Start » Met schrijvers » Correspondentie Jan G. Elburg (1969-1991)

Correspondentie Jan G. Elburg (1969-1991)

 

16 brieven, 9 kaarten.
Bron: Archief Cornets de Groot, Archief Jan G. Elburg.
Copyright brieven Elburg © 2013 Erven Jan G. Elburg.
Jan Elburg op de achterzijde van zijn ‘Gedichten 1950-1975’.

1. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in handschrift, 2 blz.]

Den Haag, 2 jan. 1969

Beste Jan en Michèle,

Van harte dank voor het de wensen uitsprekende lippenpaar met symbolische strekking. 1 Mijn kinderen lopen er om de beurt mee rond en zijn dan onherkenbaar lief, omdat ze met dat gekke ding tussen de tanden wel stil moeten zijn – op de keelklanken na. Iets moois terug kan ik niet doen – wel de wensen doen wederkeren, hetgeen dan ook door deze gebeurt. Ik beleef deze laatste maanden een depressie als ik zelden heb meegemaakt, en die pas nu zijn dieptepunt bereiken zal: ik ga ’69 in met f0,00 in kas, en er is in onze verspillingsmaatschappij geen instantie (als daar zijn sociale bijstand) die zich verplicht voelt iets aan mij te verspillen, nog niet eens uit eigenbelang, moet ik zeggen. 2 Opgemelde depressie is er de oorzaak van dat ik me nog niet vertoonde bij jullie tot nog toe. Na de Lucebertbloemlezing 3 die op scholen om onbegrijpelijke redenen wordt doodgezwegen, had ik nog net ‘t entoesiasme iets dergelijks voor Bert Schierbeek te doen (komt dit jaar uit òf bij Bert Bakker òf bij de Bij), 4 maar van ‘t goeie voornemen om daarna kontakt op te nemen met jou (Jan) kon ‘t blijkbaar niet meer komen. Martien de Jong verleidde me, op voorschot van duizend gld. een boek voor HBS (of hoe dat tegenwoordig heet) over Vestdijk te maken. 5 Omdat ik daar nog niet mee begonnen ben, heb ik ook de poen nog niet binnen, en omdat ik de poen niet heb, begin ik er niet aan. Stilstand alom te mijnent. Ik hoorde gister dat er nu een Elburg-specialist rondloopt – een Wessel, of Wessen – nooit van gehoord. 6 Maar ik hoû me niet altijd op de hoogte van wat er gaande is, wat uiteraard een wereldvreemde indruk maken moet. Voel je iets voor een boekje

[p. 2]

als in de geest van Poëzie is kinderspel dan kom ik de 1e maart 1969 met een bandrecorder bij je aan, als die datum je schikt. Tegen die tijd ken ik je poëzie misschien wel uit m’n hoofd, maar dat neemt mijn behoefte aan nader inzicht door toelichting van jou vanzelf niet weg. Misschien heb je ook àndere ideeën, dan praten we daar over. Ik kan moeilijk ‘tot gauw’ zeggen, maar zeg in ieder geval tot 1/3/’69, wat gauw genoeg is, helaas, – hora ruit, nietwaar? 7 Met hartelijke groet

Rudy


2. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in handschrift, 1 blz., ongedateerd]

Beste Jan,

Van Meta van IJzer 8 hoor ik dat je 28 mrt in Den Haag bent. Aangezien ik vrees Drietand 9 bij jou te hebben achtergelaten (waardoor ik niet weinig gehandicapt ben), wil ik je vragen, of je, indien dit zo is, opgemeld werk op 28 dezer mee wil voeren. Ik kom dan nl. naar je luisteren, en hoop dan 3-tand te krijgen. Ik zal je dan ook de vier boekjes die ik van je leende terug geven (en hoû dan graag nog even Davenson). 10 Ten bewijze dat ik niet stil zat sinds ik je verliet, een kankerstukje tegen Sarneel, 11 dat jou wsch. niet interesseren zou, als ‘t niet zo was dat na 1 bladzij Sarneel gelaten wordt voor wat hij – in dit stukje – is (in werkelijkheid draag ik ‘m best een warm hart toe).
Ten bewijze dat in ieder geval 2 van jouw gedichten t.w. Kritik der reinen Vernunft I en p. 52 van Streep door de rekening mij aan het ‘t denken hebben gezet, deze door introspectie verkregen retrogradische biecht:

Kijk ‘n ezel ‘s lezen, kijk

m. vr. gr.
2 x 2

Rudy


3. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Briefkaart in handschrift, 2 blz., ongedateerd]

Beste Jan,

Je zult me wel een ellendige doe-niet vinden, nu ik zo weinig activiteit ten toon spreid met betrekking tot de voorgenomen bloemlezing. Ik heb er dan ook nauwelijks een smoes of excuus voor, helaas dan deze ene dat ik me rot werk om een boek in elkaar te zetten over Vestdijk, – een verplichting die ik voor duizend zilverlingen op me genomen heb voor een uitgever van schoolboeken. 12 Niettemin verzeker ik je dat ik in de herfst van dit niets belovend jaar aan die bloemlezing zal gaan werken. Voor de inleiding heb ik wel een paar ideeën, maar daar hoor je wel van t.z.t. Ik had je half en half beloofd een lezing voor de Radio Volksuniversiteit aan jouw werk te wijden – ‘t is er om begrijpelijke redenen (zie boven) niet helemaal van gekomen. Maar ik ga erin van Focquenbroch

[p. 2]

en Speenhoff uit, en kom dan via Lucebert bij jou terecht en van jou bij de Zangeres Zonder Naam. Je bent dus in goed gezelschap, neem ik aan, de 24e juni. 13 Als ik iets meer van je weet (ken, begrijp, versta) eis ik bij de Radiovolksuniversiteit op hoge toon tijd op, om de schade in te halen. Hartelijks,
je Rudy


4. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Briefkaart in handschrift, 1 blz.]

23 nov. ’69

Beste Jan & Michèle,

Dank voor de vriendelijke uitnodiging! Omdat ‘t zoveel voeten in aarde had deze keer, de kinderen uit te besteden, ben ik onbeschoft laat met de mededeling, dat we graag zullen komen om je te feliciteren. 14 Ik hoop je dus zaterdag a.s. te zien: tot dan dan en
vr. gr. van Willy en
Ru


5. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in typoscript en handschrift, 1 blz., ongedateerd]

Beste Jan,

Je zult er wel aan getwijfeld hebben, of het er ooit nog van komen zou, die bloemlezing. Geloof me, ik ben er altijd mee bezig, maar het is moeilijk, meer dan moeilijk. De aanhouder wint, niettemin, – vandaar deze analyse. 15 Ik ben er zelf best mee ingenomen, maar toch doe je dit soort dingen veiliger, als de auteur op wiens werk je je werpt tot de afgestorvenen behoort. Dat is nu toevallig niet zo, en daarom vind ik het voor de hand liggen, dat jij er even inzage van krijgt. Gewoonlijk doe ik dat nooit, de mensen lastig vallen met hun eigen werk, maar sinds Blok en Sarneel zich nogal laatdunkend over mijn essay over jou hebben uitgelaten, 16 bewandel ik liever de wat laffer weg: wil je mij precies vertellen wat er niet deugt in deze beschouwing, en kun je me ook nadere gegevens verschaffen die tot beter interpretatie leiden kunnen? Soms is men woordblind en loopt men langs de meest voor de hand liggende gegevens om zich in de verst verwijderde te storten, met alle gevaren van dien.
Ik vroeg je eens, of je bij me zou kunnen komen (omdat ik een niet te tillen bandrecorder heb (de oude is afgeschaft), kon ik niet naar A’dam – dat is de enige reden, aan welwillendheid ontbreekt het me niet!) voor een continuering van het bandrecorderinterview dat ik al van je had. De kwestie is, dat ik voor die bloemlezing een jaartallenlijst nodig heb, zoals er ook een in Luceberts Poezie is kinderspel staat. Misschien kan dat ook heel goed zonder interview: mag ik je vragen, of jij zo’n lijst voor mij in elkaar wilt zetten?

De bedoeling van de hier ingesloten analyse is, dat ze op een of andere manier verwerkt wordt in de bloemlezing, maar zover zijn we nog niet. Hoor ik even van je, [vanaf hier in handschrift]: wat je ervan vindt – van die analyse, bedoel ik.
Met hart. groet

Rudy

P.S. Ik heb hier geen duplicaat van (wel de kladden, maar die wijken toch af. Vandaar: graag – als je met commentaar komt – dit geschrift retour.


6. Jan Elburg aan Cornets de Groot

[Brief in typoscript, 1 blz., met bijlage in typoscript, 2 blz.]

Amsterdam, 15 april 1970

Beste Rudy,

eindelijk antwoord. Ik verbeeld mij dat ik het razend druk heb en je analyse vereist ongestoorde aandacht. Bovendien, wanneer ik er iets toe bij wil dragen haal ik heel wat overhoop.
Ik ben het er in grote trekken zeker mee eens; ik heb alleen hier en daar wat kanttekeningen gemaakt die soms de zaak alleen zijdelings raken, maar die voor jou misschien toch verhelderend kunnen zijn. Bovendien heb ik de vier behandelde gedichten zelf nog eens nagelopen op intenties etc.
Dat interview in Den Haag. Ik zeg van harte ja, maar niet de eerstkomende weken. Ik zit hier met een stuk voor Maatstaf dat eigenlijk al af had moeten zijn en ik wil voor Pinksteren mijn nieuwe (nou ja, nieuwe ) bundel gedichten afronden opdat die eindelijk eens naar de Bezige Bij kan.
0 ja, de jaartallenlijst, ik zal hem meesturen en natuurlijk je ms.

Met de meest hartelijke groet,

Jan

[Bijlage] 17

Met hersenwerk in zwembroek en de storm i z termosfles ook nog sprake van temperaturen bv werken bij grote zomerhitte en koel gehouden drank bij dat werk.

Het anorganische geeft waarschijnlijk wèl antwoord, maar op een manier die afstoot.

Fragment over ‘vingertop en navel’ in je analyse doorzie ik niet helemaal. Maar vingertop en navel, tongpunt en tepel zijn voorzichtige raakpunten van man en vrouw, samengebracht tot enkele paren, zoals bv ook Jan Klaasssen en Katrijn een paar vorm. Een begrip, drama in drama.

Inderdaad o.a. vorm.
Paasos: offer, eten, kijkspel.
Pauwestaart: nietsziende ogen, poging om het kijkspel kijken te leren.
Dus bezigheid die de contactstoornis tracht op te heffen.

In elk geval niet als boerebedrog. Maar steeds met twijfel aan welke poetische metodiek ook, en ondanks dat nog steeds dichtend.

Goede vondst, dat ‘kijk en vergelijk’. Maar in de allereerste betekenis is het inderdaad een kreet uit de goedkope advertentieblaadjes. Zoals: vergelijk de prijzen.
Een van de meest gebruikte manieren op tot een vers te komen is steeds geweest: een dit als een dat. Voor Nederland uitmondend in Schierbeeks kreet: ‘alles is met alles vergelijkbaar. Door de slogan Kijk en vergelijk blijkt de middestander al jarenlang aan te sporen tot iets dat de dichter in zijn hoogmoed meent uitgevonden te hebben. Bovendien in héél de samenleving wordt altijd alles met alles vergeleken:
de hond met het kind van de buren, de eigen drankrekening met het tweede huis van een kennis.
‘Eeuwigduren’ is hier minder juist dan ‘voortdurend’, dacht ik. Voortdurend bezig met de logika van analogie.

verdiept in dingen: met aandacht
Maar ook als geest in de dingen, een soort animisme dat de dichter die zich niet met abstract filosofische zaken bezighoud, zo ongeveer bedrijft door veelal met concrete, geziene, voorwerpachtige zaken bezig te zijn, om dáár het ‘betoog’ van zijn gedicht uit op te bouwen.
Toch, als je de tekst achterop leest zal je de restrictie aantreffen (regel 17) … niet slechts zichtbare … Dit vooral omdat omstreek die tijd iemand als bv Bernlef het voorstelde in zijn kritieken of alleen dat wat je zien en betasten kon tot de werkelijkheid behoorde.

Je hebt begrepen dat die steen en die spreeuw de ruimtevaartuigen zijn waarin hij, verdiept, zijn reis maakt. Analogika ook hier:
‘Zo binnen, zo buiten; zo boven, zo onder’ (hermetisme, alchemie). Daarom ziet hij, buitenstaander en ingeleefde buitenstaander, zich zelf aan het licht komen.
Trouwens: ik ken deze ervaring van ‘het zichzelf zien’ aan den lijve. O.a. tijdens spanningen in de oorlogsdagen van 1940 en later verschillende keren door hennepgebruik. Niet voor niets heb ik poëzie op andere plaatsen waarschijnlijk iets als oorlog, liefde, noorderzon achter een wolk van hennep (De gedachte mijn echo).

De kraamvrouwtheorie zou waarachtig ook op Hoornik en Morriën kunnen slaan.
Maar ook zich begraven etc = bevruchtend paren
En aan het licht komen, uit schuilhoek zweren = geboren worden.
De dichter is vader, moeder, kind, kortom mens.
Een ándere vader dan de held met de hoed, de middenstander, de paternalistische overheid.


7. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in handschrift, 1 blz., ongedateerd]

Beste Jan,

Ik stuur je de stukjes die ik als begeleiding van de bloemlezing die ik samenstellen wou schreef. ‘t Eerste ken je uit Labirinteek 18 al is ‘t wel een beetje ‘verbeterd’. ‘t Is hier benut als ‘gangmaker’ van wat erop volgt. Het tweede stuk 19 zal je interesseren, vooral omdat ik daarin uitvind, dat je de schepper bent van een nieuw historisch genre. Zo zie je maar weer.
Het laatste stuk van mijn hand vraagt waarschijnlijk om correcties in de interpretatie: ik wil tenslotte niet eigenwijs zijn…
Verder wil ik per se – maar wel met jouw permissie – de door jezelf geschreven proeve van close reading op gedichten uit Streep 20 opnemen. Ik stuur ‘t mee op, onder voorwaarde dat ik ‘t van je terug krijg. Daarom staat er ook op dat die blaadjes (materieel) mijn eigendom zijn!
Hoor ik even iets? En maak je even een ‘jaartallenlijst’ naar analogie van die van Lucebert in Poëzie in kinderspel? Bert Bakker wil deze bloemlezing uitgeven (in ’72). 21 Aan de bloemlezing zelf ben ik nog steeds bezig. Maar we hebben dan ook nog even de tijd…

Hartelijks: 2 x 2

je Rudy

P.S. Stuur je me met commentaar svp de hele janboel weer terug?


8. Jan Elburg aan Cornets de Groot

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Amsterdam, 25 maart 1971

Beste Rudy,

druk, druk, vandaar. Bloemlezing lijkt mij prachtig. Ben benieuwd. Erg vereerd met nieuw historisch genre, al gebied eerlijkheid te zeggen dat bv oa Ezra Pound en H.C. ten Berge er ook beoeffenaars van zijn, al mengden ze er mogelijk minder sirventes door heen en trobar plan. 22
Dat je mijn toelichting op een paar verzen uit Streep etc gebruikt vind ik best, wanneer de betreffende verzen daarbij ergens in de buurt te vinden zijn. Wijs wel even op het informele karakter van die toelichting: hij is nogal slordig geschreven.
Ik stuur je nog een heel pak van het een en ander:
Het krantenartikel over Willem. 23 Je zult een deel van de geschiedkundige tekst terugvinden in een van de Streep-gedichten. Ik ben erg op dat artikel gesteld. Ik wil het terug hebben als je er mee klaar bent. Ik stuur je ook de ‘zweefcyclus’ waarmee mijn bundel De quark etc opent. Een vrij duister geheel, waarop ik ook wat eigen commentaar geef (voor jou). 24 Later in de bundel komen ook duidelijker verzen, oa een contravorm naar een gedicht van Rilke (gelieve ook aan te treffen). 25
Dan vondt ik nog een kladje van een brief aan Kees Buddingh’ met wat toelichting op Streep etc. Losse gedachten over mijn werk, zoals ik die af en toe neerkrabbel, vullen de zaak aan.
Stoor je er verder niet aan, maar misschien doe je er nog iets mee.

Rudy, jullie allen daar in de Residentie gegroet van ons allen in de Hoofdstad en tot gauw ziens,

Jan


9. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in handschrift, 2 blz.]

24 okt 1971

Beste Jan,

Van harte dank voor je bundel èn voor je aantekeningen die ik zeker misbruiken ga. Zojuist maakte ik een recensie van je bundel voor Het Parool 26 – die zul je dus binnenkort wel onder ogen krijgen, hoop ik. En ik hoop: onverkort, want Het Parool houdt van inkorten, helaas, wat voor een O.H. als ik ben natuurlijk frustrerend is.
Ja, je zinspeelde op die bloemlezing waar ik mee bezig was. Die ligt nu wel te verouderen in mijn la. Mijn bedoeling was haar bij Bert Bakker onder te brengen, die immers al een bloemlezing van Lucebert uitgaf, en die me (nu ruim twee jaar geleden en misschien langer!) ook beloofde iets dergelijks van Bert Schierbeek te verzorgen. Wel, die bloemlezing kan ik intussen wel helemaal gaan herzien. En jij kan natuurlijk pas nà Schierbeek komen, bij Bakker.
Wat doen we? Zou Geert Lubberhuizen 27 iets voelen voor bloemlezingen? Bij Nijgh (waar mijn Contraterrein zojuist verscheen – als je een ex. zou willen hebben, want ik

[p. 2]

wil me niet graag opdringen bij je, vraag je er maar om!) durf ik ‘t niet, want mijn drukker maakt een ruïne van je boeken! 28 Als ‘t van Bakker afhangt – maar ik zal hem er nog eens over aanspreken – duurt ‘t op zijn minst nog 2 jaar – wat niet te lang is, maar toch weer extra werk met zich meebrengt (vooral wanneer je poëtisch uit je slof schiet: je zult nu toch wel geen 5 à 6 jaar op iets nieuws laten wachten!) 29
Inmiddels heb ik zeer veel plezier gehad met je gedichten, vooral de doosjes 30 stalen mijn hart, en op do-osje was ik niet gekomen (dacht er dagenlang over, en heb toen de aantekeningen geraadpleegd). Wel, hartelijks
van hier voor jullie

je Rudy


10. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 20 dec 1976

Beste Jan, lieve Michèle,

Even een briefje om je ons nieuwe adres te doen geworden!

Het is een 17-e eeuws uiterst intiem arbeiderswoninkje, een monument trouwens, althans wat de gevel betreft, gelegen aan de Oude Singel nr. 16 te Leiden.
Telefoon heb ik ook : 071 – 12 49 86.

Het zou leuk zijn als we elkaar es opzochten; jullie ons of omgekeerd, – want tot mijn schande, en in weerwil van mooie plannen: ik ben ook nog nooit in jullie Haarlemse huis geweest.

Ik hoor vast wel van je!

Hartelijks, en tot ziens, 31

[Handtekening]

Je Rudie.


11. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in handschrift, 2 blz.]

Leiden, 19 dec 1983

Beste Jan,

Aan mijn voornemen je een beetje op de hoogte te stellen van ‘t ‘poëzie-festival’ van mijn school, 32 kan ik al heel snel gevolg geven, omdat ik vandaag thuis ben. Vanwege een tropische aandoening (sinds mijn 9e jaar!) die van tijd tot tijd mijn ingewanden terroriseert.
Wat is het plan? Ik wil een zestal dichters bijeenbrengen, onder wie zeker jij en Bert Schierbeek. Over de vier anderen moeten we maar praten, al is een grote wens van mij dat daar zeker 1 zwarte dichter bij moet (Hans Faverey, Edgar Caïro, Julian With?) en 1 vrouw. Mijn oorspronkelijke opvatting, dat het feestje in ‘t teken van het anti-racisme moest staan, bleek niet erg levensvatbaar, practisch gezien, en ik heb ‘t laten varen. Deze twee ‘wensen’ van mij zijn ‘t overschot ervan.
Ik wilde ‘t zo organiseren dat er een middag en een avond zou zijn: de middag voor ‘t leggen van contacten tussen mijn pupillen en de door ons zo bewonderde poëten. Men zal, stel ik me voor, in kleine groepen (van 6 à 8 personen) bijeen zijn en bepaalde zaken doorpraten. Ook verbeeld ik me, dat sommige scholieren, door de Muze bevlogen, hun werk ter discussie stellen in hun groep. Dit duurt van 2 tot 4. Dan is ‘t borrel- en etenstijd, en van 8.30 – 10.30 u (in de avond, ik heb nog steeds geen digitaal-horloge) treden de artisten op. Nu heeft Michèle me al ingefluisterd, dat dit geen gedoe is voor jou. Maar de avond zou wèl kunnen. Ik denk dat je 20 minuten bezig moet zijn, en ‘t mag gerust achter elkaar – je zegt ‘t maar: al je wensen zullen onmiddellijk in vervulling gaan.
Om ‘t geheel echt feestelijk te maken, heb ik bedacht, dat het misschien aardig wezen zou, wanneer jij (en de anderen) een handgeschreven gedicht ter beschikking stelt, die we dan konden verloten. Het in elkaar draaien van zo’n gebeurtenis en ‘t bijeen

[p. 2]

krijgen van de dichters zal wel meer geld kosten, dan de school mij ter beschikking stelt (dat bedrag is f2000,- groot, en ik kan daar toch heel wat mee doen, geloof ik). Schierbeek vond de plannen heel leuk, en ik heb hem zo ver gekregen, dat hij de presentatie van de avond op zich neemt. Heel in de diepte heb ik gedacht, dat het in ieder geval voor de kinderen (de leerlingen, dus) heel leuk zou zijn als Ton Lebbink 33 de uitsmijter voor zijn rekening nam, – maar wat dat kosten gaat, weet ik in de verste verte niet. Ik moet trouwens eerst weten, of jij dat wel zo’n aardig idee vindt: misschien is ‘t je allemaal te lawaaierig en te druk.
O, ik heb je nog niet bekend, dat ik in een bui van drie jaar inspiratie een roman onder pseudoniem geschreven heb: Simon Lucard, Liefde, wat heet! 34 Hij is al besproken in de Cosmopolitan, een damesblad, en in Club, een tienerblad voor meisjes! 35 Zo zie je maar, waar je terecht komt, als je eindelijk ernst van je leven maakt.
Enfin, het is maar kunst, 36 en de muze blijft tenslotte een grillig wijf.
O, de datum heb je: 12 april ’84, op witte donderdag.
De school is het Lodewijk Makeblijde College, in de praktijk allang niet meer R.K., vanwege de veelal aardige collega’s en hun ‘inbreng’.
‘t Adres: Henriette Roland Holstlaan 2, Rijswijk.
En mijn adres: Herenstraat 116, 2313 AN Leiden, met geheim telefoonnummer 071 / 143164.
Hou ook mijn pseudoniem nog even geheim: Wim Hazeu, mijn uitgever – de PROM, verwacht er nog wel iets van. 37
Liefs, van huis tot huis,

je Rudy


12. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Ansichtkaart, 24 dec 1983]

En hartelijks uit het land van ‘heks heks’ 38

Rudy


13. Jan Elburg aan Cornets de Groot

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Amsterdam, 21 maart 1984

Beste Rudy,

De officiële uitnodiging voor het lmc poëzie-feest ontvangen. Leuk programma, aardige auteurs. Goed dat je me niet bij de middagactiviteiten heb gezet want hoewel het met mijn gezondheid werkelijk goed gaat ben ik toch nog gauw moe. Ik zal graag ‘s avonds voorlezen: het motto 39 biedt me wel gelegenheid om een aardige keus uit vroeger en later werk te doen.
Je kunt mij dus, onder de hoede van Michèle, tegen acht uur (ben altijd ruim op tijd) op H. Roland Holstlaan 2 verwachten.
Tot dan dan. En wees zo goed de jouwen hartelijk te omhelzen namens mij en de mijnen.

Dagdag,

Jan Gelb
(geel is mijn lievelingskleur, duits niet mijn -taal)


14. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Ansichtkaart, ongedateerd]

Frankestein 40 wenst jullie ‘n mooie tijd met kerstmis en nieuwjaar!

Rudy Cornets de Groot + huisgenoten


15. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Ansichtkaart, ongedateerd, 1986]

Beste Jan en Michèle,

We logeren hier bij Hans Dütting 41 – een gezamenlijke kennis, ontdek ik. Nu hopen we – als hij er nog is – je tentoonstelling te gaan zien, in H.’lem. Gelukkig nieuwjaar allemaal, je Rudy.


16. Jan Elburg aan Cornets de Groot

[Brief in typoscript, 2 blz.]

Amsterdam, 15 september 1986

Beste Rudy,

deze is doende om je nog eens te bedanken voor je onzware/diepgaande babbel bij de opening van mijn tentoonstelling. 42 Ik ben daar heel verguld mee. Ik zat daar alweer te beluisteren hoe terecht het was dat ik je ooit wat aantekeningen over mijn gedichten toestuurde; enig, tweeïg, veelvuldig begrip voor mijn werk is je niet vreemd, al zijn we dat allebei soms.
Anton Korteweg, 43 die ik ook bedankte, A. voor de gastvrijheid, B. voor de keuze van de inleider, schreef ik: ‘… Rudy heeft werkelijk als geen ander inzicht in de kronkels van mijn denken en de eigenaardigheden van wat ik maak. Daardoor kan hij op een plezierig badinerende toon de meest rake dingen formuleren. Wanneer hij dit, wat hij zelf ‘iets leuks’ bestempelt ergens, in Bzzlletin of zo, publiceerde zou hij daarmee meer voor het begrip van mijn schrijfsels hebben gedaan dan menigeen in pretentieuzer stukken meende te doen…’
Ik maakte net, in de afgelopen dagen, in opdracht van Preludium (Concertgebouwnieuws) een gedicht dat in ‘relatie tot muziek’ had te staan. De germaanse ambiance ervan sluit mooi aan bij wat jij woensdag te vertellen had. Ik stuur je hierbij een voorlopige versie op. 44 Als je die leest begrijp je dat het niet alleen gaat om een grapje met die niet verzonnen Walkürefluitende merel. Toen ik deze februarimaand met mijn infarctje in het hospitaal verbleef dacht ik – onder meer en meer meneer – ‘nou was je bijna dood en je bent nooit ‘s gaan kijken waar die ouwe geniale schurk van een Oswald thuishoorde’. 45

[p. 2]

Vandaar dat we in mei de doorsteek via Duitsland en Oostenrijk naar de zuidelijke grenzen van Germanenland waagden. (Etsch of Adige, ik leerde het al op de lagere school). Onderweg heb ik waarachtig zelfs aan de Siegfriedbrunnen in het Odenwald gestaan, alhoewel net niet gelogeerd in Gasthof Kriemhilderuh. Genoeg worgen, ophangen, keelknijpen, ademnood dus ook in het gedicht. Dat eigenlijk handelt over: láát, haastend, goddank nog net op tijd komen. Ja ja Jan lijkt de laatste tijd een beetje een zwartkijkende memento-moriaan. Es fuegt sich. 46
22 October heb ik voor de S.L.A.A., in de bajes, met Tom van Deel een gesprek over de voorstadia van een herfstgedicht dat ook al gaat over jagen en gejaagd worden, over weidman en hagel, bloed en vergankelijkheid. Ik hoop maar dat het versjesmaken niet al te zeer in bloedige ernst verzeilt. Hee, zou dat een zeerover zijn, Bloedige Ernst?
Nou ja, zo kan-ie wel weer. Ik moet nog een afwasje van gisteren doen; Michèle is naar haar werkje dus dat is een eenzaam vervelend afwasje.
Maar moeten is onontkoombare dwang. Stop. Jou bedankend kan ik het toch niet laten Machteld en dochter 47 een kushand toe te werpen.
Rudy, tot ziens op het Jancampertgedoe 48 hoop ik.

Hartelijk,

Jan

[In kader in handschrift]: VEEL PAREN EN WEINIG ZORGEN


17. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 26 9 86

Beste Jan,

Je Oswald-gedicht 49 opent een heel sprookjesbos voor me, waarin ik natuurlijk heel wat van jou herken, maar waarin ook heel veel verborgen blijft, vanwege een paar bomen die ik níet ken: Oswald zelf, van wiens bestaan ik tot nu toe niet wist, zijn poëzie, zijn muziek – en Wagner, van wie ik altijd dacht: kijk uit, als een mof je een lol wil doen, kijk dan uit. Een soort van medelijden, met een afwerend gevoel van kou. Zo dring je natuurlijk niet tot iemand door, dat is waar – maar hij ook niet tot jou. ‘Men moet muziek nooit voor de eerste keer horen’, zei Willem Pijper, 50 maar bij sommige muziek moet je het bij een eerste keer laten. Vindt Odysseus. Wagner verleidt. Verwekelijkt. Zuigt je op: een spons, een sirene.
Oswald von WolkensteinOswald von Wolkenstein (1377-1445) Claudius CivilisClaudius Civilis door Rembrandt (?) (fragment)

Maar Oswald, – ik krijg trek in die man door jou. Ik zocht es wat over hem op, en vond toen een plaatje, een soort van portret ‘in een Innsbrucks handschrift uit 1442’ – een hoofd als een met de kin op de grond gevallen peer, met éen oog in het gezicht, waardoor de man me deed denken aan Claudius Civilis op dat groepsportret van Rembrandt (maar daar moet je tegenwoordig een vraagteken achter zetten, begrijp ik uit de krant): Germaans genoeg dus en een prachttegenwicht op het christelijke van Wagner.

Het doet me plezier dat je je verguld voelt met de causerie bij je tentoonstelling. Ik stond het stukje af aan Salverda, 51 voor publicatie in Juffrouw Ida, een huisblad van het museum, dat ik verder niet ken. 52 Bzzlulletin? Ik weet niet, ik heb een beetje een hekel aan Bzztôh gekregen door een speciale behandeling die ik van ze ontving – lang geleden trouwens, en ik ben niet echt haatdragend, maar. 53 Ik meen dat Hans Dütting voor je bezig was met zo’n bundel? 54 Daar kan het natuurlijk gemakkelijk in, wat mij betreft.

Ik las met veel belangstelling de interviews die je gaf (Slagter, Sic), met daarin je uitspraak ‘De helden zijn moe’, en ik dacht: dat moet Jan niet doen, daar wordt onmiddellijk misbruik van gemaakt: je weet wat helden overkomt als ze moe zijn. 55 Natuurlijk is het strijdtoneel de buitenwereld niet meer, maar het gebied van de poëzie zelf,- de taal die eerst bevrijd moet worden, daar ben je immers ook onvermoeibaar mee bezig?
Neem me deze kritische opmerking maar niet kwalijk: ze is goed bedoeld.

Tussen twee haakjes: ik schrijf je deze brief natuurlijk ook uit eigenbelang: zou je mij een paar grammofoonplaten kunnen noemen, waarop iets van Oswald te beluisteren valt? Dank daarvoor.
En nu: tot het Jan Campert-gedoe in december.
Grote groeten van hier aan jullie 3 x 3, je

Rudy


18. Jan Elburg aan Cornets de Groot

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Amsterdam, 4 okt ’86

Beste Rudy,

dat over die vermoeide helden, daar heb je helemaal gelijk aan. Maar mocht mij ooit uitgeput het wapen ontzinken dàn moge uit de bergkloof groot en mooi, rondom, mijn Cornets schallen, opdat er versterking (al is het maar hartversterking gezegd pikketanis) kome opdagen, in den oosten/westen maakt niet uit.
Eigenbelang = eigen belangstelling. Ik stuur je graag wat documentatie over oudoom Oswald (o ja, Louis Ferron bezit een heel boek over hem, maar titel en auteur weet ik niet). Het meeste wat ik stuur komt van hoezen en fiches die bij mijn platenbezit horen. De betreffende schijven zijn allemaal tamelijk bejaard. De Archiv-emissie, hoewel na 30 jaar wat knetterig, bevalt me naar interpretatie nog altijd het best: de meeste aandacht voor een verstaanbare tekst. De andere – Reflexe, met het portret waar jij over schrijft – is geluidstechnisch beter en muzikaal erg belangwekkend maar ‘Der mai’ wordt wel al te zeer afgeraffeld. Of er iets recenters te krijgen is weet ik niet maar dat blijft het informeren waard.
Ja, Wagner. Bedenkelijk natuurlijk, met zijn malle baret. Profiteur eerste klas ook. Maar hoe vaker ik hem terughoor in veel moderner muziek, hoe meer hardop ik denk ‘hij was er toch maar het eerste bij om zó tot aan de grens te gaan’. Gek vond ik steeds dat ik in heel wat kopersolo’s in de jazz v.d. jaren ’50, soms een paar noten uit de aanvang van het Abendstern-motief beluisterde. Tot bij Charley Parker toe…
Iets geheimzinnigs. Vooral voor mij. Mijn grootpa Elburg bezat niet veel bijzonders aan echte muziek bij zijn Pathéphone, maar waarachtig de Ode aan de Avondster uit Tannhaüser. Ik was als kleuter en kleine jongen door die muziek gefascineerd… Wie zingt er nou tegen een ster. Alweer iets te maken met Elb, de ridder van het stokpaard? (DE RIDDER, firma handelend in rotanmeubelen te A., waarvan de in ’50 gekochte deckchairs nog steeds zonder één kraakje tijdens gebruik aan Herengracht 406 staan en kom daar teigesweurdig ‘s om.)
Overigens, om tot het begin terug te keren, wat de ‘strijd’ betreft, het laten gelden in de literatuur, heb je de Sint Dominicus Vitus-bloemlezing van Tabula al onder ogen gehad. Goocheme Elb op ereplaats, voor ‘rijpere lezers’, hoewel hij natuurlijk eerder valt op rijpe, niet overrijpe lezerèssen, dan valt hij met ere en ondeugd. En wat dat SIC-interview met zijn onjuistheden betreft, er komt nog een commen(s)taartje van mij aan, àls de Tilburgers dat durven afdrukken dan altijd; in deze blijkt beloofd niet altijd idem.
Heb ik meer te melden? Niet dat ik weet.
Tot ziens en sprekens op het J.C.gedoe,

Jan


19. Jan Elburg aan Cornets de Groot

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Amsterdam, 20 okt 1986

Beste Rudy,

zomaar, voor de aardigheid, omdat ze op jouw inleiding tot mijn tentoonstelling slaan 56 (zijdelings) een paar documenten.
A. Wat ik in een vorige week antiquarisch gekochte bundel van Vian aantrof: blikken, bussen, trommels en … drommels, vóór mijn doosjes.
B. Een fotokopie van een brief aan een vriendin die een vraagje over een tikfout in het Wolkenstein-gedicht stelde. Ik zond het de redactie van Preludium toe met Lebeman er in en liet dat meteen, voor alle eenvoud, weer in Lebemann veranderen. Komt allemaal door jouw ridder-germaan en zo.
Ik heb intussen je inleiding in Den Haag nog eens kunnen beluisteren, want Wil Heins 57 stuurde mij een cassettebandje toe. Als je toevallig nú al een lichtdruk of zo van je getypte tekst over hebt houd ik me aanbevolen. En natuurlijk ook onze vriend Hans Dütting in Parijs. Wanneer je niet ongenegen bleek het mij te sturen, zond ik weer een afdruk naar hem door. Met uw welnemen vzspr.
Ik vergeet vast iets belangrijks dat ik je eigenlijk had willen meedelen maar dat schiet mij niet te binnen.

Hartelijk dus,

Jan


20. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Brief in typoscript, 1 blz.]

Leiden, 21 10 86

Beste Jan,

Dank voor de dokumenten. Heel leuk, die doosjes van Vian; is er van jou eigenlijk ooit iets op muziek gezet? Ik weet die dingen nooit. Je was toch, evenals Vian, zelf ooit muzikant, niet? Jouw doosjes op muziek, dat moet als muziek in de oren klinken, denk ik.

Ik heb je op je vorige zending nooit bedankt – de platenhoesteksten en meer – maar doe dat nu, met enthousiasme. Niet dat ik me al erg in Oswald verdiept heb: ik moet nog een boel andere dingen doen (n.a.v. mijn romandebuut, 58 waarover hierbij een knipsel) i.v.m. nieuwe plannen. Als ik me op Oswald stort, wil ik er ook tijd voor hebben, want de man is zonder jou al moeilijk genoeg voor mij. De brief aan Truus 59 zal me moeten helpen, al doet die voorlopig niet veel anders dan alle raadsels vergroten. Croissant – vergat je ‘vrl. geslachtsdeel’ en bijgevolg ‘maandstonde’? Daar zit veel poëtisch in, vind ik, maar verdring het maar, of vergeet het.

Leuk, zo’n bandje. Ik klink ‘Indisch’, heb ik me laten vertellen; is dat zo volgens jou? Dat kan best, hoor. In sommige omstandigheden – van boosheid, opwinding of de zenuwen – is het zo, en natuurlijk was ik buitengewoon onzeker (ook onzeker gemaakt, door Anton, 60 met zijn ‘lezing’): ik doe zulke dingen nóoit. Alleen voor jou, deze ene keer. Wie is trouwens die halve gare van De Tijd, die van dat samenzijn een verslag schreef? 61 Als ik hem eens tegenkom, dan
-whamm!

De tekst waar je om vraagt, stond ik af aan Salverda van het museum. 62 Schreef ik je dat niet? Ik heb er geen kopie van,- hij heeft een unicum in zijn bezit. De bedoeling is, dat het ooit gepubliceerd wordt in Juffrouw Ida, een soort van blad voor bezoekers van het museum. Mij is er een ex. van beloofd, en als ik dat krijg, zal ik aan jou en Dütting 63 denken. Maar natuurlijk krijg je het ongevraagd van Anton in de bus. Geduld, nog even geduld.

In je brief aan Truus spel je Charley Parker i.p.v. Charlie. Schrijf me dáar es over!

In afwachting alle hartelijks v.h.t.h., je

Rudy


21. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Ansichtkaart, ongedateerd]

De Campert-avond gemist! En jullie dus ook, wat ik jammer vind. Vlg. keer beter, en alvast de beste wensen voor ’87

Rudy CdG


22. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Ansichtkaart, ongedateerd, 1988]

Met de beste wensen,

Rudy C.d.G.


23. Jan Elburg aan Cornets de Groot

[Brief in handschrift, 2 blz.]

Ongedateerd [1989]

Beste Rudy,

Dank voor jullie attente komst naar de Gravezaal, op de 28ste. Alleen: van een gesprek komt bij zulke helaas gelegenheden niets terecht. Dat moet ‘s overgedaan.
Dank ook vooral voor je heel persoonlijke bijdrage in het vriendenboek Ik heb het gezien en beleefd 64. Ik noemde Wiel Kusters in mijn dankwoord mijn slimste lezer. Maar op die overtreffen trap om twee bovenste treden bedacht ik achteraf

Ik heb het gezien en beleefd

[p. 2]

Groeten, ook van Michèle ook aan Machteld


24. Cornets de Groot aan Jan Elburg

[Ansichtkaart, ongedateerd, poststempel 20.XI.’89]

Een schitterend 1990 toegewenst:

Rudie Cornets de Groot.

P.S. Zag je hoe Fens Alles voor niets niet gelezen heeft? (Volkskr. 14/12). 65


25. Jan Elburg aan Leonarda Cornets de Groot

[Brief in handschrift, 1 blz.]

Haarlem, 8 maart ’91

Beste Leonoor,

de tijding van Rudy’s overlijden 66 heeft ons geschokt. […]
Wij willen bij deze jou en je dochter onze hartelijke deelneming betuigen. En, wanneer dat langs deze weg mogelijk is, ook onze welgemeende condoleances aan Rudy’s overige kinderen.
Michèle en ik – met velen – beschouwen Rudy als een geestige gespreksgenoot, een oorspronkelijk, scherpzinnig denker op het gebied van zijn specialiteit, de moderne Nederlandse literatuur en voor alles: een gewaardeerde vriend. De wereld is er door zijn verscheiden armer op geworden. 67

Met beste groet,

Jan ELB





NOTEN
  1. De nieuwjaarswensen die Jan Elburg aan vrienden en kennissen stuurde bestonden veelal uit collages van beeld en tekst. Na Elburgs dood heeft Michèle Elburg de traditie in dezelfde geest voortgezet. ↩
  2. Juist ten tijde van deze brief, in januari 1969, zou Cornets de Groot na een werkloze periode van twee jaar aangesteld worden als leraar Nederlands aan een school in Rijswijk; een baan in die hij tot 1985 zou behouden. ↩
  3. De door Cornets de Groot in 1968 samengestelde bloemlezing Poëzie is kinderspel. ↩
  4. Deze bloemlezing is nooit verschenen; zie hier voor de aanzet ervoor. ↩
  5. Het drie jaar later, in 1972, verschenen Vestdijk op de weegschaal. ↩
  6. Niet bekend wie hiermee wordt bedoeld. ↩
  7. ‘De tijd snelt voort’, lijfspreuk van Cornets de Groots stamvader Hugo de Groot. ↩
  8. Meta van IJzer (1936), dichter en literatuurrecensent. Cornets de Groot kende haar vermoedelijk van de Haagse Kunstkring. ↩
  9. Drietand. Gedichten 1952-1958, Amsterdam, 1960. ↩
  10. Henri Davenson, De troubadours, Utrecht, 1967. Cornets de Groot was de eerste die, vanaf het essay Prinses onder de heksen (uit de bundel Labirinteek, 1968), op invloeden van de troubadourslyriek in het werk van Elburg wees. ↩
  11. Een kettergericht, een essay over Elburgs poëzie, verscheen in Kultuurleven, 36e jrg., nr. 4 (mei 1969), p. 280-285, en is opgedragen aan Fons Sarneel n.a.v. diens kritiek De zorgvuldigheid van een schoorsteenveger over de bundel Labirinteek in Vrij Nederland van 21-09-1968. ↩
  12. Zie noot 5. ↩
  13. Op 24 juni 1969 door de Radio Volksuniversiteit (RVU) uitgezonden lezing over lichamelijke taal. Klik hier voor het audiobestand en de tekst. ↩
  14. Mogelijk een uitnodiging voor Elburgs verjaardag op 30 november. ↩
  15. Het woord en de stem, Nieuw Vlaams tijdschrift, 23e jrg., nr. 9 (nov 1970), p. 908-918. ↩
  16. Zie noot 11 en W. Blok, Boekbeoordelingen, in: Nieuwe Taalgids, 62e jrg., nr. 2 (feb 1970), p. 142-146. ↩
  17. De opmerkingen in deze bijlage hebben betrekking op de bundel Streep door de rekening, Amsterdam, 1965. Ze houden geen verband met Het woord en de stem (zie noot 15) of een ander essay van Cornets de Groot. ↩
  18. Prinses onder de heksen. ↩
  19. Het is niet duidelijk om welk essay het hier gaat; mogelijk betreft het de ‘aantekeningen’ die Cornets de Groot citeert op p. 119 e.v. van Marx, drank en die lekkere muze. ↩
  20. Zie noot 17. ↩
  21. De bloemlezing is nooit verschenen, zomin overigens die uit het werk van Bert Schierbeek (zie noot 4). ↩
  22. Dichtvormen uit de troubadourslyriek: sirventés (strijdzangen) en trobar planh/trobar clus (open resp. gesloten dichtvorm). ↩
  23. Niet bekend waarop dit betrekking heeft. ↩
  24. Het commentaar bij de ‘zweefcyclus’ (de cyclus ‘verschil in hoogte’ uit Elburgs rond deze tijd verschenen bundel De quark en de grootsmurf) werd verwerkt tot de ‘aantekeningen over de cyclus verschil in hoogte uit een brief aan r.a. cornets de groot’ achterin de bundel (ook te vinden op p. 371-373 van zijn gedichten 1950-1975, Amsterdam, 1975). De aantekeningen zelf zijn niet teruggevonden in de correspondentie. ↩
  25. Het gedicht ‘benz!/rilke’ op p. 383 van gedichten 1950-1975. ↩
  26. Sensatie van dichten, over Elburgs De quark en de grootsmurf (Amsterdam, 1971), verschenen in Het Parool, 13 november 1971. ↩
  27. Directeur van Elburgs uitgeverij De Bezige Bij. ↩
  28. Contraterrein werd voorzien van een erratavelletje ter correctie van de vele drukfouten. ↩
  29. De bloemlezing is nooit verschenen (zie noten 4 en 21). In plaats daarvan publiceerde Elburg in 1975 zelf zijn gedichten 1950-1975. ↩
  30. Cyclus uit De quark en de grootsmurf. ↩
  31. Deze brief valt vrijwel exact halverwege een periode van 12 jaar, tussen 1971 en 1983, waarin er tussen beide correspondenten geen brieven zijn gewisseld, althans niet volgens de beide nauwkeurig bijgehouden archieven. Wel schreef Cornets de Groot in 1976 het essay Marx, drank en die lekkere muze, en wijdde hij enkele bladzijden aan Elburg in de bundel De kunst van het falen uit 1977, zie aldaar. ↩
  32. Dit poëziefestival, onder de naam Rebel, mijn hart, zou op 12 april 1984 plaatsvinden op Cornets de Groots school, het Lodewijk Makeblijde College te Rijswijk. Zie voor een verslag van de gebeurtenis deze dagboekaantekening van 21 februari 1989. ↩
  33. Drummer van de band Mecano en begin jaren tachtig een van de eerste Nederlandse zogenaamde popdichters. Zijn voorgenomen optreden op het festival is niet doorgegaan. ↩
  34. Liefde, wat heet! ↩
  35. Cornets de Groot had grote aardigheid in de recensie in Club. De recensie in Cosmo is niet teruggevonden. ↩
  36. Citaat van Gerard Reve. ↩
  37. Zie brieven 38 en 39 van de correspondentie met Wim Hazeu. ↩
  38. Narbonne, de stad van waaruit deze ansichtkaart is verstuurd ligt in het land van de Katharen, Albigenzen en troubadours, waar Cornets de Groot in 1968 in zijn eerste essay over Elburg, Prinses onder de heksen, ook diens gedicht ‘heks heks’ (gedichten 1950-1975, Amsterdam, 1975, p. 103) situeerde. ↩
  39. ‘Rebel… mijn hart’, een motto van Jan Campert. ↩
  40. Het woord ‘Frankestein’ is afkomstig van de ansichtkaart zelf. Cornets de Groot maakt er een verwijzing van naar zijn pseudoniem Simon Lucard (voor de roman Liefde, wat heet!, zie noot 34), waarvan de achternaam omgedraaid het woord ‘Dracul’ oplevert. Ongetwijfeld zal Elburg met zijn voorliefde voor woordgrapjes de vondst gewaardeerd hebben. ↩
  41. Hans Dütting, destijds vooral bekend als samensteller van interview- en recensiebundels van onder meer Mulisch en de Vijftigers (en in later jaren ook Jan Cremer en Jan Wolkers, naast eigen romans en verhalen). Woont sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw in Gagny, een voorstadje van Parijs. Zie de correspondentie met Hans Dütting. ↩
  42. Een beetje echt, lekker kunstenaarsbloed, een toespraak gehouden bij de opening van de tentoonstelling Jan G. Elburg, Vroeger komt later in het Letterkundig Museum te Den Haag op 10 september 1986. ↩
  43. Dichter en van 1979 tot 2009 directeur van het Letterkundig Museum. ↩
  44. Het gedicht ‘Wie horen wil en voelen’, gebundeld in Haaks op de uitvlucht, Amsterdam, 1988, p. 38. Daaruit strofe 1:
    ”t Was ‘mai mit lieber zal’,
    vroeg voorseizoen, maar ja,
    zeshonderd jaar te laat om nog te achterhalen
    hoe Oswald ‘vidlen, pauken, pfeiffen’ kon.’ ↩
  45. Oswald von Wolkenstein (1377-1445), Oostenrijks dichter, ridder, componist, zanger en diplomaat. Leidde in zijn jonge jaren als schildknaap een avontuurlijk en zwervend bestaan. Zijn liedkunst vormt de overgang van de minnezangers naar de meesterzangers (Meistersingers). ↩
  46. Titel van een lied van Oswald von Wolkenstein, hier te beluisteren. ↩
  47. Elburg haalt moeder en dochter hier kennelijk door elkaar; Machteld is Cornets de Groots dochter uit zijn tweede huwelijk. ↩
  48. De jaarlijkse uitreiking in december van de Jan Campert-prijzen in Den Haag, waar de correspondenten elkaar steevast ontmoetten. Overigens was Elburg in 1948 de eerste laureaat van de Jan Campert-prijs, voor zijn bundel Klein t(er)reurspel. ↩
  49. Zie noot 44. ↩
  50. Dezelfde uitspraak wordt eveneens aangehaald in hoofdstuk XI van de roman Tropische jaren. Daarnaast ook in andere varianten: ‘Men moet poëzie nooit voor de eerste keer lezen’ (Een fase tussen de 18e en 19e eeuw) en ‘Men moet een boek van Mulisch nooit voor de eerste keer lezen’ (Dagboekbladen). Daarentegen in een dagboekaantekening van 6 januari 1989: ‘Alberto Moravia, Woman of Rome. Kort na de oorlog las ik het en wat heb ik het mooi gevonden, toen. En nu herlees ik het, in de Nederlandse vertaling, Vrouw van Rome, met oudere ogen en andere bewondering en tóch, – toch eender. Men zou een boek steeds weer voor de eerste keer moeten lezen. Dan had je aan éen boek genoeg.’ ↩
  51. Murk Salverda, destijds medewerker van het Letterkundig Museum en tevens Cornets de Groots collega als leraar Nederlands op het Lodewijk Makeblijde College. ↩
  52. De toespraak, onder de titel Een beetje echt, lekker kunstenaarsbloed (zie noot 42) werd inderdaad geplaatst in Juffrouw Ida (vernoemd naar de toenmalige locatie van het Letterkundig Museum aan de Juffrouw Idastraat in Den Haag), 12e jrg. nr. 3 (dec 1986), p. 10-12. ↩
  53. Het is niet bekend welke behandeling Cornets de Groot hiermee op het oog heeft. In de jaren 1974-78 publiceert hij twee boeken bij Bzztôh en schrijft artikelen en recensies voor Bzzlletin; een laatste essay verschijnt nog in 1982. Evenmin is het duidelijk waar de spelling ‘Bzzlulletin’ vandaan komt; Elburg schrijft in zijn vorige brief correct ‘Bzzlletin’ ↩
  54. Hans Dütting (zie noot 41) heeft geen interview- of recensiebundel van Jan Elburg samengesteld. ↩
  55. Vergelijk de uitspraak ‘Oude mannen zijn gevaarlijk. Als ze oud genoeg zijn’ van Trotski, die Cornets de Groot citeert op p. 130 van de roman Liefde, wat heet! en ook in de ongepubliceerde Notities voor een recensie. ↩
  56. Zie noot 42. ↩
  57. Samensteller van Jan Elburg, Echt raak is dodelijk. Ook voor de kunst, Zwolle, 1999 ↩
  58. Zie noot 34 ↩
  59. De in brief 18 genoemde ‘vriendin’. ↩
  60. Anton Korteweg, zie noot 43. ↩
  61. De Tijd. ↩
  62. Zie noten 51 en 52. ↩
  63. In de eerder op de dag geschreven brief 38 aan Hans Dütting schrijft Cornets de Groot: ‘Jan Elburg bestookt me, sinds mijn causerie [Een beetje echt, lekker kunstenaarsbloed], met brieven die ik maar half snap, over een soort troubadour in Tirol (Oswald von Wolkenstein). Nooit van gehoord, moet ik bekennen. Bovendien – je kent zijn woordenspel wel – doorspekt met allerlei verwijzingen naar muziek (Wagner: jouw liefde!), waar ik naar luister als een soort Odysseus naar de sirenen, en naar historische feiten en literatuur, die ik niet ken.’ ↩
  64. De woorden ‘ik heb het gezien en beleefd’, twee regels later alsnog hernomen, zijn hier door Elburg doorgestreept; de titel van Cornets de Groots bijdrage aan het ‘vriendenboek’ luidt Je zal het zien en beleven, in: Alles voor niets. Hommages aan Jan G. Elburg, Amsterdam, 1989, p. 67-69.  ↩
  65. Column ‘Beestenboel’ van Kees Fens, in De Volkskrant van 15-12-1989 (dus een dag later), zie de online bibliografie van Fens met deel 1 en 2 van het artikel. ↩
  66. Op 6 maart 1991. ↩
  67. Jan Elburg liet het niet bij deze condoleancebrief. Op 18 maart 1991 plaatste NRC Handelsblad de volgende ingezonden brief:
    ‘Tijdens het doornemen van de kranten van de afgelopen dagen tref ik in NRC Handelsblad van 11 maart een acht-en-een-halfregelig berichtje aan over het verscheiden van essayist R.A. (Rudy) Cornets de Groot. Het gaat hier om de te vroege dood van een onconventionele, erudiete solitair in de Nederlandse letteren.
    Afgezien van het feit dat niet meer dan twee van zijn werken met name worden genoemd terwijl de man, zuinig geschat, van 1966 af zo’n vijftien boeken met een keur aan literaire beschouwingen heeft doen verschijnen (waarvan zeker zijn onthullende publicaties over Vestdijk en Lucebert verplichte kost voor elke letterenstudent zouden dienen te zijn) wordt wèl gemeld dat hij over een auteur genaamd ‘Gazelle’ zou hebben geschreven. Dit nu is een ongecorrigeerde zetfout die men eerder verwacht in de bladvullingen van een gratis huis-aan-huisblad dan in onze gewaardeerde kwaliteitskrant. Zo’n blunder in een schriel stukje van precies veertig woorden slaat echt alles. Het komt me voor dat heel wat van Cornets de Groots lezers – zowel de voor- als de tegenstanders – gediend zouden zijn geweest met een uitgebreider artikel over deze dwarse, oorspronkelijke literaire speurder.’ Was getekend: Jan Elburg, Haarlem. ↩

Correspondentie Jan J. Bijlsma (1981-1984) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>