Geen gemakkelijk heer (slot)

IV. Vader, leraar, Jood, spinozist

Louise (Loes, Loekie) Heeresma en haar vader Piet Cornets de Groot met het boek Joodse humor van Salcia Landmann, ± 1970.

Dat Heeresma het schrijven als een metier opvatte en niet als een vehikel voor inblazingen van hogere machten, wil niet zeggen dat hij geen waarheden koesterde. Alleen zorgde hij ervoor dat die nooit in conflict kwamen met zijn belangen. Wel zo consequent, en een extra waarborg dat hij naar die waarheden leefde. Zo betaalde hij, toen zijn boeken begonnen te verkopen, geen belasting meer: een soeverein avant la lettre. Zijn verklaring:

Dit is niet zomaar iets, maar een Principe van mij dat me geen windeieren legt, maar waarom zouden principes altijd geld moeten kosten?’ 1

Toch was de waarheid voor hem geen kwestie van aannemen en geloven. Weliswaar putte hij zijn geloofsartikelen uit ‘de Schrift’, maar het ging daarbij om een lichamelijk te beleven ervaring. In zijn werk legde hij er zich ook op toe om die teweeg te brengen:

Ik ben inderdaad een boodschappenjongen. () Als schrijver wil ik de Goede Boodschap overbrengen,

om er in dezelfde adem aan toe te voegen:

dus vóór alles de lezer eens even behoorlijk aan verwarring ten prooi laten vallen door de stoel weg te trekken waarop zijn Heerlijke Zelf heeft plaatsgenomen. Eén sekonde vrije val kan immers wonderen verrichten! 2

Het valt op hoe nauw dit niet alleen aansluit op de joodse traditie, met name de ideeën van Maimonides, maar ook op Spinoza’s affectenleer en op diens idee überhaupt dat elk ding, elke ‘modus’ gedefinieerd kan worden door zijn vermogen om aandoeningen (‘affecten’) te ondergaan en bij anderen teweeg te brengen. Spinoza wijst erop dat die affecten vaak verkeerde voorstellingen in ons oproepen, en dat we door oefening en studie die voorstellingen kunnen omzetten in adequate ideeën. Dat is het joodse in zowel Spinoza als in Heeresma, die inzake geloofskwesties vaak heeft gehamerd op het belang van kennis en een verstandelijke omgang met ‘wat geschreven staat’.

[Ik richtte] mij op de pesjat, wat ‘eenvoudig’ betekent en zich bezighoudt met de directe verklaring van woord en passage, waarbij dus wat daarachter ligt onbesproken blijft. Het is eenieder die op zoek is naar de oerbronnen, geraden zich daarin zeer scherp te richten, want anders komt men, bij wijze van spreken, om in de gigantische hoeveelheid materiaal die in het joodse volk ligt opgeslagen.’ 3

We hebben hier kortom de eerste twee van de drie vormen van kennis die Spinoza onderscheidt te pakken: de verbeelding, die onvolledig is want gebaseerd op toevallige indrukken en zintuiglijke waarnemingen, en de rede, al veel betrouwbaarder omdat die zich bedient van adequate ideeën en logische redeneringen. De derde vorm, intuïtieve kennis, heeft Heere misschien altijd gehad, voor zover hij mensen en het leven doorzag, en wist hoe hij zijn weg moest gaan. Spinoza associeerde deze vorm van denken met een stille, stabiele vreugde en helderheid, van laetitia. Al in 1973, vertelt De Goede, constateerde de joodse zangeres en schrijfster Chanah Milner dat Heere

in wezen een religieus voelend mens [is], overtuigd van het Woord en van de woorden van de profeten. In innerlijke rust en onaantastbaar gaat hij zijn weg, die voor velen een raadsel zal zijn. 4

Dit is Spinoza’s amor Dei intellectualis ten voeten uit, met daarbij natuurlijk de kanttekening dat zijn Deus gelijkstond aan de natuur (‘deus sive natura’), maar dat lijkt in dit verband een detail. Heeresma’s geestelijke dispositie moet hem ook in zijn strijd tegen de maatschappij hebben geholpen: niet omdat hij zich er als subject tegen teweerstelde, maar omdat hij rust vond in het besef van de noodzakelijkheid van de dingen. Zijn geest kon zich ontspannen en van daaruit ja zeggen tegen het bestaan, en eventueel nee tegen wie hem dwarsboomde.

Allicht lag de ervaring van eeuwigheid die de derde kennisvorm geeft ook ten grondslag aan zijn poëzie, en misschien moet niet te vroeg geconcludeerd worden dat hij die verliet (of andersom). ‘Vlieg vogel vlieg met me mee tralala’… Is hij niet altijd dichter gebleven?

Ik blader door zijn Zwaarmoedige verhalen en lees bij elk verhaal de opdrachten aan ontijdig gestorven mensen die de schrijver gekend heeft, en de vermaning hen te gedenken. Hoe joods is ook dat niet: de praktijk van zachor, het gedenken als morele oriëntatie en spirituele discipline, waar Spinoza op zijn minst het ethische aspect van behield: het ordenen van herinneringen om ze te verbinden met adequate ideeën, en zo vrij te worden.
En wat te denken van het motto voorin het boek:

Tot stand gekomen in het besef dat de natuur
machtig mooi is
en een mensenleven
nauwelijks de moeite waard

Ook bij Spinoza is de natuur c.q. God oneindig en noodzakelijk, en zijn mensen maar eindige en afhankelijke ‘modi’. Daaruit volgt wat mij betreft niet dat ze niet de moeite waard zijn, maar het tekent de verhouding, en de vergelijking tekent zowel Heeresma’s schatplicht aan het joodse denken als zijn verwantschap met Spinoza, al was hij zich daar zelf misschien niet erg van bewust. Spinoza’s naam althans ontbreekt in de biografie, en ook in zijn verzamelde brieven in Bleib gesund.

Louise Heeresma-Cornets de Groot, Heere sr. en hun zoon Heere jr. in hun woning aan de Hanenburglaan in Den Haag, ± 1966.

Heere heeft, zo vertelt De Goede, zijn voorliefde voor het Jodendom ook overgedragen op zijn zoon. ‘Hij is onze simche, mijn kaddisjzegger ook’, schrijft hij ter introductie van Junior aan de Antwerpse rabbijn Jacob Friedrich, die de Tenach doceerde en het boek Jozua. Simche, legt De Goede uit, staat voor vreugde; kaddisj zeggen, ofwel een dodengebed zeggen, ligt bij de Joden vooral op het pad van de zoon. ‘Ik heb bij hem [rabbijn Friedrich] geleerd dat het om een manier van leven gaat. En een manier van praten,’ aldus Heere jr. in de biografie. 5

Na de dood in 2008 van zijn moeder, mijn tante Loes, heeft Junior gebroken met zijn vader. Maar dat wil geenszins zeggen dat hij afstand heeft genomen van zijn manier van leven en denken. In De Goede’s biografie komt dat laatste prachtig naar voren, wanneer De Goede hem vraagt:

‘Heb je nooit zin om iets meer afstand te nemen van je vader?’
‘Als ik iets kinderachtig vind, is het wel afstand nemen van je vader. Dat lijkt me alleen maar een teken van zwakheid. Ik heb geen reden om afstand te nemen.’
‘Omdat het een ideale vader was?’
‘Ja, een vader die me mijn eigen gang liet gaan. En die me een heel goed instinct heeft meegegeven.’
‘Een instinct waarvoor?’
Junior antwoordt: ‘Mensen in te schatten. Situaties te beoordelen. Ontwikkelingen voor te zijn. Vragen af te kappen. Op je hoede te zijn.’ 6

In die laatste vaardigheid klinkt Spinoza’s levensmotto caute door dat op zijn zegel stond, ‘wees voorzichtig’. Of ook: laat je niet meeslepen door emoties, maar handel vanuit inzicht.

Mijn neef heeft groot gelijk. Het verwijt dat zijn vader een ‘kloon’ van hem zou hebben gemaakt, berust op een groot misverstand, dat ik maar al te goed herken. Natuurlijk lijkt Junior op hem, zoals ik op mijn vader. ‘Een zoon van mij gaat na verloop van tijd op me lijken’, schreef mijn vader al over mij toen ik nog een kind was. 7 Zijn wij daarom geen vrije, autonome individuen, die elk hun eigen weg hebben gevonden, los van die vaders maar profiterend van hun vrije opvoeding? Vergelijk dat eens met de onnoemelijke aantallen klonen in de samenleving, door Heeresma uitentreuren beschreven, die naar dezelfde tv-programma’s kijken, dezelfde versleten taal spreken en allemaal een ‘eigen identiteit’ hebben – en juist daarin zo op elkaar lijken.

Nog een laatste woord over Een gat in het hoofd, Anton de Goede’s biografie die mij tot deze serie geïnspireerd heeft.
Ik ben geen liefhebber van biografieën: de meeste lijken op elkaar, en zijn vaak te dik. De biograaf draagt allerlei materiaal aan voor een punt dat niet wordt gemaakt.
De Goede, door Heeresma zelf min of meer met de taak belast, is zelf nadrukkelijk aanwezig, al laat hij de meeste analyses en beschouwingen over aan de mensen die hij heeft geïnterviewd. Zo is het boek een kubistische collage geworden van de verschillende aspecten van Heeresma’s leven en werk. Zelf beweegt De Goede zich door het werk als een flaneur uit het fin de siècle: observerend, een enkele keer zelf deelnemend. Het is zijn grote verdienste dat hij zich niet heeft laten meeslepen door wat zijn fascinatie voor dit werk allicht in gang heeft gezet, en wat misschien wel het motief voor de biografie is geweest: de ontrafeling van feit en fictie. Voor Heeresma bevonden die zich nu eenmaal in dezelfde sfeer; hij beschikte althans over het vermogen om het onderscheid tussen beide volledig op te heffen. Dat onderscheid proberen te herstellen zou alleen averechts hebben kunnen werken: Heeresma-lezers zouden er hun liefde voor dit werk mee kunnen verliezen. Op een gat in het hoofd past een theemuts, en die moet vooral blijven zitten.


  1. De Goede, p. 203. 
  2. ‘Ik graaf liever dan dat ik omhoog grijp. Vragen aan Heere Heeresma door T. Graftdijk’, Soma 23, mei 1972, p. 9. 
  3. De Goede, p. 278. 
  4. Idem, p. 279. 
  5. De Goede, p. 302. 
  6. De Goede, p. 76. De dialoog wordt geciteerd uit de film En de naam is Heeresma (2022) van John Albert Jansen. 
  7. In Liefde, wat heet!, p. 64. 

Geen gemakkelijk heer (3)

Korte serie nav. Heere’s biografie

Heere Heeresma omstreeks 1962.

Voor zowel Heeresma als Cornets de Groot was schrijven een manier om vrij te zijn en die vrijheid te behouden, zo eindigde ik de vorige aflevering.

Toch lijkt in Heeresma’s opvatting van het schrijverschap het accent gaandeweg te zijn verschoven. Toen hij als dichter debuteerde (Kinderkamer, 1954) had hij hooggestemde ideeën. Zo vertelde hij over zijn vriendschap met Jan Arends, die hij in die jaren ontmoette:

Wij deelden toen een allesdoordringende belangstelling voor, met hoofdletters, het schrijven. Dus niet: voor het literatendom, de literaire categorieën, de zich ermee verenigende boekbesprekers, prijzen. Nee het ging ons om het schrijven. 1

Zijn afkeer van ‘de’ literatuur en zijn instituties is altijd gebleven, maar het schrijven kwam gaandeweg in dienst te staan van iets anders: het bestaan zelf en zijn vaste wil om daarin te volharden. Ten tijde van de geboorte van mijn neef Heere jr. in december 1961 zwoer hij om voortaan alleen met de pen in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin te voorzien. Hij zette daar alles voor opzij: om te beginnen de drank, maar ook eenieder die hem daarin wilde tegenwerken, de maatschappij voorop. Met zijn eerste grote ‘seller’ Een dagje naar het strand, in november en december ’61 geschreven, gaf hij daar metterdaad gestalte aan. De Goede vertelt in zijn biografie:

[Zijn] schrijverschap gold als een protest. Of zoals Heeresma het zegt: ‘Literatuur is een antwoord op de bestaande samenleving: schrijvers maken daar inbreuk op.’ 2

Al Heeresma’s literaire activiteiten moeten in dit licht worden gezien. Vanuit zijn belofte aan zichzelf zag hij er geen been in om literaire grenzen te overschrijden en zich in genres te bekwamen die doorgaans niet tot de literatuur worden gerekend: spyromans, filmscenario’s, tv-spelen, pornografie. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn dichterschap opgaf voor zijn onafhankelijkheid – maar niet zijn schrijverschap. En nog minder zijn autonomie binnen de ‘vakgroep Boek’.

Op een heel andere manier voerde Cornets de Groot een vergelijkbare strijd. Weliswaar stond daarbij zijn bestaan niet op het spel, aangezien er voor essays sowieso geen markt was, maar net als Heere keerde hij zich tegen het literaire establishment, tegen de instituties en tegen richtingen die binnen de literaire kritiek de dienst uitmaakten: de close reading van het tijdschrift Merlyn en de literatuurwetenschap met haar stringente normen. Cornets de Groot en Heeresma opereerden buiten de gevestigde literatuur: de eerste omdat hij er effectief buiten werd gehouden, de laatste omdat hij er niets mee te maken wilde hebben. ‘Heere was geen literator, Heere was een schrijver!’ schrijft De Goede. 3

Vlnr Yvonne Keuls, Rudy Cornets de Groot, onbekend, Hans Dütting, Mies Bouhuys, Heere Heeresma, tijdens het schrijversprotest bij de bibliotheek van Den Haag, 1972.

Natuurlijk verschilden hun middelen en methoden. Waar Cornets de Groot zijn strijd uitsluitend op schrift voerde, daar ging Heeresma de boer op, spande uitgevers voor zijn kar en voegde in het algemeen liever de daad bij het woord dan andersom… In maart 1972 kwam hij in persoon leenrechtvergoedingen opeisen bij bibliotheken die zijn boeken uitleenden. Cornets de Groot, die vooral voor bibliotheken schreef – ‘Cornets de Groot is essayist of, zoals hij zelf spottend zegt, “bibliotheekvuller”, “ik schrijf voor bibliotheken”’ 4 – liep mee met dit zogenaamde Schrijversprotest, al zal dat op initiatief van zijn zwager zijn geweest: zelf had hij weinig financieel belang bij de acties, terwijl Heeresma er met zijn sellers daadwerkelijk wat bij te winnen had. Maar als Heere zei: ‘Je gaat mee’, baatte geen verweer.

Toch ging Heeresma’s actiebereidheid zijn persoonlijke belang te boven. Het schrijven als zodanig mocht dan geen hogere roeping meer voor hem zijn, als metier ging het hem wel degelijk aan het hart, want zijn vrijheid en onafhankelijkheid hingen ervan af. Door zich daar sterk voor te maken, hielp hij niet alleen zichzelf, maar ook zijn collega’s. Ook hier bleek dat het belang van zijn schrijverschap niet lag in de aard van de boeken die hij schreef, maar in wat hij er maatschappelijk mee voor elkaar kreeg: het schrijven niet als roeping maar als een ambacht waar hij persoonlijk voor instond, vanwege de noodzaak van zijn overleving en die van vrouw en kind.

Dat verklaart ook zijn kwalificatie van het literaire bedrijf als de ‘vakgroep Boek’. Voor hem ging de vent voorop, de man met een stiel, een beroep dat in dienst stond van zijn bestaan, en waarvan hij de lusten en de lasten aan den lijve ondervond. In dat opzicht lijkt Heeresma op Gerard Reve met zijn ‘winkel’ en zijn verdediging van homoseksuelen: ook Heeresma was solidair met collega’s en lotgenoten en ijverde voor hun emancipatie. Heel anders dus dan wat ik apostolische kunstenaars zou noemen, die zich meer aan hun waarheid verplicht voelen dan aan hun vakbroeders. Romantische noties als innerlijke noodzaak of creatieve drift, door Reve geridiculiseerd, 5 kwamen ook voor Heeresma op de tweede plaats. Zelfs hielden beiden soms liever uitverkoop (verzamelingen, archiefmateriaal, herdrukken van herdrukken) dan dat ze nieuw werk uitbrachten:

In die tien jaar [de jaren tachtig, waarin Heeresma weinig nieuw werk publiceerde, rhcdg] verschenen, verdeeld over een 10-tal titels, tachtig (80) herdrukken. Een verstandig auteur, beseffend dat de wanden van de boekhandel niet van rubber zijn, is in zo’n hoos voorzichtig met het uitbrengen van nieuw werk. In de kortste keren bekonkurreert auteur zichzelf. 6

Maar het idee dat Heeresma alleen op geld belust was, berust op een misvatting. Het ging erom de literaire machthebbenden – uitgevers, media, overheidsinstellingen – niet nog machtiger te maken, en de eigen middelen zo in te zetten dat tegenmachten ervan konden profiteren. Tekenend is deze uitspraak uit 1970 die De Goede van Dirk Ayelt Kooiman aanhaalt, de centrale figuur van het tijdschrift Soma, waar Heeresma vanaf het vierde nummer aan meewerkt:

Van de vele schrijvers die wij vroegen was er maar één niet te beroerd, niet te laf en te gierig, om voor niets te helpen ons blad op te bouwen. Alléén Heeresma, toevallig de man die door zijn vakbroeders commercialiteit wordt verweten. () Die feuilleton die we nou van hem publiceren [Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp, rhcdg], zou hij voor veel geld zo aan een ander tijdschrift kunnen verkopen. Hij doet het niet. 7

Heere wordt ‘redacteur akties & attrakties’ bij Soma en haalt zijn zwager binnen, die er zijn artikelenreeks Intieme optiek – zijn alternatief voor ‘close reading’ – in publiceert, waarin hij polemisch ten strijde trekt tegen literatuurwetenschappers en ‘methodisten’. Heeresma’s medewerking aan Soma eindigt pas als schrijvers van naam en faam (Hermans, Campert, Brouwers, enz.) beginnen mee te werken en er een dubbelnummer over Nabokov wordt voorbereid. Literatuur! Brr.

Liever werkte hij, als kersverse bewoner van de nieuwe ‘modelwijk’ Bijlmermeer, mee aan ‘de zelf in elkaar gezette, gedrukte en rondgebrachte Bijlemer Prinz’ en De Nieuwe Bijlmer.’ 8 De Goede citeert Heeresma:

Het ging niet om grote dingen, het ging om niets meer dan bijvoorbeeld het aanleggen van een veilige weg naar school.’ 9

[Wordt vervolgd]


  1. De Goede, p. 124. 
  2. Idem, p. 122. 
  3. De Goede, p. 181. 
  4. Marja Käss, Interview: Van de dingen die niet voorbijgaan, Literama, 1 maart 1988, p. 80-81. 
  5. In zijn Brief uit Camden Town in Op weg naar het einde. 
  6. Heeresma in een brief aan Theo Holman, gedateerd 7.5.’97. Geciteerd in Thomas Heerma van Vos, De verstilde nadagen van Heere Heeresma, website van het Literatuurmuseum, gepubliceerd 31 oktober 2018. 
  7. De Goede, p. 176. 
  8. Idem, p. 191. 
  9. Idem. 

Geen gemakkelijk heer (1)

Een gejatte fiets – Heere Heeresma en Rudy Cornets de Groot

Omslag

In de jaren zeventig schreef mijn vader Rudy Cornets de Groot een serie artikelen over plagiaat onder de titel Met andermans veer. Zijn zwager Heere Heeresma, ooit een gevraagd copywriter die destijds naast ons aan de Oude Singel in Leiden woonde (hij op nr. 14, wij op 16) gunde hem net zulke ‘sellers’ als hij zelf schreef, en raadde hem een pakkender titel aan, ‘Een gejatte fiets is óók een fiets’.
Cornets de Groot sloeg zijn advies in de wind; hij koos het fraaie Ladders in de leegte, een titel waarin het idee doorklinkt van teksten die niet aan een auteur maar aan een zee van andere teksten gebonden zijn – in de Nederlandse letteren van toen absoluut revolutionair, want vergelijkbare ideeën van Barthes en Derrida waren hier nog niet doorgedrongen. 1

Met die titel van Heeresma is het dus niet veel geworden, maar een glimp ervan is terug te zien op het omslag van een andere essaybundel, De kunst van het falen, in een tekening van Jack Prince voor de toen net opgerichte Haagse uitgeverij Bzztôh. Een klein Indisch mannetje, een plichtsgetrouw ambtenaartje zo te zien, met nogal pontificaal een fiets aan de hand. Titel en tekening staan in geen enkel verband tot elkaar; wie het verhaal erachter niet kent, begrijpt er niets van.

Wat het wel aangeeft, is hoeveel gewicht het woord van Heeresma had in uitgeversland. En niet alleen daar, maar overal waar hij kwam. Het was niet gebaseerd op gezag, maar op overtuigingskracht, retorisch talent en fysiek overwicht. Geen gezag, maar ontzag.

Allesoverheersend, en daardoor dit soort bijkomstigheden verdringend, is mijn herinnering aan de confrontatie. Bij zijn postuur vergeleken ben ik een timide, weerloze schim, overbluft door zijn redenaarsgaven en door zijn gebarentaal in een hoek gedrukt. 2

Dit schrijft Cornets de Groot over Hein Donner, maar het had net zo goed over Heeresma (‘Her’) kunnen gaan. Alleen: die was getrouwd met zijn zus Loekie, of (tante) Loes zoals wij haar kenden. En dat betekende dat wij in een heilige kring waren opgenomen: zijn familie. ‘Heere is familieziek, én godsdienstwaanzinnig’, zo wordt Cornets de Groot in Een gat in het hoofd, Anton de Goede’s biografie van Heeresma, geciteerd (p. 311). Het lijkt een adequate typering.

Uitnodigingskaartje voor presentatie van 'De kunst van het falen'
Uitnodigingskaartje voor de presentatie van De kunst van het falen.

Ik heb Een gat in het hoofd gelezen alsof het een postmodern boek is, kriskras door elkaar, van de ene Cornets de Groot-vermelding naar de andere, en vervolgens van de ene periode naar de andere: van de tijd dat het gezin Heeresma in een grote flat aan de Steenvoordelaan in Rijswijk drie etages onder mijn Indische grootouders woonde, tot de periode in Leiden, waar ik in de jaren ’77 en ’78 bij mijn vader en zijn tweede gezin mijn puberteitsjaren doorbracht, en ik met Heere jr optrok, mijn anderhalf jaar oudere buurjongen. Maar ook de jaren daarvoor staan me bij, in de Bijlmermeer bijv. toen Heeresma aan een ‘geheimzinnige ziekte’ (p. 187) leed, aan geelzucht namelijk zoals ik me nog goed herinner… En nog voor ik over zijn jeugdjaren las, was ik al bij de drie slothoofdstukken, waarvan de titels alleen al genoeg drama beloven: ‘De kar tot de rand met knekels gevuld’, ‘Verlaten door Loekie en op zee het licht zien’, en ‘Verlaten door Junior en reiken naar het wit’…

Dat krijg je als je naastbetrokkene bent, met een vader die door De Goede ‘misschien wel de belangrijkste relatie in Heeresma’s leven’ (p. 133) wordt genoemd, en over wie via zijn tweede vrouw Leonarda allerlei anekdotes in het boek terecht zijn gekomen die ik niet kende, of was vergeten. Sowieso was het bijzonder om via deze oral history herinneringen aan mijn vader op te halen, in plaats van via uitspraken uit zijn boeken.

Zo vertelt ze dat het gezin Heeresma op haar voorstel naast ons kwam wonen, toen de ruimte daar te huur bleek te staan, en dat mijn vader niet direct blij was met dat initiatief (p. 227). Die massieve persoonlijkheid, pal naast je… In De kunst van het falen vertelt hij:

Heeresma is geen gemakkelijk heer – hij is dat ook nooit geweest, en het minst nog voor zijn vrienden. Zijn populariteit bij de lezers staat in schril contrast met die bij de schrijvers-collega’s. () Zij weten niet, of zijn het vergeten, dat Heeresma’s normen niet van deze wereld zijn. 3

En deze Heere kwam naast ons wonen, drong zich aan ons op zoals Manuel zich in De verloedering van de Swieps aan het gezin Swiep opdringt. Mijn vader was gewaarschuwd, want:

Pure biografie is de ontreddering, teweeg gebracht in De verloedering van de Swieps, een waarlijk onthutsend en demonisch boek, het morele nihilisme gekroond én een streng gewetensonderzoek zonder enige terughoudendheid te boek gesteld. Een afrekening. 4

Niet dat hij Heere, die hij sinds midden jaren vijftig kende en die getrouwd was met zijn zus, zou verwarren met zijn werk, integendeel. Hij wist dat Heere in deze afgrond gekeken had, en er zijn voordeel mee had gedaan.

De hoofdpersonen bij Heeresma zijn alle min of meer verdorven, kwaadwillend, virtuoos in het uitstippelen van een naar de totale ondergang leidende weg. Ze maken niet zozeer slachtoffers, maar trekken anderen mee in hun eigen ondergang. Er is een “zelfvergeten” werkzaam bij velen van ze, een wereldverzaking in dienst van een of ander “ideaal”, dat diepe walging innig verbindt met iets dat op zachtmoedigheid, broederschap, heimwee naar het paradijs en wellicht ook liefde lijkt. 5
Door naar aflevering twee: Odysseus en Hestia

  1. Zie Ladders in de leegte, met op p. 1-158 de artikelen uit de reeks Met andermans veer. 
  2. De kunst van het falen, p. 69. 
  3. De kunst van het falen, p. 95. 
  4. De kunst van het falen, p. 89. 
  5. Leegheid als voer, Soma nr. 10-11, okt-nov 1970, p. 55 

Onze man in Gibraltar

Gastbijdrage van Heere Heeresma jr.
Vandaag, 3 februari, is de 87e geboortedag van Rudy Cornets de Groot; helaas heeft hij de laatste 25 ervan zelf niet meer meegemaakt. Om de dag toch luister bij te zetten volgt hieronder een gastbijdrage van Heere Heeresma jr., de zoon van Louise (ook wel Loes, Loekie) Cornets de Groot, Rudy’s zuster. Heere, die vorige week in Trouw nog de gemoederen in beweging kreeg, 1 vertelt hier over onze gemeenschappelijke grootvader, Piet Cornets de Groot (1903-1971).
RHCdG
Louise Heeresma en haar vader Piet Cornets de Groot, ±1970.
Louise Heeresma en haar vader Piet Cornets de Groot, ±1970.

Beste Rutger,

Onze grootvader zat met zijn rug naar de televisie. Toen al, eind jaren ’60, had hij een vooruitziende blik ten aanzien van dit medium en ook met zijn doofheid was hij zijn tijd ver vooruit. Hij zat in zijn draaibare stoel Het Vaderland te lezen terwijl zijn gezin in de huiskamer van de flat aan de Steenvoordelaan in Rijswijk naar de zwart-wit TV keek. Dat gezin bestond toen uit zijn vrouw Dicky, onze grootmoeder, die door mij Nana werd genoemd, uit zijn dochter Loekie, mijn moeder, en uit mijn vader en mij. Om acht uur moest ik naar bed, maar vaak zat ik om de hoek van de deuropening mee te kijken, niet zelden met medeweten van mijn vader die mij wel in de gaten had. Waar keken we toen naar? Misschien naar een aflevering van De Wrekers. En ik herinner mij ook een scène uit The Garment Jungle, waarin een man in een gesaboteerde goederenlift te pletter valt. Aan onze grootvader was het allemaal niet besteed. Hij was een uitgesproken lezer, een man die, zoals je weet, acht talen beheerste, waaronder het Hongaars. Maar misschien was dat niet de enige reden dat de kunstmatige spanning van de televisie hem onberoerd liet.

Niet alleen voor de buitenwereld, ook voor zijn gezin was onze grootvader een plichtsgetrouwe ambtenaar die bij de Bescherming Bevolking (BB) werkte, een overheidsdienst die de bevolking tegen de gevolgen van de dreigende atoomoorlog met de Sovjet-Unie moest beschermen. Daar verdiende hij het leeuwendeel van het inkomen voor het huishouden waar ook zijn dochter, schoonzoon en oudste kleinzoon toentertijd deel van uitmaakten. We hadden al eerder bij mijn moeders ouders ingewoond, op de Hanenburglaan in Den Haag. Daarna verhuisden we naar de Leidsekade in Amsterdam, waar we naast Harry Mulisch woonden. Op de Leidsekade schreef mijn vader het scenario voor zijn eerste speelfilm, De verloedering van de Swieps, en de verhuizing naar Rijswijk moet hebben plaatsgevonden voordat de opnamen begonnen, want ik herinner mij een panische zoektocht door de flat van onze grootouders naar een schoentje dat ik in enkele scènes had gedragen en dat vanwege de continuïteit bij de volgende opnamen niet mocht ontbreken. Mijn ouders sliepen in de kleine logeerkamer, ik op een bed in de eetkamer. Mijn moeder werkte bij het Ministerie voor Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk dat schuin aan de overkant lag. Mijn vader schreef in die tijd zijn pornopersiflages Gelukkige paren, Over de last der lusten en Zij die wijd geschapen zijn die hij onder de pseudoniemen Johannes de Back, Rochus Brandera en Ben Bulla bij een Antwerpse uitgever publiceerde. Dankzij die boeken kon hij van zijn pen leven en een eigen flat betrekken, drie etages lager en recht onder die van onze grootouders. En dat werd tijd, want ik herinner mij verhitte discussies tussen mijn vader en onze grootvader. ‘Pa, als u een stok zoekt om de hond te slaan, dan ligt die pal voor uw voeten,’ hoor ik mijn vader nog zeggen. Maar dat waren uitzonderingen. Meestal werd er onbedaarlijk gelachen en iedere avond werd er feestelijk gegeten dankzij Nana, die mij schandelijk verwende. Vroeg in de ochtend, als mijn vader nog in bed lag, ging onze grootvader naar zijn werk en ’s avonds kwam hij rond zeven uur weer thuis. In de winter droeg hij een soort tennisrackets onder zijn schoenen om niet uit te glijden. Maar is het geloofwaardig dat een voormalig inspecteur der posterijen uit Nederlands-Indië, die acht talen beheerste, een vage functie vervulde bij een organisatie die de bevolking adviseerde om bij het zien van een vallende atoombom onder een tafel te gaan zitten? Voor mij steeds minder en daar heb ik de volgende redenen voor.

Vertaling P. Cornets de Groot, uitgegeven door J.H Gottmer, Haarlem, 19977.
Vertaling P. Cornets de Groot, uitgegeven door J.H Gottmer, Haarlem, 1977.

Naast de briefwisselingen die onze grootvader met buitenlandse correspondenten voerde, vaak over zeldzame postzegels, vertaalde hij The Zimmermann Telegram in het Nederlands. Deze historische studie van de Amerikaanse schrijfster Barbara Tuchman vertelt het verhaal van het gecodeerde telegram van de Duitse minister van buitenlandse zaken Arthur Zimmermann aan de Duitse ambassadeur in Mexico, waardoor Amerika bij de Eerste Wereldoorlog betrokken raakte. Voor zover ik weet is dit het enige boek dat hij ooit heeft vertaald. Hij heeft zijn vertaling bij Bruna en Elsevier aangeboden, maar die wilden het niet hebben. Wel vond Bruna de kwaliteit van de vertaling van dusdanig peil, dat ze hem een positie als vaste vertaler aanboden; maar kort daarop werd hij ziek en overleed hij. Na zijn dood heeft mijn vader ervoor gezorgd dat het bij Gottmer werd uitgegeven, in 1984 werd het door Elsevier herdrukt. In Het Zimmermann telegram (onze grootvader sprak altijd van Het telegram Zimmermann, wat veel elektrischer klinkt) gaat het over cijferschrift en code, de specialiteit van mijn moeder die, voordat ze met mijn vader trouwde, bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) werkte. Doe ik aan Hineininterpretierung als ik een verband zie tussen het vertaalproject van onze grootvader en mijn moeders werk?

Ook was er een vreemd voorval dat mij onlangs weer te binnen schoot. Zoals je weet, gingen onze grootvader en ik iedere zondag bij jullie aan de Denneweg op bezoek met gebak en andere, vaak Indische lekkernijen. We namen bus 18 uit Rijswijk. Ik herinner mij die bussen nog. Ze waren geel en roken heerlijk naar diesel. Leyland-Verheul was de fabrikant en de banden waren van Vredestein. Ik wilde altijd een zitplaats waar ik de chauffeurs de versnellingspook kon zien bedienen. Thuis bootste ik de nonchalante bewegingen waarmee ze schakelden na. Gedurende enige tijd was ik zelf een bus, waarmee ik mijn moeders geduld zwaar beproefde, want ik moest een vaste route volgen. Toen we een keer in de bus naar jullie onderweg waren verscheen een oude, grijze heer naast ons bankje. Deze stak een hand in de binnenzak van zijn jas en overhandigde een kleine, bruine envelop. Daarna stapte hij bij de eerstvolgende halte uit. Onze grootvader liet mij de postzegels zien die in de envelop zaten.

Piets paspoort

En dan is er nog een paspoort van onze grootvader dat ik in mijn archief terugvond. Hij had het in juli 1961 aangevraagd en op de visumpagina’s stonden stempels waaruit bleek dat hij in augustus van dat jaar een dag in Gibraltar is geweest. Ik wist niet dat hij daar geweest was. Wat had hij daar te zoeken? En waarom was hij daar maar één dag? Gaat het te ver om een verband te leggen met de Berlijnse Muur, met de bouw waarvan in diezelfde maand werd begonnen? Met het paspoort zelf is ook iets geks aan de hand. Het lijkt alleen voor Gibraltar gebruikt te zijn; er stonden geen andere visumstempels in. Het was ook alleen geldig voor Europa, terwijl onze grootmoeder een paspoort voor de hele wereld had. Het lijkt er dus op dat hij het speciaal voor zijn reis naar Gibraltar heeft aangevraagd. Zou hij het daarna ‘verloren’ zijn en een duurder wereldpaspoort hebben aangevraagd? Het blijft gissen, maar het wordt wel steeds moeilijker om onze grootvader als een functionaris bij de BB te blijven zien. Ik begin nu in ieder geval te vermoeden waarom hij met zijn rug naar de schijnwereld van de televisie zat. Zijn leven was misschien veel spannender.

Met schuin omhooggestoken rechterbeen, je neef,

Heere Heeresma jr.

—o0o—

Meer over Piet Cornets de Groot:

Intieme optiek 4, Rudy Cornets de Groots herinneringen aan zijn vader
Beluister de stem van Piet!
Foto’s van Piet en zijn gezin in Nederlands-Indië.


  1. Zie zijn opiniestuk Natuurlijk mag verzet tegen massamoord en de reactie van Ger Groot, Alle burgers strijders? Daarmee doe je terroristen groot plezier. 

Over Bleib gesund! Brieven van Heeresma

Goed, die serie over Istanboel 1 komt niet meer af. Het is spijtig voor de mooie bespiegelingen over tapijten, badhuizen en dansers die ik voor me zag, gelardeerd met verhalen over Istanboel en de manier waarop ik er de gangen van Leo de Brauw naging: hoe in een nachtclub, waar ik op zoek was naar Lilith – de buikdanseres uit het begin van Tropische jaren – plotseling Julie, Carla en Sylvia uit het boek sprongen en ik aan de eerste van 1001 nachten ontsnapte. Hoe ik dat boek, met opdracht voorin – ‘voor Rutger, die zijn vader altijd zo opbeurt’ – op het vliegveld van Istanboel per ongeluk achterliet en hoe ik met alleen een klein tapijtje als souvenir terugvloog naar huis, ‘met oorsuizingen van verrukking’.

Ik wilde maar kort blijven hier en in het najaar nog naar Indonesië, maar er kwam een boek tussen dat vertaald moest worden, 2 mijn moeder werd ziek, het geld raakte op en mijn eigen boek, dat er toch eens moet komen, kwam ook al zijn rechten opeisen. En nu is het te laat. De wereld drong zich tussen toen en nu, zegt de dichter.

Omslag van Bleib gesund!

Inmiddels verscheen vorige week bij De Arbeiderspers Bleib gesund!, een boek met brieven van Heere Heeresma, samengesteld en ingeleid door Hein Aalders. Als ik het zo opschrijf lijkt het al een contradictio in terminis: brieven van Heeresma, de man die dat spreekwoordelijke brandscherm om zijn leven optrok? Maar dan bedenk ik dat hij zelf ook al brieven had laten verschijnen, onder de schitterende titel Vlieg vogel vlieg met me mee tralala – een titel die naar mijn idee alleen een dichter kan verzinnen.

Ook wordt er gepraat over een biografie. En opnieuw denk ik: hoe zou die ooit de geest van Heeresma kunnen laten waaien? Maar in de laatste zin van zijn laatste, onvoltooide brief gewaagt hij zelf van het idee. Wie zou het kunnen doen? Misschien alleen zijn zoon, Heere Heeresma jr; die heeft tenslotte ook voor het laatst contact met hem gehad, vlak voordat sr’s kotter de Johannes de Heer op de Noord-Atlantische Oceaan verging… 3

Thuis in Leiden met Heere Heeresma, 1977
Thuis in Leiden met Heere Heeresma, 1977.

Intussen komt mijn vader, Heeresma’s zwager, er in het brievenboek niet erg goed vanaf. De twee brieven die zijn opgenomen bevestigen naar mijn smaak te veel het beeld van de slappe Indo die zich gemakkelijk omver liet blazen. Hugo Brandt Corstius droeg het zijne aan dat beeld bij: ‘Eenmaal heb ik Cornets de Groot ontmoet – hij was toen zo licht dat mijn handdruk hem optilde.’ 4 Maar ook zelf cultiveerde Cornets de Groot die indruk: oog in oog met Vestdijk weet hij zich geen raad, 5 en voor een schaaktoernooitje op school introduceert hij zichzelf als ‘de graag verliezende Cornets’. 6 Over schaken gesproken: als hij in Amsterdam Hein Donner tegenkomt gaat het al niet beter:

Bij zijn [Donners] postuur vergeleken ben ik een timide, weerloze schim, overbluft door zijn redenaarsgaven en door zijn gebarentaal in een hoek gedrukt. Met de beste bedoelingen uiteraard, propagandistische voor Mulisch – en zonder dat hij daarbij de verdiensten van andere schrijvers verkleinde. Een solide type. Een Schneiderhahn – al vond hij in mij geen Corinth tegenover zich. 7

Minstens zo ‘solide’, als het zo moet heten, was Heeresma. In de laatste brief aan Cornets de Groot, op p. 176 van het boek, veegt hij hem de mantel uit:

Hoe háál je het in je hoof! Ben je dan zó karakter- en krachteloos? Daar geloof ik niets van. Maar, anderzijds, heb je daarvoor geleefd? Heb je daarvoor jouw aanleg tot talent gesmeed? Greep je daarvoor zo drastisch in, in het leven van jezelf én de anderen? Om te verzompen in het huishouden? Tussen afwasteil en het middagmaal? Man, zo zak je weg in een dras die de jouwe niet is! Eindelijk eindelijk kom je tot dát waarvan ik altijd overtuigd was, een onafhankelijk schrijverschap. En nu lijk je te worden vermalen tot shit door de shit. Mocht je misschien maar één boek schrijven? Over je ‘affaire’? Waarom wordt jou niet toegestaan verder te gaan in het aftasten van je wortels om tot de reden van je eksistentie te komen? Ik, je zwager, Heere, weet je wel, protesteer hiertegen. Zat ik tegenover je, het gehele huiskamerameublement ging door je eigen ruiten. Voor deze ontwikkeling is geen ekskuus! 8

Liet Cornets de Groot zich dergelijke taal zo maar welgevallen? Het is misschien de verkeerde vraag. In polemieken legde hij feilloos de vinger op juist dit soort bluftaal in teksten van academici en close readers, waarmee zij probeerden tegensprakigheden in eigen werk te overschreeuwen en tegenstanders de mond te snoeren. 9
Van zijn zwager kon hij meer hebben. Bovendien: waarom zou hij grenzen stellen aan wat hij kon verdragen als Heere zich niet beheersen kon? Vandaar de volgende, Indische reactie:

Je veronderstelling dat ik karakter- en krachteloos zou zijn, werp ik van mij, en gelukkig doe jij in een en de zelfde zin dat ook.

Alleen, en dat is jammer, staat die reactie niet in het boek. Maar hij staat, met nog acht andere brieven, hier.

Bij zijn schoonouders op de Hanenburglaan; op de achtergrond mijn moeder Willy van den Berge.
  Bij zijn schoonouders op de Hanenburglaan; op de achtergrond mijn moeder Willy van den Berge.

Eergisteren, in de trein, las ik op pagina 411 dat Heere jr. op 11 december 1961 ter wereld is gekomen. Nooit geweten. ‘Jaardagen worden bij ons niet gevierd’, staat er op p. 314. Ik kijk op mijn telefoon: maar is dat niet vandaag? Verrek… Ik stuur mijn neef een sms met bericht van de ontdekking en een felicitatie. Zijn reactie: ‘Weer bijzonder indiscreet van mijn vader, maar toch bedankt’. Zelf wil hij het boek niet lezen.

—o0o—

Heere Heeresma, Bleib Gesund!
Samengesteld en ingeleid door Hein Aalders
De Arbeiderspers, Privé-Domein
446 blz., € 24,99
ISBN 9789029504720

  1. Zie de voorgaande blogberichten Avontuur in Istanboel I en II. 
  2. Zie mijn blogstukje over de vertaling van Tussen de wereld en mij van Ta-Nehisi Coates. 
  3. Zie Heere jr’s verslag ‘Vaders uitvaart’ in Uitgelezen boeken, jrg. 15, nr. 2, p. 2-3. 
  4. Battus, Hoe men een boek niet moet lezen. 
  5. Zie Iets persoonlijks. 
  6. Zie Wie houdt van vluggertjes? 
  7. Personages uit Het stenen bruidsbed. Citaat uit De kunst van het falen, p. 69. 
  8. Correspondentie Heere Heeresma (1958-1985), brief 9. Of nu Heere Heeresma, Bleib gesund!, Amsterdam 2015, p. 176. 
  9. Zie vooral de bundel Intieme optiek.