Hockney roept in de zee

Een legendarisch gedicht van Tonnus Oosterhoff staat in de bundel Robuuste tongwerken (1997):

De kwal laat zich door de zee bespelen en roept o, maar het is de zee die zich uitdrukt in de kwal, niet de kwal zelf. De kwal kan geen kant op, wordt door de zee omspoeld en bewogen. Om hieraan niet ten onder te gaan moet het dier de klacht van de zee als een oproep opvatten en zichzelf een stem geven door van zijn mond een instrument te maken, een fatisch kanaal om de infinitief, d.i. het oneindige, sublieme van de zee tot uitdrukking te brengen. Door zichzelf van een lichaam te voorzien, een fatische uitbreiding, kan de kwal zich bevrijden en zich autonoom tot de zee verhouden. Het is letterlijk Kants verlichte project om de mensheid ‘mondig’ te maken en boven de natuur te verheffen. Wie zichzelf niet van een stem voorziet, dus van zijn lichaam een instrument maakt, is ‘niet te weten’: dat geldt ook voor dit doorschijnende, vrij zwevende holtedier.

Omgekeerd is de zee zonder kwal evenmin te weten, want nu pas wordt haar klacht ontvangen en doorgegeven, overal waar de kwal zich ophoudt. Het ‘o’ van de zee, nauwelijks meer dan een idee, heeft vorm gekregen; via een fatische ingreep heeft het dier zich bevrijd van de sublieme druk. Nu pas roept de kwal in de zee.

De zee oneindig en subliem, de kwal overal te weten: van deze opstelling tekende David Hockney eens het diagram. In de bovenste helft het traditionele perspectief, daaronder Hockney’s (en Oosterhoff’s) voorstel:

Volgens Hockney is in het traditionele perspectief het verdwijnpunt de oneindigheid (∞) en is de kijker een immobiel punt dat zich buiten de afbeelding bevindt. Als nu het oneindige gelijk kan worden gesteld aan God, zegt Hockney, is Hij onbereikbaar, en zijn mens en God beiden alleen. Maar als het perspectief wordt omgedraaid, wordt de kijker mobiel, net als de kwal, en zijn God c.q. de oneindigheid overal, net als de zee. Het is het verschil tussen een blik die bewegingloos voorbij de dingen naar een punt in de verte staart, een metaforisch perspectief, en een blik die bij de eerste weerstand uiteenvalt en het object van aandacht van alle kanten aftast: een metonymisch perspectief. In Hockney’s praktijk ontstaat daarmee een collage van metonymische fragmenten, een uit polaroids opgebouwd kubistisch landschap of portret, zoals dit van zijn moeder.

David Hockney, Mother, fotografische collage, 1985.

Hockney’s bijdrage aan de theorie van het zien kan niet worden overschat.

Plaats een reactie