Voorwoord bij De open ruimte (1967)

Bron: De open ruimte, Bert Bakker/Daamen NV, Den Haag, 1967, p. 11-13.
Omslag Life magazine met atoompaddenstoel
[Afbeelding niet in oorspronkelijke publicatie].

Van het tijdschrift Life heb ik altijd erg veel gehouden. Nog, ondanks tv, is het mijn onafscheidelijke makker, gids op onze onder papier en inkt bedolven planeet. Nooit zal ik bijvoorbeeld het exemplaar vergeten, dat mij alles over de Operation Crossroads, de a-bom op Bikini, uit de doeken deed: de klapperboom, de offergeit, de paddestoel. Het nummer behoorde tot mijn kostbaarste bezittingen, toen ik het om merdeka schreeuwende Indonesië verliet. Zelf schreeuwde ik ook: don’t fence me in en oh, give me land: onvergetelijke klanken. Mijn wens werd verhoord, en in het mij gegeven nieuwe, oude land wierp ik me opnieuw met mijn belachelijke heimwee naar nieuws op Life. Ik leek wel gek in die dagen, en ik was het trouwens ook. Verbeter de wereld, begin bij Bikini, dacht ik. Toen al. Maar Hiroshima had de mensen in zijn greep. Het was een sombere tijd: niemand snapte van Bikini de zin. Bikini was natuurlijk ook onzin. Men heeft wat afgelachen om profeten, zoals altijd, men heeft niet naar mij geluisterd: de profeet! – de profeet en zijn openbaringen! Zin kreeg een profeet pas door zijn tegenprofeet: Copernicus door de Inkwisisie, Bikini door de abom der Sowjets (29-8-’49). Niet eerder werd mijn eiland aktueel, niet eerder vertoonden zich vriendelijke meisjes in het toen nog godslasterlijke badpak van die naam, niet eerder werd een romeins mozaïek van die meisjes uitgegraven. De chaos nam wat toe, zoals men zich herinneren zal. De wereld was in tweeën verdeeld, als eens, bij het verdrag van Tordesillas in 1493. Moest de wereld toen waarlijk werkloos toezien hoe de zeemogendheden Spanje en Portugal de buit verdeelden? Op wie was het wachten dan?

Nu, nu ik door meditasie de volledige verlichting deelachtig ben geworden, en mijn vorige levens doorschouwen kan op de wijze van Mulisch met zijn Hiung-Nu en van Vinkenoog met zijn Vinkenaugen, nu weet ik ’t. Ruim honderd jaar na Tordesillas bracht ik, nadat ik door magiese kunstgrepen het orakel van Delfi naar Delft had overgeplant, verandering in deze mensonterende toestand. Ik schreef mijn beroemd geworden boek De open zee. Het varen om de noord maakte ik overbodig, ik opende de weg voor Piet Hein en gaf de VOC de mogelijkheid zich anders voor te doen, dan als een kompanjie van gewetenloze zeeschuimers van het allerbedenkelijkste allooi. Ik ging op voet van gelijkheid om met dichters als Vondel en Hooft en maakte een prins het leven zuur. Ik opende de weg voor mezelf, een planter die zijn sigaren aanstak met bankjes van duizend. Ik vond voor mijn moeders zijde een Indonesiese schoonheid met iets van het oude China in zich. Ik huwde haar, verwekte mezelf, en werd in het gedenkwaardige krisisjaar ’29 geboren, een waterman uiteraard. Twintig jaar later verklaarde ik op 29-8-’49 de ruimte plechtig voor geopend en liet de eerste vliegende schotels los. Een nieuw tijdperk was begonnen: niet voor mij, maar voor de wereld.

Men schreef het jaar 1962. Het was het jaar van Hans Verhagen en van De dageraad der magiërs, zegt George van Vrekhem. Inmiddels was ook ik uit mijn boekenkist gekropen: 1962 was het jaar van Bikini, dat in Randstad (lente 1963) werd geplaatst, en dat helaas aan de aandacht van George van Vrekhem is ontgaan. Ik hoop dit ernstig verzuim dat niet genoeg betreurd kan worden, bij deze te hebben hersteld, zo niet tot genoegen van de burgerwacht, dan toch tot dat van mij en tot stichting van mijn lezers, die ik nederig smeek niet te willen geloven, dat het in Bikini om literaire kwesties gaat. Ik ben niet geïnteresseerd in literatuur – ik interesseer me voor een wijze van leven. Bikini was een zoveelste hergeboorte van mij, een ‘psichies’ proces, dat bij gebrek aan ‘psichiese’ taal werd uitgedrukt in ‘literaire’. Het was een doolhof, maar een weg, strikt geheim en koninklijk: de raya yoga is er niets bij. ‘Men moet chaos in zich hebben om een dansende ster te kunnen baren’, zei Nietzsche, en ik heb voldoende chaos voor een kompleet heelal. Ik beveel dan ook iedereen aan om Bikini te lezen. Zelf handhaaf ik Bikini immers ook zonder enige gewetenswroeging, omdat het me als mislukking met stompzinnige uitspraken noodzaakt om van mezelf af te stappen en tot mezelf te komen. Terzake dus. Bikini, niet Hiroshima, moest ons doen en laten bepalen, zoals ik al schreef. En als we het goede voorbeeld niet krijgen (en wie zal willen beweren dat dat wèl het geval is?) dan moeten we het zonder of tegen het voorbeeld doen.

Het oude heerst nog, het voorbije, schreef ik, en ik schrijf het weer, en ik weet, dat ik waarschijnlijk maar weer wat zeg. Wat kan een ziener zonder uitzicht, een zendeling zonder zen-ding in godsnaam beweren?

‘Die Forderung des Tages’ zei Goethe, dat is het enige. Er wordt bij mij dan ook niet gezwetst. Bij mij worden spijkers met koppen geslagen.

Den Haag, 9/14 augustus ’66

 

Plaats een reactie