Geen gemakkelijk heer (slot)

Korte serie nav. Heere’s biografie

Louise (Loes, Loekie) Heeresma en haar vader Piet Cornets de Groot met het boek Joodse humor van Salcia Landmann, ± 1970.

Dat Heeresma zich het schrijven als een metier opvatte en niet als een vehikel voor inblazingen van hogere machten, wil niet zeggen dat hij geen waarheden koesterde. Alleen zorgde hij ervoor dat die nooit in conflict kwamen met zijn belangen. Wel zo consequent, en een extra waarborg dat hij naar die waarheden leefde. Zo betaalde hij, toen zijn boeken begonnen te verkopen, geen belasting meer: een soeverein avant la lettre. Zijn verklaring:

Dit is niet zomaar iets, maar een Principe van mij dat me geen windeieren legt, maar waarom zouden principes altijd geld moeten kosten?’ 1

Toch was de waarheid voor hem geen kwestie van aannemen en geloven. Weliswaar putte hij zijn geloofsartikelen uit ‘de Schrift’, maar het ging daarbij om een lichamelijk te beleven ervaring. In zijn werk legde hij er zich ook op toe om die teweeg te brengen:

Ik ben inderdaad een boodschappenjongen. () Als schrijver wil ik de Goede Boodschap overbrengen,

om er in dezelfde adem aan toe te voegen:

dus vóór alles de lezer eens even behoorlijk aan verwarring ten prooi laten vallen door de stoel weg te trekken waarop zijn Heerlijke Zelf heeft plaatsgenomen. Eén sekonde vrije val kan immers wonderen verrichten! 2

Het valt op hoe nauw dit niet alleen aansluit op de joodse traditie, met name de ideeën van Maimonides, maar ook op Spinoza’s affectenleer en op diens idee überhaupt dat elk ding, elke ‘modus’ gedefinieerd kan worden door zijn vermogen om aandoeningen (‘affecten’) te ondergaan en bij anderen teweeg te brengen. Spinoza wijst erop dat die affecten vaak verkeerde voorstellingen in ons oproepen, en dat we door oefening en studie die voorstellingen kunnen omzetten in adequate ideeën. Dat is het joodse in zowel Spinoza als in Heeresma, die inzake geloofskwesties vaak heeft gehamerd op het belang van kennis en een verstandelijke omgang met ‘wat geschreven staat’.

[Ik richtte] mij op de pesjat, wat ‘eenvoudig’ betekent en zich bezighoudt met de directe verklaring van woord en passage, waarbij dus wat daarachter ligt onbesproken blijft. Het is eenieder die op zoek is naar de oerbronnen, geraden zich daarin zeer scherp te richten, want anders komt men, bij wijze van spreken, om in de gigantische hoeveelheid materiaal die in het joodse volk ligt opgeslagen.’ 3

We hebben hier kortom de eerste twee van de drie vormen van kennis die Spinoza onderscheidt te pakken: de verbeelding, die onvolledig is want gebaseerd op toevallige indrukken en zintuiglijke waarnemingen, en de rede, al veel betrouwbaarder omdat die zich bedient van adequate ideeën en logische redeneringen. De derde vorm, intuïtieve kennis, heeft Heere misschien altijd gehad, voor zover hij mensen en het leven doorzag, en wist hoe hij zijn weg moest gaan. Spinoza associeerde deze vorm van denken met een stille, stabiele vreugde en helderheid, van laetitia. Al in 1973, vertelt De Goede, constateerde de joodse zangeres en schrijfster Chanah Milner dat Heere

in wezen een religieus voelend mens [is], overtuigd van het Woord en van de woorden van de profeten. In innerlijke rust en onaantastbaar gaat hij zijn weg, die voor velen een raadsel zal zijn. 4

Dit is Spinoza’s amor Dei intellectualis ten voeten uit, met daarbij natuurlijk de kanttekening dat zijn Deus gelijkstond aan de natuur (‘deus sive natura’), maar dat lijkt in dit verband een detail. Heeresma’s geestelijke dispositie moet hem ook in zijn strijd tegen de maatschappij hebben geholpen: niet omdat hij zich er als subject tegen teweerstelde, maar omdat hij rust vond in het besef van de noodzakelijkheid van de dingen. Zijn geest kon zich ontspannen en van daaruit ja zeggen tegen het bestaan, en eventueel nee tegen wie hem dwarsboomde.

Allicht lag de ervaring van eeuwigheid die de derde kennisvorm geeft ook ten grondslag aan zijn poëzie, en misschien moet niet te vroeg geconcludeerd worden dat hij die verliet (of andersom). ‘Vlieg vogel vlieg met me mee tralala’… Is hij niet altijd dichter gebleven?

Ik blader door zijn Zwaarmoedige verhalen en lees bij elk verhaal de opdrachten aan ontijdig gestorven mensen die de schrijver gekend heeft, en de vermaning hen te gedenken. Hoe joods is ook dat niet: de praktijk van zachor, het gedenken als morele oriëntatie en spirituele discipline, waar Spinoza op zijn minst het ethische aspect van behield: het ordenen van herinneringen om ze te verbinden met adequate ideeën, en zo vrij te worden.
En wat te denken van het motto voorin het boek:

Tot stand gekomen in het besef dat de natuur
machtig mooi is
en een mensenleven
nauwelijks de moeite waard

Ook bij Spinoza is de natuur c.q. God oneindig en noodzakelijk, en zijn mensen maar eindige en afhankelijke ‘modi’. Daaruit volgt wat mij betreft niet dat ze niet de moeite waard zijn, maar het tekent de verhouding, en de vergelijking tekent zowel Heeresma’s schatplicht aan het joodse denken als zijn verwantschap met Spinoza, al was hij zich daar zelf misschien niet erg van bewust. Spinoza’s naam althans ontbreekt in de biografie, en ook in zijn verzamelde brieven in Bleib gesund.

Louise Heeresma-Cornets de Groot, Heere sr. en hun zoon Heere jr. in hun woning aan de Hanenburglaan in Den Haag, ± 1966.

Heere heeft, zo vertelt De Goede, zijn voorliefde voor het Jodendom ook overgedragen op zijn zoon. ‘Hij is onze simche, mijn kaddisjzegger ook’, schrijft hij ter introductie van Junior aan de Antwerpse rabbijn Jacob Friedrich, die de Tenach doceerde en het boek Jozua. Simche, legt De Goede uit, staat voor vreugde; kaddisj zeggen, ofwel een dodengebed zeggen, ligt bij de Joden vooral op het pad van de zoon. ‘Ik heb bij hem [rabbijn Friedrich] geleerd dat het om een manier van leven gaat. En een manier van praten,’ aldus Heere jr. in de biografie. 5

Na de dood in 2008 van zijn moeder, mijn tante Loes, heeft Junior gebroken met zijn vader. Maar dat wil geenszins zeggen dat hij afstand heeft genomen van zijn manier van leven en denken. In De Goede’s biografie komt dat laatste prachtig naar voren, wanneer De Goede hem vraagt:

‘Heb je nooit zin om iets meer afstand te nemen van je vader?’
‘Als ik iets kinderachtig vind, is het wel afstand nemen van je vader. Dat lijkt me alleen maar een teken van zwakheid. Ik heb geen reden om afstand te nemen.’
‘Omdat het een ideale vader was?’
‘Ja, een vader die me mijn eigen gang liet gaan. En die me een heel goed instinct heeft meegegeven.’
‘Een instinct waarvoor?’
Junior antwoordt: ‘Mensen in te schatten. Situaties te beoordelen. Ontwikkelingen voor te zijn. Vragen af te kappen. Op je hoede te zijn.’ 6

In die laatste vaardigheid klinkt Spinoza’s levensmotto caute door dat op zijn zegel stond, ‘wees voorzichtig’. Of ook: laat je niet meeslepen door emoties, maar handel vanuit inzicht.

Mijn neef heeft groot gelijk. Het verwijt dat zijn vader een ‘kloon’ van hem zou hebben gemaakt, berust op een groot misverstand, dat ik maar al te goed herken. Natuurlijk lijkt Junior op hem, zoals ik op mijn vader. ‘Een zoon van mij gaat na verloop van tijd op me lijken’, schreef mijn vader al over mij toen ik nog een kind was. 7 Zijn wij daarom geen vrije, autonome individuen, die elk hun eigen weg hebben gevonden, los van die vaders maar profiterend van hun vrije opvoeding? Vergelijk dat eens met de onnoemelijke aantallen klonen in de samenleving, door Heeresma uitentreuren beschreven, die naar dezelfde tv-programma’s kijken, dezelfde versleten taal spreken en allemaal een ‘eigen identiteit’ hebben – en juist daarin zo op elkaar lijken.

Nog een laatste woord over Een gat in het hoofd, Anton de Goede’s biografie die mij tot deze serie geïnspireerd heeft.
Ik ben geen liefhebber van biografieën: de meeste lijken op elkaar, en zijn vaak te dik. De biograaf draagt allerlei materiaal aan voor een punt dat niet wordt gemaakt.
De Goede, door Heeresma zelf min of meer met de taak belast, is zelf nadrukkelijk aanwezig, al laat hij de meeste analyses en beschouwingen over aan de mensen die hij heeft geïnterviewd. Zo is het boek een kubistische collage geworden van de verschillende aspecten van Heeresma’s leven en werk. Zelf beweegt De Goede zich door het werk als een flaneur uit het fin de siècle: observerend, een enkele keer zelf deelnemend. Het is zijn grote verdienste dat hij zich niet heeft laten meeslepen door wat zijn fascinatie voor dit werk allicht in gang heeft gezet, en wat misschien wel het motief voor de biografie is geweest: de ontrafeling van feit en fictie. Voor Heeresma bevonden die zich nu eenmaal in dezelfde sfeer; hij beschikte althans over het vermogen om het onderscheid tussen beide volledig op te heffen. Dat onderscheid proberen te herstellen zou alleen averechts hebben kunnen werken: Heeresma-lezers zouden er hun liefde voor dit werk mee kunnen verliezen. Op een gat in het hoofd past een theemuts, en die moet vooral blijven zitten.


  1. De Goede, p. 203. 
  2. ‘Ik graaf liever dan dat ik omhoog grijp. Vragen aan Heere Heeresma door T. Graftdijk’, Soma 23, mei 1972, p. 9. 
  3. De Goede, p. 278. 
  4. Idem, p. 279. 
  5. De Goede, p. 302. 
  6. De Goede, p. 76. De dialoog wordt geciteerd uit de film En de naam is Heeresma (2022) van John Albert Jansen. 
  7. In Liefde, wat heet!, p. 64. 

Plaats een reactie