Anderen over Cornets de Groot - Inleidend


“Wat er ook over mijn werk geschreven wordt, het is altijd tertiaire literatuur.”

Krantenkoppen over Cornets de Groot

‘Het verschijnsel Cornets de Groot [is] langzamerhand zodanige afmetingen gaan aannemen dat een zeer nadrukkelijke afwijzing noodzakelijk is geworden. Uit deze “omelette” is een totaal ongefundeerde kritische reputatie aan het groeien. De grondslag van dit soort essayistische bedrijvigheid is eenvoudig non-existent’.1
Prof. dr. A.L. Sötemann, ‘Achtergronden bij enige critici’, De Nieuwe Taalgids, 61e jrg., nr. 2 (februari 1968), pp. 104-107.

‘Ondanks enkele op- en aanmerkingen, die ik niet verzwijgen wil, heeft [Cornets de Groot] zich [] van zijn taak gekweten op een wijze die alle lof verdient, en die kennis van zaken paart aan een vlucht der spekulatieve verbeelding, die mij weliswaar nu en dan noopte mij de ogen uit te wrijven, maar zelden of nooit omdat het gestelde mij totaal onverdedigbaar leek’.2
S. Vestdijk, ‘Schema en ideologie’, Maatstaf, 14e jrg., nr. 3 (maart 1967), p. 1013.

‘[De God Denkbaar] is een van de weinige boeken waar bepaalde mensen echt serieus een interpretatie van hebben pogen te geven. [] Er is bijvoorbeeld een groot essay van Cornets de Groot3 over dat boek en een van Freddy de Vree, die voor mij, als auteur kun je dat natuurlijk niet precies bekijken, heel interessant zijn. Veel interessantere essays dan er ooit over andere boeken van mij geschreven zijn’.
W.F. Hermans, in: Frans A. Janssen, Scheppend nihilisme, interviews met Willem Frederik Hermans, Amsterdam, 1979, p. 256.

‘Rudy heeft werkelijk als geen ander inzicht in de kronkels van mijn denken en de eigenaardigheden van wat ik maak. Daardoor kan hij op een plezierig badinerende toon de meest rake dingen formuleren. Wanneer hij dit, wat hij zelf [als] ‘iets leuks’ bestempelt ergens […] publiceerde zou hij daarmee meer voor het begrip van mijn schrijfsels hebben gedaan dan menigeen in pretentieuzer stukken meende te doen…’
Jan G. Elburg in een brief aan Anton Korteweg, september 1986.

‘Maar vind je nou niet dat er een paar uitstekende essays geschreven zijn door verschillende mensen. Ik noem bijvoorbeeld Rodenko, Cornets de Groot’.
Lucebert, geïnterviewd in Hollands Diep, 5 juni 1976.

 

Kwalificaties van Cornets de Groot op de achterkant van ‘Ladders in de leegte’.

Wie de kritieken, recensies en essays over Cornets de Groots werk leest, merkt al snel een tegenstelling op tussen neerlandici die Cornets de Groots kennelijke gebrek aan wetenschappelijke scrupules wantrouwden, en enthousiaste critici die zijn literatuuropvattingen als een bevrijding ervaarden. In een enkel geval verenigden beide sentimenten zich in éen borst, resulterend in kwalificaties als ‘geniale losbol’, en ‘literair gerechtvaardigde wetenschappelijke onschuld’.

Als we enerzijds afzien van de uitbrander van prof. dr. A.L. Sötemann, en anderzijds van de poging van Jan Sas om Cornets de Groot in verband te brengen met mensen als Lacan, Barthes, Deleuze & Guattari, dan is er tijdens Cornets de Groots leven maar eenmaal een essay over zijn werk gepubliceerd, Een feuilleton-essay van Cornets de Groot door Marcel Janssens. Het was een lovende bespreking van de bundel Intieme optiek en het steunde Cornets de Groot in zijn polemiek tegen de literatuurwetenschap. Ondanks zijn zelfverkozen geïsoleerde positie in de literatuur – ‘Ik ben mijn eigen en enige partijganger, en meer heeft mijn partij ook niet nodig’4 – ontzag hij zich niet om deze steun uit onverdachte hoek op te nemen in de ‘Bijlage’ van zijn bundel Striptease.

In 1993, twee jaar na Cornets de Groots overlijden, publiceerde Piet Meeuse een artikel in De Revisor (1993/1), getiteld ‘Een anarchist in de letteren’. Aan de hand van een overzicht van Cornets de Groots bemoeienissen met het werk van Harry Mulisch vormt ook dit stuk een pleidooi voor een persoonlijke benadering van literatuur en ageert het tegen de stringente opvattingen van academische autoriteiten. Piet Meeuse nam het essay in 1999 op in zijn bij de Bezige Bij uitgegeven bundel Oud nieuws.

In hetzelfde jaar, 1993, schreef Gerard Termorshuizen ‘Teruggaan naar een vergeten tijd. De “Tropische jaren” van Rudy Cornets de Groot’. Het artikel werd gepubliceerd in Indische Letteren (achtste jaargang, nr. 3-4, december 1993), het orgaan van de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde. Het artikel laat Cornets de Groots essays over de Nederlandse literatuur grotendeels buiten beschouwing en bakent daardoor het Indische werk binnen Cornets de Groots oeuvre af.

In december 1995 schreef bezorger dezes zijn debuutartikel voor Bibliografie Bulletin, getiteld ‘Antibiografieën van Cornets de Groot’. Het bespreekt Cornets de Groots pogingen om het werk van Mulisch, Vestdijk en Speenhoff aan de hand van hun biografieën in kaart te brengen en biedt daarnaast een klein overzicht van Cornets de Groots eigen biografie. De hier gepubliceerde versie is enigszins herzien.5

Auteurs en rechthebbenden die bezwaar maken tegen opname van hun werk in deze sectie van de website kunnen via het contactformulier contact opnemen met de samensteller.

  1. Zie voor Cornets de Groots reactie op Sötemann’s artikel zijn Nawoord bij Een wijze van lev/zen. []
  2. Vestdijks reactie op De chaos en de volheid. Cornets de Groot antwoordde in hetzelfde Maatstafnummer met het artikel Een schrijver mée als tegenschrijver over een schepper mée als tegenschepper. []
  3. Het essay Denkbare tautomerie, in De zevensprong, pp. 37-86. []
  4. Foutenanalyse, Ladders in de leegte, p. 224. []
  5. In oktober 2003 werd de herziene versie van het artikel bovendien in twee afleveringen gepubliceerd in Meander. Zie aflevering 1 en aflevering 2. []

Audio »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>