Tellen met Paul Combrink

Het eind van het jaar nadert; wie telt er niet af? De Haagse kunstenaar Paul Combrink telt niet af, maar op: al sinds zijn geboorteuur. Dat wil zeggen: hij houdt de tijd bij vanaf dat moment en doet dat in uiteenlopende tijdrekeningen, van de Juliaanse tot de Joodse en van de Armeense tot de Chinese. Vorig jaar gaf ik een lezing over zijn werk; zie dit bericht. Die lezing vormt nu de soundtrack van de film Onvervulbaar verlangen:

Klik hier voor het weblog van Paul Combrink
Klik hier voor Combrinks website
Ga hierheen voor mijn artikel Beeld van verdwenen beeld

Kerstgedicht

het vlees is woord geworden

nu komen ook de kooien van de poëzie
weer open voor het gedierte van miró
een vlo een lekkerkerker en een julikever
raken met hun tentakels in de taal

oh droomkadaster gevoelig vatikaan
nu dwalen de devoten veel in uw terrarium
en kikkerstar ademend op avondmis
een aeralang – duister als bankgebouwen
onder de onweerlucht – ruisend van inflatiegerucht

maar snachts ontwaken de kanonnen hunner tongen
en kwakend gaan de granaten van hun kreten
over het ijskoude woud
kinderen op hun ogen koud
en schamel hurken om de stulpen van hun lippen
daar knettert het geraamte van de kerststal al
er is een heiland in met door zijn lijf
vijf kogeltrechters voor een nagelval

de tranen van de dood
de maden van kristal

Lucebert, december 1948.

Sinterbob (Jan G. Elburg)

Jan Elburg, z.t., gouache, 64,5 x 49 cm, 1953.

Si si de mamma, de man
schrijdt door de boeman
mak kersttak.
!UUUUUU! (wild geraas).
teer leica. vond je? is geckoman.
tafonteintje tje tje tje
van zinder klagelijk.
revolverwachting. KLOP KLOP KLOP
(hersens)
wiedekoe krijgt wiedegart.
bis (schop).

OOOOO watteprut bazaltzijn
te spelen met de bom de horleppijp
heerlijk s
u
l
l
e
n Walles (nietes)
delen.
suiker Goed suiker,
en MARS! links rechts links rechts
en PIJN,
marowee wat BITtere rijst
krengen. WIJ. voor koekoek koekoek
gardenia gardenia driemaal in de O.
bis (schop).

maar. IK. VREES. niet
IK niet.
dat wij (da twij. de twijfel)
KLAGEN.
va der ligt een kip int water
moe der ligt een kip int water.
cijns. O goed.
waren WIJ niet allen?
dagen.
velen waren WIJ.
(toch zoet).

(Uit: ‘Sinterklaas – de mooiste sinterklaasgedichten uit de Nederlandstalige literatuur’, n.a.v. dit bericht en deze publicatie).

The Third Man

The Third Man (Carol Reed, 1949) speelt zich af in Wenen, een paar jaar na de oorlog. Ondanks of dankzij Hitlers verzekering dat de stad een ‘parel’ was die het verdiende om ‘mooi te worden ingelegd’, is de stad flink gebombardeerd en nu net als Berlijn verdeeld in Engelse, Franse, Amerikaanse en Russische zones. ‘All strangers to the place and none of them could speak the same language. Except a sort of smattering of German’, zegt de voice-over aan het begin van de film.
Zo’n situatie, met een overmaat aan ongecoördineerd en dus ondoelmatig toezicht, biedt volop kansen aan vrijbuiters, gelukzoekers en overlevers van allerlei slag. Mensen die in ontwrichte samenlevingen tot bloei komen, zoals de hoofdpersoon in Vestdijks verhaal Het veer, die om die reden het spoor van de door Europa warende pest op de voet volgt, of er vlak voor uitreist. Wie nog in leven is, legt een ongewone vitaliteit aan den dag, zij het dat die zich voornamelijk ondergronds tot uiting komt: in het riool, waar een zwendelaar als Harry Lime (Orson Welles) zich als geen ander thuis voelt.

De grote acteur wordt in deze film op dezelfde manier gebracht als Marlon Brando 30 jaar later in Apocalypse Now: pas op driekwart van het verhaal, en grotendeels in duister gehuld – maar vanaf het begin gaat het over niemand anders dan hem. En net als kolonel Kurtz is elk humanisme hem vreemd: wie heeft het nog over mensen? Politici hebben het over ‘het volk’ en ‘het proletariaat’, waarom zouden wij het beter willen weten dan zij? Enfin, kijk maar even naar die beroemde speech:

The Third Man blijft vooral in de herinnering om de scènes in het stadsriool en de belichting van de Weense straten ‘s nachts. De stad speelt de eigenlijke hoofdrol, wordt er dan gezegd, en dat lijkt Harry Lime’s these alleen maar te ondersteunen: wie naar een stad kijkt als naar een mierenhoop ziet inderdaad alleen maar stipjes. Maar kijk dan eens naar de volgende scène:

De scène deed me denken aan de schilderijen van Ensor, of aan de films van Fellini: vol met ensembles van arme, domme, wantrouwende kleine luyden, die in staat zijn om zich op een teken aan iemand te vergrijpen, maar elk ook voorzien van unieke, onverwisselbare karakteristieken: geen stipjes.

In de eerste minuut van de volgende scène wordt de dialectiek, als ik dat zo mag noemen, tussen ‘stad’ en ‘stip’ in de montage tot uitdrukking gebracht. Je ziet de Weense straten in hun befaamde belichting, maar ze worden afgewisseld door de koppen van politieagenten en soldaten, vertegenwoordigers van een blinde macht, maar stuk voor stuk individuen. Ze wachten op de komst van Lime, maar in plaats daarvan komt er, voorafgegaan door zijn buitenproportionele schaduw, een oude jood aanschuifelen met een tros ballonnen. Een overlever: een van de stippen die in de zojuist afgesloten oorlog met miljoenen over de kling zijn gejaagd.

Je kunt niet anders dan vaststellen dat door de manier van filmen van Carol Reed de opvattingen van zijn belangrijkste protagonist worden ondermijnd.