Start » Ander werk » Over Mulisch, ‘Het zwarte licht’

Over Mulisch, ‘Het zwarte licht’

Ongepubliceerd typoscript, 6 blz. 1
Ongepubliceerd, ± 1975. Bron: Archief Cornets de Groot.
[p. 1]

Het zwarte licht
een kleine roman

Het verhaal in dit boek begint ‘s morgens, woensdag 20 aug. 1953 om precies zes uur. Maurits Akelei ontwaakt. Op dit uur 46 jaar geleden, werd hij geboren!
De verwarring van het ontwaken – droom en werkelijkheid dooreen gehusseld – voert hem terug naar Marjolein, zijn geliefde, die hij 23 jaar geleden verloor.
Hij neemt zich voor zijn verjaardag te gaan vieren. De brainstorm die hij tijdens zijn toilet uitvoert, levert hem vier vrienden op die zouden moeten komen.

20 aug. is ook een dag die door de getuigen van JHVH beschouwd wordt als de dag van de ondergang der wereld. Akelei’s hospita, mw. Henkes openbaart hem dat (:’Weet u wel wat voor dag het vandaag is?’ -“Ja, maar hoe weet ú…” antwoordt hij, denkend dat ze op zijn verjaardag doelt). Hij belooft haar de beiaard te zullen bespelen om twaalf uur: dat is op het midden van de dag! (23 is het ‘midden’ van 46). Volgens de gelovige hospita zal het de laatste keer zijn; daarom moet Akelei mooier spelen dan hij ooit heeft gedaan.

Waarom een feest? Hij kent weinig mensen; gesprekken met hen duren in de regel niet langer dan een minuut; er is geen enkele reden voor een feest… En tóch – toch heeft hij het gevoel dat het feest moet; er is een innerlijke drang, waar hij gehoor aan geeft, redelijke overwegingen – hoe redelijk ook – kunnen hem niet weerhouden. Hij gaat dus op weg om de vier uit te nodigen.
Bij Pollaards, een arts, raakt hij gehypnotiseerd door de slinger van een hoge, staande, zwartgelakte houten klok. Hij heeft iets met tijd te maken: de tijd heeft hem in de ban! Hij is beiaardier, hij is jarig, 46 jaar, 23 jaar; hij heeft iets met vergankelijkheid te maken, met ondergang en herrijzenis: akelei, marjolein: het zijn namen van mensen en bloemen – bloemen: dat suggereert de eeuwige wederkeer der dingen, de kringloop der seizoenen, l’histoire se répète, – het verleden herleeft, het wordt in het heden aktueel, het is voor de toekomst van beslissend belang.
Maar ook ondergang. Het is de dag des oordeels. Daarbij: Pollaards doet zich aan hem voor als een soort van Magere Hein: een kale schedel, ontblote tanden; hij tipt as van zijn sigaret, terwijl hij zegt: ‘Dood?’
Pollaards ontvouwt hem ook zíjn theorie van de terugbrenging der dingen: ‘In ieder van ons is een atoom van Julius Caesar’ (ik merk dat deze initialen ook passen bij de naam van Jezus Christus). Het is een materialistische, pessimistische, ‘natuurwetenschappelijke’ viesie. Ook hier herhaalt zich de geschiedenis, maar degenererend: niemand zal ooit meer een hele Julius Caesar zijn. (In wezen worden hier twee filosofieën tegenover elkaar geplaatst: die van Heraclitus, en die van Democritus, waarbij Akelei de eerste, Pollaards de tweede vertegenwoordigt.)
Mevrouw Pollaards staat model voor de ‘begrijpende’ mens; haar taal is aan het hedendaagse therapeutenjargon nauw verwant. Zij begrijpt Akelei, zij begrijpt zijn muziek, zij begrijpt ook Pollaards en al wat hij doet. Zij hangt van begrip voor alles èn iedereen aan elkaar en doet zich voor als aanhankelijk, vertrouwelijk en lief.

Akelei mist de dominee, maar geeft de boodschap wel door aan een daar aanwezige verpleegster (de vrouw van de dominee is lam). Zijn volgende bezoek geldt Ketelaar, een machinefabrikant, een

[p. 2]

technoloog – iemand die van de natuurwetenschappen practisch profijt trekt. Als zodanig vormt hij een natuurlijk contrast met Akelei, een studievriend (ook Akelei is eens student in Delft geweest) die tenslotte toch voor de muziek koos. Deze Ketelaar is een joviale, uitbundige man, zakelijk, handig en daardoor rijk, vol warme gevoelens die toch wat aan de oppervlakte blijven.
Bij Ketelaar komt het tot een crisis, als zijn vriend Akelei vraagt, hoe oud hij geworden is. Akelei antwoordt in opperste verwarring dat hij 23 is, dat Marjolein dood is, vermoord. Drank en bluftaal (van Ketelaar) helpen niet om die crisis te bezweren. Akelei wordt op straat gezet – vriendelijk – en dan begint zijn queeste, – in het tweede deel van deze kleine roman.

II

Het is op straat als wordt Akelei door andere machten dan de zijne bestuurd. Hij raakt op zijwegen zoekend naar Marjolein, die hij ook oproept op de wijze van elkaar wachtende schoolkinderen: ‘Hoeaat Marjolein!’
Hallucinaties komen en verdwijnen, waandenkbeelden beheersen hem – tot een voorbijganger hem tot de orde roept: een kolensjouwer, zwartbesmeurd met overblijfselen uit het Carboon. Zijn dwaalwegen voeren hem naar het centrum van de stad,- wie zich daarheen begeeft ‘daalt af in een bodemloze put van tijd’. Herinneringen doemen dan ook op: de schooltijd met Marjolein, het volwassen worden, hun seksuele leven. Tenslotte belandt hij in de kerk – in het centrum – waar hij om 12 u moet zijn, en waar een rondleiding is voor toeristen. De gids vertelt dat de metselaars van deze kerk niet georganiseerd waren in een gilde, zoals de andere ambachtslieden uit de middeleeuwen; zij waren in feite vrijmetselaars – een nogal directe verwijzing naar de alchimie – niet te vergelijken met de vrijmetselaars van vandaag, verenigd in dure clubs, lurkend aan een sigaar. Akeleis queeste bereikt hier ook letterlijk een hoogtepunt. De gang naar zijn plaats in de toren wordt ons beschreven als een tocht in een doolhof waarin men voorgoed verdwalen zou als men er de weg niet wist zoals een spin die hier haar web zou hebben er moest sterven door gebrek aan voedsel. Maar Akelei kent de weg. Hij kent ook de weg tot de muziek. Wat hier, aan het klavier lijkt op trappen, maaien met de armen, piepen en knarsen van touwen en gebonk op stokken, laat zich van buiten aanhoren als muziek van het kariljon: Akelei ontroert een hele stad met zijn spel!
Maar het spel veroorzaakt ook misverstanden: de dominee schijnt ontstemd, de koster woedend. In de stad spreekt men erover; Akelei is getuige van de reacties van een vrouw, maar hij denkt: ‘Het had niets met elkaar te maken, zijn aandeel en het hare’. Wat wel betekenen moet dat haar emoties de zijne niet zijn; hij heeft ze wellicht niet eens.
Opeens denkt hij weer aan zijn feest waar geen reden voor was – geen andere dan dat het plaats vinden moet: terwille van een soort symmetrie in de tijd, zoals bij Beatrijs, die ook met klokken te maken had? 2 Dan hebben we hier te doen met een literair motief… In ieder geval geeft mevr. Henkes antwoord op de vraag: ‘Wie vandaag jarig is… die is uitverkoren of verdoemd!’

De voorbereiding tot zijn feest maakt in hem de gedachte aan een ander feest wakker, dat 23 jaar geleden plaats vond. Maurits betrapt er Marjolein op ontrouw met een neger; met die neger had zij gedanst – een dans waarin de neger een rode maan was, boven een zwarte aarde (Marjolein). Hij ziet daar dat Marjolein op precies dezelfde wijze intiem is met de

[p. 3]

neger, als ze wezen zou met hem. Achter die twee een hoge staande klok van zwartgelakt hout! Een symbool van zijn noodlot, want die nacht besluit hij zijn studie op te geven, om beiaardier te kunnen worden.

III

In dit deel komen een aantal figuren aan wie we in het voorgaande al zijn voorgesteld, hun rol spelen. Onverwacht voor Akelei, mw. Henkes en de lezer is de komst van mw. Pollaards. Het onverwachte heeft altijd stilistische waarde: haar komst is een verrassing die mw. Henkes verdrijft (zij komt daarna in het boek niet meer voor als meespelende figuur – maar haar áfwezigheid speelt wel degelijk nog een rol voor Akelei… Haar komst brengt hem dan ook in de grootste verlegenheid, maar de lezer tot het inzicht dat
1. hij te doen heeft met een round character
2. hij te doen heeft met een uitgesproken nul.
Zij is niet langer ‘het vrouwtje’, ‘een wolk in tule en zonlicht’ maar een brutale indringster, grillig, koket, onbetrouwbaar, een intrigante eerste klas. Akelei doorziet haar: ‘Ze is een hoer, ze bedriegt haar man, ze maakt hem belachelijk,’ etc. In een latere passage kan de lezer in haar ook de Grote Hoer van Babylon herkennen (Openbaring, 17:1).
Wél verwacht is de komst van dominee Splijtstra, een man die door zijn doofheid het ene misverstand op het andere weet te stapelen. Zijn rol is tot op zekere hoogte van bijkomstige aard; hij is voornamelijk nodig om zijn visie te geven op de koster Doornspijk, een organisatorisch talent, die in dienst staat van zijn organisatie, zonder zich om de erbij betrokken mensen te bekommeren. Hij is de juiste man op elke plaats, omdat hij gepreformeerd is op gehoorzamen aan een mechanisme dat hijzelf in werking heeft gesteld. De vergelijking met Eichmann (zoals door Mulisch beschreven) dringt zich op. Een flat character!
Ketelaar gedraagt zich bij en na zijn komst conform de verwachtingen van de lezer: een flat character, hetgeen vergoed wordt door uitermate komische reacties, vooral in zijn taal.

Men wordt op het feest snel dronken en men spreekt er dronkemanstaal vol zin, die uitloopt op een woordenspel over de kleur zwart.
‘Zwart slorpt al het licht op, zwarte dingen zijn onzichtbaar.’
“Onzichtbaar? Hoe kom je er bij! Neem nou iets dat zwart is – een… een…”
‘Een neger,’ zei Akelei.
() ‘Negers onzichtbare mensen! Boordevol opgeslorpt licht en onzichtbaar!’
Op dit punt maakt onrust zich weer van Akelei meester; hij gaat op zolder op zoek naar een koffergrammofoon (model 1930) en mw. Pollaards krijgt in de gaten dat een geheim zijn leven beheerst.
De vierde ongenode gast is Diana. Ze is bovendien de laatste, zodat het feest met een verrassing begint en er ook mee eindigt. Zij komt haar vader halen, omdat er iets met haar verlamde moeder is. Deze man, toch al uit zijn humeur door Ketelaar en door het spel van Akelei van die middag, eet in grote woede een tekst op De man die niets onthouden kon en vertrekt. ‘Zo, die is opgesodemieterd’, zegt Diana tevreden als de dominee is verdwenen. Zij heeft iets moordends in haar karakter, iets van een Salomé: wreed, harteloos, maar uitermate begeerlijk; ze is van een grote seksuele aantrekkingskracht. Ze heeft niets moederlijks (‘Alle ouders moesten bij de geboorte van hun kind van staatswege worden gefusilleerd’), integendeel: zij is zo mooi als een man zich maar dromen kan, omdat zij vooral jongensachtig is. 3 Gedurende haar aanwezigheid onthult Ketelaar aan mw. Pollaards

[p. 4]

geheim en drama. Met een geblakerde kurk heeft zij Ketelaars gezicht, borst en rug zwart gemaakt. Zij gaan ook met elkaar naar bed, wat Diana van een spiegel uit volgen kan. Als Akelei het ook ziet, ziet hij tegelijkertijd dat de zon is opgekomen, maar niets verlicht! Dat deze gebeurtenis tussen Ketelaar en mw. Pollaards een ‘spiegeling’ is van het gebeurde tussen Marjolein en de neger, is duidelijk. De rode maan moet dus weer present zijn en de zwarte aarde, en dit keer is dat ook zo: in de werkelijkheid.
Akelei klimt uit het dakraam, en mengt zich tussen de mensen, op weg naar de horizon van een zwarte aarde, waar ‘de bloedmaan lag als een gigantisch stadion voor ongekende wedstrijden en manifestaties’.
Zo vergaat dan toch op de voorzegde dag (en zie de titel boven dit derde deel) de wereld, en wordt Akelei herboren in een nieuwe.
Dit slot is een vaderschootdroom. Je zou kunnen zeggen dat Akelei, door getuige te zijn van dit ‘chemisch huwelijk’ tussen Ketelaar en mw. Pollaards zichzelf verwekt had – zijn eigen vader werd (zoals de Alchimist zich uitdrukt) -.

Aantekeningen

De filosofie van Democritus wordt min of meer door Pollaards uiteengezet. Die van Heraklitus wordt niet uiteengezet, maar wel voelbaar gemaakt door Akelei.
Heraklitus:
1. Wij kunnen niet tweemaal in dezelfde rivier stappen.
2. Alles vloeit.
Hij zag het geheim van de tijd en van de verwording in – al zag hij achter de vervlieting toch een eenheid. Eenheid in veelheid en veelheid in eenheid.
Hij nam een oersubstantie aan – het vuur, dat naar eeuwige wet ontstoken werd en gedoofd.
Alle ontwikkeling geschiedt in een polair spel en tegenspel van elkaar tegenwerkende krachten (bij Akelei bv. ‘innerlijke drang’ tegenover ‘redelijk overleg’; ga ook na wat een neger voor Akelei betekent).
3. Alles is strijd – in die strijd ontwikkelt zich de harmonische gestalte der wereld.

Perspectief, kunst en kunstenaar

Het perspectief in deze roman ligt in hoofdzaak bij Der Geist der Erzählung’ – een alwetende geest, die gedachten leest en gevoelservaringen weergeeft; hij tekent dromen en hallucinaties op; hij kan zichzelf bovendien corrigeren: ‘Wie goed luisterde – Maurits niet’.
Op een critisch punt in het boek, nl. als Akelei de beiaard bespeelt, rust het oog van deze alweter eerst op Akelei en diens werk. De beiaardier springt in het rond, trapt op pedalen, maait met zijn armen en veroorzaakt zo een hoop ongeorganiseerd lawaai, naar het zich laat aanzien. Maar dan richt de blik zich op een Duitse toeriste, die al dat lawaai als muziek ondergaat. Allengs maakt zich haar extase van anderen, velen, de hele stad meester. Het perspectief staat hier in dienst van Mulisch’ opvatting van wat kunst en een kunstenaar is. Het afzwaaien van het oog van het ene naar het andere object suggereert de lezer: zo wordt kunst gemaakt (zoals door Akelei) en zo wordt kunst ervaren (zoals door de toeriste). Wat er in kunst van buiten uitziet als ‘ziel’ is van binnen: leegte, afwezigheid, niet-bestaan.
Later komt dit idee nog es aan de orde, als Marjolein te kennen geeft beroerd te worden van spoelen, condensatoren, accu’s etc.

[p. 5]

Het zijn de instrumenten van wat Mulisch genoemd heeft: de versierde mens. Techniek hult zich in instrumenten; op een of andere manier waren die dingen ‘het tegendeel van naaktheid en dansen’. De kunstenaar is geen versierde mens. Akelei zegt ervan: ‘Iedere kunstenaar is een soort neger – met stilte om zich heen’ (bijgedachte: Een neger is het zwarte licht: de kunstenaar is onzichtbaar).

Taal.

De taal in dit boek heeft in de beschrijvende gedeelten en in de meer ‘filosofische’ een zekere poëtische, misschien retorische kwaliteit. Ketelaar neemt geen blad voor zijn mond, en spreekt het gewone ABN, aangevuld met door ABN-ers geaccepteerde volkstaal. Het taalgebruik wordt ook sterk bepaald door het gebruik van de monologue intérieur van Akelei; de verbindingen zijn sterk associatief, niet logisch. De taal van hallucinanten en dronken mensen is dat in het algemeen niet. Ook de dove dominee doet weinig moeite de wartaal terug te brengen tot iets redelijks. Maar aan de regel dat kinderen en dronken mannen de waarheid zeggen heeft de taal zich hier wel weten te houden.

Verhaalconventie.

Ogenschijnlijk gaat het verhaal ‘op de manier van de werkelijkheid’, en hebben we te doen met een ‘psychologische, realistische roman’. Maar over het zieleleven van de hoofdpersoon zegt de Alweter eigenlijk niets; de enige die er een gooi naar doet, is van het begin af aan mw. Pollaards, en die heeft het misschien wel mis. De verhaalconventie wordt beïnvloed door het ‘okkulte’ in dit boek. De eerste zin ervan is al behoorlijk okkult en geeft astrologen een kans dit karakter te toetsen aan wat er van dit teken bekend is. Akelei is volgens de gegevens een Leeuw,- het teken van de mens in zijn bewustheid, van de mens die zich boven zijn omgeving verheft; de ruggegraat staat bv. onder de hoede van dit teken. Maurits Akelei wordt ons ook beschreven als iemand die de situatie meester is (tenminste: toen hij 23 was…) Hij verheft zich in ieder geval boven zijn omgeving: in de toren. Als Ketelaar hem begroet, zegt hij: ‘Als de zon het hoogst staat (dus in Augustus, bovendien is het dan bijna 12 u.), komt Maurits Akelei’. Er staan in de tekst meer aanwijzingen dat torens, kolommen, reclamezuilen deze rol van Leeuw benadrukken. Een ander okkult aspect is het alchimistische in dit boek. Openlijk wordt daar iets van gezegd door de gids in de kerk. De symboliek ligt toch dieper verborgen dan het astrologische, en komt tot uiting in bv. de drie kleuren zwart, wit en rood; de neger, de kolensjouwer, de zwartgemaakte Ketelaar (de naam alleen al!) het Carboon zijn aanwijzingen dat hier een chemisch proces aan de gang is.
Een enkel voorbeeld:
Als Akelei Marjolein met haar neger vindt in een donkere kamer (zwart), ontsteekt hij het licht (wit) en verschijnt de neger hem als een rode maan boven een zwarte aarde. Het is het chemisch huwelijk, dat beslissend is voor zijn lot. Dit huwelijk is symbool voor de harmonische gestalte van de wereld én de Artifex. Seksualiteit is voor Akelei een symbolische aangelegenheid (hij is ongetrouwd gebleven), wat ook blijkt uit de bevruchting van de bloemen die hij zojuist heeft gekocht.
Een ander voorbeeld: De alchimist die de wereld verbeteren wil, is op zoek naar het derde geslacht: een wezen dat zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen in zich verenigt (waardoor de onvolmaaktheid van een seksueel leven overwonnen zou zijn).

[p. 6]

Deze ‘hermafrodiet’ komt ook op de proppen in de figuur van Diana (zij draagt de naam van de godin der maagden en van de heksen!, zij voelt niets voor het ouderschap, is een meisje met sterk jongensachtige trekken – gevaarlijk voor mannen!)
ten slotte:
De metselaars die de kerk bouwden, trokken hem op uit steen. Toen de alchimie later ongemerkt in de vrijmetselarij overging werd het symbool steen (Steen der Wijzen) ook een symbool voor de bewerkte, beschaafde mens: waardig genoeg om te worden benut in het bouwwerk Gods, de wereld. Als Akelei een trap opklimt, terwijl het orgel speelt, denkt hij: ‘Muziek en steen, er is geen verschil tussen’.

Verteltijd, vertelde tijd, flash-back, vooruitverwijzingen

De tijd verloopt chronologisch en continu in deel éen en twee al zijn er veel terugverwijzingen en op het einde van deel twee een opvallend lange flash-back. Tussen deel twee en drie zit een gat van vijf onvertelde uren maar ook deel drie loopt na die tijdsverdichting chronologisch en continu, maar opnieuw vol terugverwijzingen. Bovendien staat boven dit derde deel een citaat van Sebastian Brant die – na die grote flash-back – een grote blik vooruit suggereert.
Vooruitverwijzingen zijn er in alle delen, vaak in de vorm van Leitmotiv:

  • een hoge staande, zwarte klok
  • tanden
  • de negers
  • de bordjes van de gelovigen
  • een boom met parkietjes
  • een rode maan, een zwarte aarde
  • het zich door straatjes wurmen (de vaderschootdroom)
  • soms door daaraan verwante symbolen: de kolensjouwer, de zwarte Ketelaar
verteltijd   vertelde tijd het vertelde
p 5/12 8 blz 6 u – 8u 30 ontwaken, plan feest
12/32 20 blz 8u 30 – 10u 15 uitvoering plan, bezoek aan de romanfiguren
p 13/46 14 blz 10u 15 – 12 u De Queeste
p 46/50 4 blz 12 u – 13 u het spel en de wandeling
p 50/62
(p 55/62:
12 blz
7 blz
13u – 15u 30
flash-back!)
voorbereiding feest, flash-back
tijdsverdichting 15u 30 – 20u 30    
p 63/118 55 blz 20u 30 tot eind het feest

0pmerking: op het midden van de vertelde tijd, kort na 12 uur zitten we ook op het midden van de verteltijd: blz 56, en aan begin van de flash-back, die teruggaat tot Akelei’s 23e!

Een paar citaten uit Johannes’ 0penbaring:
‘En de zon werd zwart als een haren zak en de maan geheel als bloed’ (6:12)
Aan Johannes verscheen iemand ‘als eens mensen zoon, en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam’.
Aan Akelei verscheen integendeel de Kroonprins van de Congo, een kolensjouwer, een zwartgemaakte Ketelaar, een neger.
Johannes wordt opgedragen een boek te eten, opdat hij zal profeteren. Vergelijk daarmee de dove dominee en de door hem verslonden tekst.





NOTEN
  1. Gezien de aantekening ‘CN 30x’ – kortschrift voor 30 keer stencilen voor Cornets – bovenaan het blad bedoeld voor gebruik op school. ↩
  2. Zie Cornets de Groots essay over de Beatrijs, Nonnenwerk is monnikenwerk. ↩
  3. Cornets de Groot tekent hier het portret van de Lilith-figuur die vooral in de bundel Striptease object van aandacht zal zijn. ↩

Poppoëzie (Johnny de Selfkicker) »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>