Met de trein door Duitsland, Polen en Oostenrijk

Afgelopen weken trokken A. en ik met een tentje, twee rugzakken en een interrailkaart door Duitsland, Polen en Oostenrijk. Op Facebook hield ik een dagboekje bij; hieronder een bijgewerkte versie met nog wat foto’s.

3 augustus 

Wandelen in en om Monschau in de Eifel en op excursie naar de paltskapel van Aken (796), vroegste voorbeeld van middeleeuwse centraalbouw. Intussen werkend aan mijn campingskills.

8 augustus 

Voor het eerst naar de Documenta in Kassel: een update over de huidige stand van zaken in de beeldende kunst, of wat hetzelfde is, over de toestand in de wereld, want daaraan lijkt de huidige kunst haar bestaansrecht te moeten ontlenen. Hier geen kunst uit de ivoren toren, geen kunst als schuilplaats voor zoekers naar schoonheid of troost. Hier word je, om het met LP Boon te zeggen, ‘een geweten geschopt’. Vaak wordt daarbij de grens tussen kunst en activisme overschreden en vaak, bij de zoveelste oproep tot ‘collective sustainability’, ‘knowledge sharing’ en ‘artistic conversation’ dacht ik ‘alweer?’ Hoe moet het met de wereld wanneer ze in de kunst geen middel meer vindt om tegen de wereld in verzet te komen en er alleen nog slogans overblijven, wanneer het kwaad in de kunst is uitgebannen terwijl het in de wereld gewoon blijft bestaan?

Maar er is een verschil tussen de boodschappen waarmee weldenkende mensen in westerse media zich een goed geweten aanmeten en de schreeuw om actie die hier door die gemeenschappen zelf telkens wordt uitgebeeld. De wereld wordt getekend door uitbuiting, neokolonialisme, marginalisering van (sub)culturen en gaat aan klimaatverandering en opeenvolgende crises te gronde. De tijd van Jeff Koons is duidelijk voorbij, de kunst kan niet langer autonoom haar weg vervolgen en zich wentelen in beelden van suikergoed en marsepein.

In een voormalige kerk heeft een Haïtiaanse kunstenaarsgroep de heiligeniconen in plastic ingepakt, een beetje à la Christo: zij staan, voor de duur van de expositie ‘on hold’. Beneden op de vloer tonen ze de mens in zijn huidige toestand: opgebouwd uit schroot, als oorlogsmachines met buitenproportionele fallussen of vastgeklemd op bed, uitgeteerd door exploitatie en allang dood wanneer men trouwen gaat. Dit is de werkelijkheid achter de schone schijn, een andere spiritualiteit. Confronterende beelden die je liever niet zou zien, maar die je in je sluimerend besef dat er iets goed mis is met de wereld althans niet alleen laten.

Door de dingen heen kijken, ook door mijn eigen vooroordelen en door brave media platgebeukte geweten, dat is wat ik deze Documenta weer leerde doen.

9 augustus 

Berlijn. Niet voor het eerst, maar nu vallen op de eerste dag alle verplichte nummers als rijpe appelen uit de boom: mooi, hebben we die maar gehad. Bij het Gedenkmal voor de moord op de joden staan we langer stil. Zelfs als je erdoorheen loopt sta je in zekere zin stil, omdat de weg door het labyrint van tombes eindeloos is: eindeloos als het lijden, eindeloos als de niet te delgen schuld.

In de Chausseestrasse stuiten we op het Brecht-Haus. Hier moet Lucebert op bezoek zijn geweest. Op een begraafplaats naast het huis ligt Brecht naast zijn vrouw Helene Weigel, iets verderop blijken Hegel en Fichte zomaar te liggen: weliswaar geen helden van me, maar toch, twee reuzen.

In de boekhandels aan de Oranienstrasse kijk ik mijn ogen uit: naast kasten vol filosofie ook planken met labels als ‘Anarchie’, ‘Feminismus’, ‘Psycho-Analyse’ en zelfs ‘Lager’ en ‘Vernichtung’. De sfeer in de straat, met zijn punkers en graffiti, is cutting-edge, zoals heel Berlijn dat is, maar wordt in deze buurt ook onderhouden door armoe en gebrek. We struikelen over de bierflessen en vluchten over matrassen en oude kotsplekken heen weg.

‘Het is goed,’ schrijft Brecht in 1954 aan zijn uitgever, ‘om te wonen in huizen en met meubilair van minstens 120 jaar oud, zeg maar in een vroeg-kapitalistische omgeving, in afwachting van een latere socialistische omgeving.’

Dat kan ik goed navoelen. Mijn hart ligt bij de radikalinski’s en de steil ogende intellectuelen die ik overal zie rondlopen, maar mijn lijf is helaas gehecht aan een bourgeois levensstijl. Misschien dat het kamperen me daar nog wat van kan genezen…

Op de laatste dag is er nog wat tijd over voor een bezoek aan de Gemäldegalerie. Samen op één step zwieren en zwaaien we erheen. We hebben maar een klein uur en spoeden ons via zalen vol Italiaanse Renaissance naar Vlaamse en Hollandse meesters. Wat een museum. In één zaal hangen zelfs twee Vermeers.

Wat een stad. Maar genoeg. Op naar Polen!

12 augustus 

In Krakau nemen toeristen plaats in witte koetsen en laten zich door de straten van de binnenstad voorttrekken. Als je alleen naar het geluid van de paardenhoeven luistert, lijkt het of oude tijden herleven, maar het is juist dit geluid waardoor je weet dat je in een fake wereld bent aanbeland. Er is maar weinig echt in Krakau, omdat alles gericht is op de instandhouding van het oude: in de kerken, kastelen en synagogen is de tijd stilgezet. Als een soort oude schuld doet het nu een blijvend beroep op de bezoekers van de stad. Hier wordt niet geleefd, maar gememoreerd. Hele drommen beklimmen het pad naar de hoge kasteelmuur van de Wawel, kennelijk in de veronderstelling er het verleden te kunnen aanraken. Dat kan daar ook, letterlijk, maar het levert alleen een sensatie op, een poging tot een voorstelling van hoe het is geweest, geen inzicht.

Een dag later naar Auschwitz, 1,5 uur hiervandaan. Tot mijn verassing hier hetzelfde: het is een toeristische attractie geworden, versteend en onbereikbaar. Het Auschwitz-Birkenau Museum draagt daar weliswaar zelf aan bij, door opeenvolgende verzamelingen brillen, schoenen, prothesen, koffers, keukengerei en bussen Zyklon B op een esthetisch verantwoorde manier ten toon te stellen. De voorstelling maakt zich los van de geschiedenis en heeft in de vormgeving een nieuw ankerpunt gevonden, buiten ruimte en tijd.

Misschien is dit onvermijdelijk en moet de verbeelde herinnering het na verloop van tijd overnemen van de historische feiten. Tot die conclusie was ik in Kassel zo’n beetje gekomen, waar de anekdote vaak helemaal is geweken voor het affect dat de voorstelling teweegbrengt. Maar dat het in Auschwitz zo snel zou gaan, had ik niet verwacht. In Hotel Jan sluit ik mijn ogen en luister nog één keer naar de paardenhoeven.

16 augustus 

Met de nachttrein naar Wenen. Uitstappen bij de Stephansdom en je daar, begeleid door operasterren in de dop, te goed doen aan Wiener melanges en exquis gebak. De stad zelf: een museum, maar niet versteend zoals Krakau. Alles is hier protserig en groots, nog steeds, de barok zet zich voort in architectuur die wel minder krullerig is maar even imposant en dramatisch. Van grote hoogte kijken op daken geplaatste standbeelden op je neer; hoe ver verheven zij boven ons zijn kun je zelf tijdens een paar rondjes in het reuzenrad navoelen. Zou het op dezelfde plaats staan als het rad uit The Third Man, dat Orson Welles zijn speech ingaf over mensen die maar stippen zijn? Tussen alle huizen van zes, zeven etages voel je je vanzelf een stip.

Mijn eerste halteplaats wil deze theorie direct logenstraffen: het huis aan de Kundmangasse dat Wittgenstein voor zijn zus Margarete ontwierp. Hier geen barok, geen ornament dat als een levend beginsel de constructie vormt, maar de leegste, soberste vormen, als tegenreactie op de Weense overdaad en decadentie. ‘Een mausoleum’, zegt A. Wat kun je anders verwachten van deze ‘moordenaar van de filosofie’ (Deleuze)? De muurgedeelten tussen de ramen zijn breder dan de ramen zelf, er is zelfs een blinde muur bij – welke heremiet, of beter misschien: welke farao wil zich hier verschansen?

Van Wittgenstein naar Hundertwasser – als ging het erom binnen Hermans’ oeuvre te blijven. Maar honderdvijf keer liever de kleurrijke, organische, bewegelijke fantasie van de laatste dan het massieve zwijgen van de eerste. ‘De rechte lijn is goddeloos’, zei Hundertwasser, die een halve eeuw geleden al groene daken ontwierp en bomen als ‘boomhuurders’ door de muren van zijn woning liet groeien. Je moet goed kijken waar je loopt in het aan zijn werk gewijde museum, de vloer is nergens gelijk. In Wittgensteins huis heb je dat probleem niet, maar dat was sowieso onleefbaar, vond ten slotte ook Margarete zelf.

Het Kunsthistorisches Museum is een paleis. Binnen kraken de vloeren, kraakt de hele geschiedenis. Alsof het niets is loop ik langs een hoek vol Caravaggio’s, een zaal vol Titiaans, de een nog mooier dan de ander, door zalen vol Rubens – vaak groot maar nooit echt groots wat mij betreft – langs twee zelfportretten van Rembrandt, een portret van Titus en ook weer een Vermeer – en dan weer terug naar het winterlandschap van Breugel, zijn boerenbruiloft en de toren van Babel. Ik loop er bijna twee uur rond voor het museum dichtgaat. Voortgedreven door suppoosten trekt de 19e eeuw nog snel als een film aan me voorbij. De overdaad is adembenemend, subliem. Hoe verhoudt zich dat eigenlijk tot esthetische principes van maat, proportie, harmonie?

Terug, terug maar weer naar onze tent op die camping buiten de stad. Een doek, wat haringen in de grond en een plons in het geheime paradijs daarachter, meer moet het ook niet zijn.

19 augustus

We eindigden waar we begonnen: in de Eifel bij Hellenthal. Wat kan ik vertellen over een Duits dorp in de provincie? De sfeer deed me denken aan Vestdijks Het genadeschot, ook omdat we er veel in de bus reden. Ik zette me aan Die Welt en aan de Frankfurter Allgemeine, wat best lukte. Maar het was te laat: een Duitser word ik niet meer. Wat had Deleuze, wat had mijn vader tegen reizen, tegen de kennismaking met andere culturen en vooral: tegen het afleggen van je eigen gewoontes? Herboren keerden wij in de werkelijkheid terug.

Over kijken en lezen

Facsimile van publicatie

Schitterende tekst van Rudi Fuchs in De Groene van een poosje geleden. Met al zijn kennis van de kunstgeschiedenis vertelt hij niets over de plaats van Andre, Merz of Kiefer in die geschiedenis. Niets ook over symbolische betekenissen, waarmee elk beeld wel kan worden opgeladen, of over de centraalperspectief in de Kiefer. Zijn column heet ‘Kijken’ en dat is wat hij doet. Hij vergelijkt de rechthoeken van Andre met de bolle vormen van Merz en houdt die tegen de achtergrond van de Kiefer. Zo richtte hij als museumdirecteur zijn zalen in, door à la Mondriaan – zijn grote favoriet – te passen en te schuiven met vormen. ‘Zo zag ik een mise-en-scène ontstaan. Op die manier keken we verder.’

Ik zie er wel een analogie in met de manier waarop ik gedichten lees of filosofische teksten. Helemaal begrijpen doe ik ze vaak niet, daarvoor zijn ze te moeilijk of te duister. Maar dat geeft niet. Ik hoef woorden niet hun plaats te wijzen in een systeem dat ik denk te beheersen, zodat ze daarin kunnen functioneren. Ik laat ze open en houd ze in mijn hand, tot het moment waarop ze bij andere woorden uit de tekst passen – maar altijd onder het voorbehoud dat ze ook ergens anders bij kunnen passen, als ze daar door andere woorden op een andere manier worden belicht. Zo ontstaan vele incomplete puzzels, werken in aanbouw die nooit worden voltooid. Maar dat is het doel ook niet. Teksten vragen niet om ‘begrip’ – dat is iets voor christenen en zondaars. Ze vragen erom dat je met ze aan de slag gaat: ‘nauwgezet en wanhopig’…

Hierbij de tekst van Fuch’s column:

Een geweldig werk was de gitzwarte iglo van Mario Merz. Het werd gemaakt in 1976. Toen, of een jaar daarop, heb ik het voor het eerst gezien. In het museum waren we toen vooral bezig met kunstenaars van overwegend het rechthoekige idioom. Er was bijvoorbeeld een expositie van Carl Andre in de maak. Niet alles kan in musea tegelijkertijd gebeuren. Verschillende vormgevingen kun je wel tegelijkertijd opmerken. Ik vond het juist en leerzaam bij kunst alle eigenzinnige verschillen te blijven zien. Carl Andre’s werk bijvoorbeeld was steeds recht van vorm. Zo, op die manier, werden ze in elkaar gezet. Tegelijk zag ik Mario Merz zijn werk doorgaans rond maken. Dat was nu eenmaal zijn idioom. Ik zag dat lijnen die hij tekende steeds gingen buigen. Die verbuigingen, ook in die zwarte iglo, zijn wonderlijk vrij in hun verbeelding. Het zijn geen cirkels rond een middelpunt. Dat soort vrij slingerende vormen, los als spiralen, zag ik dan naast en samen met een compacte groep staande blokken hout die Carl Andre tegen elkaar zette. Dat werd onverzettelijke sculptuur. De blokken waren ook massief. Ze stonden onwrikbaar op de vloer. Een iglo van Merz was altijd een volume dat hol was. Ze zien er lichter uit, heel anders dan zware blokken hout.

Carl Andre, Baucis, 1981. Hout (western red cedar).

Optisch leek het of een werk van Merz zou kunnen bewegen. De zwarte iglo was niet zwaarwichtig, eerder klein van vorm. Op de grond is het twee meter in doorsnede, hoog anderhalve meter. De zwarte huid bestaat uit stevige segmenten zeildoek dat werd doordrenkt met dunne pek, gedragen door een gebogen frame van metalen buizen. Het pek droogde en werd hard. Het harde zwart ging glanzen. In blauw neon staat er in Merz’ handschrift een ondertitel bij geschreven: luoghi senza strada. De iglo is een grillig licht volume. Staat hij eenmaal op een plek, is hij ook zonder moeite te verschuiven. De grondvorm is rond, maar niet afgemeten als een cirkel. Eigenlijk is het zwarte ding bol als een paraplu. In de holte is het geheimzinnig donker. Het gewicht ervan is onpeilbaar. Zoals hij daar staat is de vorm een raadsel. Het lijkt ook van boven neergedaald uit een onvoorstelbare verbeelding waar plekken nergens aansluiting vinden. Raadsels zijn donker.

Mario Merz, Igloo nero, 1967-1979. IJzer, asfalt, neonbuis, transformator.

De bloksculpturen van Carl Andre staan pal tegen elkaar. We zien hoe de blokken stuk voor stuk passen. Hun vorm is stevig als een gebouw. Nadat we een houten werk in de collectie hadden opgenomen, ontstond het verlangen naar een iglo van Merz. Zo gaat museaal verzamelen: ik had de zwarte iglo gezien, en toen zag ik ook hoe het in de zaal zou kunnen staan. Het was een hoekzaal. In de zaal daarvoor stond, recht langs de wand, een stille rij blokken van Carl Andre. De doorgang naar de volgende zaal bevond zich in het midden van de korte wand. Het was een zaal van acht bij twaalf meter. Bij het binnenkomen kreeg je, vanuit het midden, meteen een overzicht van de ruimte. Je moest schuin rechts midden door de zaal lopen naar de volgende doorgang. Die zat in de verre hoek van de lange wand rechts. De zwarte iglo vond een plek rechts voor het midden. Daar werd het een middelpunt. Je drentelde eromheen en eraan voorbij. Dan draaide ik me om, om van die kant nog eens terug te kijken. Dat gaat zo bij ronde werken. Die staan losser in de ruimte.

Anselm Kiefer, Märkischer Heide, 1974. Olieverf, acrylverf, schellak op jute.

Vanaf de iglo keken we naar links: daar hing vanaf halverwege de lange wand een breed bruin landschap van Anselm Kiefer, Märkische Heide. Dat was ook een nieuwe aanwinst in de verzameling. Alleen de maat ervan was al schitterend: 254 centimeter breed, 118 centimeter hoog. Een kaal landschap theatraal uitgestrekt. Hoofdzakelijk grijsbruin, zwart-geel, mosgroen. De schrale kleuren zijn oneffen. De horizon ligt heel hoog. Onderin vouwt het beeld zich in volle breedte open: daar begint een hobbelige landweg. Eerst breed, dan steeds smaller, de kleur van hard zand. Die weg, leeg en verlaten, is het grote motief in dit schilderij. Het land is plat en guur. De weg verdwijnt in de grijze verte. In die horizon daar zien we de weg oplossen. Het is daar stil. Het weer is grijs en koud als de kleuren. Zo schor en kaal bruin als Märkische Heide had ik een landschap nog nooit gezien. Dat was iets anders dan een Frans schilderij met klaterend blauw zonlicht. Maar ook een iglo, bolrond als een vilten hoed, had ik nog nooit zo zwart gezien. Ik keek over de iglo heen naar het schilderij, links verderop. Anderhalve meter hoog was het donkere volume. Verder weg hadden we de onderkant van het schilderij, waar de brede landweg begon, op ooghoogte gehangen. Eigenlijk iets hoger. Je keek naar het bruine landschap. Stel dat de zwarte iglo van boven neerdaalde en terechtkwam waar, in het schilderij, de landweg begint. Het zou kunnen dat de weg over het hobbelige bruin en naar het onbestemde grijs in de verte net voorbij de zwarte iglo was begonnen. Zo zag ik, met die werken, een mise-en-scène ontstaan. Op die manier keken we verder.

© Rudi Fuchs, 16 maart 2022 – verschenen in De Groene Amsterdammer, nr. 11.

Kritiek is kinderspel

nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
Lucebert

Figuren achter een banier, Lucebert

Nadat Arjen Duinker mij van zijn andere critici uitzonderde en de loftrompet stak over een oude recensie in Meander, 1 heb ik de afgelopen weken besteed aan het overnemen van al mijn bijdragen aan Meander uit de periode 2001-2007 op deze website. Het online archief van Meander gaat maar een paar jaar terug en ik heb toch gezweet en gezwoegd op dat werk.

Doordat er zoveel tijd overheen gegaan is, kan ik me niet meer ergeren aan de vele lapsussen en schoonheidsfouten; ik sla ze gade en denk: ja, toen wilde je je lezers nog vleien/beledigen/imponeren of anderzijds tegemoet komen. En: je zag toen nog niet dat het aanzienlijk ingewikkelder is dan je hier voorstelt…

Dat laatste was ook wel een voordeel: wat ik niet begreep loste ik naar eigen inzicht en goeddunken op, waardoor mijn gedachten hier en daar kanten opgaan die ik ze nu niet meer zou toestaan, een naïviteit die er ook een zekere onbekommerdheid aan geeft. Wat ik nu schrijf, is veel degelijker, steviger, ‘beter’ misschien maar ook zwaarder en moeilijker, en toch zijn de essentiële kenmerken ervan ook in dat oudere werk al aanwezig.

Meander was mijn eerste platform, ik kon er al doende mijn metier slijpen, onder de constante aanmoedigingen van redacteur Joop Leibbrand, die een grote toekomst voor mij zag. 2 Ik ben nooit – het zij in alle bescheidenheid gezegd – een dilettant geweest in poeticis, wel een amateur. Dat ben ik nog steeds. Ik hou van de discipline, van het vak, ik heb er nooit een carrière in gezien, zoals menig dichter die via de poëzie of de kritiek hogerop wilde komen – en daarom is Leibbrand’s voorspelling nooit uitgekomen. Ik treur er niet om. Ik vind de stukken, ondanks de fouten hier en daar, nog heel goed te lezen, niet zozeer door de ‘inzichten’ als wel vanwege de toewijding waarmee ze zijn geschreven. Er stond wat op het spel.

Wat? Niet alleen mijn positie, het symbolisch kapitaal waar ik wel degelijk met elke letter om vocht, maar ook een bepaalde poëziebeoefening. De meeste polemische stukken richten zich tegen de praktijken van de toenmalige despoten en priesters van de poëzie, figuren als Ilja Pfeijffer en Piet Gerbrandy, die alles deden om de afstand tussen gedicht en lezer te vergroten. Daardoor kon het eerste nog ontzagwekkender worden en de laatste zijn nietswaardigheid beter beseffen, terwijl zij als middelaars tussen die twee hun machtspositie konden behouden.

In andere stukken, uitvoerige beschouwingen over Oosterhoff, Van Dixhoorn, Hüsgen, Van Bastelaere en het boek van Vaessens en Joosten over postmoderne poëzie celebreerde ik een andere poëziebeoefening, die meer op ‘de rest van het spreken’ (Van Bastelaere) was georiënteerd. Al deze dichters waren het eens met Duinkers oordeel: beter was er niet over hun werk geschreven – het zij in alle bescheidenheid gezegd.

Zo heeft mijn website er dus een nieuwe poot bij: naast een weblog is het nu ook een archief geworden. Natuurlijk gaan bij dat idee alarmbellen af: ben ik dan al toe aan de opmaak van mijn eindbalans, aan mijn eigen mummificatie? Nee. Vrijwel alle stukken – 28 recensies, 8 analyses in de reeks Meander Klassiekers – zijn de moeite van het lezen waard; ze bieden een staalkaart van de poëzieproductie in die jaren en laten eerder een continuïteit in mijn schrijverij zien dan een breuk. En als ik moet zeggen waarop die continuïteit berust, dan zeg ik: op engagement.

Zie het linkermenu onder Meander Klassiekers (2001-2007) en Recensies in Meander (2002-2006) voor de nieuwe oude teksten.


  1. Beluister zijn interview op de podcast van De Nieuwe Contrabas vanaf minuut 18:00.
  2. Zie Bij de dood van Joop Leibbrand.

De grote weigering

Omslag

Marian Donner 1 en De grote weigering: dat lijkt op Bartleby (“I would prefer not to”), die ook één keer wordt genoemd, maar het gaat verder. Het boekje roept op tot verzet, en door te weigeren nog langer mee te doen, steek je vanzelf een spaak in het wiel.

Het boekje is een verademing om te lezen, zeker in het huidige klimaat. Nee zeggen, niet tegen de wereld, maar tegen de krachten die de wereld om zeep helpen. Hoe is dat mogelijk, hoe kan dat gebeuren? Volgens Herbert Marcuse, die door Donner onder het stof vandaan wordt gehaald (enkele bladzijden uit diens De eendimensionale mens (1964) zijn achterin opgenomen) doordat te weinig mensen de irrationaliteit inzien van ons zogenaamd rationele handelen.

‘In essentie’, zegt Donner, ‘draait alles om productie en consumptie. En het enige doel daarbij is groei. Het moet almaar efficiënter, almaar sneller en meer.
Dat is wat we vooruitgang zijn gaan noemen, meer groei en meer efficiëntie, en dat is ook waar onze moderne, westerse opvatting van rationaliteit op rust. Wat wij als rationeel beschouwen is wat in data uitgedrukt kan worden, in cijfers, waarna die cijfers verbeterd moeten worden. Het is een technologische rationaliteit waar wetenschap, politiek, media en het bedrijfsleven zich allemaal schikken. Maar daarmee is volgens Marcuse een (westerse) samenleving ontstaan die zelf ten diepste irrationeel is.

Hij schrijft: “Het samengaan van een stijgende productiviteit met een stijgende kans op vernietiging, het balanceren boven de afgrond der complete uitroeiing, de algehele overgave van eigen denken, hopen en vrezen aan de beslissingen van de heersende machten, het laten voortbestaan van een bittere armoede naast een rijkdom zonder weerga, dit alles vormt ook voor de volstrekt onpartijdige beschouwer een akte van beschuldiging – ook al is dit slechts een bijproduct van deze samenleving en niet haar ‘raison d’être’: haar overweldigende rationaliteit, die doelmatigheid en groei bevordert, is zelf irrationeel.”‘

Nu in de winkel.


  1. Dochter van J.H. Donner, mede-Mulisch-exegeet over wie mijn vader schreef in De kunst van het falen, p. 68 e.v.

‘De kindermoord in Bethlehem’ door Cornelis Cornelisz. van Haarlem

Gisteren heb ik de cursus ‘Inleiding kunstgeschiedenis 1: de kunst van het kijken’ aan de Open Universiteit afgesloten met een zgn. museumopdracht, zoals ik dat eerder ook deed voor de cursus ‘De Italiaanse renaissance (1300-1600)’ (zie Orcagna, Drieluik met Maria en kind en de heiligen Maria Magdalena en Ansanus).

Hieronder de vragen en eisen bij ‘De kindermoord in Bethlehem’ door Cornelis Cornelisz. van Haarlem, gevolgd door mijn antwoorden.

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

De kindermoord in Bethlehem

1. Stel een identificatie op van uw object, waarbij u zich houdt aan de wijze van bijschriften van de objecten die in de Bibliografische conventies is opgenomen. Dit betekent dat u na de naam van de maker, de titel van het object (wel cursief), de datering, de techniek en drager, de maten, de vindplaats (niet het zaalnummer) inclusief het inventarisnummer noemt. Een ieder die uw museumopdracht ooit zal raadplegen, beschikt aldus over de wetenschappelijk verantwoorde gegevens, waarmee het juiste object wordt vastgesteld en kan worden teruggevonden.

Cornelisz. van Haarlem, Cornelis, De kindermoord in Bethlehem, 1590, olieverf op doek, 245 x 358 x 12 cm, Rijksmuseum, Amsterdam, inventarisnummer SK-A-128 (foto: https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-128, laatst geraadpleegd op 6-2-2022).

2. Beargumenteer in maximaal 75 woorden tenminste twee van de materiële gegevens uit het bijschrift aan de hand van visuele gegevens op uw object.

De vloeiende, niet-gearceerde kleurovergangen in schaduw- en wolkenpartijen, alsook de datering wijzen op olieverftechniek, aangebracht op doek. De signatuur en datum worden linksonder op een steen vermeld: ‘CCornely. H. fecit Aº 1590.’

3. Formuleer in een enkele zin met hooguit een bijzin dan wel in twee zinnen waar uw kunstwerk over gaat, opdat de lezer zich een voorstelling van het object kan maken.

In het historiestuk De kindermoord in Bethlehem van Cornelis Cornelisz. van Haarlem zien we naakte soldaten met messen en zwaarden de door Herodes verordonneerde kindermoord plegen; buiten de stadspoorten, onder een dreigende wolkenlucht, worden baby’s de hals doorgesneden en vluchten moeders met hun kroost, of werpen zich op hun belagers.

4. Afhankelijk van het genre van uw object – historiestuk, portret of landschapsschildering – beschrijft en analyseert u in maximaal 300 woorden de voorstelling. Stel hierbij de belangrijkste beeldelementen en zeker de aspecten die u in de inleidende zin hierboven nog niet heeft genoemd aan de orde. Ook staat u in uw analyse stil bij de lichtval, de gebruikte kleuren en de manier van schilderen.

In liggend formaat confronteert het meer dan levensgrote schilderij de kijker met een gruwelijk schouwspel: gespierde, naakte mannen staan jonge kinderen met messen naar het leven, terwijl wanhopige moeders zich tegen hen verweren of een veilig heenkomen zoeken. De grond is bezaaid met kinderlijken. Het voorplan wordt ingenomen door vier mannen, waarvan de twee middelsten op de rug worden gezien terwijl zij zich van hun taak kwijten. Rechts loopt een soldaat frontaal het beeld uit met een kind onder de arm. Links is een soldaat door vier moeders overmeesterd; hem worden de ogen uitgekrabd. Centraal op het middenplan wordt een scène met twee soldaten en twee moeders uitgelicht, waarvan een vijfde groepje vluchtende vrouwen zich losmaakt. Daaromheen is het een donkere kluwen van vechtende of vluchtende moeders. In de verte biedt het schilderij een doorkijkje door de stadspoort die links aan vestingmuren is verbonden; rechts zetten deze zich voort in een bergkam die op het voorplan door geboomte wordt overlapt. Dit decor tekent zich donker af tegen een grauwe hemel. Het van linksvoor invallende licht werpt schrille slagschaduwen; de algehele sfeer is er een van horror en wanhoop: een hel op aarde.

Compositorisch wordt de voorstelling bepaald door de vier mannen op het voorplan, maar deze horen bij drie onderscheiden groepen, waar zich de groep op het middenplan bijvoegt. Zo wordt de compositie via de ordonnantie van de verschillende groepen ruimtelijk verdiept, en wordt de blik van de kijker verdeeld over de vier groepen en de vier mannen. De laatsten steken ook qua kleur af bij de vrouwen en kinderen, die bijna allemaal in een lijkbleke huidskleur zijn geschilderd. Alleen in de groep met de overmeesterde soldaat dragen de vrouwen kleurige gewaden, zodat kleur in dit schilderij een onderscheidend kenmerk van daders lijkt.

5. Duid in maximaal 75 woorden de mogelijke betekenis en/of verhaallijn van het object.

Het schilderij verhaalt over de slachting van alle kinderen onder de twee jaar die koning Herodes liet aanrichten toen hij hoorde dat er in Bethlehem een kind was geboren dat koning der Joden zou worden (Matt. 2:16-18). Maria en Jozef waren inmiddels met het kind gevlucht. Het voorval geldt als voorbeeld van redeloze terreur en zou door Prins Maurits, de mogelijke opdrachtgever van het schilderij, als een allegorie op de Spaanse overheersing bedoeld kunnen zijn.

6. Deel uw object stijlhistorisch in, overeenkomstig de wijze waarop dat in de Inleiding kunstgeschiedenis 1 gebeurt. Voor de stijlhistorische indeling is het noemen van de (schilder- dan wel sculptuur)school en, indien bekend, een precieze datering dan wel een globale datering liefst in de vorm van een kwart eeuw in principe toereikend.

Het in 1590 gedateerde werk is geschilderd in de overgangsperiode van maniërisme naar barok en helt over naar de laatstgenoemde periode. De eerstgenoemde stroming spreekt nog uit de gekunstelde, verwrongen houdingen van de figuren en hun sculpturale tekening; barok zijn de dramatische effecten, het clair-obscur, de emoties op de gezichten, de drukke bewegingen en ten slotte de berekende dieptebewerking en de niet-zichtbare lichtbron.

Daarnaast is er een duidelijke homo-erotische subtekst, die ook in andere schilderijen van Cornelisz. van Haarlem zichtbaar is en die hem de bijnaam ‘noordelijke Michelangelo’ opleverde. Aan deze sfeer, die contrasteert met de manifeste uitbeelding van gruwelijkheden, dragen de bedreven wandaden nog een sadomasochistisch accent bij.

Debriefing Deleuze’s ‘Verschil en herhaling’

Omslag Nederlandse uitgave Omslag boek Somers Hall

Afgelopen week las ik deze reus uit, samen met een leesgroep van Filosofie voor het Leven en gesteund door verhelderend commentaar van Henry Somers-Hall (het boek rechts). Anderhalf jaar lang las ik, in een tempo van vijf bladzijden per uur, een bladzijde of tien, die we dan wekelijks met elkaar tijdens online bijeenkomsten bespraken.

Om mezelf en mijn leesgenoten te kunnen debriefen, stelde ik een vragenlijstje op, gebaseerd op wat ik me nog herinnerde van de literatuurtentamens op de middelbare school. Hier volgen ze met mijn antwoorden:

1. Waar gaat Verschil en herhaling over? Probeer dit zo kort mogelijk te formuleren, liefst in dertig woorden. Dat lijkt weinig, maar dan kom je tot wat voor jou de essentie is.

Verschil en herhaling probeert in de filosofie de activiteit van het denken als zijn eerste en misschien enige voorwaarde op te vatten, door elke op een afleiding gebaseerde grond (identiteit, tegenstelling, analogie of gelijkenis) af te wijzen.

2. Met welk inhoudelijk doel zou je zeggen dat Deleuze het boek heeft geschreven (afgezien van het praktische doel om te promoveren)?

Zie het antwoord op 1: misschien met het doel om aan filosofie een nieuwe toekomst te verschaffen door af te rekenen met ‘het beeld van het denken’ ofwel het representatieve denken dat de filosofie heeft beheerst. In die zin is Verschil en herhaling typisch het werk van een filosoof die schoon schip met het verleden wil maken en nieuwe openingen voor zijn metier wil ontdekken. Hij heeft dat gedaan na voorbereidend werk in een serie monografieën (over o.m. Nietzsche, Spinoza, Bergson, Hume, Proust) en met inzet van alle middelen die hem ten dienste stonden, waaronder een enorme eruditie. Zijn entree in de filosofie is als die van Pallas Athene in de wereld: in volle wapenrusting, zo uit het hoofd van Zeus.

3. Zijn er dingen in het boek waar je moeite mee hebt, hetzij om te begrijpen, hetzij om te aanvaarden?

Het boek heb ik ervaren als één grote bevrijding en ik ben niets tegengekomen waar ik niet in mee kan gaan. Het is niettemin van een ongekende diepgang, niet omdat er geen vragen uit de weg worden gegaan (het ‘wetenschappelijke’ discours), niet omdat de auteur je ergens heen wil voeren (‘socratisch gesprek’) maar omdat elk antwoord weer nieuwe vragen oproept (Mulisch: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten’). Er waren een aantal onderwerpen waar ik onvoldoende vertrouwd mee was en die ik moeilijk vond: de differentiaalrekening en de koppeling van de drie syntheses van de tijd aan Freud.

4. Wat sprak je het meeste aan in het boek? Waar heb je het meest plezier aan beleefd?

Aan de stijl! Niet omdat stijl een bepalend criterium voor mij is maar omdat het de tastbare manifestatie van een houding, een benadering is, in dit geval: van een bereidheid om het leven te affirmeren en daarvoor aanleiding te vinden in de schoonheid ervan (waartoe ook het lelijke eventueel behoort) die dan in het geschrevene tot uitdrukking komt. Dit is de reden waarom ik ook aan moeilijke passages plezier heb kunnen beleven, door ze te lezen zoals je naar muziek luistert, zonder de wil om te ‘begrijpen’ en alle ideeën te ‘plaatsen’, maar ze als een stromende rivier langs te laten trekken.
Niet alleen in filosofisch maar ook in literair opzicht – het verschil is misschien maar kunstmatig – is Deleuze voor mij een schrijver van de eerste rang, niet omdat hij een groot stilist was, maar omdat die stijl het gevolg was van een besef van urgentie, en omdat hij het leven omarmde.

5. Heeft Verschil en herhaling je kijk op dingen veranderd? Welke dingen? Beleef je de wereld anders? Hoe anders? Is je kijk op filosofie, op wat het is en wat het kan doen, veranderd? Hoe?

Het boek heeft me doen inzien dat de dingen in de wereld niet op een enkel principe teruggaan – zelfs niet op verschil, want dan zou je alleen een conceptueel verschil hebben, geen concept van verschil, zoals Deleuze zegt. Dat betekent dat je moet blijven denken, dat elke oplossing een nieuw probleem, een nieuw concept oplevert waarmee we verder kunnen. Het doel is daarbij niet om ergens op uit te komen – dat zou weer een oplossing zijn – maar om niet vast te lopen. Filosofie staat, zo laat dit boek in navolging van Spinoza en Nietzsche zien, in dienst van het leven.

6. Als Deleuze nog leefde, wat zou je hem dan willen vragen of zeggen?

Ik zou hem willen vragen wat hij van onze tijd zou vinden, van het internet, fake news, identiteitsstrijd, het klimaat en corona… en of deze eeuw inderdaad ‘deleuziaans’ genoemd kan worden, zoals Foucault voorspelde. En ik zou hem willen zeggen dat hij voor mij een onuitputtelijke bron van inzicht, ideeën en genot is. Hoe moeilijk soms ook.

==

Over een paar weken beginnen we aan Logique du Sense, door Deleuze in dezelfde, onbegrijpelijk korte periode geschreven als Verschil en herhaling en zijn dikke boek over Spinoza. We gebruiken eigen vertalingen op basis van de Engelse versie. Meld je aan als je mee wilt doen via Zoom op maandagmiddag!

Op meloengewelvenjacht

Meloengewelf

‘Het aantal middeleeuwse kerken in West-Europa dat () volledig met koepels werd overkluisd, is echter vrij klein. () Een kloostergewelf is toegepast in de paltskapel te Aken, in dit geval op achthoekige grondslag. Ook het baptisterium in Florence heeft een dergelijk gewelf. Meloengewelven, die veel in Groningse kerken voorkomen, zijn eveneens koepelgewelven. Voorbeelden zijn de Nicolaïkerk in Appingedam en de Donatuskerk in het nabijgelegen Leermens.’

Zo las ik in een boek over middeleeuwse bouwkunst, met een vanzelfsprekende nadruk op kerken in Frankrijk, Duitsland, Italië. Maar meloengewelven (nooit eerder van gehoord) hadden ze in die landen niet; die hebben wij – althans die hebben ze in Groningen. Hoe trof het dat Groningse vrienden ons voor een kerstdiner uitnodigden? Unieke kans om op meloengewelvenjacht te gaan!

Nicolaïkerk in Appingedam
Nicolaïkerk in Appingedam

Helaas stond er geen afbeelding van een meloengewelf in het boek. Ik ging er daardoor van uit dat ik de associatie met de vrucht aan de buitenkant zou kunnen herkennen. Maar aan de Nicolaïkerk van Appingedam was niets meloenigs te ontdekken: alles is er even hoekig als steil. Had het boek zich vergist, stonden we bij de verkeerde kerk?

Leeg Gronings landschap
Leegte lacht in noordoost-Groningen.

We besloten het in Leermens te proberen, iets verderop gelegen, op een van de hoogste wierden (terpen) van Groningen – al merk je daar niet veel van. Als iets kenmerkend is voor het noordoostelijke Groningse landschap, dan is het wel de onstellende leegte, die volgens streekbewoner Oosterhoff ‘lacht’, ik neem aan om zijn eigen schrikbarend vlakke aanblik…

Donatuskerk in Leermens
Donatuskerk in Leermens

Zo hoekig en streng als het landschap was helaas ook de Donatuskerk in Leermens – maar wacht: dat bouwsel bovenop de toren, had dat geen meloenachtige vorm? ‘O, is dat alles’, riepen we teleurgesteld uit. Zou dat boek ons dáárvoor helemaal naar het hoge noorden hebben gestuurd? Pas later bleek dat het niet om een meloengewelf ging, maar om een zogenaamde dakruiter of lantaarn, een opening in het dak waardoorheen licht het interieur kan binnenvallen.

Nog één poging zouden we wagen, in Westerwijtwerd, 20 minuten verderop. Ook daar in eerste instantie teleurstelling: aan het exterieur was niets meloenvormigs te bespeuren. Wel bleek de bouwstijl typerend voor de ‘romanogotiek’ van Groningen en ook Friesland: het wat gedrongen volume dat de verticaliteit van de gotiek nog maar net begint te ontdekken, het zware bakstenen muurwerk, de relatief kleine vensters, soms afgerond zoals in de romaanse stijl, soms al wat spitser zoals in de gotiek. Maar meloengewelven waren er aan de buitenkant niet te zien…

Om de kerk in Westerwijtwerd heen lopend konden we door een paar raampjes naar binnen kijken. Maar kijk eens, daar! Daar waren ze! Geen lullig meloenvormig kapelletje bovenop een toren, maar groot en zwaar, onder het dak, van baksteen! Door de raampjes heen nam ik een paar foto’s. Bij het teruglopen naar de auto gaf ik zonder veel verwachting een duw tegen een massief groene deur, die eruit zag alsof hij in de middeleeuwen voor het laatst geopend was, maar die tot mijn verbazing meegaf: we konden erin!

Zo sta je het ene moment in een spreekwoordelijk labyrint, met nauwelijks een idee waar je queeste eigenlijk moet heenleiden, en zo bevind je je plotseling in het heiligste der heiligen, het object van verlangen van een wilde jacht. De ene dag heb je nog nooit van meloengewelven gehoord, laat staan je ervoor geïnteresseerd, de andere dag neem je foto’s door raampjes alsof je leven ervan afhangt.

Het kerkje, gebouwd rond 1250, is natuurlijk maar klein: twee traveeën, met een tussenlid uit de zestiende eeuw om aan te sluiten op de aanvankelijk losstaand gebouwde toren. Alles is even sober – en toch zijn er her en der versieringen aangebracht waar ik pas door een boekje bij de ingang 1 op attent werd gemaakt: lisenen (verticale banden aan de buitenmuur ter verzwaring van het muurwerk), kleine nisjes in het fries (strook vlak onder de dakrand), een klein spitsbogig beeldnisje in het timpaan (gevelveld) boven de deuropening, maar bovenal het fraaie metselwerk van de gewelven: elk veld van de meloen in een eigen patroon, als een flonkerende, telkens verschietende sterrenhemel.

Aan de noordwand zagen we nog een merkwaardige, verrukkelijk primitieve schildering die rond 1300 moet zijn gemaakt: in Italië luidden Cimabue en Giotto toen de Renaissance al in, maar hier moest de op zich vaardige handwerksman zich nog van eenvoudigere vormen bedienen. Twee kampvechters, elk voorzien van een klein schild, staan elkaar met een lans respectievelijk een zwaard naar het leven. Volgens Kalff 2 wil hun gevecht ons herinneren aan de ‘geestelijke strijd die wij gestadig tegen het kwaad hebben te voeren’. De strijder rechts, gesteund door een ondier met driepuntige tong, is dan de verpersoonlijking van het kwaad; onze held, met een eenvoudige hofhond, staat links.


  1. De kerk van Westerwijtwerd, door W.J. Berghuis, een uitgave van de Stichting Oude Groninger Kerken uit november 1978.
  2. Dr. J. Kalff, ‘De muurschildering in Westerwijtwerd’, Groningsche Volksalmanak 1899, p. 84-101.

Hoop in Oosterhout en de Biesbosch

Peter Buggenhout, 'On hold'. Foto: Mischa Keijser
Peter Buggenhout, ‘On hold’. Foto: Mischa Keijser

Dit weekend de tweede editie van de ‘biënnale’ van Oosterhout bezocht. De grootsteedse suggestie van dat woord maakt het provinciestadje waar dankzij bijdragen van onder meer Anish Kapoor, Bill Viola en Berlinde de Bruyckere, die ongetwijfeld weer te danken zijn aan het nabijgelegen De Pont, waar ik in elk geval de eerste twee eerder heb gezien.

Ik ben dol op dit soort kunstmanifestaties, of de werken nu in boerderijen hangen zoals in Watou, of in nonnenkloosters en abdijen zoals hier. Jammer alleen dat de gastvrijheid van die instellingen kennelijk het thema van de opstelling geïnspireerd hebben: het mij nogal tegen de borst stuitende ‘hoop’. Daarbij richt alles zich naar boven terwijl daar niemand is. Dat is op zich natuurlijk wel weer mooi, maar meestal levert het nogal platte en zinloze symboliek op. Neem het beeldmerk van de manifestatie, een werk van Jeppe Hein waarop geloof, hoop en liefde als ballonnen tegen het plafond duwen.

Op dezelfde manier hangt er een vliegtuig in de bomen, wapperen er vlaggen, worden er bomen geplant, en houden slachtoffers van allerhande misbruik ons in een video voor dat liefde overwint. Blijkbaar is het niet overal bekend dat hoop het middel bij uitstek is om misbruik voort te laten duren en mensen van opstand en verzet af te houden.

Maar het is met thema’s als met propria, zou Spinoza zeggen: het zijn maar namen, even essentieel als nietszeggend, die niet verhinderen dat er ook veel moois te zien en soms te horen valt: stemmen langs een wandelpad (Job Koelewijn), een oloïde peul (Maria Blaisse), doorschijnend albast (Anish Kapoor), baboesjka’s (Maria Roosen), video’s van een sereen, Vermeerachtig interieur (Bill Viola), en een opeenstapeling van incongruente vormen (Peter Buggenhout) die met hoop niets te maken hebben, maar juist laten zien hoe een leven van het ene toeval naar het volgende struikelt. Het levert geen mooi beeld op, maar wel een fascinerend object, in al zijn onbeholpenheid.

Een dag later een flink stuk langs en door de Biesbosch gefietst. Geen bever gezien, terwijl we er zo op hadden gehoopt! Gelukkig was er voldoende waar we niet op hadden gehoopt…

Lucebert na zijn biografie – brief in De Groene Amsterdammer

Vorige maand plaatste De Groene Amsterdammer deze ingezonden brief van mij. Het is een reactie op een artikel van Graa Boomsma waarin hij de visie op Lucebert die na Hazeu’s biografie heeft postgevat, nl. die van voormalig antisemiet en bewonderaar van Hitler, van de nodige nuance voorziet.

De periode voor Luceberts debuut heeft me altijd gefascineerd. Het is de periode waarin hij zijn haar laat groeien, zijn naam verandert en onder bruggen en bij de warme pijp van de IJ-pont slaapt. In deze mythische voortijd moet hij zijn ideologische dwalingen uit de oorlog van zich af hebben geworpen en is hij een ziener geworden in plaats van een blinde navolger. In het in de brief genoemde essay in nY vergeleek ik het met Saulus die onderweg naar Damascus in Paulus veranderde. Er is tussen die twee alleen dit cruciale verschil, dat Saulus zijn eerdere leven verloochende en rein en zuiver werd, terwijl Lucebert de tegenstellingen in zijn gemoed in stand hield, en ze zelfs uitbuitte. Hij wilde niet ontrouw zijn aan zichzelf, en aan de worsteling die hij in zijn ‘Achsenzeit’ had doorgemaakt. Hij hoefde dat ook niet. In zijn poëzie liet hij die worsteling keer op keer zien. Het is daarom dat die poëzie leeft, een ritme heeft en spreekt – niet omdat de dichter het lek boven had gekregen en tevreden kon zijn over zijn bereikte staat van genade.

Niet iedereen deelt die visie. Ik vind het grappig om te zien hoe de tweede, onverzoenlijke briefschrijver als het ware in de val loopt die ik onbedoeld voor hem had uitgezet.

 

Brief in Groene

Over de geest die niet wil transigeren

Afbeelding Thieme met citaat over inperking van rechten van kerken

Volgens de NOS is de Partij voor de Dieren een van de partijen – samen met FvD en 50Plus – met de minst trouwe aanhang. De reden laat zich raden: gerommel in de partijen, coups en tegencoups. Bij de PvdD kwamen er een voorzitter en een kamerlid die de partij wilden ‘verbreden’: een grotere aanhang bezorgen door water bij de wijn te doen. De voorzitter werd geroyeerd, het kamerlid splitste zich af, en de kiezer krabt zich nog eens achter het oor. Het idealisme van de partij zou kiezers moeten engageren, maar zo zie je wat oneigenlijke pogingen om de kiezersgunst te winnen per saldo opleveren. En dat terwijl juist de onverzettelijkheid, het ‘anticompromisme’ van de partij op haar achterban zou moeten afstralen.

Een ander probleem dat de partij parten speelt, is de kwestie van de zevendedagsadventisten, een genootschap dat de partij veel aanhang oplevert en waartoe oprichters Marianne Thieme en Nico Koffeman behoren. Ik heb geen moeite met de adventisten noch met hun eventuele invloed; het gaat er minder om waar je inspiratie vandaan haalt dan wat je met die inspiratie doet, en vaak genoeg leidt juist gebrek aan inspiratie tot de behoefte om beslag te leggen op het eigen gelijk en de wereld daarmee in overeenstemming te brengen, kortom tot fanatisme. Dat zie je aan sommige verlichte atheïsten, maar ook aan orthodox gelovigen die naar de letter leven en niet naar de geest.

Maar verbreding is al niet veel beter. Inspiratie veronderstelt integriteit, een kracht die eenheid tot stand brengt tussen voelen, denken, handelen en leven. Zodra je verbreedt, valt dat uit elkaar. Op die manier groeien is geen groei, maar aanwas, vertroebeling, revisionisme… Het streven is niet om zuiver te blijven, maar je niet door de buitenwacht van je pad af te laten brengen. Groeiend verzet, daar gaat het om.

In dit artikel van Nieuwsuur wordt gesteld ‘dat de partij afwijkt van andere links-progressieve partijen als het gaat om de invoering van een mondkapjesplicht (tegen) en de donorwet (tegen).’ Dat treft want daar ben ik ook tegen. Esther Ouwehand is er in het artikel in elk geval duidelijk over: de partij voert geen religieuze koers.

Onze lijn is altijd seculier en dat blijft zo. Dus er is geen adventistische invloed op onze standpunten of op ons verkiezingsprogramma. We waren seculier, we blijven seculier en ik ben niet gelovig.

Dat laatste is voor mij geen geruststelling. Integendeel, ik ben op voorhand geneigd om te zeggen: liever een adventist in de partij dan iemand die zoekt naar verbreding. Want daarmee blijft de partij kwetsbaar voor krachten die met haar idealen aan de haal willen gaan. Daar neigt ook Ouwehand toe, die formeel uitspreekt te willen regeren, en die in een stijgend aantal zetels extra capaciteit ziet om inhoudelijk te verbreden. Maar die werdegang kennen we al van GroenLinks en de PvdA. Of neem Van Kooten-Arissen, die voor haar politieke ambities nauwelijks een programma nodig lijkt te hebben. Aan de andere kant zijn het juist Koffeman en Thieme die het strengst vast willen houden aan de idealen van de partij.

Toch de vraag: wat willen de zevendedagadventisten, waar bestaat het genootschap uit? Volgens het Nieuwsuurartikel is het ‘een protestants kerkgenootschap dat leeft volgens de wetten van het Oude Testament, en dat abortus en het homohuwelijk afwijst.’ Dat klinkt nogal CU/SGP, maar zou het niet logisch zijn als de Partij voor de Dieren, die opkomt voor kwetsbaar leven, abortus ook afwees? Maar de partij kiest voor onafhankelijkheid en autonomie van vrouwen. Daaruit blijkt dat emancipatie – het Latouriaanse ‘stem geven aan wat geen stem heeft’ – voor de partij van meer gewicht is dan puur behoud van leven. Er is een reflex, ook bij mij, om in te grijpen wanneer een moeder zich tegen haar kind keert, alsof het om een aberratie, een vergissing gaat, terwijl hier natuurlijk geen instantie meer tot oordelen bevoegd is dan zij. Zolang het kind zich niet zelfstandig van zijn moeder kan ‘emanciperen’, moet ook zijn bestaansrecht nog van haar afhankelijk worden gesteld…

Wat het homohuwelijk betreft: misschien heeft de SGP gelijk en staat het huwelijk in dienst van het kind, maar ik kan me voorstellen dat ook homo’s behoefte hebben aan formalisering van hun relatie voor de wereld, net zoals hetero’s, die ook niet altijd kinderen hebben of willen. Hoe dan ook is de partij voor het homohuwelijk en hebben de zevendedagsadventisten zich volgens Wikipedia sterk uitgesproken tegen geweld jegens de lhbti-gemeenschap wereldwijd:

Om het geestelijke, emotionele, sociale en fysieke welzijn van homo- en biseksuele en transgenderistische zevendedagsadventisten te ondersteunen, werd in 1976 de internationale organisatie Zevendedags Adventisten Kinship Internationaal (ZDA Kinship) opgericht.

Is dit nou geen voorbeeld van schipperen, van ’transigeren’ zoals Menno ter Braak dat noemde: wel steun geven aan de homogemeenschap, maar hun het heilig sacrament, waarmee hun verbintenis ook hierboven rechtsgeldig wordt, ontzeggen? Maar deze opstelling is niet alleen kenmerkend voor deze kerk, maar ook voor de partij. Ze is gebaseerd op de erkenning van het verschil tussen denken en doen. Zouden de adventisten zich alleen door hun principes laten leiden, dan zouden ze zich afkeren van de lhbti’ers. Op dezelfde manier zegt de PvdD dat het al heel mooi is wanneer een vleeseter besluit om één dag in de week geen vlees te eten. Je hoeft niet in één klap perfect te zijn; het gaat erom praktisch te zijn. De idealen van de Partij voor de Dieren liggen niet in een ver verschiet, zoals de socialistische heilstaat, de hemel op aarde of zelfs de democratisering van D66. Je kunt er elke dag op allerlei manieren in meer of mindere mate uitdrukking aan geven.

Nico Koffeman is een case in point. Hem wordt verweten een opportunist te zijn, omdat hij belangen had in De Vegetarische Slager en inmiddels in de opvolger daarvan, Those Vegan Cowboys, terwijl hij voor de partij in de Eerste Kamer zit en die belangen daar direct kan behartigen. Maar wat is daar mis mee? Van opportunisme zou m.i. sprake zijn wanneer hij aandelen Unox of Stegeman zou hebben (hoewel die inmiddels ook wel op de duurzame vegatoer zullen zijn). Bovendien zijn alle senatoren werkzaam in de maatschappij: ‘Eerste Kamerleden stemmen geregeld over wetsvoorstellen waar ze belang bij hebben vanwege hun nevenfunctie,’ staat er op Wikipedia. Het wordt verdedigd met het argument ‘dat het goed is als geluiden uit de samenleving, via nevenfuncties, in de Eerste Kamer doordringen.’

Kortom, Koffeman gelooft in zijn idealen en verdient er geld mee, dat wil zeggen: hij voegt de daad bij het woord, heeft een praktische manier gevonden om die idealen aan de man te brengen en is bereid daarvoor risico te lopen. Geld verdienen aan je idealen: kan het beter? De meeste mensen verdienen geld met werk waar ze geen enkele band mee hebben.

Samenvattend: geen ideologische zuiverheid, ook geen verbreding, maar praktische politiek, vanaf de kleinste schaal (thuis, in de supermarkt) tot de grootste: het PvdD-gedachtegoed als vierde stroming en als wereldbeweging met zusterpartijen in allerlei landen.

Portret Multatuli

Hou vast aan je idealen! riep Marianne Thieme keer op keer, zoals ze in haar befaamde epifoor ook hamerde op het beëindigen van de bio-industrie. Die vasthoudendheid lijkt me bij uitstek een voorbeeld van bezieling door inspiratie, al dan niet door God ingeblazen. Voor het laatste Multatuli Jaarboek schreef ze een mooi stuk waaruit een grote bekendheid en affiniteit met Multatuli’s werk spreekt. Onder meer laat ze er in zien wat het verschil is tussen godsdienst en geloof:

Boeren van christendemocratische huize die op zondag Gods genade wasemen, zijn op maandag de trotse eigenaar van tienduizenden varkens die worden gehouden op een wijze die Gods geboden aan ale kanten schendt.

En ze vervolgt:

Dat Multatuli ook oog had voor de stemlozen, het lot van de dieren, blijkt uit Idee 484, waarin hij getuigt van het levend eten van konijnen op de Amsterdamse kermis: “En by ’t passeeren van die arme dieren, mompelde ik een gebed om vergiffenis voor ’t binnengaan.” De volgende ochtend schreef hij er een brief over aan de hoofdcommissaris van politie en de officier van justitie (idem p. 234). Deze dierenliefde die hem tot actie aanzette, is exact dezelfde liefde die heden ten dage nodig is om de strijd aan te gaan met de politiek zo goed georganiseerde vee- en vleesindustrie.

Integriteit wil zeggen eenheid van denken en doen, onder erkenning van het verschil tussen die twee. Tegenover integriteit staat niet een praktische toepassing van principes, maar de uitverkoop van die laatste onder het mom van verbreding. Onder Thieme was de partij de enige erfgenaam van de aloude PSP, en van de geest die niet wil transigeren. Het valt te hopen dat dit zo blijft.


Bij de verkiezingen van 2017 gaf ik Zes negatieve stemadviezen en één positief.
In 2009, toen ik de PvdD net had ontdekt, schreef ik een stemadvies c.q. -verklaring in twee delen: deel 1 en deel 2.