Onder het Norvolk

Bron: Argus, jaargang 10, nr. 225, 18 juni 2026

Als je vanuit het Scheveningse Geuzenkwartier de Kranenburgweg naar Duindorp op fietst, zie je rechts op een oude loods in witte letters het woord NORVOLK staan. Het is de naam van een Zweeds bakkerscafé dat op het terrein van het voormalige transportbedrijf Norfolk Line is gevestigd, en dat met deze woordgrap naar het Noors/Scandinavische thuisland wil verwijzen. Vanuit de verte dacht ik eerst dat het woord er door een graffiti-artiest op was gekalkt, en dat de trotse bewoners van deze wijk zich hiermee aan de buitenwacht wilden presenteren: wij Duindorpers zijn ‘norvolk’, zelfbewuste Scheveningers die zich bij het uitdragen en bewaken van de eigen cultuur niet te goed voelen om in het gevang te belanden, en die aan die bereidheid mede hun identiteit als Duindorper ontlenen.

Mijn fantasie ging duidelijk met me op de loop, maar door die voorstelling kan ik me wel met hen verzoenen wanneer ik de wijk inga om post te bezorgen. Want dat doe ik nu een half jaar, sinds de stroom aan vertaalopdrachten vrijwel is opgedroogd, en ik na een carrière van een kwart eeuw als freelance vertaler gedwongen werd om uit een ander vaatje te tappen. Inderdaad, AI. Sinds elke tekst op een scherm met een of twee klikken vertaald kan worden, en sinds die vertalingen nauwelijks nog bewerkt hoeven te worden, zit ik zonder werk. Maar het lijkt erop dat ik in dit nieuwe bestaan mijn bestemming heb gevonden. In plaats van de hele dag aan mijn bureau naar een gefilterde selectie van de werkelijkheid te kijken, bots ik er nu met al mijn zintuigen weer tegenaan: ik voel de wind, de zon, de regen, ik ruik de zee, ik ontmoet weer mensen. Mijn vriendin vindt het een hele verbetering.

Daar komt bij dat ik met dit baantje in de voetsporen van mijn voorouders treed: mijn opa was ook vertaler, een polyglot zelfs die tien talen beheerste, maar in Nederlands-Indië werkte hij als hoofdcontroleur voor de PTT. Zijn kosmopolitisme strekte zich uit tot de filatelie en in het verlengde daar weer van tot de sfragistiek, of zegelkunde: hij liet een lakstempel in art-decostijl maken met de initialen van onze familienaam: C.d.G. voor Cornets de Groot.

Bovendien doe ik nu eindelijk recht aan het woord Cornets in die naam. Want waar verwijst dat anders naar dan naar de kornet (of cornetto) die in ons familiewapen figureert, ofwel de posthoorn waarmee de postbode in oude tijden zijn komst aankondigde?

De postbode als een engel met een bazuin: de brenger van goed en slecht nieuws. Let wel: alleen de brenger, niet de afzender; ik ben maar een fatisch medium voor een apostolische boodschap… Toch voelde ik me in het begin bezwaard als ik post van de belastingdienst, een incassobureau of een deurwaarder bij mensen in de bus stopte, en helemaal als die vergezeld ging van reclame voor de Postcode- of Vriendenloterij: wat bood ik hen daarmee anders dan valse hoop om hun wanhoop mee te bestrijden?

Op de Wieringsestraat woont een meneer die daar kennelijk ook geen zin in heeft. Vanaf mijn eerste dag zat zijn brievenbus vol. Er kon geen brief meer bij. Na een paar weken begon ik me zorgen te maken. Postbodes zijn voor de samenleving wat kanaries zijn voor de mijnbouw: vaak bespeuren ze als eerste onraad in een wijk. Ik zag weliswaar nog geen vliegen tegen de ruiten plakken, maar besloot toch de politie erbij te halen. Wat bleek: de bewoner mankeerde niets en beloofde plechtig zijn brievenbus te legen. Dat heeft hij tot op heden niet gedaan. Ik kan dat wel waarderen. Nu denk ik als ik zijn brievenbus opendoe telkens dat hij het probleem heeft opgelost dat Harry Mulisch in zijn roman De verteller ooit stelde: ‘Als je een hutkoffer neemt en die volstampt met postzegels, zodat er precies 3628799 in gaan, en niet eentje meer – kan er dan toch niet misschien nog eentje bij?’ Nee, er kan niets meer bij.

Duindorp ligt ingeklemd tussen het voorname Statenkwartier, de rustieke Vogelwijk en de zee. Die geïsoleerde ligging verklaart de geslotenheid van de gemeenschap, die negentig procent autochtoon is – grotendeels afkomstig uit de oude visserswoningen in Scheveningen-dorp die aan het begin van de vorige eeuw aan verkrotting en kaalslag ten prooi vielen. Het is geen getto, maar het tegendeel daarvan: een bastion. Mensen van kleur zie je er nauwelijks. ‘Die durven hier niet te komen,’ zeiden drie jongetjes ten tijde van de gemeenteraadsverkiezingen tegen me. Ze kwamen om elastiekjes bedelen en vroegen daarbij ietwat intimiderend naar mijn politieke voorkeur. ‘Jammer hè, dat D66 heeft gewonnen?’ zei er een. Ze waren hooguit een jaar of tien. Je kunt kennelijk niet vroeg genoeg beginnen met het bewaken en bestendigen van een politiek homogene cultuur.


 
Half april, twee maanden voor het WK, begonnen de straten hier al oranje te kleuren. Telkens wanneer ik de Amelandsestraat insla, lijkt het plotseling te gaan regenen, maar het is het geklapper van de vlaggetjes die de straat in lange slingers overspannen. Opvallend genoeg ontbreken verwijzingen naar het WK zelf: nergens zie je een voetballogo of een ‘Hup Oranje’, alleen een ‘We are the champions’. Op de Pluvierstraat, de hoofdstraat, hangen wel veel Nederlandse driekleuren, kennelijk te koop bij supermarkt Hoogvliet, en grote banners met DUINDORP. De Nederlandse vlag met VOC-embleem die het hele jaar al aan een muur van de Rottumsestraat hangt met de tekst ‘Stop de omvolkers!’ steekt er nu wat vlak bij af. Me dunkt dat de Duindorpse inteelt, met typisch Scheveningse namen als Pronk, Taal, Den Dulk, Spaans, Van der Zwan, enz. wel een beetje omvolking kan gebruiken.

Het eerste wat opvalt als je Duindorp in gaat, is de hondenpoep. Terwijl ik door mijn post blader, scan ik met een half oog de grond voor mijn voeten op nieuwe aanslagen. Want het lijkt een vorm van microterrorisme, ook al richt die zich op de eigen leefomgeving. Maar dat is niet het punt. Wij doen met Duindorp wat wij willen: dat is de boodschap.

Eén keer pas heb ik iemand betrapt. Een vrouw zette haar deur open, liet haar hondje naar buiten, vijf minuten later riep ze het beest weer binnen; midden op straat lag een hoop. Ze keek me aan met een blik van ‘Wou jij d’r wat van zeggen?’


 
De honden zelf zijn nog een ander verhaal. In de werkapp van Postnl worden de gevaarlijkste honden aangegeven, maar heel Duindorp is wat honden betreft een war zone. Sommige hondenuitlaters lopen met hun pitbull of Mechelse herder midden op straat om voetgangers uit de weg te gaan. Dat kan makkelijk want Duindorp is een stille buurt. Maar in de dubbele portieken aan de Pluvierstraat is die ruimte er niet, terwijl achter elke deur een hond kan zitten. Wat doe je als plotseling de deur opengaat en zo’n beest stormt naar buiten? Een collega raadde me aan om even te kuchen als ik de trap oploop, dan gaan ze je daaraan herkennen. Zo heb ik lang al kuchend die portieken op- en afgelopen. Inmiddels weet ik waar ze zitten en hoeft het niet meer; ze zouden nu ook mijn voetstap herkennen.

Die dubbele portieken zijn trouwens geen sinecure. Negentien stuks in totaal, met twee keer zestien treden per portiek. Mijn AI, waaraan ik een maandoverzicht van mijn stappenteller liet zien, zette de registers van zijn slijmproza wijd open: ‘Dit is een prachtig overzicht dat laat zien hoe ongelooflijk actief je bent. Je hebt deze maand maar liefst 228,6 kilometer te voet afgelegd. Hemelsbreed is dat zowat de afstand van Den Haag naar Groningen. Petje af voor deze statistieken; het laat zien dat je een topsportconditie opbouwt tijdens je werkuren!’

Duindorp. De mensen hebben verweerde, gegroefde en afgetobde gezichten. Soms kom ik een oud mannetje met één arm tegen. Een halve eeuw geleden was hij een hippie, er zit nog een zekere cool in zijn manier van lopen, maar als ik hem vraag hoe het gaat antwoordt hij steevast ‘Het moet maar hè’. Anderen zeggen: ‘Blijven lachen hè, d’r zit niks anders op.’

‘De sleutel van uw deur is het geduld’, denk ik met Leopold als ik dat hoor.

Het grootste wonder is nog dat Duindorp, landelijk bekend om zijn vuurwerk en zijn rellen, een doodstille wijk is. De zee ligt net te ver om te kunnen horen, maar je ruikt hem, vlak over de duinrand. Soms loop ik een hele straat af en komt er geen auto of scooter voorbij, alleen een oud omaatje, zo een die ook rondloopt in Jour de fête, de film van Jaques Tati, met Mr. Hulot als de dorpspostbode die door iedereen in de maling wordt genomen.

Soms, als het werk gedaan is, kijk ik nog even achterom als ik de wijk uitrij. Ik ga dan naar mijn huis in de Archipelbuurt, waar de mensen me vriendelijk toeknikken met hun van welstand en gezondheid blakende gezichten en waar in geen velden of wegen hondenpoep is te bekennen. Maar zij, mijn Norvolk, moeten hier blijven. Is het dan toch een getto, dat zich als bastion vermomt om de eer aan zichzelf te houden?

Plaats een reactie