Over het schrijven van recensies
Bovenstaand gesprek werd opgenomen op 28 oktober jl. in de Haagse Kunstkring. Het panel werd geleid door Edith de Gilde en bestond verder uit Johanna Hell (NBD-Biblion), Edwin Fagel (Awater), Willem Tieske Derks (De Contrabas) en mijzelf. Als bijlage volgen hier de aantekeningen die ik ter voorbereiding had gemaakt.
Doordat een recensie altijd volgt op een boek of een bundel lijkt het alsof het genre nog minder op zichzelf staat dan het essay, maar het heeft toch specifieke merites met eigen kenmerken, en het schrijven ervan vereist speciale vaardigheden. Iedereen kan wel een gedicht schrijven, helaas. Maar een kritiek?
Te zeggen dat een recensie bemiddelt tussen een werk en het publiek: daarmee wordt aan de recensie dat zelfstandig karakter ontzegd. Een recensie wordt een soort advies aan de consument en gaat functioneren binnen een kapitalistische economie. De bundel wordt een verhandelbaar object, terwijl de dichter van zichzelf en zijn poëzie wordt vervreemd. Mijn advies: laat de consument het zelf uitzoeken.
De werkelijkheid is dat poëzie helemaal niet wordt verkocht. Er is daarom voor recensenten des te meer reden zich onafhankelijk ten opzichte van zowel het werk als het publiek op te stellen. In plaats van dat de kritiek moet bemiddelen tussen bundel en lezer kun je met evenveel recht zeggen dat de poëzie mag bemiddelen tussen lezer en kritiek. Niet in de laatste plaats ook op literaire gronden.
Concreet betekent dit dat een recensie alleen aan zichzelf verantwoording verschuldigd is. Levert de recensie een coherent (niet-tautologisch) verhaal op, dan is er geen derde partij (de ‘auteursintentie’) nodig om over de werkelijkheidswaarde van het oordeel te beslissen. De recensent vertelt dan een eigen verhaal dat met één of twee goed gekozen citaten uit het werk kan worden geïllustreerd. Weg met de kritiek die, hoe afbrekend wellicht ook, slaafs de bundel in zijn opeenvolgende afdelingen en cycli volgt en daarbij de organisatie van de recensie uit handen geeft.
Door vragen te stellen als: wat beoogt de dichter, wat is zijn uitgangssituatie, enz. komt een recensent vanzelf al tot zo’n betoog. Het oordeel over de poëzie kan dan grotendeels worden overgelaten aan de poëzie zelf. Is die erin geslaagd de doelstelling van de bundel tot uitdrukking te brengen? Dat is een vele malen interessantere vraag dan: vind ik deze poëzie leuk, doet ie me wat? Op dezelfde manier is de vraag: is dit goed? vaak veel minder interessant dan de vraag: wat is dit?
Alles staat stil
Aan het begin van Denken op de plaats rust vraagt dichter Henk van der Waal de lezer om eventuele tegenwerpingen voorlopig op te schorten en eerst een poos met hem méé te lezen. Eigenlijk is dat overbodig. Van der Waal doet er toch al alles aan om de lezer mee te krijgen. Zijn filosofische traktaat – want dat is dit boek – is verdeeld in delen, hoofdstukken en paragrafen, waarvan de kortste soms maar een enkele regel telt. Dat leest al heel erg lekker. Daarnaast verleidt Van der Waal je met zijn stijl. Een vrij willekeurig voorbeeld, op p. 81, in een passage over de dubbelhartige godsbewijzen van Descartes: ‘God is God omdat hij geen bewijs nodig heeft en niet bewezen kan worden. Als je hem wel gaat bewijzen, hoe lullig ook, dan maak je hem relatief aan dat bewijs en ontneem je hem zijn absolute status.’ Ook de hoofdletter is zo aan aan het gemak geofferd.
Het voordeel van deze didaktiek is natuurlijk dat het boek er voor iedereen toegankelijk door wordt. Er is ook een nadeel aan: Van der Waals lezers hoeven zich op geen enkele manier te kwalificeren. Die worden, helemaal in de geest van de tijd, bediend als de luie en veeleisende consumenten die ze zijn. Dat kan Van der Waal zo doen omdat hij uitgaat van een hoopvolle, verlichte premisse: dat die lezer voor verbetering vatbaar is. Dat hij hem zal kunnen ópheffen naar een stralende staat van geluk, vervuld van filosofische gedachten, van kunst en van liefde.
Binnen zijn vooral door Kant geïnspireerde filosofie staat niet de werkelijkheid, maar de mens centraal. Van der Waal citeert Nietzsche’s uitspraak wel dat de mens een brug is en geen doel, maar de reden waarom dat zo is – nl. dat de wereld niet is, maar wordt – ontbreekt volledig in zijn boek. Dat heeft dan ook niet voor niets de titel die het heeft. Alles staat stil bij Van der Waal, want zoals bij bijna alle filosofen is dat de voorwaarde om überhaupt te kunnen denken. En daarom vergissen de meeste filosofen – op Herakleitos, Nietzsche, Bergson, Deleuze en een paar anderen na – zich ook op cruciale momenten. Maar de eerst- en laatstgenoemden schitteren door afwezigheid in dit boek.
Door de wereld stil te zetten, te denken op de plaats rust, kun je de dingen wel gemakkelijker uit elkaar houden. Van der Waal ziet het verwarren van verschillende categoriën (daar heb je Kant weer) ook als de hoofdoorzaak van de meeste ellende. Na een vogelvlucht door de geschiedenis van de filosofie, waarin hij laat zien hoe de een na de andere kolos de plank heeft misgeslagen, besteedt hij de tweede helft van zijn boek aan een analyse van drie ‘ervaringsbereiken’ die hij onderscheidt: dat van de waarheid, de aanspraak en het onbestemde. Hij legt het mooi uit, maar ik heb me het hele boek door niet kunnen losmaken van Luceberts spreuk dat ‘niemand meer rubriceert’.
Van der Waals ambitie met dit boek is niet gering. Niet alleen herschrijft hij de geschiedenis van de filosofie, maar ook wijst hij de weg naar een nieuwe manier om het project mens nieuw leven in te blazen. En daarbij gaat het niet alleen om denken, maar ook om hoe je je gedraagt. Een praktische filosofie dus. Niet teveel Facebooken! Trek je liever terug! Maar zit deze wereld op kluizenaars te wachten? Wordt er op het door hem verfoeide internet niet aan een veelbelovend nieuw project – mens 2.0 – gewerkt?
Voor wie daarentegen het ‘zelf worden’ (naar de titel van Van der Waals laatste bundel) 1 wil praktiseren biedt dit boek een nuttige handleiding.
—o0o—
Henk van der Waal
Denken op de plaats rust
Querido, 2012
240 pagina’s, €22,50
—o0o—
Gepubliceerd in: Awater, najaar 2012, p. 32/3.
Anti-Covey. Of: zeven antiprincipes voor het schrijven van een essay

Wat voor zin hebben de zeven principes van de vorige week overleden managementgoeroe Stephen Covey voor het schrijven van een essay? We gaan ze stuk voor stuk na.
1. Wees proactief
Volgens Van Dale betekent proactief ‘in zijn handelen of optreden anticiperend, vooruitlopend op verwachte toekomstige werkingen of handelingen of de resultaten daarvan’. Ja, dan heeft het schrijven van een essay niet zoveel zin. Conclusies hebben de neiging het zicht op de werkelijkheid te vertroebelen.
2. Begin met het eind in gedachten
Opnieuw: dan kun je het schrijven van een essay net zo goed laten. Liever hou ik me aan een mooi oud principe als obscurum per obscurius, ignotum per ignotius, ofwel het duistere (verklaren) door het duisterdere, het onbekende door het onbekendere. In het begin tast ik rond, ik weet niet waar ik heen ga, laat staan waar ik uitkom, maar ik ben op weg. Het eind in gedachten? Schrijven (en leven) alsof de dood niet bestaat.
3. Belangrijke zaken eerst
Ja, en op welke veronderstellingen worden de prioriteiten toegekend? Alweer is het werk al gedaan nog voor het moet beginnen. En zijn het niet juist de kleine afwijkingen, de aberraties die het meest de aandacht vragen en juist vaak de ingang vormen tot het onderwerp? En trouwens, is het ook geen recept voor machtsuitoefening, deze deductie, dit scheppen van kaders om het kleine, bijzondere in te vangen? Begin met iets kleins zou ik zeggen, een mens bv, en trek van daaruit conclusies voor wat er algemeen wil zijn.
4. Streven naar gezamenlijk profijt
Ik heb bij het schrijven van een essay geen tweede partij voor ogen aan wie ik wat zou moeten gunnen, of waarmee ik een balans in evenwicht moet houden. Dit verkapte moralisme is aan mij in mijn werk niet besteed. Ik ken maar één belang: het mijne. Zolang ik wijzer word van het essay, in welk opzicht ook, is het goed. Wordt een ander er wijzer van, dan is dat mooi, maar de inzet is niet om tot een objectief oordeel te komen. De inzet is om mijn verhouding te bepalen tot het onderwerp.
5. Eerst begrijpen, dan begrepen worden.
Klinkt als ‘nooit meer oorlog’. Het gaat niet om begrip, maar om doorzien: de camouflage- en mimicrytechnieken van de dichter, de filmer, de kunstenaar. En het gaat er niet om zelf begrepen te worden, maar om iets voor elkaar te krijgen. Mystificatie is daar doorgaans een beter middel voor dan dit humanistische ‘begrijpen en begrepen worden’. De mens is onbegrijpelijk, en alleen in de mate waarin hij onbegrijpelijk is de moeite waard; begrijp dat eerst maar.
6. Profijt uit verschillen halen (synergie)
Alweer: samenwerken. Verschillen respecteren. Verschillen overwinnen ook. Oplossingen zoeken waar iedereen zich in kan vinden. De som is meer dan de delen. Enz. Nee! Deze som is niet meer dan de delen. Hier klim je niet dialectisch naar de hoogste top. Hier maak je jezelf leeg en ga je integendeel ondergronds. ‘Ezel mijn bewoner’: hier geef je stem aan wat geen stem heeft. En daarvan vervuld doe je iets wat alleen jij voor elkaar kan krijgen.
7. ‘Hou de zaag scherp’
Leef en eet gezond, enz. Bid, werk, doe aan yoga.
Mijn beste essays, en de beste momenten in die essays, zijn te danken aan Jameson whisky, aan sigaretten en aan de plaatselijke drugskoerier. Uitgeput ging ik naar bed en nog voor ik uitgerust was zat ik alweer achter de pc. Vloekend, rochelend. Ik ben nu wat ouder en leef wat gezonder. Ik loop zelfs rondjes door bos en duin. Maar zeg ik met de dichter:
in duisternis is ieder even slecht
de buidel tederheid is spoedig leeg
alleen wat dichters brengen het teweeg
uit poelen worden lelies opgedregd
Wantrouw alle goeroes. Geen voorbeeld doet vóórgaan.
Taxi Driver Revisited
Alle films van Martin Scorsese zijn gebouwd rond de verhouding tussen een meester en een leerling. Hun verwikkelingen worden bij elkaar gehouden door een motief of idee dat de film draagt. Vanaf The age of innocence (1989) mondt dit idee uit in een slotbeeld dat de aard van die verhouding (en het thema van de film) samenvat: een verraderlijke rat bv. aan het eind van The Departed:
De verhoudingen tussen de posities van leraar-leerling en idee zijn in elke film anders; in Casino bij voorbeeld wordt het ideaal – een bestaan opbouwen in Las Vegas en geld verdienen – door alle deelnemende partijen vakkundig om zeep geholpen, waarna ook het oude Las Vegas zelf met de grond gelijk wordt gemaakt:
De manier waarop bij Scorsese een motief aan de hand van de verwikkelingen tussen leraar en leerling dialectisch opklimt naar de apotheose van een idee, om het in een formule samen te vatten, levert dus geen statisch keurslijf op, maar een schema dat in alle richtingen kan worden aangepast en waar men elke film van Scorsese mee te lijf kan.
In Taxi Driver (1976) heeft Travis Bickle (De Niro) aanvankelijk geen enkel doel of opdracht. Dat zint hem niet: ‘I believe that one should become a person like other people’, zegt hij – maar door als taxichauffeur te solliciteren en rondjes te rijden door het labyrint van de stad formaliseert hij zijn doelloze bestaan alleen maar.
De tijd die hij dan nog overhoudt brengt hij thuis door, schrijvend in een dagboek, en in pornobioscopen. Hij weet niet beter, hij heeft ook nauwelijks onderwijs genoten: ‘Some, here and there, you know’, antwoordt hij op een vraag terzake van het taxibedrijf. In dit stadium kan hij onmogelijk voor een leraar doorgaan, laat staan voor een profeet met een boodschap.
Tevergeefs probeert hij met de cassière van een pornobioscoop aan te pappen. En dan verschijnt Betsy (Cybil Shepherd).
‘She appeared like an angel’, zegt zijn voice-over, terwijl ze langs een zittende Scorsese loopt, alsof ze met een vleugel langs zijn wang strijkt:
Hij spreekt met haar af, en zij brengt hem voor het eerst wat cultuur bij: een liedje van Kris Kristofferson. Het gebaar geeft het standsverschil tussen beiden aan: met haar politieke en culturele bagage is ze een paar treden boven hem verheven. Toch noemt ze hem bij die gelegenheid daadwerkelijk een profeet, en ook ‘a living contradiction’. Vanaf dat moment heeft hij zijn rol als leraar/pedagoog gevonden, een contradictie inderdaad: half heilige, half gangster.
Waar het Travis aan ontbreekt, is een programma, een boodschap. Charles Palantine, de senator voor wie Betsy werkt en die toevallig bij hem in de taxi stapt, vraagt hem ernaar: wat zou je willen? ’t Enige dat hij weet te antwoorden is wat hij níet wil: de rotzooi op straat, de ‘whores, skunk pussies, buggers, queens, fairies, dopers, junkies’. Hij zou graag zien dat die troep op een dag eens weggespoeld werd. Maar Betsy neemt hij precies naar die wereld mee: een pornobioscoop, waaruit zij wegloopt.
Hij drukt zijn wens trouwens op twee manieren uit. Met een bijbels beeld:
Someday a real rain will come and wash all this scum off the streets.
Maar ook, tegen Palantine, in de taal van de straat:
I think someone should just take this city, and just flush it down the fucking toilet.
Beide uitspraken geven de polen aan waaraan Scorsese’s wereld is opgehangen: aan het hemelse en het aardse, aan God en de mean streets.
Zo verliest Travis Betsy door gebrek aan een culturele achtergrond, aan een programma zoals zijn antipode Charles Palantine dat heeft. In zijn nood vraagt hij een collega taxichauffeur, ‘The Wizard’ (de wijze) om raad. Maar de man is geen leraar – hij kraamt de grootst mogelijke onzin uit. Travis moet erom lachen: ‘That’s about the dumbest thing I ever heard’, zegt hij.
Pas wanneer hij het jonge hoertje Iris (Jodie Foster) ontmoet, vindt hij zijn doel, zijn opdracht: hij zal haar uit die wereld verlossen.
Daarmee ontstaat eindelijk ook organisatie: van het grapje ‘I gotta get organiz-ized’ dat hij aan Betsy vertelt:
tot zijn hand boven een gasvlam en de tekst: ‘Total organization; every muscle must be tight’:
Iris wordt zijn pupil, zijn project. De ideologische richting, de precieze locatie van het vergezicht aan de horizon doet er weliswaar niet toe – zoals gezegd haalt hij haar weg uit de wereld waar hij Betsy heenbracht – en daaruit blijkt dat het hem er alleen om gaat zelf een wrekende engel te kunnen zijn. De hele onderneming is in essentie een egoïstische adolescentendroom van een knul die een ‘rechtvaardig’ bestaan wil leiden, die ‘goed’ wil doen en zichzelf wil louteren. Van een ideologische bovenbouw is verder geen enkele sprake.
Taxi Driver verschilt van Scorsese’s andere werk doordat alles in de film gericht is op het herstel van een vroegere orde. In plaats van een epische ontwikkeling is er overal in de film een reactionaire tendens merkbaar om terug te keren naar het uitgangspunt. Travis wil dat de stad wordt schoon gespoeld. Hij wil Iris terugbrengen naar haar ouders. Aan het eind van de film is hijzelf weer de oude, alsof er niets gebeurd is. Zijn rondjes in de taxi, het gebrek aan slaap geven aan dat hij nooit vernieuwd in de werkelijkheid kan terugkeren. Zijn loutering blijft zonder gevolgen – al denkt deze gewaardeerde commentator daar anders over:
Hoe kan het dat de film na zoveel jaar nog aan blijft spreken? Misschien komt het doordat Scorsese, De Niro en scenarist Paul Schrader destijds gelijkgestemde gevoelens hadden en Travis Bickle kenden zoals ze zichzelf kenden; ze hoefden elkaar weinig uit te leggen. Allicht ook door de ernst en de inzet waarmee de film is gemaakt: het streven van Scorsese en De Niro om zich aan hun afkomst te ontworstelen, waar Mean Streets al een eerdere poging toe was geweest; Travis’ wens om de stad schoon te laten spoelen is daar ongetwijfeld ook een uitdrukking van.
En niet in de laatste plaats ook door uitspraken als deze:
‘Loneliness has followed me my whole life. Everywhere. In bars, in cars, sidewalks, stores, everywhere. There’s no escape. I’m God’s lonely man.’
En:
‘Listen, you fuckers, you screwheads. Here is a man who would not take it anymore. A man who stood up against the scum, the cunts, the dogs, the filth, the shit. Here is a man who stood up’.
Het is niet alleen maar de agonie van wat tegenwoordig een ‘lone wolf’ wordt genoemd, die het opneemt tegen een afgegleden, decadente wereld. Die wereld bestaat niet eens meer, sinds overal het postfascistische model van Singapore wordt gevolgd en hondenbezitters met poepzakjes in de hand over straat gaan.
Het is ook geen existentialisme van een in de wereld geworpen individu dat zich tegenover een onverschillig universum gesteld ziet. Zulke ideeën kun je er wel bijhalen, maar ze zien wat mij betreft te gemakkelijk voorbij aan Travis’ nood en aan de coördinaten die zijn bestaan bepalen: de stad, zijn gebrek aan ontwikkeling, een sociaal-politiek apparaat dat beweert solidair met hem te zijn – ‘We are the people’, zoals Palantine’s slogan luidt – maar zich in werkelijkheid nauwelijks om hem bekreunt. De ideologische bovenbouw die Travis ontbeert, stelt ook in de handen van deze mensen maar weinig voor. Dat iemand als Travis dan doordraait, zonder te weten hoe of waardoor: die paranoia is van alle tijden, nu niet minder dan 35 jaar geleden. Het is erg aangrijpend om te zien hoe Travis na zijn bloederige klim naar boven in aanwezigheid van Iris zijn laatste pistool tegen zijn hoofd zet en tevergeefs de trekker overhaalt.
Een van mijn favoriete scènes uit de film is deze met Steven Prince, over wie Scorsese twee jaar later een merkwaardige documentaire maakte, American Boy: A Profile of Steven Prince (1978), hier in zijn geheel te zien.
Scorsese’s terugblik op de film:


