Onderschriften

Over: H.H. ter Balkt, Laaglandse Hymnen II, De Bezige Bij, Amsterdam 2002
Bron: Meander, afl. 191, 7 juli 2002.

Omslag

’Vooral in het najaar van 1348 heb ik gehele stukken van Europa afgezworven.’ Zo begint het verhaal Het veer van Simon Vestdijk, een zin waar ik geregeld aan moest denken bij het lezen van Laaglandse hymnen II van H.H. ter Balkt. Er is niets bijzonders aan, behalve dat hij de lezer onmiddellijk en met onwaarschijnlijk gemak de eeuwen laat overbruggen. Je eigen context lijkt als op slag verdwenen; er is alleen nog maar die wereld die voorbij leek, maar die plotseling in alle hevigheid weer voor je staat, en waar ook jijzelf je nu in bevindt.

In Laaglandse hymnen II doet Ter Balkt verslag van een ontdekkingsreis door de vaderlandse geschiedenis. Die reis begon in het in 1993 verschenen eerste deel met het gedicht ‘Steentijd’ en is in dit tweede deel gevorderd tot de drempel van de twintigste eeuw, het jaar 1899. Voor de meesten van ons is die geschiedenis verbonden met de schoolplaten van Isings en van Jetses. Hoe fraai ook, het waren afbeeldingen die niet meer bedoelden dan de droge feiten inzichtelijk te maken, zonder commentaar te leveren, en vooral getekend vanuit het perspectief van de ‘officiële’ geschiedschrijving. Dat is inderdaad de geschiedenis die wij met zijn allen delen, maar ze is helaas niet de geschiedenis van de mensen die het betreft. Onze geschiedenis is immers opgetekend door historici, beroepsmensen die net als wij door de tijd op een afstand van de gebeurtenissen zijn geplaatst.

Dat is in deze gedichten van Ter Balkt anders. Net als in die regel van Vestdijk is het perspectief hier niet dat van de geschiedschrijver, maar dat van de tijdgenoot. En die tijdgenoot spreekt nog altijd tot ons, bijvoorbeeld via de schilderijen en boeken die hij heeft achtergelaten, of, in een enkel geval, via een rookpluim die allang is verwaaid, maar die Ter Balkt nog steeds aan de einder ziet staan, zoals deze van Van Speyk:

…Knechting baart opstand en hagelend
onweer. Storm wierp het schip op de oever, woede
werd de lont, roer van vuur doorklieft nu de wolk!

Ter Balkt laat niet de geschiedenis, dat corpus van wetenswaardigheden, tot zich spreken, maar is de geschiedenis ingedoken door zelf bij zijn tijdgenoten op bezoek te gaan. Dat vereist natuurlijk veel verbeeldingskracht, en daarmee hebben we meteen de grootste kwaliteit van deze dichter te pakken. Niet zelden lijkt de taal in deze bundel van een andere tijd, misschien zelfs van een andere plaats afkomstig. De woorden zijn die van ons, maar ze getuigen van een manier van denken en van kijken die exclusief de dichter toebehoort, en die misschien is gevormd door de manier van denken en kijken van de mensen met wie hij zich in deze bundel diepgaand heeft geassocieerd:

Landschap met wagen (Jan van Goyen)
of: De ooggetuige

Meer dan dertig jaar na de slag klautert hij
die erbij was, de verscherfde ooggetuige,
van de wagen van Jan van Goyen, herinnert
zich de gekraakten onder de raderen,almachtig.

En daar was de lis, de bliksem-
besprongen eik. Gekerfd als Karel de Stoute
mompelt de getuige ‘Wat ik toen zag was vast
meer nog dan wat ik niet zag: de uitweg.’

Veelspakige wielen van de wagen rollen
dóór, na tweeëndertig winters. Geest op de tak
van de perenboom lost op in de houtrook

van vlammen bij de muur. Zeggen de zeearend
boven de zee, de haas in ’t bloedige veld
‘Wij zagen wat de ooggetuige niet zag.’

Ter Balkt is geen dichter die de taal zelf als onderwerp neemt; zijn engagement is duidelijk op de wereld betrokken. Door zijn oriëntatie op de vaderlandse geschiedenis nodigt hij een buitenliteraire werkelijkheid uit om deel te nemen aan de autonome wereld van het gedicht. Dat heeft onder meer tot gevolg dat hij afziet van de literaire en soms al te formele taalspelletjes die in veel poëzie opgeld doen, waarbij elke komma naar een andere komma dient te verwijzen. Ter Balkts sonnetten zien er dan ook alleen naar de vorm als sonnetten uit: twee kwatrijnen, gevolgd door twee terzinen. Maar alle verdere kenmerken – het rijmschema, en vooral de zogenaamde chute of volta, d.i. de wending in de gedachte tussen het octaaf en het sextet – ontbreken. Ter Balkt schreef dan ook geen sonnetten, maar hymnen: lofzangen, waarin vanzelfsprekend geen breuk optreedt.

Dat is opvallend in een tijd waarin taal door veel dichters en filosofen met wantrouwen wordt bekeken. Ter Balkt onderzoekt niet de taal, maar schenkt haar integendeel alle vertrouwen, daarbij gesteund door zijn virtuoze taalbeheersing, verbeeldingskracht en vindingrijkheid:

Een zweem van de regen, een zweem van de vreugde,
dat is alles wat er is. Een zweem droegen wij
verder, een zweem, en dit is alleen voor dat zweem.

Anders dan we bij soortgelijke passages gewend zijn wordt hier dus niet een woord opgetild en van alle kanten bekeken, maar een ding, hoe weinig dingachtig een ‘zweem’ verder ook mag zijn. Voor Ter Balkt ligt het primaat bij de werkelijkheid buiten de poëzie. In Amsterdam, Holland en Zeeland in de Gouden Eeuw schetst Ter Balkt die verdwenen werkelijkheid als volgt:

(…)

Er kwamen praalgraven voor admiraals,
de roemrijke in zeeslagen. Turf en wind
de pijlers van welvaart; en ’t water.

Grotius schreef De Vrije Zee. Binnenland
vol tollen; landscheidingen; overhalen.
Voor de schepen zagen zaagmolens hout.

En ook windhandel, touwslagerijen. Zweeds
koper en ijzer voer van hieruit ver.
Eén Engels schip op Holland: tien van hier.

Het is het enige niet-pseudosonnet uit de bundel, en het maakt daardoor een prozaïsche indruk, als gaat het om een jaarverslag. In de andere gedichten verlaat Ter Balkt dit vogelperspectief en vooral de wereld van de ‘praalgraven voor admiraals’. Want hoezeer Ter Balkt de gaten in de taal ook voor lief neemt, met die van de geschiedenis, generaties lang toegedekt door de romantische illustraties van Isings c.s., gaat hij niet zomaar accoord. Zijn belang is dat van het subject dat in die samenlevingen leefde: van de kleine mens, van een kat die door een raam naar buiten staart, of van Het puttertje van Carel Fabritius:

Het puttertje van Fabritius

Ze zeggen dat ik het puttertje ben, en dat zal wel.
In het westen erg zeldzaam sta ik hier zonder hemel
op mijn verblijf, mijn lievelingsbloem de distel
ver. Geen blauw hemelhuis maar een besmeurde muur.

En wat moet die ketting! Alsof wij vogels galeien
moeten roeien op die boom- en distelloze zee, nog
verder west dan west, daar waar de wereld eindigt!
Het goud in mijn vleugel verdonkerde als die muur.

Mijn kop die rood, wit en zwart is werd gedempter,
ja gedempter dan een wandelweg in schaduwen, dan
doffe zonneschijn in de bodem van een duivennest.

Mijn oog huilt om Carel de schilder, in een kerker
schuilt denk ik zijn geest, en duister mijn geel!
Mijn ketting is de jouwe: o haast ademloze, ontwaak.

Ter Balkt schreef een eigenzinnige, maar prachtige bundel over een onderwerp dat ons allen aangaat. Het wachten is nu natuurlijk op het slotstuk, dat de twintigste eeuw zal moeten bestrijken. Dan zal opnieuw blijken dat het niet om de jaartallen gaat, maar om het persoonlijk perspectief, zoals uit die zin van Vestdijk al bleek: het is de taal die ons de tijd doet overbruggen.

Plaats een reactie