Paasmeditatie

L’Aurora – Salvador Dalí

Bij alle beelden van de gekruisigde Jezus die deze dagen aan me voorbijtrekken, wil dit er maar niet in: hoe kan de voorstelling van een man die met spijkers door handen en voeten aan kruishout is geslagen ooit troost bieden, of uitgroeien tot symbool van liefde? Ook Nietzsche vroeg het zich af: hoe kan een op liefde gebaseerde heilsleer dreigen met hel en verdoemenis, en zijn eigen God zo’n wrede marteldood laten sterven?

‘Hij is gestorven voor jouw zonden’, luidt het antwoord, ‘zo ver strekt zijn liefde’. Maar hoe kan ik ooit vrede vinden met de fouten die ik maak als ik daar een ander voor laat opdraaien? Zou dat niet eerder nog een zonde erbij zijn?

Natuurlijk is dat het idee: de hele voorstelling is de vordering die de hemel op ons uit heeft staan. Maar ik zou nauwelijks kunnen leven als ik werkelijk zou geloven dat er iemand is gestorven om mij frank en vrij te laten leven. Veel liever zou ik zelf de schuld en eventuele schande van mijn daden dragen. Is dat trouwens ook niet mijn prerogatief? Het is mijn leven, waar bemoeit die ander zich mee? Als het goed is, heeft die zijn handen vol aan eigen zonden – alleen een gewetenloze is daar vrij van, nietwaar?

Het is Pasen, lente, de natuur begint met een schone lei, Jezus is gestorven en morgen herrijst hij, en wij met hem – maar dat kan ik alleen geloven als God géén mens is, maar inderdaad, zoals Spinoza zegt, Natuur, d.i. de werkelijkheid die we om ons heen zien, voelen en ruiken. Die werkelijkheid leer je alleen kennen door je eraan te stoten, dwz. door fouten te maken en op je gezicht te gaan. Daar hoeft verder niemand voor op te draaien – we trekken er alleen maar profijt van.

Vrolijk Pasen.

Over kijken en lezen

Facsimile van publicatie

Schitterende tekst van Rudi Fuchs in De Groene van een poosje geleden. Met al zijn kennis van de kunstgeschiedenis vertelt hij niets over de plaats van Andre, Merz of Kiefer in die geschiedenis. Niets ook over symbolische betekenissen, waarmee elk beeld wel kan worden opgeladen, of over de centraalperspectief in de Kiefer. Zijn column heet ‘Kijken’ en dat is wat hij doet. Hij vergelijkt de rechthoeken van Andre met de bolle vormen van Merz en houdt die tegen de achtergrond van de Kiefer. Zo richtte hij als museumdirecteur zijn zalen in, door à la Mondriaan – zijn grote favoriet – te passen en te schuiven met vormen. ‘Zo zag ik een mise-en-scène ontstaan. Op die manier keken we verder.’

Ik zie er wel een analogie in met de manier waarop ik gedichten lees of filosofische teksten. Helemaal begrijpen doe ik ze vaak niet, daarvoor zijn ze te moeilijk of te duister. Maar dat geeft niet. Ik hoef woorden niet hun plaats te wijzen in een systeem dat ik denk te beheersen, zodat ze daarin kunnen functioneren. Ik laat ze open en houd ze in mijn hand, tot het moment waarop ze bij andere woorden uit de tekst passen – maar altijd onder het voorbehoud dat ze ook ergens anders bij kunnen passen, als ze daar door andere woorden op een andere manier worden belicht. Zo ontstaan vele incomplete puzzels, werken in aanbouw die nooit worden voltooid. Maar dat is het doel ook niet. Teksten vragen niet om ‘begrip’ – dat is iets voor christenen en zondaars. Ze vragen erom dat je met ze aan de slag gaat: ‘nauwgezet en wanhopig’…

Hierbij de tekst van Fuch’s column:

Een geweldig werk was de gitzwarte iglo van Mario Merz. Het werd gemaakt in 1976. Toen, of een jaar daarop, heb ik het voor het eerst gezien. In het museum waren we toen vooral bezig met kunstenaars van overwegend het rechthoekige idioom. Er was bijvoorbeeld een expositie van Carl Andre in de maak. Niet alles kan in musea tegelijkertijd gebeuren. Verschillende vormgevingen kun je wel tegelijkertijd opmerken. Ik vond het juist en leerzaam bij kunst alle eigenzinnige verschillen te blijven zien. Carl Andre’s werk bijvoorbeeld was steeds recht van vorm. Zo, op die manier, werden ze in elkaar gezet. Tegelijk zag ik Mario Merz zijn werk doorgaans rond maken. Dat was nu eenmaal zijn idioom. Ik zag dat lijnen die hij tekende steeds gingen buigen. Die verbuigingen, ook in die zwarte iglo, zijn wonderlijk vrij in hun verbeelding. Het zijn geen cirkels rond een middelpunt. Dat soort vrij slingerende vormen, los als spiralen, zag ik dan naast en samen met een compacte groep staande blokken hout die Carl Andre tegen elkaar zette. Dat werd onverzettelijke sculptuur. De blokken waren ook massief. Ze stonden onwrikbaar op de vloer. Een iglo van Merz was altijd een volume dat hol was. Ze zien er lichter uit, heel anders dan zware blokken hout.

Carl Andre, Baucis, 1981. Hout (western red cedar).

Optisch leek het of een werk van Merz zou kunnen bewegen. De zwarte iglo was niet zwaarwichtig, eerder klein van vorm. Op de grond is het twee meter in doorsnede, hoog anderhalve meter. De zwarte huid bestaat uit stevige segmenten zeildoek dat werd doordrenkt met dunne pek, gedragen door een gebogen frame van metalen buizen. Het pek droogde en werd hard. Het harde zwart ging glanzen. In blauw neon staat er in Merz’ handschrift een ondertitel bij geschreven: luoghi senza strada. De iglo is een grillig licht volume. Staat hij eenmaal op een plek, is hij ook zonder moeite te verschuiven. De grondvorm is rond, maar niet afgemeten als een cirkel. Eigenlijk is het zwarte ding bol als een paraplu. In de holte is het geheimzinnig donker. Het gewicht ervan is onpeilbaar. Zoals hij daar staat is de vorm een raadsel. Het lijkt ook van boven neergedaald uit een onvoorstelbare verbeelding waar plekken nergens aansluiting vinden. Raadsels zijn donker.

Mario Merz, Igloo nero, 1967-1979. IJzer, asfalt, neonbuis, transformator.

De bloksculpturen van Carl Andre staan pal tegen elkaar. We zien hoe de blokken stuk voor stuk passen. Hun vorm is stevig als een gebouw. Nadat we een houten werk in de collectie hadden opgenomen, ontstond het verlangen naar een iglo van Merz. Zo gaat museaal verzamelen: ik had de zwarte iglo gezien, en toen zag ik ook hoe het in de zaal zou kunnen staan. Het was een hoekzaal. In de zaal daarvoor stond, recht langs de wand, een stille rij blokken van Carl Andre. De doorgang naar de volgende zaal bevond zich in het midden van de korte wand. Het was een zaal van acht bij twaalf meter. Bij het binnenkomen kreeg je, vanuit het midden, meteen een overzicht van de ruimte. Je moest schuin rechts midden door de zaal lopen naar de volgende doorgang. Die zat in de verre hoek van de lange wand rechts. De zwarte iglo vond een plek rechts voor het midden. Daar werd het een middelpunt. Je drentelde eromheen en eraan voorbij. Dan draaide ik me om, om van die kant nog eens terug te kijken. Dat gaat zo bij ronde werken. Die staan losser in de ruimte.

Anselm Kiefer, Märkischer Heide, 1974. Olieverf, acrylverf, schellak op jute.

Vanaf de iglo keken we naar links: daar hing vanaf halverwege de lange wand een breed bruin landschap van Anselm Kiefer, Märkische Heide. Dat was ook een nieuwe aanwinst in de verzameling. Alleen de maat ervan was al schitterend: 254 centimeter breed, 118 centimeter hoog. Een kaal landschap theatraal uitgestrekt. Hoofdzakelijk grijsbruin, zwart-geel, mosgroen. De schrale kleuren zijn oneffen. De horizon ligt heel hoog. Onderin vouwt het beeld zich in volle breedte open: daar begint een hobbelige landweg. Eerst breed, dan steeds smaller, de kleur van hard zand. Die weg, leeg en verlaten, is het grote motief in dit schilderij. Het land is plat en guur. De weg verdwijnt in de grijze verte. In die horizon daar zien we de weg oplossen. Het is daar stil. Het weer is grijs en koud als de kleuren. Zo schor en kaal bruin als Märkische Heide had ik een landschap nog nooit gezien. Dat was iets anders dan een Frans schilderij met klaterend blauw zonlicht. Maar ook een iglo, bolrond als een vilten hoed, had ik nog nooit zo zwart gezien. Ik keek over de iglo heen naar het schilderij, links verderop. Anderhalve meter hoog was het donkere volume. Verder weg hadden we de onderkant van het schilderij, waar de brede landweg begon, op ooghoogte gehangen. Eigenlijk iets hoger. Je keek naar het bruine landschap. Stel dat de zwarte iglo van boven neerdaalde en terechtkwam waar, in het schilderij, de landweg begint. Het zou kunnen dat de weg over het hobbelige bruin en naar het onbestemde grijs in de verte net voorbij de zwarte iglo was begonnen. Zo zag ik, met die werken, een mise-en-scène ontstaan. Op die manier keken we verder.

© Rudi Fuchs, 16 maart 2022 – verschenen in De Groene Amsterdammer, nr. 11.

De grote weigering

Omslag

Marian Donner 1 en De grote weigering: dat lijkt op Bartleby (“I would prefer not to”), die ook één keer wordt genoemd, maar het gaat verder. Het boekje roept op tot verzet, en door te weigeren nog langer mee te doen, steek je vanzelf een spaak in het wiel.

Het boekje is een verademing om te lezen, zeker in het huidige klimaat. Nee zeggen, niet tegen de wereld, maar tegen de krachten die de wereld om zeep helpen. Hoe is dat mogelijk, hoe kan dat gebeuren? Volgens Herbert Marcuse, die door Donner onder het stof vandaan wordt gehaald (enkele bladzijden uit diens De eendimensionale mens (1964) zijn achterin opgenomen) doordat te weinig mensen de irrationaliteit inzien van ons zogenaamd rationele handelen.

‘In essentie’, zegt Donner, ‘draait alles om productie en consumptie. En het enige doel daarbij is groei. Het moet almaar efficiënter, almaar sneller en meer.
Dat is wat we vooruitgang zijn gaan noemen, meer groei en meer efficiëntie, en dat is ook waar onze moderne, westerse opvatting van rationaliteit op rust. Wat wij als rationeel beschouwen is wat in data uitgedrukt kan worden, in cijfers, waarna die cijfers verbeterd moeten worden. Het is een technologische rationaliteit waar wetenschap, politiek, media en het bedrijfsleven zich allemaal schikken. Maar daarmee is volgens Marcuse een (westerse) samenleving ontstaan die zelf ten diepste irrationeel is.

Hij schrijft: “Het samengaan van een stijgende productiviteit met een stijgende kans op vernietiging, het balanceren boven de afgrond der complete uitroeiing, de algehele overgave van eigen denken, hopen en vrezen aan de beslissingen van de heersende machten, het laten voortbestaan van een bittere armoede naast een rijkdom zonder weerga, dit alles vormt ook voor de volstrekt onpartijdige beschouwer een akte van beschuldiging – ook al is dit slechts een bijproduct van deze samenleving en niet haar ‘raison d’être’: haar overweldigende rationaliteit, die doelmatigheid en groei bevordert, is zelf irrationeel.”‘

Nu in de winkel.


  1. Dochter van J.H. Donner, mede-Mulisch-exegeet over wie mijn vader schreef in De kunst van het falen, p. 68 e.v.

Debriefing Deleuze’s ‘Verschil en herhaling’

Omslag Nederlandse uitgave Omslag boek Somers Hall

Afgelopen week las ik deze reus uit, samen met een leesgroep van Filosofie voor het Leven en gesteund door verhelderend commentaar van Henry Somers-Hall (het boek rechts). Anderhalf jaar lang las ik, in een tempo van vijf bladzijden per uur, een bladzijde of tien, die we dan wekelijks met elkaar tijdens online bijeenkomsten bespraken.

Om mezelf en mijn leesgenoten te kunnen debriefen, stelde ik een vragenlijstje op, gebaseerd op wat ik me nog herinnerde van de literatuurtentamens op de middelbare school. Hier volgen ze met mijn antwoorden:

1. Waar gaat Verschil en herhaling over? Probeer dit zo kort mogelijk te formuleren, liefst in dertig woorden. Dat lijkt weinig, maar dan kom je tot wat voor jou de essentie is.

Verschil en herhaling probeert in de filosofie de activiteit van het denken als zijn eerste en misschien enige voorwaarde op te vatten, door elke op een afleiding gebaseerde grond (identiteit, tegenstelling, analogie of gelijkenis) af te wijzen.

2. Met welk inhoudelijk doel zou je zeggen dat Deleuze het boek heeft geschreven (afgezien van het praktische doel om te promoveren)?

Zie het antwoord op 1: misschien met het doel om aan filosofie een nieuwe toekomst te verschaffen door af te rekenen met ‘het beeld van het denken’ ofwel het representatieve denken dat de filosofie heeft beheerst. In die zin is Verschil en herhaling typisch het werk van een filosoof die schoon schip met het verleden wil maken en nieuwe openingen voor zijn metier wil ontdekken. Hij heeft dat gedaan na voorbereidend werk in een serie monografieën (over o.m. Nietzsche, Spinoza, Bergson, Hume, Proust) en met inzet van alle middelen die hem ten dienste stonden, waaronder een enorme eruditie. Zijn entree in de filosofie is als die van Pallas Athene in de wereld: in volle wapenrusting, zo uit het hoofd van Zeus.

3. Zijn er dingen in het boek waar je moeite mee hebt, hetzij om te begrijpen, hetzij om te aanvaarden?

Het boek heb ik ervaren als één grote bevrijding en ik ben niets tegengekomen waar ik niet in mee kan gaan. Het is niettemin van een ongekende diepgang, niet omdat er geen vragen uit de weg worden gegaan (het ‘wetenschappelijke’ discours), niet omdat de auteur je ergens heen wil voeren (‘socratisch gesprek’) maar omdat elk antwoord weer nieuwe vragen oproept (Mulisch: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten’). Er waren een aantal onderwerpen waar ik onvoldoende vertrouwd mee was en die ik moeilijk vond: de differentiaalrekening en de koppeling van de drie syntheses van de tijd aan Freud.

4. Wat sprak je het meeste aan in het boek? Waar heb je het meest plezier aan beleefd?

Aan de stijl! Niet omdat stijl een bepalend criterium voor mij is maar omdat het de tastbare manifestatie van een houding, een benadering is, in dit geval: van een bereidheid om het leven te affirmeren en daarvoor aanleiding te vinden in de schoonheid ervan (waartoe ook het lelijke eventueel behoort) die dan in het geschrevene tot uitdrukking komt. Dit is de reden waarom ik ook aan moeilijke passages plezier heb kunnen beleven, door ze te lezen zoals je naar muziek luistert, zonder de wil om te ‘begrijpen’ en alle ideeën te ‘plaatsen’, maar ze als een stromende rivier langs te laten trekken.
Niet alleen in filosofisch maar ook in literair opzicht – het verschil is misschien maar kunstmatig – is Deleuze voor mij een schrijver van de eerste rang, niet omdat hij een groot stilist was, maar omdat die stijl het gevolg was van een besef van urgentie, en omdat hij het leven omarmde.

5. Heeft Verschil en herhaling je kijk op dingen veranderd? Welke dingen? Beleef je de wereld anders? Hoe anders? Is je kijk op filosofie, op wat het is en wat het kan doen, veranderd? Hoe?

Het boek heeft me doen inzien dat de dingen in de wereld niet op een enkel principe teruggaan – zelfs niet op verschil, want dan zou je alleen een conceptueel verschil hebben, geen concept van verschil, zoals Deleuze zegt. Dat betekent dat je moet blijven denken, dat elke oplossing een nieuw probleem, een nieuw concept oplevert waarmee we verder kunnen. Het doel is daarbij niet om ergens op uit te komen – dat zou weer een oplossing zijn – maar om niet vast te lopen. Filosofie staat, zo laat dit boek in navolging van Spinoza en Nietzsche zien, in dienst van het leven.

6. Als Deleuze nog leefde, wat zou je hem dan willen vragen of zeggen?

Ik zou hem willen vragen wat hij van onze tijd zou vinden, van het internet, fake news, identiteitsstrijd, het klimaat en corona… en of deze eeuw inderdaad ‘deleuziaans’ genoemd kan worden, zoals Foucault voorspelde. En ik zou hem willen zeggen dat hij voor mij een onuitputtelijke bron van inzicht, ideeën en genot is. Hoe moeilijk soms ook.

==

Over een paar weken beginnen we aan Logique du Sense, door Deleuze in dezelfde, onbegrijpelijk korte periode geschreven als Verschil en herhaling en zijn dikke boek over Spinoza. We gebruiken eigen vertalingen op basis van de Engelse versie. Meld je aan als je mee wilt doen via Zoom op maandagmiddag!