Vliegen naar de Turkse tandarts

De röntgenfoto was gratis, maar onverbiddelijk. Rechtsonder kon een endo of wortelkanaalbehandeling nog soelaas bieden, maar de kies linksonder moest wijken voor een implantaat en een kroon. In zijn Delftse praktijk rekende de Turkse tandarts de kosten voor als ik de behandelingen door zijn partners in Istanboel liet uitvoeren: 120 euro voor de endo, 280 euro voor het implantaat en 720 euro voor de kroon. In Nederland zou ik, volgens de door de Zorgautoriteit vastgestelde maximumtarieven, aan de endo tussen de 300 en 650 euro kwijt zijn, aan het implantaat en de kroon maar liefst 2500 euro, afhankelijk van complexiteit en materiaal. De vlucht en het hotel met vervoer en ontbijt maakten à 295 euro deel uit van de offerte, die daarmee in totaal uitkwam op €1415, ruim duizend euro lager dan de kosten in Nederland.

Wilde ik trouwens niet overwegen om mijn hele gebit te vervangen, nu ik toch naar Istanboel zou gaan? In plaats van dat veelkleurige, schots en scheve ratjetoe van nu kon me daar voor zo’n 7000 euro een hagelwit en gaaf gebit worden aangemeten. Kosten in Nederland: 17.000 tot 26.000 euro. Maar ik bedankte vriendelijk. Mijn ‘ivoren wachters’, zoals Simon Vestdijk ze noemde, hebben lief en leed met me gedeeld, en dat is ze aan te zien. Maar liever dat dan zo’n valse, oogverblindende streep waarmee menig celebrity ons tegemoet treedt. Bovendien: het gebit hoort bij het skelet; het is het enige zichtbare deel ervan. ‘Met de tanden en kiezen steekt het geraamte door het vlees naar buiten als een 32-voudig memento mori’, zegt Harry Mulisch in zijn roman De verteller. Als we lachen tonen we onze sterfelijkheid.

Damien Hirst, For the Love of God

Volledig up-to-date

‘Ga je eindelijk voor een haartransplantatie?’ vroeg een vriend, die zich van zijn verblijf in Istanboel het straatbeeld herinnerde, dat gekenmerkt wordt door mannen met bebloede hoofdbanden. Maar het medisch toerisme naar de stad bestaat al lang niet meer alleen uit cosmetische ingrepen. Het is een enorme industrie geworden waar jaarlijks honderdduizenden patiënten uit de hele wereld op afkomen, en die de stad miljarden dollars oplevert. De lage kosten zijn daarvoor niet de enige reden. Waar je in Europa soms maanden op een ingreep moet wachten, daar kun je in Istanboel vaak binnen enkele weken (of zelfs dagen) al terecht. ​Bovendien doet de kwaliteit van de zorg niet onder voor die van ons. Er zijn tientallen ziekenhuizen met een JCI-accreditatie (Joint Commission International, een internationale standaard voor kwaliteit in de gezondheidszorg). Veel artsen zijn in het buitenland opgeleid en de privéklinieken beschikken over de allernieuwste medische apparatuur. Tel daar de gestroomlijnde, all-inclusive logistiek bij op, met hotelovernachtingen, een privéchauffeur tussen vliegveld, hotel en kliniek en meertalige gidsen of tolken, en je vraagt je af waarom de rest van Nederland de weg naar de Turkse klinieken nog niet heeft gevonden.

Misschien speelt de reis daarin een rol? Want die moet wel gemaakt worden en is geen sinecure, als je zoals ik niet gewend bent om te vliegen. Wie doet dat ook nog? Nou, hele volksstammen. Om die in goede banen te leiden, hebben luchthavens een controle-en beheerssysteem bedacht dat nog het meest doet denken aan de werkingen van een anaal gefixeerd monster dat plezier schept in het reguleren van stromen. Wie de film Koyaanisqatsi (1982) heeft gezien, herinnert zich daarvan ongetwijfeld het starten, kortstondig laten stromen en weer stoppen van mensenmassa’s op de repetitieve muziek van Philip Glass. De beelden toonden ons de mens als kuddedier in al zijn banale tragiek. Op luchthavens vervullen in dit systeem de zogenaamde wachtrijgeleiders, de zigzaggende hekken met uitschuifbare linten, een centrale functie. Handig om grote groepen mensen op hun beurt te laten wachten, maar als het rustig is, blijven die linten vaak gewoon staan, zodat je, om een afstand van enkele meters te overbruggen een veelvoud daarvan moet afleggen – alsof de orde pas geloofwaardig is wanneer ze redundant is. De schrijver Borges zei het al: de ultieme en meest angstaanjagende vorm die een labyrint kan aannemen is die van een rechte lijn, waarin je niet meer kunt afslaan en die eindeloos doorloopt.

Ontmanteld

Het is triest om te zien hoe gedwee mensen zich naar dit systeem voegen. Ze gaan naar hun vakantieparadijs, maar het zou evengoed de slachtbank kunnen zijn. Nu draagt het systeem daar zelf toe bij door je gaandeweg elke zin voor insubordinatie te ontnemen. Bij elk controlepunt – van je bagage, je kleding, je paspoort – lever je iets in, wordt je individualiteit ontmanteld, totdat je samenvalt met wat er op papier van je bekend is. Beroofd van broekriem en schoenen, ontheemd en onderworpen, sta je ten slotte met je handen omhoog in een poortje, waar je je laatste geheimen aan de scanner prijsgeeft. Het is allemaal geen toeval, denk ik terwijl een beveiliger me nog even afklopt. Het tl-licht, het gekletter van de plastic bakken, de dwingende aanwijzingen van het personeel en de ongeduldige rij mensen achter je creëren een stress die vanzelf volgzaam maakt: je werkt mee om er maar zo snel mogelijk van af te zijn.

Wereldburger nr. 1 Garry Davis

Terwijl ik mijn spullen bij elkaar raap, denk ik aan Garry Davis, de activist die zichzelf in 1948 tot ‘wereldburger nr. 1’ uitriep, zijn paspoort verscheurde en zonder dat mensonterend document door Europa reisde. Met zijn zelfgefabriceerde ‘wereldpaspoort’ lukte hem dat nog vaak genoeg. Wie had ook het recht om voor hem te bepalen waar hij mocht gaan en staan in deze wereld? Voor Davis was een mens eerst een mens, en daarna pas Nederlander, Amerikaan, Rus. Iedereen versleet hem voor gek, maar had hij geen gelijk? Voor de douanier die me bij het laatste controlepunt doorgang verleent, ben ik geen mens, maar een administratieve categorie, een bijlage bij mijn paspoort, zoals een koe een bijlage is bij haar oormerk.

Maar dan volgt, voor wie hier ongeschonden doorheen is gekomen, ook het reëel bestaande paradijs, de hemel op aarde: de belastingvrije zone met luxe goederen voor de geplaagde reiziger. Weeë muzak vult de ruimte waar drank, sigaretten, parfums en cadeaus worden verkocht om er de realiteit mee op afstand te houden. Mocht je honger hebben gekregen na al die stress, dan kun je bij de grab-and-gocounters voor 19 euro een ciabatta met kaas krijgen.

Na een vlucht van 3,5 uur loop ik Sabiha Gökçen Airport uit. Druk appende jongeren wachten me op. Kom ik voor tandarts die-en-die? Als ik hier wil wachten, dan word ik zo opgehaald. Taxi’s en busjes rijden af en aan. Na twintig minuten loop ik mee naar een busje waarvan de chauffeur het portier openhoudt. Een uur later sta ik voor een hotel midden in stadsdeel Beşiktaş.

Om me heen een drukte van belang. Het is al donker, maar bakkerijen, kledingwinkels, kapperszaken en andere winkels zijn nog geopend. Eén vestiging van Vodafone staat als een wanstaltige puist in het straatbeeld; voor de rest zie ik alleen kleine winkeltjes, cafés, theehuizen, eettentjes en terrassen waar druk wordt geconverseerd. Voor een koffiebar met boekenkasten langs de wand zit een groep vrienden bij elkaar. Een bespeelt een kanun, een trapeziumvormige plankciter, een ander een viool. De klanken vullen de ruimte niet, maar vermengen zich met de straatgeluiden, als om ze te verfijnen.

Mannen in polo, met zonnebril en polshorloge, zitten naast vrouwen en drinken koud bier en wijn of raki; studenten zie ik met een latte of met filterkoffie, soms met thee in een tulpenglas. Er wordt veel gerookt, en de rook lijkt de gesprekken te inspireren. Telefoons zijn er wel, maar domineren niet. Er wordt gelachen en gediscussieerd. Turkije mag een problematische democratie zijn, maar hier, tussen rook, stemmen en het gekabbel van de muziek – wellicht ook van de Bosporus verderop – wordt de macht tegen het licht gehouden. Ware democratie speelt zich niet online af, maar op straat, rond tafels, in een vrije, open ruimte.

Via een doolhof van autovrije straten passeer ik een vismarkt en loop door naar de oever van de Bosporus. Aan een kraam bestel ik gözleme, een met spinazie gevuld deeggerecht, en een bekertje ayran, yoghurt aangelengd met water en zout. Ik geniet er extra van: wie weet hoe lang ik morgen niet mag eten!

Mijn eerste afspraak

De volgende dag heb ik om tien uur mijn eerste afspraak. Bij de ingang van de praktijk staat een bak met plastic zooltjes die ik om mijn schoenen moet doen: in Nederland heb ik dat nog nooit gezien. Zou het, behalve een goede hygiënische gewoonte, een echo zijn van de rituele voetreiniging in moskeeën? De meeste artsen en assistenten die ik zie zijn rond de dertig. Alles is state-of-the-art en laat zien hoe deze bedrijfstak floreert.

Eerst is de kies die voor een kroon moet wijken aan de beurt. Helaas blijkt de ontsteking die eronder zit te groot om nu een same-day implantaat te kunnen zetten; dat zal een half jaar moeten wachten. Geen ramp, dat kan eventueel in Delft gebeuren. Ik krijg recepten mee voor antibiotica en pijnstillers, af te halen bij een drogist verderop in de straat, en word morgen verwacht voor de endo.

Wat te doen zolang ik niet mag eten en drinken? Ik besluit naar een hamam te gaan, een Turks badhuis. Geen moderne spa, maar een van de oude hamams in de wijk Taksim, met een fraaie Ottomaanse koepel uit de 16e eeuw. Ik loop naar de standplaats van de dolmuş, de Turkse deeltaxi: een busje waar acht tot negen mensen in passen die pas vertrekt wanneer hij vol is (dolmuş = vol). Een vrouw naast me gebaart dat ik 30 Turkse lira (ongeveer 80 cent) aan de passagier voor me moet geven. Deze geeft het door aan de passagier voor hem en zo gaat het verder tot aan de chauffeur.

Militaire post

Bij het Taksimplein stap ik uit. In 2013 waren hier flinke protesten tegen het stadsbestuur vanwege de voorgenomen sloop van een park voor een bouwproject. Het plein stroomde vol; na inzet van de politie sloegen de protesten over naar andere steden en werd het een strijd tegen politiegeweld en voor burgerrechten, inspraak en vrijheid van meningsuiting. Het plein veranderde in een geïmproviseerde agora met bibliotheken, medische posten, kookplekken en open fora met kunst, muziek en debat. Een soort Beşiktaş in het klein – totdat Erdogan ingreep. Er werden elf doden geteld, duizenden gewonden en duizenden arrestaties. De onlusten markeerden een politieke breuklijn: een nieuwe generatie burgeractivisten tegenover een steeds centraler opererende overheid. Nog steeds is er in een hoek van het plein een militaire post, bemand door soldaten met machinegeweren.

Aan een voorbijganger vraag ik de weg naar de Ağa Hamamı. Voor ik er erg in heb roept hij iemand aan, die enthousiast op me afkomt. Wil je naar de hamam? Wacht, ik help je. Samen lopen we op. Bij de hamam aangekomen wisselt hij een paar woorden met een man aan de deur die me vervolgens binnenlaat, en neemt afscheid van me.

Het is het zoveelste voorbeeld van een systeem van verwijzingen binnen een netwerk van betrekkingen dat voor mij volkomen ondoorgrondelijk blijft, maar waardoor ik word gedragen, zoals mijn geld werd gedragen in de dolmuş en zoals ik van het vliegveld naar het hotel werd gedragen. Wat een verschil met de gang van zaken op de vliegvelden, waar je voortdurend wordt tegengehouden. Het is alsof iedereen hier elkaar kent, ook als dat niet zo is, en ze je gezamenlijk vooruit helpen.

Voor de endo de volgende dag word ik door een andere tandarts geholpen. Leuk is het niet, dat eindeloze gerag in een spelonk van mijn lichaam, maar dat is het in Nederland ook niet, hou ik mezelf voor. En daar zijn geen hamams en is het lang zo gezellig niet als hier in Beşiktaş.

skyline Bosporus

Na de behandeling wordt nog snel een röntgenfoto gemaakt en dan staat de taxi naar het vliegveld alweer klaar. We rijden over de Bosporusbrug naar het Aziatische deel van de stad. Snel maak ik foto’s van de skyline, ‘die zich zo grillig vormt, met minaretten en koepels en palmen, naar een regel schoonschrift uit de koran’, zoals mijn vader dit uitzicht in zijn roman Tropische jaren beschreef.

Dan sta ik weer op het vliegveld en begint opnieuw het grote wachten. Bij de bagagecontrole is het rustig, maar de linten van de hekken zijn niet ingeschoven. Braaf leggen de mensen voor me de nutteloze meters af, bocht na bocht. Een plotselinge woede neemt bezit van me. Ik slinger mijn rechterbeen over het eerste lint, dan mijn linker. Zo, dat scheelt alvast twintig meter. Maar voor ik het kunstje bij het tweede lint herhaal, bedenk ik waar ik ben: in Turkije. Wil ik soms in een van Erdogans cellen belanden? Paul Virilio zei het al, in Snelheid en politiek: de politieke macht van de staat is polis, politie, ofwel het beheer van de openbare wegen: het reguleren, kanaliseren en moduleren van verkeer en stromen. Ze is fundamenteel gekeerd tegen de vloeiende beweging van mensen in een vrije, open ruimte. Mijn weerzin verbijtend sjok ik achter de andere reizigers aan, die net doen alsof ze niets gezien hebben.

‘Wat vindt je eigen tandarts eigenlijk van je Turkse escapades?’ wordt me bij thuiskomst gevraagd. Ik antwoord dat hij zich daar pragmatisch in opstelt en dat hij graag mijn gaatjes vult. Maar een vaste tandarts, zo een die je een kaartje stuurt voor de halfjaarlijkse gebitscontrole, is hij niet. Als ik klachten heb, merk ik dat vanzelf, ook zonder controles waarop zo’n relatie haar verdienmodel baseert. Ik poets en ik stook. Allicht blijft dat het beste middel tegen tandbederf – al biedt het geen garantie.

Plaats een reactie