Geen gemakkelijk heer (3)

Korte serie nav. Heere’s biografie

Heere Heeresma omstreeks 1962.

Voor zowel Heeresma als Cornets de Groot was schrijven een manier om vrij te zijn en te blijven, zo eindigde ik de vorige aflevering.

Toch lijkt in Heeresma’s opvatting van het schrijverschap het accent gaandeweg te zijn verschoven. Toen hij als dichter debuteerde (Kinderkamer, 1954) had hij hooggestemde ideeën. Zo vertelde hij over zijn vriendschap met Jan Arends, die hij in die jaren ontmoette:

Wij deelden toen een allesdoordringende belangstelling voor, met hoofdletters, het schrijven. Dus niet: voor het literatendom, de literaire categorieën, de zich ermee verenigende boekbesprekers, prijzen. Nee het ging ons om het schrijven. 1

Zijn afkeer van ‘de’ literatuur en zijn instituties is altijd gebleven, maar het schrijven kwam gaandeweg in dienst te staan van iets anders, geen principe maar een existentiële noodzaak: het bestaan zelf en zijn vaste wil om daarin te volharden. Ten tijde van de geboorte van mijn neef Heere jr., december 1961, zwoer hij om voortaan alleen met de pen in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin te voorzien. Hij zette daar alles voor opzij: om te beginnen de drank, maar ook eenieder die hem daarin wilde tegenwerken, de maatschappij voorop. Met Een dagje naar het strand, in november en december geschreven, en zijn eerste grote ‘seller’, gaf hij daar metterdaad gestalte aan. De Goede vertelt in zijn biografie:

[Zijn] schrijverschap gold als een protest. Of zoals Heeresma het zegt: ‘Literatuur is een antwoord op de bestaande samenleving: schrijvers maken daar inbreuk op.’ 2.

Al Heeresma’s literaire activiteiten moeten in dit licht worden gezien. Vanuit zijn belofte aan zichzelf zag hij er geen been in om grenzen te overschrijden en zich in genres te bekwamen die doorgaans niet tot de literatuur worden gerekend: spyromans, filmscenario’s, tv-spelen, pornografie. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn dichterschap opgaf voor zijn onafhankelijkheid – maar niet zijn schrijverschap. En nog minder zijn autonomie binnen de ‘vakgroep Boek’.

Vlnr Yvonne Keuls, Rudy Cornets de Groot, onbekend, Hans Dütting, Mies Bouhuys, Heere Heeresma, tijdens het schrijversprotest bij de bibliotheek van Den Haag, 1970

Op een heel andere manier voerde mijn vader een vergelijkbare strijd. Weliswaar stond daarbij zijn bestaan niet op het spel, aangezien er voor essays sowieso geen markt was, maar net als Heere keerde hij zich tegen het literaire establishment, tegen de instituties en tegen richtingen die binnen de literaire kritiek de dienst uitmaakten: de close reading van het tijdschrift Merlyn en de literatuurwetenschap met haar stringente normen. Beiden opereerden buiten de gevestigde literatuur: mijn vader omdat hij er effectief buiten werd gehouden, Heeresma omdat hij er niets mee te maken wilde hebben. ‘Heere was geen literator, Heere was een schrijver!’ schrijft De Goede. 3

Natuurlijk verschilden hun middelen en methoden. Waar Cornets de Groot zijn strijd uitsluitend op schrift voerde, daar ging Heeresma de boer op, spande uitgevers voor zijn kar en voegde in het algemeen liever het woord bij de daad dan andersom… In maart 1972 kwam hij in persoon leenrechtvergoedingen opeisen bij bibliotheken die zijn boeken uitleenden. Cornets de Groot, die vooral voor bibliotheken schreef – ‘Cornets de Groot is essayist of, zoals hij zelf spottend zegt, “bibliotheekvuller”, “ik schrijf voor bibliotheken”’ – 4 liep mee met dit zogenaamde Schrijversprotest, al zal dat op initiatief van zijn zwager zijn geweest: zelf had hij weinig financieel belang bij de acties, terwijl Heeresma er met zijn sellers daadwerkelijk wat bij te winnen had. Maar als Heere zei: ‘Je gaat mee’, baatte geen verweer.

Toch ging Heere’s actiebereidheid zijn persoonlijke belang te boven. Het schrijven als zodanig mocht dan geen hogere roeping meer voor hem zijn, als metier ging het hem wel degelijk aan het hart, want daarmee verzekerde hij zijn vrijheid en onafhankelijkheid. Door zich daar sterk voor te maken, hielp hij niet alleen zichzelf, maar ook zijn collega’s. Ook hier bleek dat het belang van zijn schrijverschap niet zozeer lag in de aard van de boeken die hij schreef als wel in wat hij er maatschappelijk mee voor elkaar kreeg: het schrijven niet als roeping maar als ambacht. Voor zulke schrijvers is de vorm vaak minder belangrijk dan de vent. Soms houden ze zelfs liever uitverkoop (verzamelingen, archiefmateriaal, herdrukken van herdrukken) dan dat ze nieuw werk uitbrengen:

In die tien jaar [de jaren tachtig, waarin hij weinig nieuw werk publiceerde, rhcdg] verschenen, verdeeld over een 10-tal titels, tachtig (80) herdrukken. Een verstandig auteur, beseffend dat de wanden van de boekhandel niet van rubber zijn, is in zo’n hoos voorzichtig met het uitbrengen van nieuw werk. In de kortste keren bekonkurreert auteur zichzelf. 5

Maar ze zijn solidair met collega’s en lotgenoten en ijveren voor hun emancipatie. In dat opzicht lijkt Heeresma op Gerard Reve met zijn ‘winkel’ en zijn verdediging van homoseksuelen. Heel anders dan wat ik apostolische kunstenaars zou noemen, die zich meer aan hun waarheid verplicht voelen dan aan hun vakbroeders.

Tekenend is deze uitspraak uit 1970 die De Goede van Dirk Ayelt Kooiman aanhaalt, de centrale figuur van het tijdschrift Soma, waar Heeresma vanaf het vierde nummer aan meewerkt:

Van de vele schrijvers die wij vroegen was er maar één niet te beroerd, niet te laf en te gierig, om voor niets te helpen ons blad op te bouwen. Alléén Heeresma, toevallig de man die door zijn vakbroeders commercialiteit wordt verweten. () Die feuilleton die we nou van hem publiceren [Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp, rhcdg], zou hij voor veel geld zo aan een ander tijdschrift kunnen verkopen. Hij doet het niet. 6

Heere wordt ‘redacteur akties & attrakties’ bij Soma en haalt zijn zwager binnen, die er zijn artikelenreeks Intieme optiek in publiceert, waarin hij polemisch ten strijde trekt tegen de literatuurwetenschap. Heeresma’s medewerking aan Soma eindigt pas als schrijvers van naam en faam (Hermans, Campert, Brouwers, enz.) beginnen mee te werken en er een dubbelnummer over Nabokov wordt voorbereid. Literatuur! Brr.

Liever werkte hij, als kersverse bewoner van de nieuwe ‘modelwijk’ Bijlmermeer, mee aan ‘de zelf in elkaar gezette, gedrukte en rondgebrachte Bijlemer Prinz’ en De Nieuwe Bijlmer.’ 7 De Goede citeert Heeresma:

Het ging niet om grote dingen, het ging om niets meer dan bijvoorbeeld het aanleggen van een veilige weg naar school.’ 8

[Wordt vervolgd]


  1. De Goede, p. 124. 
  2. Idem, p. 122 
  3. De Goede, p. 181. 
  4. Marja Käss, Interview: Van de dingen die niet voorbijgaan, Literama, 1 maart 1988, p. 80-81. 
  5. Heeresma in een brief aan Theo Holman, gedateerd 7.5.’97. Geciteerd in Thomas Heerma van Vos, De verstilde nadagen van Heere Heeresma, website van het Literatuurmuseum, gepubliceerd 31 oktober 2018. 
  6. De Goede, p. 176. 
  7. Idem, p. 191. 
  8. Idem. 

Plaats een reactie