddels weten we niet beter – de hele wereld ligt aan onze voeten. Maar het is merkwaardig dat Cornets de Groot nooit de Forumiaan in zijn vriend heeft herkend. Begrippen als persoonlijkheid, vriendschap, ‘honnêtteté’ of ‘virtú’ – stuk voor stuk steekwoorden uit de Forumdoctrine – lijken voor Verschuur voorop te hebben gestaan, en de decadente mentaliteit die zich nergens voor hoeft in te spannen om toch alles te krijgen, moet hij hebben verafschuwd.

‘Onze school draait als een machine, de cheque van Elianes eerste salaris is nu al uitgeschreven. We hebben onze hypotheek betaald, en zelfs de kroegbaas geeft ons krediet. Is dan de liefde niet het enige avontuur dat voor ons overblijft? Het leven is pas leuk als het precair wordt, ongewoon en riskant!’10

Die op avontuur, gevaar en romantiek ingestelde houding verbond beiden met elkaar, maar maakte ook slachtoffers:

Hij behoorde net als ik tot die gevoelige zielen die geplaagd worden door huwelijksmoeilijkheden, verhoudingen, gezanik met advocaten en kinderen. Door roddel, dit masker van de naijver.11

Op zijn 76e verloor hij zich, zo vertelde Eveline mij, nog aan een nieuwe liefde! Waar vind je zulke mensen nog? Hij omarmde het leven, zoog het op, verzamelde de wereld om zich heen in postzegels, munten, boeken en cultuur in de breedste zin: zijn huis stond er vol mee. Deed hij dat om aan het leven vast te houden? Misschien eerder om van de wereld een model op schaal in huis te hebben, een laboratorium waarin hij in afzondering kon vertoeven, zonder de rest van de wereld erbij te betrekken. Een alchemist, voor wie de wereld een schouwtoneel was, een ruimte waarin hij een afvaardiging van zichzelf op pad kon sturen. Cornets de Groot, die een boek over alchemie schreef,12 vond dat te weinig. Verschuurs epicurisme, zijn ‘oppervlakkigheid’ en Forumiaans individualisme lijken voor hem uit het oog te hebben verloren dat de dingen in de wereld deel uitmaken van het geheel ervan, inclusief de beschouwer. Daarom kon je jezelf niet ‘objectief’ buiten de wereld stellen, ook als wiskundeleraar niet. Juist de investering in jezelf en in de wereld werd door leerlingen gezien en dwong respect af. Daarin verschilden beiden van elkaar; in een brief aan mij uit 1988, waarin ik me kennelijk positief over Evert uitliet, liet mijn vader dat ook weten:

Mijn onderwijs kenmerkt zich door solidariteit. Dat was niet zo gewoon op die school van mij, ook bij die goeie Evert niet. Het vaderlijke en vriendschappelijke was natuurlijk niet afwezig, maar autoriteit ontleen je aan je kennis van de wereld en van jezelf en aan de bekwaamheid, daarmee om te gaan, – niet aan “macht” of liefde (in de vorm van sympathie).13

Ik vond en vind het pijnlijk om te lezen, maar zijn toon in deze brieven was doorgaans korzelig en doet geen recht aan de waardering die hij voor Verschuur moet hebben gevoeld, zoals die spreekt uit de scènes in die eerste roman, en de solidariteit waar Verschuur wel degelijk blijk van gaf – misschien niet zozeer met de wereld, maar wel met hem…

III

Dit ingelijst gedicht, à la Leopold op een voorbedrukt kladje gekrabbeld, kreeg ik van Eveline. Het stond bij haar vader in de kast. Aan het medium te zien – een bestelformulier voor examenbundels – en aan mijn vaders rudimentaire handschrift, vermoed ik dat het gedicht in kennelijke staat op papier is gezet, in diezelfde lerarenkamer waar het vaak een dolle boel was. Het gedicht zelf ontstond in Verschuurs geboortejaar 1938 al, onder Gerrit Achterbergs pen:

Toen ik het einde had bereikt
van mijn verdorvenheden,
stond God op uit het slijk,
en weende;
en ik stond naast hem, ziende neder
op een verloren eeuwigheid.
En hij zei: je had geen gelijk;
maar dat is nu voorbij, van heden
tot aan die andere eeuwigheid,
is maar één schrede.

Er ontbreken dus twee regels in het handschrift en een paar woorden zijn verhaspeld, maar daaruit blijkt alleen dat Cornets de Groot het vrijwel uit het hoofd kende. Dat Verschuur het vervolgens inlijstte, bewijst dat het ook voor hem veel betekenis moet hebben gehad. Hoe verbond dit gedicht beide mannen met elkaar?

Aan het eind van onze verdorvenheden wacht er geen straffende God, maar een die hooguit om die verdorvenheden weent… Dat biedt ruimte voor een ‘kunst van het falen’:14 zolang je speelt, experimenteert, creëert, leeft, is er geen norm om aan te voldoen; het leven is geen examen. Die boodschap gaf Cornets de Groot zijn leerlingen mee, en ik maak me sterk dat Verschuur niet anders deed: je mag mislukken, want van je fouten leer je; bovendien is het onvermijdelijk.

Zelf staat God trouwens op uit het slijk: hij is geen haar beter, althans doet niet voorkomen alsof hij dat is: hij is solidair in de zonde.

In de tweede strofe bevestigt God dat we geen gelijk hadden, dat we fouten hebben gemaakt, maar ze worden ons niet nagedragen: met de eeuwigheid die we verloren, zijn ook onze fouten uitgewist. Hoe zou van alles dat we kwijtraakten uitgerekend een tekort behouden kunnen blijven?

Zelf streeft het gedicht ook geen volmaaktheid na: zoals er sprake is van twee eeuwigheden, zo zijn er twee rijmklanken, maar alleen in halfrijm. Het is des te mooier daardoor – alsof het voorbij de verloren eeuwigheid, waarin alles zo belangrijk was, naar die andere eeuwigheid kijkt, waarin het er niet meer toe doet en die daarmee een rijkdom aan mogelijkheden openbaart. Kan dat vooruitzicht geen aanwijzing zijn voor het leven hier? Eén schrede scheidt ons maar van die andere dimensie: in plaats van zorg om eigen zielenheil is er een besef van sterfelijkheid, waarin een aansporing kan worden gevonden om het leven hier te omarmen, zolang en zoveel als het kan.

Daarin is Evert Verschuur dan toch een voorbeeld geweest.

Evert Verschuur


Verder lezen:
Is Cornets brutaal? Of agressief? – Stukje van Verschuur over Cornets de Groot
Correspondentie met Evert Verschuur
Dallas in de achttiende eeuw – Hoofdstuk uit Liefde, wat heet! met Verschuur in hoofdrol.


  1. Zie Cornets de Groots verslag van de middag in een terugblik uit 1989. []
  2. Zie de door Cornets de Groot zelf geschreven concepttekst van de aanvraag. []
  3. Uit: Ik kèn wel janke!. []
  4. Brief 33 aan Hans Dütting. []
  5. Zie Cornets de Groots brief aan Jan Verstappen. []
  6. Brief van 22 januari 1934, zie het volledig werk van Du Perron. []
  7. Liefde, wat heet!, p. 48. []
  8. Tropische jaren, p. 133. []
  9. Liefde, wat heet!, p. 49. []
  10. Liefde, wat heet!, p. 49. []
  11. Idem. []
  12. De zevensprong (1967). []
  13. Brief 4 aan RHCdG. []
  14. Naar de titel van Cornets de Groots autobiografische essaybundel uit 1978. []

Jan Elburg: Van der Vegts biografie

 


Sinds de vorige post over Jan Elburg is een hele afdeling ‘Commentaar’ toegevoegd met interviews, recensies, polemieken, in memoriams, lemma’s uit naslagwerken, enz. plus acht autobiografische teksten; zie onderaan in het menu aan de linkerkant.
In deze tweede aflevering over Jan Elburg onder meer aandacht voor ‘De man met de drietand’, Elburgs dit jaar verschenen biografie door Jan van der Vegt.

 
Jan Elburg heb ik één keer ontmoet, in 1983 bij de uitreikingen van de Jan Campertprijzen, waarvan hij die voor poëzie in 1948 als eerste in ontvangst mocht nemen. Mijn ouders waren er vaak bij in dat oude stadhuis aan de Javastraat, ook na hun scheiding; het was het enige moment in het jaar dat ze nog in dezelfde ruimte vertoefden. Niet dat ze er samen stonden te borrelen, overigens. Je zou kunnen zeggen dat de ene poot van mijn complex, Oedi, in de ene zaal stond, en de andere, Poes, in een andere. Daartussen pendelde ik heen en weer, verder nauwelijks meer benieuwd naar de contouren van die voormalige gevarendriehoek dan naar die van een kunstenares die ik kort tevoren had leren kennen. Ze schilderde en imponeerde me met de boeken die ze las – zozeer dat ik besloot om ‘zelf schrijver te worden’, naar het woord van Reve die ik op haar aangeven las. Ze was erbij die avond en we moesten erg lachen om de hilarische anekdoten over Van Deyssel in het dankwoord van Harry G. M. Prick. Van literatuur wist ik verder nauwelijks meer dan ik op school had geleerd, maar ik was verliefd, misschien meer op literatuur dan op haar.

 

Foto: Chris van Houts.

 
Van Jan Elburg had ik nog nooit gehoord, maar mijn vader stelde me aan hem voor toen ik weer eens langs liep. ‘Dit is mijn zoon‘, zei hij, met een trotse nadruk op het laatste woord die me nogal verwonderde, want hij was vaak kritisch over mijn doen en vooral mijn laten in die jaren. Het contrast met Elburg kon in elk geval niet groter zijn dan toen. Ik als werkloze nietsnut in de gewaden van de armoe, hij in grijsbruin wollen pak, met stropdas achter V-hals en glaasje jenever in zijn hand, een halve eeuw ouder. Een letterheer – al kende ik dat woord toen nog niet. Maar ik dácht het wel. En niet zomaar een schrijver van romans of verhalen, maar een dichter, iemand die zich met taal in een heel bijzondere vorm bezighield. Het maakte indruk op me. Dat hij en mijn vader in elkaars gezelschap verkeerden gaf het vermoeden van een al even bijzondere wereld die ik niet kende – al kwam ik er nog niet toe om de boeken van mijn vader te gaan lezen. Veel te moeilijk, dachten mijn zussen en ik altijd.

De tweede keer dat ik Elburg ontmoette was acht jaar later en twee weken na mijn vaders dood, in een ingezonden brief in de NRC van 18 maart 1991:

‘Tijdens het doornemen van de kranten van de afgelopen dagen tref ik in NRC Handelsblad van 11 maart een acht-en-een-halfregelig berichtje aan over het verscheiden van essayist R.A. (Rudy) Cornets de Groot. Het gaat hier om de te vroege dood van een onconventionele, erudiete solitair in de Nederlandse letteren. Afgezien van het feit dat niet meer dan twee van zijn werken met name worden genoemd terwijl de man, zuinig geschat, van 1966 af zo’n vijftien boeken met een keur aan literaire beschouwingen heeft doen verschijnen (waarvan zeker zijn onthullende publicaties over Vestdijk en Lucebert verplichte kost voor elke letterenstudent zouden dienen te zijn) wordt wèl gemeld dat hij over een auteur genaamd ‘Gazelle’ zou hebben geschreven. Dit nu is een ongecorrigeerde zetfout die men eerder verwacht in de bladvullingen van een gratis huis-aan-huisblad dan in onze gewaardeerde kwaliteitskrant. Zo’n blunder in een schriel stukje van precies veertig woorden slaat echt alles. Het komt me voor dat heel wat van Cornets de Groots lezers – zowel de voor- als de tegenstanders – gediend zouden zijn geweest met een uitgebreider artikel over deze dwarse, oorspronkelijke literaire speurder.’

Was getekend: Jan Elburg.1 Nog altijd kende ik het werk van mijn vader nauwelijks, op de romans na, en Elburg was nog steeds niet meer dan een naam, maar dat hij een Vijftiger was, en dus een levende legende, wist ik inmiddels wel. En die man klom in de pen om dit onrecht te herstellen?
Pas nu, na het lezen van Van der Vegts biografie weet ik dat Elburg een verwoed schrijver van ingezonden brieven was – zoals hij ook een verwoed verzamelaar van krantenknipsels was en graag correspondeerde met mensen die hij verder liever op afstand hield: het prototype van de blogger en Facebooker. Maar Cornets de Groot krijgt met een dozijn vermeldingen dan toch ‘de plek die hem toekomt’, zoals het heet: Van der Vegt noemt hem onder meer een ‘kenner bij uitstek in Elburgs ogen’ (p. 385) en er staat zelfs een foto van hem in het boek.

Voordat ik verder inga op die relatie tussen Elburg en mijn vader toch eerst een paar woorden over die biografie, De man met de drietand. Ik ben geen groot lezer en al helemaal niet van biografieën, maar het genre ‘schrijversbiografie’ dat Van der Vegt en ook Wim Hazeu beoefenen kan mij als literaire creatie niet bekoren. Het zijn feitenbiografieën en daarin ligt hun enige waarde: ze dragen materiaal aan voor verder onderzoek. Zelf zijn ze niet of nauwelijks kritisch, en wat erger is: ze zijn onderling nagenoeg inwisselbaar. Hoezeer de levens van Slauerhoff, Achterberg, Vestdijk (Hazeu) en Hans Andreus, A. Roland Holst, Hendrik de Vries en Elburg (Van der Vegt) ook uiteenlopen, de biografieën lijken allemaal op elkaar. De mannen in kwestie gaan na de middelbare school studeren of niet, ze trouwen of niet, ze krijgen kinderen of niet, hebben succes of niet, en ten slotte gaan ze dood. Al die feiten verschillen niet van mijn leven. Natuurlijk, de een houdt van varen en de ander schiet zijn hospita overhoop, maar dat maakt voor die biografieën allemaal niet uit. Er wordt door deze beroepsbiografen nauwelijks geduid, geen enkele visie uitgesproken. Of het moet zijn dat het leven een opeenvolging van toevalligheden is, waardoor de biografie niet meer dan een raamvertelling hoeft te zijn waarin elke catastrofe moeiteloos kan worden ingepast. De deus ex machina als narratief beginsel.
Zo wordt er dan een overvloed aan materiaal aangedragen voor een punt dat niet wordt gemaakt. Een observatie zoals ik die hierboven geef over Elburg als prototype blogger, op grond van een enkel gegeven, kom je in deze dikke boeken nergens tegen. Het gaat maar door, tot aan de jaarlijkse vakanties aan toe en je houdt het alleen vol als je een bepaald belang hebt bij de gebiografeerde.

En dat terwijl Elburg gecompliceerd genoeg was. Een experimenteel schilder en dichter die uitgroeide tot letterheer. Lid van Cobra, maar eerder een tekenaar die grenzen afbakende dan een colorist à la Appel. Een communist die grotendeels van het schrijven van reclameteksten leefde. Een bohemien die toewerkte naar een burgermansbestaan en die aan vaste patronen en traditie hechtte. Een revolutionair die pistolen niet als wapens zag maar als verzamelobjecten. Als kunstenaar geen schepper, maar een collectioneur die voorwerpen aan de werkelijkheid onttrok, uitsnedes maakte, dranketiketten spaarde, artikelen uit kranten knipte, enz. Die het ook in zijn dichtwerk minder van vormende principes moest hebben dan van een ars combinatoria. Een ridder-minnaar, ten slotte, die ‘de liefde kon bezingen met behulp van militaire termen, en de oorlog met de kooswoordjes van de minnaar’, volgens de formule van Cornets de Groot.2 Genoeg raadsels om te duiden dus, maar in plaats daarvan worden de tegenstellingen dialectisch ‘opgelost’ in de metafoor waaraan de biografie haar titel dankt.

Dat het genre ook anders kan worden beoefend liet Cornets de Groot zelf zien in zijn biografie van de dichter-zanger J.H. Speenhoff. Een ooit immens populaire, maar nu allang vergeten figuur bij wie vrijwel niemand meer een belang kan hebben, maar die vanaf de eerste pagina boeit, doordat de schriftuur ervan wordt geleid door de behoefte om deze Speenhoff tot leven te wekken – niet om hem tot een onsamenhangende hoeveelheid feiten te reduceren en in een boek van intimiderende omvang aan het lezerspubliek aan te bieden. Die biografie van 123 pagina’s A4, een hoogtepunt in het latere werk, is nooit gepubliceerd, en tot de dag van vandaag door hooguit drie mensen gelezen. Men vindt haar hier.
 
Omslag van 'De man met de drietand'.

Jan van der Vegt, De man met de drietand
Meulenhoff, Amsterdam, 2012
528 blz., €25,00
ISBN: 9789029088275

 

(Verder naar De raadsels van Jan Elburg (I)).


  1. Het briefje was in werkelijkheid ondertekend met ‘Jan Elberg’. Hierop besloot Elburg de waanzin ten top te drijven door andermaal te reageren: ‘In NRC Handelsblad van 18 maart lezen wij tot onze verrassing de naam Elberg onder een briefje over de door u opgevoerde auteur ‘Gazelle’. Mogen we aannemen dat dit dezelfde Elberg is die ooit tussen Gouwenaar, Lucefert en Schaerbeek iets met de Copra-beweging te maken had?’ []
  2. In Poëzie is zweven. []