Geen gemakkelijk heer (slot)

IV. Vader, leraar, Jood, spinozist

Louise (Loes, Loekie) Heeresma en haar vader Piet Cornets de Groot met het boek Joodse humor van Salcia Landmann, ± 1970.

Dat Heeresma het schrijven als een metier opvatte en niet als een vehikel voor inblazingen van hogere machten, wil niet zeggen dat hij geen waarheden koesterde. Alleen zorgde hij ervoor dat die nooit in conflict kwamen met zijn belangen. Wel zo consequent, en een extra waarborg dat hij naar die waarheden leefde. Zo betaalde hij, toen zijn boeken begonnen te verkopen, geen belasting meer: een soeverein avant la lettre. Zijn verklaring:

Dit is niet zomaar iets, maar een Principe van mij dat me geen windeieren legt, maar waarom zouden principes altijd geld moeten kosten?’ ((De Goede, p. 203.))

Toch was de waarheid voor hem geen kwestie van aannemen en geloven. Weliswaar putte hij zijn geloofsartikelen uit ‘de Schrift’, maar het ging daarbij om een lichamelijk te beleven ervaring. In zijn werk legde hij er zich ook op toe om die teweeg te brengen:

Ik ben inderdaad een boodschappenjongen. () Als schrijver wil ik de Goede Boodschap overbrengen,

om er in dezelfde adem aan toe te voegen:

dus vóór alles de lezer eens even behoorlijk aan verwarring ten prooi laten vallen door de stoel weg te trekken waarop zijn Heerlijke Zelf heeft plaatsgenomen. Eén sekonde vrije val kan immers wonderen verrichten! ((‘Ik graaf liever dan dat ik omhoog grijp. Vragen aan Heere Heeresma door T. Graftdijk’, Soma 23, mei 1972, p. 9.))

Het valt op hoe nauw dit niet alleen aansluit op de joodse traditie, met name de ideeën van Maimonides, maar ook op Spinoza’s affectenleer en op diens idee überhaupt dat elk ding, elke ‘modus’ gedefinieerd kan worden door zijn vermogen om aandoeningen (‘affecten’) te ondergaan en bij anderen teweeg te brengen. Spinoza wijst erop dat die affecten vaak verkeerde voorstellingen in ons oproepen, en dat we door oefening en studie die voorstellingen kunnen omzetten in adequate ideeën. Dat is het joodse in zowel Spinoza als in Heeresma, die inzake geloofskwesties vaak heeft gehamerd op het belang van kennis en een verstandelijke omgang met ‘wat geschreven staat’.

[Ik richtte] mij op de pesjat, wat ‘eenvoudig’ betekent en zich bezighoudt met de directe verklaring van woord en passage, waarbij dus wat daarachter ligt onbesproken blijft. Het is eenieder die op zoek is naar de oerbronnen, geraden zich daarin zeer scherp te richten, want anders komt men, bij wijze van spreken, om in de gigantische hoeveelheid materiaal die in het joodse volk ligt opgeslagen.’ ((De Goede, p. 278.))

We hebben hier kortom de eerste twee van de drie vormen van kennis die Spinoza onderscheidt te pakken: de verbeelding, die onvolledig is want gebaseerd op toevallige indrukken en zintuiglijke waarnemingen, en de rede, al veel betrouwbaarder omdat die zich bedient van adequate ideeën en logische redeneringen. De derde vorm, intuïtieve kennis, heeft Heere misschien altijd gehad, voor zover hij mensen en het leven doorzag, en wist hoe hij zijn weg moest gaan. Spinoza associeerde deze vorm van denken met een stille, stabiele vreugde en helderheid, van laetitia. Al in 1973, vertelt De Goede, constateerde de joodse zangeres en schrijfster Chanah Milner dat Heere

in wezen een religieus voelend mens [is], overtuigd van het Woord en van de woorden van de profeten. In innerlijke rust en onaantastbaar gaat hij zijn weg, die voor velen een raadsel zal zijn. ((Idem, p. 279.))

Dit is Spinoza’s amor Dei intellectualis ten voeten uit, met daarbij natuurlijk de kanttekening dat zijn Deus gelijkstond aan de natuur (‘deus sive natura’), maar dat lijkt in dit verband een detail. Heeresma’s geestelijke dispositie moet hem ook in zijn strijd tegen de maatschappij hebben geholpen: niet omdat hij zich er als subject tegen teweerstelde, maar omdat hij rust vond in het besef van de noodzakelijkheid van de dingen. Zijn geest kon zich ontspannen en van daaruit ja zeggen tegen het bestaan, en eventueel nee tegen wie hem dwarsboomde.

Allicht lag de ervaring van eeuwigheid die de derde kennisvorm geeft ook ten grondslag aan zijn poëzie, en misschien moet niet te vroeg geconcludeerd worden dat hij die verliet (of andersom). ‘Vlieg vogel vlieg met me mee tralala’… Is hij niet altijd dichter gebleven?

Ik blader door zijn Zwaarmoedige verhalen en lees bij elk verhaal de opdrachten aan ontijdig gestorven mensen die de schrijver gekend heeft, en de vermaning hen te gedenken. Hoe joods is ook dat niet: de praktijk van zachor, het gedenken als morele oriëntatie en spirituele discipline, waar Spinoza op zijn minst het ethische aspect van behield: het ordenen van herinneringen om ze te verbinden met adequate ideeën, en zo vrij te worden.
En wat te denken van het motto voorin het boek:

Tot stand gekomen in het besef dat de natuur
machtig mooi is
en een mensenleven
nauwelijks de moeite waard

Ook bij Spinoza is de natuur c.q. God oneindig en noodzakelijk, en zijn mensen maar eindige en afhankelijke ‘modi’. Daaruit volgt wat mij betreft niet dat ze niet de moeite waard zijn, maar het tekent de verhouding, en de vergelijking tekent zowel Heeresma’s schatplicht aan het joodse denken als zijn verwantschap met Spinoza, al was hij zich daar zelf misschien niet erg van bewust. Spinoza’s naam althans ontbreekt in de biografie, en ook in zijn verzamelde brieven in Bleib gesund.

Louise Heeresma-Cornets de Groot, Heere sr. en hun zoon Heere jr. in hun woning aan de Hanenburglaan in Den Haag, ± 1966.

Heere heeft, zo vertelt De Goede, zijn voorliefde voor het Jodendom ook overgedragen op zijn zoon. ‘Hij is onze simche, mijn kaddisjzegger ook’, schrijft hij ter introductie van Junior aan de Antwerpse rabbijn Jacob Friedrich, die de Tenach doceerde en het boek Jozua. Simche, legt De Goede uit, staat voor vreugde; kaddisj zeggen, ofwel een dodengebed zeggen, ligt bij de Joden vooral op het pad van de zoon. ‘Ik heb bij hem [rabbijn Friedrich] geleerd dat het om een manier van leven gaat. En een manier van praten,’ aldus Heere jr. in de biografie. ((De Goede, p. 302.))

Na de dood in 2008 van zijn moeder, mijn tante Loes, heeft Junior gebroken met zijn vader. Maar dat wil geenszins zeggen dat hij afstand heeft genomen van zijn manier van leven en denken. In De Goede’s biografie komt dat laatste prachtig naar voren, wanneer De Goede hem vraagt:

‘Heb je nooit zin om iets meer afstand te nemen van je vader?’
‘Als ik iets kinderachtig vind, is het wel afstand nemen van je vader. Dat lijkt me alleen maar een teken van zwakheid. Ik heb geen reden om afstand te nemen.’
‘Omdat het een ideale vader was?’
‘Ja, een vader die me mijn eigen gang liet gaan. En die me een heel goed instinct heeft meegegeven.’
‘Een instinct waarvoor?’
Junior antwoordt: ‘Mensen in te schatten. Situaties te beoordelen. Ontwikkelingen voor te zijn. Vragen af te kappen. Op je hoede te zijn.’ ((De Goede, p. 76. De dialoog wordt geciteerd uit de film En de naam is Heeresma (2022) van John Albert Jansen.))

In die laatste vaardigheid klinkt Spinoza’s levensmotto caute door dat op zijn zegel stond, ‘wees voorzichtig’. Of ook: laat je niet meeslepen door emoties, maar handel vanuit inzicht.

Mijn neef heeft groot gelijk. Het verwijt dat zijn vader een ‘kloon’ van hem zou hebben gemaakt, berust op een groot misverstand, dat ik maar al te goed herken. Natuurlijk lijkt Junior op hem, zoals ik op mijn vader. ‘Een zoon van mij gaat na verloop van tijd op me lijken’, schreef mijn vader al over mij toen ik nog een kind was. ((In Liefde, wat heet!, p. 64.)) Zijn wij daarom geen vrije, autonome individuen, die elk hun eigen weg hebben gevonden, los van die vaders maar profiterend van hun vrije opvoeding? Vergelijk dat eens met de onnoemelijke aantallen klonen in de samenleving, door Heeresma uitentreuren beschreven, die naar dezelfde tv-programma’s kijken, dezelfde versleten taal spreken en allemaal een ‘eigen identiteit’ hebben – en juist daarin zo op elkaar lijken.

Nog een laatste woord over Een gat in het hoofd, Anton de Goede’s biografie die mij tot deze serie geïnspireerd heeft.
Ik ben geen liefhebber van biografieën: de meeste lijken op elkaar, en zijn vaak te dik. De biograaf draagt allerlei materiaal aan voor een punt dat niet wordt gemaakt.
De Goede, door Heeresma zelf min of meer met de taak belast, is zelf nadrukkelijk aanwezig, al laat hij de meeste analyses en beschouwingen over aan de mensen die hij heeft geïnterviewd. Zo is het boek een kubistische collage geworden van de verschillende aspecten van Heeresma’s leven en werk. Zelf beweegt De Goede zich door het werk als een flaneur uit het fin de siècle: observerend, een enkele keer zelf deelnemend. Het is zijn grote verdienste dat hij zich niet heeft laten meeslepen door wat zijn fascinatie voor dit werk allicht in gang heeft gezet, en wat misschien wel het motief voor de biografie is geweest: de ontrafeling van feit en fictie. Voor Heeresma bevonden die zich nu eenmaal in dezelfde sfeer; hij beschikte althans over het vermogen om het onderscheid tussen beide volledig op te heffen. Dat onderscheid proberen te herstellen zou alleen averechts hebben kunnen werken: Heeresma-lezers zouden er hun liefde voor dit werk mee kunnen verliezen. Op een gat in het hoofd past een theemuts, en die moet vooral blijven zitten.

Geen gemakkelijk heer (3)

Korte serie nav. Heere’s biografie

Heere Heeresma omstreeks 1962.

Voor zowel Heeresma als Cornets de Groot was schrijven een manier om vrij te zijn en die vrijheid te behouden, zo eindigde ik de vorige aflevering.

Toch lijkt in Heeresma’s opvatting van het schrijverschap het accent gaandeweg te zijn verschoven. Toen hij als dichter debuteerde (Kinderkamer, 1954) had hij hooggestemde ideeën. Zo vertelde hij over zijn vriendschap met Jan Arends, die hij in die jaren ontmoette:

Wij deelden toen een allesdoordringende belangstelling voor, met hoofdletters, het schrijven. Dus niet: voor het literatendom, de literaire categorieën, de zich ermee verenigende boekbesprekers, prijzen. Nee het ging ons om het schrijven. ((De Goede, p. 124.))

Zijn afkeer van ‘de’ literatuur en zijn instituties is altijd gebleven, maar het schrijven kwam gaandeweg in dienst te staan van iets anders: het bestaan zelf en zijn vaste wil om daarin te volharden. Ten tijde van de geboorte van mijn neef Heere jr. in december 1961 zwoer hij om voortaan alleen met de pen in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin te voorzien. Hij zette daar alles voor opzij: om te beginnen de drank, maar ook eenieder die hem daarin wilde tegenwerken, de maatschappij voorop. Met zijn eerste grote ‘seller’ Een dagje naar het strand, in november en december ’61 geschreven, gaf hij daar metterdaad gestalte aan. De Goede vertelt in zijn biografie:

[Zijn] schrijverschap gold als een protest. Of zoals Heeresma het zegt: ‘Literatuur is een antwoord op de bestaande samenleving: schrijvers maken daar inbreuk op.’ ((Idem, p. 122.))

Al Heeresma’s literaire activiteiten moeten in dit licht worden gezien. Vanuit zijn belofte aan zichzelf zag hij er geen been in om literaire grenzen te overschrijden en zich in genres te bekwamen die doorgaans niet tot de literatuur worden gerekend: spyromans, filmscenario’s, tv-spelen, pornografie. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn dichterschap opgaf voor zijn onafhankelijkheid – maar niet zijn schrijverschap. En nog minder zijn autonomie binnen de ‘vakgroep Boek’.

Op een heel andere manier voerde Cornets de Groot een vergelijkbare strijd. Weliswaar stond daarbij zijn bestaan niet op het spel, aangezien er voor essays sowieso geen markt was, maar net als Heere keerde hij zich tegen het literaire establishment, tegen de instituties en tegen richtingen die binnen de literaire kritiek de dienst uitmaakten: de close reading van het tijdschrift Merlyn en de literatuurwetenschap met haar stringente normen. Cornets de Groot en Heeresma opereerden buiten de gevestigde literatuur: de eerste omdat hij er effectief buiten werd gehouden, de laatste omdat hij er niets mee te maken wilde hebben. ‘Heere was geen literator, Heere was een schrijver!’ schrijft De Goede. ((Idem, p. 181.))

Vlnr Yvonne Keuls, Rudy Cornets de Groot, onbekend, Hans Dütting, Mies Bouhuys, Heere Heeresma, tijdens het schrijversprotest bij de bibliotheek van Den Haag, 1972.

Natuurlijk verschilden hun middelen en methoden. Waar Cornets de Groot zijn strijd uitsluitend op schrift voerde, daar ging Heeresma de boer op, spande uitgevers voor zijn kar en voegde in het algemeen liever de daad bij het woord dan andersom… In maart 1972 kwam hij in persoon leenrechtvergoedingen opeisen bij bibliotheken die zijn boeken uitleenden. Cornets de Groot, die vooral voor bibliotheken schreef – ‘Cornets de Groot is essayist of, zoals hij zelf spottend zegt, “bibliotheekvuller”, “ik schrijf voor bibliotheken”’ ((Marja Käss, Interview: Van de dingen die niet voorbijgaan, Literama, 1 maart 1988, p. 80-81.)) – liep mee met dit zogenaamde Schrijversprotest, al zal dat op initiatief van zijn zwager zijn geweest: zelf had hij weinig financieel belang bij de acties, terwijl Heeresma er met zijn sellers daadwerkelijk wat bij te winnen had. Maar als Heere zei: ‘Je gaat mee’, baatte geen verweer.

Toch ging Heeresma’s actiebereidheid zijn persoonlijke belang te boven. Het schrijven als zodanig mocht dan geen hogere roeping meer voor hem zijn, als metier ging het hem wel degelijk aan het hart, want zijn vrijheid en onafhankelijkheid hingen ervan af. Door zich daar sterk voor te maken, hielp hij niet alleen zichzelf, maar ook zijn collega’s. Ook hier bleek dat het belang van zijn schrijverschap niet lag in de aard van de boeken die hij schreef, maar in wat hij er maatschappelijk mee voor elkaar kreeg: het schrijven niet als roeping maar als een ambacht waar hij persoonlijk voor instond, vanwege de noodzaak van zijn overleving en die van vrouw en kind.

Dat verklaart ook zijn kwalificatie van het literaire bedrijf als de ‘vakgroep Boek’. Voor hem ging de vent voorop, de man met een stiel, een beroep dat in dienst stond van zijn bestaan, en waarvan hij de lusten en de lasten aan den lijve ondervond. In dat opzicht lijkt Heeresma op Gerard Reve met zijn ‘winkel’ en zijn verdediging van homoseksuelen: ook Heeresma was solidair met collega’s en lotgenoten en ijverde voor hun emancipatie. Heel anders dus dan wat ik apostolische kunstenaars zou noemen, die zich meer aan hun waarheid verplicht voelen dan aan hun vakbroeders. Romantische noties als innerlijke noodzaak of creatieve drift, door Reve geridiculiseerd, ((In zijn Brief uit Camden Town uit Op weg naar het einde.)) kwamen ook voor Heeresma op de tweede plaats. Zelfs hielden beiden soms liever uitverkoop (verzamelingen, archiefmateriaal, herdrukken van herdrukken) dan dat ze nieuw werk uitbrachten:

In die tien jaar [de jaren tachtig, waarin Heeresma weinig nieuw werk publiceerde, rhcdg] verschenen, verdeeld over een 10-tal titels, tachtig (80) herdrukken. Een verstandig auteur, beseffend dat de wanden van de boekhandel niet van rubber zijn, is in zo’n hoos voorzichtig met het uitbrengen van nieuw werk. In de kortste keren bekonkurreert auteur zichzelf. ((Heeresma in een brief aan Theo Holman, gedateerd 7.5.’97. Geciteerd in Thomas Heerma van Vos, De verstilde nadagen van Heere Heeresma, website van het Literatuurmuseum, gepubliceerd 31 oktober 2018.))

Maar het idee dat Heeresma alleen op geld belust was, berust op een misvatting. Het ging erom de literaire machthebbenden – uitgevers, media, overheidsinstellingen – niet nog machtiger te maken, en de eigen middelen zo in te zetten dat tegenmachten ervan konden profiteren. Tekenend is deze uitspraak uit 1970 die De Goede van Dirk Ayelt Kooiman aanhaalt, de centrale figuur van het tijdschrift Soma, waar Heeresma vanaf het vierde nummer aan meewerkt:

Van de vele schrijvers die wij vroegen was er maar één niet te beroerd, niet te laf en te gierig, om voor niets te helpen ons blad op te bouwen. Alléén Heeresma, toevallig de man die door zijn vakbroeders commercialiteit wordt verweten. () Die feuilleton die we nou van hem publiceren [Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp, rhcdg], zou hij voor veel geld zo aan een ander tijdschrift kunnen verkopen. Hij doet het niet. ((De Goede, p. 176.))

Heere wordt ‘redacteur akties & attrakties’ bij Soma en haalt zijn zwager binnen, die er zijn artikelenreeks Intieme optiek – zijn alternatief voor ‘close reading’ – in publiceert, waarin hij polemisch ten strijde trekt tegen literatuurwetenschappers en ‘methodisten’. Heeresma’s medewerking aan Soma eindigt pas als schrijvers van naam en faam (Hermans, Campert, Brouwers, enz.) beginnen mee te werken en er een dubbelnummer over Nabokov wordt voorbereid. Literatuur! Brr.

Liever werkte hij, als kersverse bewoner van de nieuwe ‘modelwijk’ Bijlmermeer, mee aan ‘de zelf in elkaar gezette, gedrukte en rondgebrachte Bijlemer Prinz’ en De Nieuwe Bijlmer.’ ((Idem, p. 191.)) De Goede citeert Heeresma:

Het ging niet om grote dingen, het ging om niets meer dan bijvoorbeeld het aanleggen van een veilige weg naar school.’ ((Idem.))

[Wordt vervolgd]

Geen gemakkelijk heer (2)

II. Odysseus en Hestia

Rudy Cornets de Groot en Heere Heeresma.
Thuis in Leiden met Heere Heeresma, 1977.

Tussen een titel als Langs berg en dal klinkt hoorngeschal en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming gaapt een afgrond, aan de ene kant waarvan Heeresma staat, als een zwerver met Odysseusachtige trekken: slim, avontuurlijk, inventief, een spoor nalatend waar hij zijn ‘hoef’ had gezet… Aan de andere kant, met aftrek van het zwaarmoedige, zijn zwager: honkvast, zich het liefst alleen met zijn eigen leven bemoeiend, een trek die volgens hem alle niet-Europeanen met elkaar delen: ‘Ons wezen is: leven en met je poten van andermans leven afblijven’. ((Brief aan Jan Verstappen.)) Heeresma zocht hèm op, en mijn vader liet het zich aanleunen, ongetwijfeld ook om contact met zijn zus te kunnen onderhouden – hoewel dat in de praktijk tegenviel: zij bleef thuis in haar keuken als de Heere’s op pad gingen – daarnaast uit interesse in Heeresma’s werk, en omdat hij als familielid uitgezonderd was als mogelijk slachtoffer van Heere’s manipulaties en practical jokes. Ze zijn altijd op voet van gelijkwaardigheid met elkaar omgegaan.

Hun correspondentie geeft daar een goed voorbeeld van. In 1984 was er sprake van plannen om de beide gezinnen opnieuw, net als aan de Oude Singel, samen te voegen, ditmaal door gezamenlijk een woning in Antwerpen te betrekken. Daarvoor moest Cornets de Groot zijn Leidse woning dan verkopen, maar dat ging niet vanzelf. In een brief vertelt hij over de stand van zaken, ook met betrekking tot de schrijverij:

Met de roman ((Tropische jaren.)) gaat het heel moeizaam () doordat het in een critieke fase zo erg gecompliceerd wordt: een labirint. () Daar komt bij dat ik, sinds Leo hele dagen werkt (via uitzendbureaus) de handen vol heb aan het huis, de dis en de dochter. ()
Ook andere zorgen benemen mij de vrolijkheid. Met het huis gaat het niet goed. Het hoogste bod tot nu toe is f110.000,- en dat is werkelijk te weinig. Dan blijven we met een onbetaalbare schuld zitten. ((Brief 8 aan Heeresma.))

Hierop ontsteekt Heere in woede:

Beste Rudi,
Loop al enige tijd te dubben over je brief van de 19e. Ik heb besloten om er alsnog op in te gaan want je gaat me aan; zo eenvoudig is dat.
Hoe háál je het in je hoof! Ben je dan zó karakter- en krachteloos? Daar geloof ik niets van. Maar, anderzijds, heb je daarvoor geleefd? Heb je daarvoor jouw aanleg tot talent gesmeed? Greep je daarvoor zo drastisch in, in het leven van jezelf én de anderen? ((Verwijzing naar Cornets de Groots echtscheiding en tweede huwelijk.)) Om te verzompen in het huishouden? Tussen afwasteil en het middagmaal? Man, zo zak je weg in een dras die de jouwe niet is! Eindelijk eindelijk kom je tot dát waarvan ik altijd overtuigd was, een onafhankelijk schrijverschap. En nu lijk je te worden vermalen tot shit door de shit. Mocht je misschien maar één boek schrijven? Over je ‘affaire’? ((Verwijzing naar Cornets de Groot eerste roman Liefde, wat heet!)) Waarom wordt jou niet toegestaan verder te gaan in het aftasten van je wortels om tot de reden van je eksistentie te komen? Ik, je zwager, Heere, weet je wel, protesteer hiertegen. Zat ik tegenover je, het gehele huiskamerameublement ging door je eigen ruiten. Voor deze ontwikkeling is geen ekskuus! Je
Heere ((Brief 9.))

De intimidatie is tekenend voor Heere, die zoals Cornets de Groot wist agressief kon zijn (De Goede, p. 230). Maar Cornets de Groot laat zich niet de kast opjagen:

Beste Heere,
Je brief komt aan als een handdruk en een kaakslag. Want je hebt gelijk en ongelijk tegelijkertijd. De vriendschap die uit je brief spreekt, is voor alles een bron van vreugde voor mij. Maar vergis je niet: ook jij en de jouwen gaan mij ter harte.
Je veronderstelling dat ik karakter- en krachteloos zou zijn, werp ik van mij, en gelukkig doe jij in een en de zelfde zin dat ook. Dat ik aanleg tot talent heb omgesmeed in jouw ogen doet me meer dan ik zeggen kan. Maar dat ik mijn lot in eigen hand nam, heel weloverwogen en na lang en diep nadenken – daartoe ook geïnspireerd door veel negatieve kritiek van vrienden op mijn situatie – kan eenvoudig niet tot gevolg hebben dat ik in mijn huishouden verzomp. Mijn belangstelling is anders gericht. Het doet me (een beetje) pijn, dat uitgerekend jij tot de slotsom komt, dat ik maar éen boek geschreven heb. 0, ik vind dat dit beslist niet juist is. Ik kom ook heus aan de wortels en de reden van mijn existentie toe, ik was daar van het begin af aan op uit (Randstad 5, Bikini) ((Cornets de Groots tweede publicatie en sleutelessay Bikini.)) en ben dat steeds gebleven. Maar daarom kan ik dit huis niet voor f. 110.000,- van de hand doen. De schuld die ik dan overhou, nekt me. Het maakt iedere onbevangenheid op de weg die ik gaan moet, ongedaan. Zo’n last is behalve een financiële, vooral een morele, psychische druk. Het zou te vergelijken zijn met een leven, dat ik tien jaar geleden al twintig jaar leidde. Dat zou een onafhankelijk schrijverschap zijn? Een schrijver met crediteuren op zijn nek! Schuld, schulden, kommer en gebrek: prachtig voor de 19e eeuw, maar ik wil een onbekommerd bestaan in de komende jaren die ik nog heb.
Ik wil graag met je in zee. Maar dan moet er iemand zijn, die zegt: hier, je krijgt f. 65.000,- cadeau, verkoop je huis. Laat het desnoods f. 35.000,- zijn: ik zou het doen. Ik ben ervan overtuigd, dat Leo een goed betaalde baan zou vinden in Antwerpen, ik zou de schuld die ik hield in een aantal jaren afdoen.
Het is geen onwil bij mij – Ik voel me ook niet echt ongelukkig, want ik bezit wel degelijk de innerlijke kracht om de realiteit het hoofd te bieden en naar wegen te zoeken om tenslotte mijn wil door te zetten. Mijn tweede boek heeft veel om een ‘seller’ te worden, zoals jij dat noemt. Ik speel mee in de loterij. Het geluk is niet tegen mij, maar ik wil het niet verspelen. En ik wil vooral dat je dat èn mij begrijpt. () ((Brief 10.))

Oppervlakkig gezien leidden de beide zwagers in Leiden verschillende levens: Heere als vrije jongen, die dagelijks met Junior in zijn geleasde Citroën CX zijn uitgevers en andere relaties afging, terwijl Rudy na jaren te midden van Haagse artistiekelingen en provotariërs in Leiden was neergestreken waar hij met zijn tweede vrouw en een jong dochtertje een burgermansbestaan omarmde: ‘Mijn huis is gesloten voor velen: ik heb er geen zin meer in. Alleen de ware vrienden komen, dat zijn er niet veel, en dat is best een rustig idee…’ ((Brief aan Wim Meeuws.)). Maar over het schrijverschap bestond tussen hen geen verschil van inzicht. Schrijven was een middel om vrijheid te veroveren en te behouden – voor Heere vooral in sociaal en financieel opzicht, voor mijn vader vooral in de geest. Hij hoefde de deur niet uit, zolang hij kon schrijven. ‘Had ik maar een rijdend bureau’, liet hij zich geregeld ontvallen. Het internet kwam te laat voor hem.

Door naar aflevering 3: Acties en attracties

Geen gemakkelijk heer (1)

Een gejatte fiets – Heere Heeresma en Rudy Cornets de Groot

Omslag

In de jaren zeventig schreef mijn vader Rudy Cornets de Groot een serie artikelen over plagiaat onder de titel Met andermans veer. Zijn zwager Heere Heeresma, ooit een gevraagd copywriter die destijds naast ons aan de Oude Singel in Leiden woonde (hij op nr. 14, wij op 16) gunde hem net zulke ‘sellers’ als hij zelf schreef, en raadde hem een pakkender titel aan, ‘Een gejatte fiets is óók een fiets’.
Cornets de Groot sloeg zijn advies in de wind; hij koos het fraaie Ladders in de leegte, een titel waarin het idee doorklinkt van teksten die niet aan een auteur maar aan een zee van andere teksten gebonden zijn – in de Nederlandse letteren van toen absoluut revolutionair, want vergelijkbare ideeën van Barthes en Derrida waren hier nog niet doorgedrongen. ((Zie Ladders in de leegte, met op p. 1-158 de artikelen uit de reeks Met andermans veer.))

Met die titel van Heeresma is het dus niet veel geworden, maar een glimp ervan is terug te zien op het omslag van een andere essaybundel, De kunst van het falen, in een tekening van Jack Prince voor de toen net opgerichte Haagse uitgeverij Bzztôh. Een klein Indisch mannetje, een plichtsgetrouw ambtenaartje zo te zien, met nogal pontificaal een fiets aan de hand. Titel en tekening staan in geen enkel verband tot elkaar; wie het verhaal erachter niet kent, begrijpt er niets van.

Wat het wel aangeeft, is hoeveel gewicht het woord van Heeresma had in uitgeversland. En niet alleen daar, maar overal waar hij kwam. Het was niet gebaseerd op gezag, maar op overtuigingskracht, retorisch talent en fysiek overwicht. Geen gezag, maar ontzag.

Allesoverheersend, en daardoor dit soort bijkomstigheden verdringend, is mijn herinnering aan de confrontatie. Bij zijn postuur vergeleken ben ik een timide, weerloze schim, overbluft door zijn redenaarsgaven en door zijn gebarentaal in een hoek gedrukt. ((De kunst van het falen, p. 69.))

Dit schrijft Cornets de Groot over Hein Donner, maar het had net zo goed over Heeresma (‘Her’) kunnen gaan. Alleen: die was getrouwd met zijn zus Loekie, of (tante) Loes zoals wij haar kenden. En dat betekende dat wij in een heilige kring waren opgenomen: zijn familie. ‘Heere is familieziek, én godsdienstwaanzinnig’, zo wordt Cornets de Groot in Een gat in het hoofd, Anton de Goede’s biografie van Heeresma, geciteerd (p. 311). Het lijkt een adequate typering.

Uitnodigingskaartje voor presentatie van 'De kunst van het falen'
Uitnodigingskaartje voor de presentatie van De kunst van het falen.

Ik heb Een gat in het hoofd gelezen alsof het een postmodern boek is, kriskras door elkaar, van de ene Cornets de Groot-vermelding naar de andere, en vervolgens van de ene periode naar de andere: van de tijd dat het gezin Heeresma in een grote flat aan de Steenvoordelaan in Rijswijk drie etages onder mijn Indische grootouders woonde, tot de periode in Leiden, waar ik in de jaren ’77 en ’78 bij mijn vader en zijn tweede gezin mijn puberteitsjaren doorbracht, en ik met Heere jr optrok, mijn anderhalf jaar oudere buurjongen. Maar ook de jaren daarvoor staan me bij, in de Bijlmermeer bijv. toen Heeresma aan een ‘geheimzinnige ziekte’ (p. 187) leed, aan geelzucht namelijk zoals ik me nog goed herinner… En nog voor ik over zijn jeugdjaren las, was ik al bij de drie slothoofdstukken, waarvan de titels alleen al genoeg drama beloven: ‘De kar tot de rand met knekels gevuld’, ‘Verlaten door Loekie en op zee het licht zien’, en ‘Verlaten door Junior en reiken naar het wit’…

Dat krijg je als je naastbetrokkene bent, met een vader die door De Goede ‘misschien wel de belangrijkste relatie in Heeresma’s leven’ (p. 133) wordt genoemd, en over wie via zijn tweede vrouw Leonarda allerlei anekdotes in het boek terecht zijn gekomen die ik niet kende, of was vergeten. Sowieso was het bijzonder om via deze oral history herinneringen aan mijn vader op te halen, in plaats van via uitspraken uit zijn boeken.

Zo vertelt ze dat het gezin Heeresma op haar voorstel naast ons kwam wonen, toen de ruimte daar te huur bleek te staan, en dat mijn vader niet direct blij was met dat initiatief (p. 227). Die massieve persoonlijkheid, pal naast je… In De kunst van het falen vertelt hij:

Heeresma is geen gemakkelijk heer – hij is dat ook nooit geweest, en het minst nog voor zijn vrienden. Zijn populariteit bij de lezers staat in schril contrast met die bij de schrijvers-collega’s. () Zij weten niet, of zijn het vergeten, dat Heeresma’s normen niet van deze wereld zijn. ((De kunst van het falen, p. 95.))

En deze Heere kwam naast ons wonen, drong zich aan ons op zoals Manuel zich in De verloedering van de Swieps aan het gezin Swiep opdringt. Mijn vader was gewaarschuwd, want:

Pure biografie is de ontreddering, teweeg gebracht in De verloedering van de Swieps, een waarlijk onthutsend en demonisch boek, het morele nihilisme gekroond én een streng gewetensonderzoek zonder enige terughoudendheid te boek gesteld. Een afrekening. ((De kunst van het falen, p. 89.))

Niet dat hij Heere, die hij sinds midden jaren vijftig kende en die getrouwd was met zijn zus, zou verwarren met zijn werk, integendeel. Hij wist dat Heere in deze afgrond gekeken had, en er zijn voordeel mee had gedaan.

De hoofdpersonen bij Heeresma zijn alle min of meer verdorven, kwaadwillend, virtuoos in het uitstippelen van een naar de totale ondergang leidende weg. Ze maken niet zozeer slachtoffers, maar trekken anderen mee in hun eigen ondergang. Er is een “zelfvergeten” werkzaam bij velen van ze, een wereldverzaking in dienst van een of ander “ideaal”, dat diepe walging innig verbindt met iets dat op zachtmoedigheid, broederschap, heimwee naar het paradijs en wellicht ook liefde lijkt. ((Leegheid als voer, Soma nr. 10-11, okt-nov 1970, p. 55.))
Door naar aflevering twee: Odysseus en Hestia

Barracuda groet Dr. Nude

Bij de dood van Jan Cremer

Al vaker gaf de dood van een tijdgenoot van mijn vader mij aanleiding tot een nieuw blogbericht: de aanwezigheid van deze mensen in het werk van mijn vader wordt dan een soort filter waarmee een bepaalde visie expliciet kan worden gemaakt. ((Zie blogstukjes over Gerrit Kouwenaar, Hugo Brandt Corstius, of over zijn collega Evert Verschuur.)) In het geval van Jan Cremer is dat Cornets de Groots waardering van het ongeschoolde talent, dat niet-literaire literatuur produceert en daarmee de literatuur voor een probleem stelt.

Het begint met een kleine literatuurgeschiedenis:

Rond dit tijdschrift [Gard Sivik] hadden zich enkele auteurs verzameld van wie ik noem: Cornelis Bastiaan Vaandrager, Hans Sleutelaar, Simon Vinkenoog. Het boek waar zij naar zochten – autobiografie & avontuur – (Joop MassakerZolang te waterWij helden, etc.) werd ten slotte door een buitenstaander geschreven: Jan Cremer. Van toen af aan kon alles, en van toen af aan gebeurde ook alles. Wij kunnen het op zijn bijbels uitdrukken: Ik, Jan Cremer gewon Turks fruitTurks fruit gewon Het jaar van de kreeftHet jaar van de kreeft gewon Twee vrouwen. Prima! Prima boeken, stuk voor stuk. ((Poètes, vos papiers!))

De voorstelling van een boek waar de literatuur naar zocht, maar dat die literatuur van buitenaf werd aangereikt c.q. in de maag werd gesplitst, spreekt hem bijzonder aan. In De kunst van het falen:

Mulisch vertelt zelf hoe hij van school werd geschopt. Schierbeek sloot door de oorlog evenmin met een diploma zijn gymnasium af. Lucebert moest het doen met de Mulo, evenals Vinkenoog; Heeresma volgde 1½ jaar de HBS en Jan Arends hield het op de Lagere School. Jan Cremer leverde het doorslaggevend bewijs voor het bestaan van het natuurtalent: hij schreef ten slotte het Boek waar lang niet de eersten de besten (Vinkenoog, Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager) naar hadden gezocht.
Selfmade-men waren zij allen, die weinig meer hadden dan hun talent, hun ijver en hun fouten. Het experiment was niet een artistiek nieuwigheidje – het was hun instrument in hun struggle for life. Zij zijn de nieuwe meesters, en zij onderscheidden zich in allerlei opzichten van de oude. Voor hen geldt vooral wat Lucebert in zijn kleine vormleer zegt:

daarom streeft niet de meester maar geeft
meesterschap aan de onmacht

Dat is pas van het falen een kunst maken. En meer: een broodwinning. ((Over het schrijven als levensproces, De kunst van het falen, p. 81.))

Dit sluit als vanzelf aan op vroege ideeën uit Bikini, waarvolgens schrijvers uit die periode, in tegenstelling tot de vooroorlogse generatie, het zonder voorbeeld (God, priester, leraar, vader, enz.) moesten stellen:

Ewald Vanvugt, Enno Develing, Johnny the Selfkicker, Jan Cremer, Harry Mulisch. De nieuwe stijl, of nul, of zero. Mensen zonder ‘opleiding’, maar met fantasie. Het tijdperk van de erudiete omnivoor is voorbij. Men ziet niet langer door de ogen van de voorganger, maar door de eigen. Men heeft niet ‘geleerd’, men onderzoekt op eigen initiatief. Het oog is holistisch geworden. Het weigert elementen in de dingen te zien, waarvan vader zegt, dat ze erin zitten. Dat is geen verlies, maar winst. Het is een nieuw begin. ((Willem Brandt en de modernen.))

In een artikel voor zijn schoolkrant laat hij zien wat het gevolg is wanneer die nieuwe generatie schrijvers, waarvan Cremer de maarschalksstaf draagt, desondanks in het literaire domein worden gecoöpteerd:

De wereld ligt bedolven onder papier en inkt. Er is in onze beschavingskring geen sterveling boven de twee jaar die er niet meer om weet te gaan. Men tekent, men schrijft. Men zal, als men niet langer tekent, nog schrijven. Desnoods met een spuitbus op een muur, de zitting van een stoel in de trein, de bus. Men drukt zijn gevoelens en gedachten uit; men keert zich tegen andermans gevoelens; men verklaart zich met zijn lotgenoten solidair. BARRACUDA GROET DR. NUDE. De uiting van een individu uit de massa, van iemand, wiens zelfbewustheid het hebben moet van een provocatie, schaamteloosheid, agressieve bluf: een ‘showbink’, een Jan Cremer.
Wanneer die Barracuda de pech heeft, dat hij vandaag of morgen uitgroeit tot een schrijver, is hij opeens níet belangrijk meer. Althans niet voor neerlandici. Die vragen dan niet meer: ‘Wie is Barracuda?’, maar: ‘wat heeft hij geschreven?’ En: ‘Waar ligt het perspectief in zijn verhaal?’ Of: ‘Is er sprake van een vertellend of een belevend ik? Wat is de functie van het leidmotief? Formuleer in eigen woorden het tema.’ Wij zijn er dolblij mee, wanneer er een mens verandert in een tekst, want zo hou je de lastposten op een afstand, en inderdaad: er kunnen vragen worden gesteld over een boek! Vragen die je goed of fout beantwoorden kunt.
Kunt u zich voorstellen dat met de goede beantwoording van bovenstaande vragen een examenkandidaat het toppunt van zijn leesplezier bevestigd ziet? Nou, ik ook niet. ((Cornets de Groot en de vrije interpretatie.))

Maar wat blijkt? Ook Jan Cremer vertilt zich aan zichzelf. In een kritiek van diens Made in USA, Cornets de Groots enige exclusieve artikel over Jan Cremer, verwijt hij hem in een passage over een gestorven vriend tóch met andermans ogen gekeken te hebben:

Wat Cremer hier gewild heeft, is iets dat hij nooit eerder wou: het maken van “literatuur”. () Dat is, waar eigen ervaring en eigen beleving had kùnnen spreken, een kwalijk punt. Hij deed zichzelf te kort, en ons, maar bovenal de vriend, voor wie hij ‘literatuur’ had willen maken – en ter verwezenlijking van dat doel blokkeerde hij de stromingswegen van het subjectiefste.

Niettemin concludeert Cornets de Groot:

Mijn hier uiteengezette ideeën samenvattend, wil ik nog opmerken dat ik alle begrip heb voor Cremers lak aan literatuur en kunst. Men acht trouwens alom het woord ‘kunstenaar’ een veel misbruikt woord. Ik vind niettemin en integendeel dat het woord ten onrechte wordt verguisd. Men verloor uit het oog dat het de kunst is, die de kunstenaar maakt, omdat men ervan uitging dat een kunstenaar wel eens kunst zou kunnen maken, en dat dat dan iets zou moeten zijn dat boven het lagere verheven is, in plaats van bij voorbeeld een integrerend onderdeel van de chronique scandaleuse van de auteur, zoals Ter Braak al zei. Volkomen terecht, als men het mij vraagt. ((Te weinig wol.))

Ten slotte schrijft hij, in twee brieven aan zijn Parijse vriend Hans Dütting, een groot fan van krachtpatsers in de literatuur en dus van Cremer:

Cornets de Groot in karatepak van Hans Dütting.
Jan Cremer. Ik heb een zwak voor die man, vooral voor zijn beeldend werk. Wat een eenvoud en wat een mogelijkheden bij zo weinig gebruik van de middelen. En wat schept dat toch een afstand tot zijn imago van de ‘opschepper’, die men zo graag en ten onrechte in hem ziet.
De Hunnen. Het aantal blz. schrikt me af. Maar eens begin ik eraan, en wie weet, weet ik dan niet van ophouden. ((Brief aan Hans Dütting van 8 juli 1985.))

Voor zover mij bekend, heeft mijn vader De hunnen nooit gelezen. Maar Cremer, die voorbeeldeloos te werk ging volgens het voorschrift in Bikini, bleef voor hem een voorbeeld, hoe onnavolgbaar ook:

Hij is iemand die hard wil en kan werken en die nog altijd open staat voor een heleboel dingen, schrijven en schilderen in elke richting die zich voordoet en die nieuw is. Dat lijkt me de grootste moeilijkheid: je geest open te houden, je niet vast te leggen op éen stijl of opvatting, in ieder geval je stijl en denken telkens te vernieuwen en te verfijnen en het oude achter je kunnen laten, zonder je er nog om te bekommeren. Dat is iets voor avontuurlijke geesten, en ik reken hem daar in ieder geval toe, nog niet eens vanwege zijn Hunnenbloed, maar door zijn manier van leven van begin af aan. Daar kan ik wel eens jaloers op zijn. Ik ontloop het avontuur niet, maar ik ben tenslotte geen waaghals en dat is hij wel. ((Brief aan Hans Dütting van 18 september 1988.))