Lijven die werken

Rosas danst Rosas van Anne Teresa de Keersmaeker in Beersel

Wat een fantastische voorstelling was dat, Rosas danst Rosas, helemaal in Beersel (bij Brussel), in een mooie, uitverkochte zaal. Een klassieker, zo bleek, uit het oeuvre van de vermaarde choreografe Anne Teresa de Keersmaeker. Muziek van Thierry De Mey en Peter Vermeersch, componisten die in Vlaanderen wel tot de zgn. Nieuwe Eenvoud worden gerekend, een aan Andriessen en Reich schatplichtige, postminimalistische stroming die mij vooral aan de tune van Buitenhof deed denken. Hondsmoeilijk om op te dansen lijkt me, want de ritmes laten je geen moment met rust. Groot respect voor deze vier dansers, voor hun concentratie en discipline, al zijn die natuurlijk ook een functie van hun plezier en de liefde voor hun metier.

‘Rosas danst Rosas’: een programmatische titel die immanentie uitdrukt: de meiden van het door De Keersmaeker zelf opgerichte gezelschap Rosas drukken geen transcendentaal idee uit, maar dansen zichzelf. Ze zijn niet in een verhaal geplaatst, niet in een rol, niet in een emotionele dramaturgie. Hun lijven worden niet geëtaleerd, maar werken. Ze zijn – en dat is genoeg.

Bovendien zijn ze gelijkwaardig aan elkaar. Soms ‘deterritorialiseert’ (om Deleuze’s term te gebruiken) een danser, om te herterritorialiseren in een nieuwe configuratie met de anderen. Zo wisselen posities, patronen en accenten en is hun ‘identiteit’ geen vast gegeven, maar verkeert die in een proces van voortdurend worden.

De NY Times zei er in een recensie van een eerdere voorstelling dit van:

Het ene moment zijn de vrouwen gemene schoolmeisjes die wisselende allianties aangaan; het volgende moment vormen ze een onderdrukte vrouwengemeenschap die uiting geeft aan de frustraties van het leven, of aan sexy vrouwelijkheid; dan weer zijn het fabrieksarbeidsters die gedwongen worden dezelfde saaie handelingen keer op keer te herhalen. 1

In plaats van een ‘narratief’ is er dus een ‘storyless’ verloop dat het idee ondermijnt dat dans een dramatische of expressieve vertelling moet zijn. De herhaalde bewegingen en geometrische structuren plaatsen vorm boven expressie. De dansers putten zich uit, maar alleen fysiek, niet in romantische zin: er is geen drama, alleen hun lijven werken. Het is constructivisme versus humanisme.

Dat blijkt wel heel duidelijk uit de opzet van het werk. In het eerste tableau vallen de dansers neer op de grond, waar ze alleen kunnen rollen en draaien en zich half oprichten. Dit alles in stilte, alleen op de maat van hun ademstoten. Na dit eerste deel wordt in het tweede tableau zittend op stoelen gedanst, op de maat van de muziek. In het derde deel komen de dansers los van de grond en van elkaar. Ze dansen door de ruimte, zwierend en zwaaiend, maar niet hun hele lijf weet zich nog te bevrijden, zoals een sculptuur zich uit de steen laat verlossen: één arm blijft slap langs het lichaam hangen. Pas in het vierde deel komen ze helemaal los en ontstaan geometrische figuren op de grond: vierkanten, cirkels, parallellen enz. De grond die hen eerst vasthield, is nu zelf medium geworden.

Toch zijn dit geen dramatische scènes. Door de voortdurende wisseling van rollen is het niet mogelijk de vrouwen te karakteriseren, op een essentie vast te pinnen. Ze dansen zichzelf, maar ontsnappen ook aan zichzelf: aan een ‘zelf’ überhaupt waarop weer van alles geprojecteerd kan worden, en waardoor iedereen, ook het publiek, weer terug in zijn hok wordt gestuurd. Door de aandacht te richten op de dansarbeid zelf, doorbreekt het werk klassieke, patriarchale danscodes: er is geen sierlijkheid, geen verleiding, geen narratief waarin vrouwen ‘bespeeld’ worden door een mannelijk genie, maar ademhaling, inspanning, herhaling, uitputting. Natuurlijk zijn dat ook waarden, maar ze komen niet van elders: ze zitten in het dansen zelf. Dat maakte het stuk bij zijn première in 1983 zo revolutionair: het brak met de klassieke danstraditie waarin het vrouwelijke lichaam moeiteloos, elegant en licht moest lijken, alsof het gedragen werd door een idee. Daartegenover plaatste De Keersmaeker repetitieve kracht, vermoeidheid, autonomie.

Je kunt er als man van alles op projecteren, ook die vermaledijde ‘male gaze’, waar De Keersmaeker in bepaalde gebaren mee speelt: een ontblote schouder, een knoopje dat losgaat, een borst die wordt vastgepakt – of zijn dit formele gebaren waarmee ze de seksuele component bevestigt, zodat die niet in de lucht blijft hangen en we verder kunnen? Ik wil het graag denken. Mannen hebben tenslotte ook wel meer te bieden dan die gaze alleen.

Nog tot het eind van het jaar te zien in Warschau en Sjanghai (!) en in diverse steden in België, zie de speellijst. Hieronder de film die Thierry de Mey in 1997 van de voorstelling maakte.

 


  1. Zie de gearchiveerde pagina. ↩

Het Nee van de Rolling Stones

Genoten van Unzipped, een schitterende tentoonstelling over de Rolling Stones in het Groninger Museum. De tentoonstelling start beneden met een fel-realistische reconstructie van Edith Grove, het appartement dat de eerste bandleden met elkaar deelden, gaat op de eerste verdieping verder met een nagebouwde opnamestudio en eindigt met een grote finale op de bovenste etage van een concert op Cuba.

De Stones en popmuziek, in haar zuivere vorm, zijn equivalent aan elkaar. Beide belichamen verzet tegen het gezag en de cultuur van ouders. Ze zijn een groot Nee, een consequent volgehouden ontkenning, zonder dat ze er een alternatief verhaal tegenoverstellen, want dat zou ook weer ontkend moeten worden. Er is hier geen dialectiek, want hun antithese lost niet op in een synthese; satisfaction wordt nooit bereikt. Ze zijn de ‘Geist der stets verneint’, hun geflirt met de duivel, wiens geitenkop in de soep belandt, hun mantra ‘Paint it black’: het staat allemaal tegenover het Ja van de Beatles en hun witte, smetteloze boodschap van liefde.

Dat de tentoonstelling eindigt op Cuba is veelzeggend, want uiteindelijk is het de zonnige wereld van het kapitalisme die ze hun Nee in het gezicht werpen.

De tentoonstellingmakers stelden deze fraaie playlist samen uit invloeden op de Stones, van Muddy Waters en John Lee Hooker tot Robert Johnson en Bo Diddley.

Regenlicht – muziek van Rinus van den Bosch

Omslag van Regenlicht
Omslag. Frederik Hendriklaan, hoek Prins Mauritslaan in het Scheveningse Statenkwartier, waar Rinus van den Bosch woonde.

In het huis van Rinus van den Bosch, die mij in de laatste jaren van zijn te korte leven een tijdje onder zijn hoede nam 1 heerste een onbeschrijflijke chaos – voor zover chaos kan heersen dan. Overal lag troep en andere, in de loop van vele jaren bijeen gescharrelde ‘handel’ uit veilinghuizen en overal vandaan. Eén element onttrok zich aan die vrolijke verstrooiing van aardse materie: een enorme wandkast met daarin honderden, misschien wel een paar duizend elpees in nauwgezette alfabetische volgorde, allemaal uit het klassieke repertoire.

Rinus liet mij kennismaken met de liederen van Schubert en Schumann in uitvoeringen van Richard Tauber en Dietrich Fischer-Dieskau; ik wist niet dat het bestond of bestaan kon. Om beurten begeleidden we elkaar op zijn piano of we zongen ze in de auto van de kroeg naar zijn huis, dat hij door mij liet schilderen in een poging me uit die kroeg te trekken. Op een dag in 1995, één jaar voor zijn dood, gaf hij me een exemplaar van Regenlicht – illusie voor piano, een in eigen beheer uitgegeven partituur van twee bladzijden. Het zag er buitenissig uit, met tempo-aanduidingen als 1/8 + 3/4, 7/4 en 6/2 en het stuk eindigend op de allerhoogste toets van het klavier. Eindelijk een keer! Maar wat was dit: materiaalonderzoek, verkenning van een nieuw metier? Het zat ook vol instructies voor de dynamiek en voor het pedaal, en zelfs de totale duur had hij strikt bepaald op 2 minuten en 15 seconden.

Dat is wel vreemd: in zijn beeldend werk liet Van den Bosch juist veel over aan de kijker. Zijn schilderijen en tekeningen waren maar ‘voorstellen’, of ‘kleine gebaren’, even onvoltooid als de poëzie van Leopold. De kijker moet er zelf aan het werk en als een impressionist zijn ogen sluieren om oog te krijgen voor de werkelijkheid achter de feiten.

Een ‘illusie voor piano’… met het doorprikken van illusies begint een dialoog die als motto aan het werk voorafgaat:

Moet je die meeuwen zien.
Dat zijn duiven.
En die zwaan dan?
Dat is een reiger.
Ik bedoel die daar rechts.
Dat is een eend.

De rolverdeling is duidelijk: een kind (de kunstenaar) als eerste spreker, een autoriteit (vader, God) als tweede. Het kind wijst aan, de wet benoemt en legt vast. Maar wat blijft daarvan over als het licht verglijdt, of als door regen het beeld troebel wordt?

Allicht is dat de reden van al die instructies en tempowisselingen: het beeld is zo aan veranderingen onderhevig dat de weergave voortdurend aan de nieuwe omstandigheden moet worden aangepast. Dat is de paradox van dit impressionisme: het klankbeeld is wazig en vaag, net als de foto op het omslag, maar de uitvoering luistert nauw.

Daarom ben ik blij dat ik na meer dan twintig jaar in Jacob Engel ten slotte de professionele pianist vond die het voor me uit wilde voeren en opnemen. Het is voor mij een kleine sensatie om nu eindelijk naar dit onderdeel van Rinus’ werk te kunnen luisteren.


  1. Zie mijn artikel over Rinus en zijn werk. ↩