Schrijven voor het web

Roy Liechtenstein, "Masterpiece", 1962.


Dit staat er, en Awater’s strak gelaat
geeft roerloos zijn ontroering te verstaan.

Martinus Nijhoff

De recensie van Lindners bundel heeft in de paar dagen dat hij hier staat meer dan 700 bezoekers getrokken. Voordat deze week voorbij is, is het ding door meer mensen gelezen dan wanneer het in Awater was verschenen.

Er zijn ook reacties op gekomen, zowel onder het bericht zelf als privé aan mij. Geen van die mensen lijkt te begrijpen waaróm het vermaledijde stuk door Ron Rijghard, de hoofdredacteur van Awater, is geweigerd. Het is ook moeilijk te begrijpen. Ik heb sinds 2006 een stuk of tien recensies voor dat blad geschreven, die door Thomas Möhlmann – de vorige hoofdredacteur – onveranderlijk ongewijzigd werden overgenomen: misschien was wat feedback op zijn tijd me wel welkom geweest, maar er sprak allicht vertrouwen uit.

Diepgravende essays zijn het nooit geweest, daar was de beschikbare ruimte te klein voor. Wel gaf ik dichters vaak vooraf inzage in de recensies van hun werk. Zo hadden zij gelegenheid om te reageren op werk dat hen aanging, en kon ik in voorkomende gevallen profijt trekken van hun inzichten. Dat ging altijd goed, ook wanneer ze zich er niet helemaal in konden vinden. Zo zag ik me door F. Stariks reactie genoodzaakt om mijn recensie van zijn Victoria vrijwel geheel te herschrijven: hij bleek sommige dingen beter te hebben gezien dan ik in eerste instantie. De recensie over een bundel van Nachoem Wijnberg leidde tot een alleraardigste gedachtewisseling op mijn blog. Andere dichters – Sybren Polet, Peter Holvoet-Hanssen – bleken zich goed te kunnen vinden in wat ik over hen schreef.

Alleen Erik Lindner niet. Die wees deze recensie onverkort af. ‘Die T’s daar zit niets achter’ zei hij – alsof hij geen dichter is. En: ‘Noch is er ooit sprake van een systeem in mijn werk’ – alsof een titel als ‘Hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier’ een labyrint zou uitbeelden. Hij, zelf criticus voor De Groene Amsterdammer, bracht het zover me met mensen als Gerbrandy, Pfeijffer en Harmens te vergelijken – uitgerekend drie mensen van wier kritische praktijk ik me in het verleden heb gedistantieerd – natuurlijk niet op grond van wat er in die recensie stond, maar om de manier waarop ik me in online discussies wel eens wil roeren. Daar doet Lindner liever niet aan mee, want hoe kun je dan nog netwerken, nietwaar.

Enkele dagen na deze misser kreeg ik een mailtje van Rijghard, die verschillende bezwaren tegen mijn recensie bleek te hebben. Dat had ik van Awater nooit eerder meegemaakt, en dus mailde ik hem: ‘Mag ik eens op de man af vragen: heb je hier contact over gehad met Lindner?’ – waarop hij vroeg of ik soms iets wilde ‘insinueren’. Een rare vraag, want ik vroeg het hem nu juist op de man af.
Ik mailde hem terug met antwoorden op zijn vragen en bezwaren, maar dat was niet genoeg, want ‘zo werkt eindredactie niet’. En dit laatste – het beroep op een eindredactionele verantwoordelijkheid – is in het verdere contact telkens de vluchtheuvel gebleven waar vandaan Rijghard me met bezwaren en eisen tot herschrijving bleef bestoken.

Dat heb ik ten aanzien van één passage welgeteld vijf keer gedaan. De laatste versie daarvan luidt als volgt:

“(…) Het is een vingerwijzing voor wat er in deze poëzie aan de hand is, en het maakt op mij een wat in zichzelf gekeerde en ouderwetse indruk. De werkelijkheid is in onze tijd zo onoverzichtelijk geworden dat er alleen nog schakelend en zappend een indruk van kan worden verkregen. Ook de klinkende, herkenbare stem van de dichter is opgegaan in de veelheid van het aanbod en kan niet langer op exclusief gezag en exclusieve aandacht bogen. Daarom neigen veel dichters ertoe een poëzie te schrijven die de lezer dezelfde keuzevrijheid biedt als die hij in de door media en techniek gedomineerde wereld ervaart. Dat zie je aan flarfpoëzie, maar ook aan uiteenlopende dichters als Arjen Duinker, Hans Kloos, Van Dixhoorn en anderen. Hun poëzie is meerstemmig en volgt verschillende sporen tegelijk. Lindner gaat in vergelijking daarmee onverstoorbaar zijn eigen gang, maar aan zijn gedichten zie je dat zijn eenzelvige weg hem vaak tot een punt leidt waar hij ook letterlijk zichzelf tegenkomt.”

Dit vond Rijghard ‘warrig’ en ‘gewoon niet goed geschreven’. Ik maakte, vond hij, een veel te ingewikkelde omweg en haalde er van alles bij zonder dat ik de poëzie van Lindner daar helder tegenover zette. “Hoe jij de wereld ziet, wordt veel duidelijker als je het afzet tegen die zin van Lindner en dan maak je ook je punt: de wereld als demonteerbaar netwerk met talloze vertakkingen. Daar komt wat je wil zeggen in terug.”

Dat zal schrijftechnisch, eindredactioneel gesproken best waar zijn, maar economie is ook niet alles in de literatuur. Mij ging het er niet in de laatste plaats om de manier waarop deze dichter zich tot de wereld verhoudt af te zetten tegen de positie van de poëzie in deze tijd, die Vaessens terecht, althans vergelijkenderwijs, ‘onpoëtisch’ heeft genoemd. Dichters beschikken niet meer over een stem waar met onverdeelde aandacht naar wordt geluisterd. In tv-programma’s worden ze alleen geduld als cabaretiers en halve garen. Zelfs de autonomie van het woord – uitgevonden om dichters in een betoverd rijk te situeren waar ze als onschadelijk vee konden worden getolereerd – voldoet niet meer, want dat woord verbindt zich aan de meest uiteenlopende toepassingen en moet voortdurend strijden met andere teksten, om van beeld en geluid maar te zwijgen. Het is lang geleden dat dichtbundels in alle rust onder de schemerlamp bij de pendule werden doorgebladerd.

Ik heb er dus op gestaan die passage in een of andere vorm te handhaven, omdat ze uitdrukking geeft aan mijn poëzieopvatting en aan wat ik verwacht van poëzie als die zich met de huidige tijd wil verstaan. Dat is dus een stukje ‘ideologie’. Het is bovendien échte kritiek, zoals ik die opvat; ik zou niet weten op grond waarvan ik een bundel als gegeven grootheid buiten elke samenhang zou moeten bespreken. Poëzie is geen natuurverschijnsel.

Zonder die passage zou de ziel wat mij betreft uit het stuk worden gehaald. En nu was ‘t het een of het ander: óf de passage was inderdaad warrig geschreven maar niet onzinnig, in welk geval schrijver en redacteur samen tot een aanvaardbare verwoording moesten kunnen komen; óf het was weliswaar goed verwoord, maar de redacteur kon zich niet met de strekking ervan verenigen.

Aangezien Rijghard vijf opeenvolgende versies heeft afgewezen en geen poging heeft gedaan om op grond van diezelfde eindredactionele verantwoordelijkheid de passage zelf stilistisch aan te passen, kan ik niet anders concluderen dan dat hij de ideologische angel uit het stuk heeft willen halen. De la poésie avant tout autre chose, zal hij hebben gedacht, met de leraar, de verpleegster en de agent in het achterhoofd.

Men begrijpe mij goed: mij maakt het allemaal heel weinig uit. Ik heb Awater niet nodig; ik heb hier, bij mijzelf, een podium, en overal waar ik mij online maar wil roeren. Dat is voldoende en lukt prima, zolang men mijn bijdragen op prijs stelt en niet op eigen gezag reacties wist om die vervolgens te parafraseren. Dat laatste leverde netwerker en symbioticus Marc Kregting mij, die graag mensen rond zijn spreekwoordelijke honingpot verzamelt om elkaar wederzijds met symbolisch kapitaal te behangen. Wat een verspilling aan denkkracht daar plaatsvindt, grenst aan het onvoorstelbare. Je zou wensen dat ze er het heelal mee afspeurden op zoek naar buitenaards leven, dat zou meer zin hebben. Het kletst maar door over ‘het literaire tijdschrift’ – natuurlijk op een weblog, maar dáár hoor je ze maar niet over – over ‘spreekrecht’ en de ‘publieke ruimte’. Alsof dat nog problemen zijn op dit medium waar ze volop gebruik van maken, maar altijd met een angstvallig, door smetvrees ingegeven voorbehoud. Het is ook een veel te lastig terrein om je op te profileren of een positie op te verwerven; alleen daarom al moet het literaire tijdschrift worden gered.

Intussen speelt de praktijk waar zij hun gratuite en decadente salondiscours op bouwen zich bij mij af. Want hier is dan zo’n literair tijdschrift dat een onafhankelijke, althans niet-netwerkende medewerker laat gaan. En hier is dan zo’n schrijver, ‘literair criticus’, ‘recensent’, weet ik veel, die zegt: jongens, bekijk het lekker. Ik zet geen voet meer in welk literair tijdschrift ook – tenzij het een themanummer aan me wijdt. Zelfs niet in online periodieken. Zoek je talent elders. Ik kies en schrijf alleen nog voor RHCdG.

»

42 comments to Schrijven voor het web

  • eddy warmerdam

    yoko and me..that’s reality

    je hebt het hart van je tienerjaren hervonden!
    zouden meer mensen moeten doen

  • Ha, changement de décor. Niet alleen exile is vruchtbaar.

  • Ha Rutger,

    Ik vind het jammer, die weigering van Awater. Je lezing van Lindner trof mij als hoogst idiosyncratisch in je nadruk op de “horror”, en ik kan me zijn bezwaren tegen jou opvattingen wel voorstellen – ik ben het geloof ik ook niet met je benadering eens – maar ik vond je lezing wel consistent en op een interessante manier provocatief. Wat dat betreft vind ik deze terugtrekking wel een verlies voor Awater.

    Succes in elk geval met deze stap – ik geloof ook dat je gelijk hebt dat je Awater als podium niet nodig hebt op dit moment. Zelf schrijf ik voor Awater vooral omdat ik de oefening om binnen 600/800 woorden iets over een bundel te vinden op dit moment nog interessant vind. Ik zou dat ook op mijn blog kunnen doen, maar zonder “podium” neig ik er nou eenmaal niet toe om recensies te schrijven. Awater stuurt me soms een bundel waar ik normaliter niet over zou schrijven. Voorlopig interesseert me dat wel.

    Je opmerking over de Honingpot kan ik niet onderschrijven. Kregting zal best een netwerker zijn; ik ben het zeker ook en Lindner ongetwijfeld; ik ken eigenlijk niemand die het niet is. Oók jij netwerkt, zelfs al hecht je in sterke mate aan je onafhankelijkheid en solistische optreden. Maar je privilegiëring van je eigen blog – “Intussen speelt de praktijk waar zij hun gratuite en decadente salondiscours op bouwen zich bij mij af.” – vind ik merkwaardig. De internetdiscussie heeft toch geen centrum?

    Of heeft Hans Groenewegen inderdaad gelijk, en tendeert het medium per definitie naar een polyfonie van monologen? Een cultuur en een debat met enkel nog maar “niet-netwerkende” zenders, en geen ontvangers meer? Ik zou dat betreuren; het is juist wat ik van anderen leer, en waar ik ook op kan reageren, wat me motiveert op het web; de Honingpot biedt daar wel degelijk ruimte voor, al heeft Marc in het verleden wel eens posts weggehaald zonder dat jij het daar mee eens was.

    Met andere woorden, wat ik hoop is dat je je niet op zult sluiten in jezelf, maar wel zult doorgaan met je eigenzinnige schrijven!

  • M.H.Benders

    Ik boycot Awater al langer, juist omdat het de journalistieke, referentiele laag van de bevolking bovenaan heeft gezet door figuren als Schouten en Rijghard aan het roer te zetten, die mijns inziens niks te vertellen hebben en alleen op basis van hun ‘functies’ op die plek zijn beland. Dat is het perpetuum mobile van het neoliberale kapitalisme: de ene functie veroorzaakt de andere, en over inhoudelijke kwaliteit gaat het dan allang niet meer. Kunstenaars zijn alleen nog bezig ellenlange cv’s op te bouwen met allerlei exposities en functies erin, en uiteindelijk bestaat de ‘toplaag’ uit ranzige journalisten die elkaar alle belangrijke functies toespelen. Mij een zorg, gewoon niet aan meedoen. En Lindner is gewoon erger dan de dingen die hij meent te moeten bestrijden – ik zie dan nog liever Krabbendam, die vertelt me tenminste niet dat ik niet eens mag *vermelden* dat ik met hem correspondeerde – een correspondentie die hij overigens ongevraagd zelf initieerde. Het is gewoon een gekkenhuis vol referentiele zelfverrijkers,ik kan mijn tijd wel beter besteden, kom nou. En jij ook – je haalt hier zeker veel meer lezers binnen dan via welk tijdschrift ook.

  • “Of heeft Hans Groenewegen inderdaad gelijk, en tendeert het medium per definitie naar een polyfonie van monologen? Een cultuur en een debat met enkel nog maar “niet-netwerkende” zenders, en geen ontvangers meer?”

    Niet-netwerkende zenders, het zou een zegen zijn – zeker als je zenders hebt als Samuel – “ik scheld uit voor fascist” – Vriezen. Maar die “geen ontvangers” is een gotspe. Awater, dat wordt niet ontvangen, dat blad leest geen mens. Vanwege niet actueel & interessant.

  • Aangezien Breukers zo graag heeft dat de discussie over hem gaat, zal ik nog maar één keer herhalen dat ik nooit iemand en ook hem niet voor fascist heb uitgemaakt. Breukers is namelijk geen fascist. Hij heeft nooit gepleit voor het totalitaire verenigen van de natie onder een krachtig autoritair leiderschap, voor zover ik weet.

    Wat ik wel heb laten zien is dat Breukers gebruik maakt van een populistische retoriek om mijn manier van schrijven te bestrijden. En sindsdien is het dreinen. De man is een polemicus zonder het minste incasseringsvermogen: en dat is geen polemicus maar een weekdier.

    Zo, dan geef ik nu de vloer aan Breukers om mijn beschuldigingen te ontkennen door mij weer eens voor “rioolrat” uit te maken:

  • Verder: wie geheel van netwerken vrij is… het complete web is een netwerk.

  • Nee, rioolrat is al niet meer toereikend. Het is meer iets waar je inderdaad niet meer over spreekt, maar over zwijgt. Vriezen deugt niet. Vriezen exit. Mooi, dan heb ik dat gehad. Nooit meer.

  • Prima, dan kunnen we het nu weer hebben over Rutger’s post.

  • M.H.Benders

    Chretien is een verstokt gezelligerd die graag met zijn dikke vingertjes andermans postjes wist en zeurt als een oud wijf over literatuur. Een soort mislukte journalist. Vriezen is een verstokt structuralist, maar wel een stuk intelligenter dan Breukers wat de nodige jaloezie oproept. Ik drink veel liever een borrel met Vriezen, die weet tenminste hoe je een sigaar moet roken.

  • Nou, mislukt zou ik Chrétien niet willen noemen, Martijn, ook niet als journalist. Wat ik de laatste dagen aan bezoekersaantallen meemaak, is voor hem slappe thee. En hij komt uit het zuiden en is dus een bourgondiër, waar haalt ie anders die dikke vingers vandaan. Nee, ik vertrouw hem de wijnkaart wel toe. Enfin.

    Samuel, ik weet niet hoe idiosyncratisch die nadruk van mij op horror bij Lindner is; het past ook in het grotere beeld van systeemdwang en paranoia dat ik heb proberen aan te geven. Joop Leibbrand vond zijn gedichten ‘merkwaardig afstandelijke observaties en beschrijvingen van een buitenwereld die op een geheimzinnige, onsuggestieve manier raakvlakken vertoont met een gesloten gehouden binnenwereld’. Dat had ik in die recensie geciteerd, maar ook dat moest eruit van Rijghard.

    Het is zeker leuk om jezelf beperkingen op te leggen en te schrijven over werk dat je normaliter niet onder ogen zou krijgen – maar zo’n podium, dat je zegt niet te hebben, kun je natuurlijk ook zelf creëren, buiten Awater of wie ook om. Deed Jeroen Mettes dat ook niet?

    Verder privilegieer ik mijn eigen blog natuurlijk niet; ik zeg alleen dat wat door jullie bij Kregtings honingpot op afstand wordt besproken zich bij mij heeft afgespeeld. Die literaire tijdschriften, die zo de moeite waard zijn om te behouden, marginaliseren zichzelf sneller dan je voor mogelijk houdt. Het redactionele beleid – waar Kregting op zijn blog de voortzetting van heeft laten zien – is hun grootste vijand. Ze hebben eigenlijk geen vijanden nodig, ze helpen zichzelf wel om zeep – hoe vervangbaar ik verder ook ben.

    Je zou hier of elders eens moeten zeggen dat jij het niet eens bent met Kregtings beleid om reacties te verwijderen, in plaats van dat alleen aan mij over te laten. Zijn honingpot biedt ruimte aan jou – niet aan mij. Iets anders beweren strijdt met de werkelijkheid. En zo’n formulering als in de laatste zin van je voorlaatste alinea geeft precies blijk van die netwerkmentaliteit die ik eenieder gun, maar waar ik zelf geen trek in heb. Dan maar geen vriendjes met jan en alleman. Als ik zo weinig vertrouwen in mijn schrijverij zou hebben dat ik er de bevestiging van anderen voor nodig had, begon ik er niet aan.

    Verder is er natuurlijk geen sprake van dat ik me opsluit of op zou houden met teksten produceren. Ik ervaar dit zelf helemaal niet als ‘stap’, maar gewoon als de uitkomst van een bepaalde gang van zaken. ‘t Neemt niet weg dat het wel een stap is, omdat ik vanaf nu alleen nog maar wat voorstel voor zover ik wat voorstel. Ik heb geen papieren podium meer – mijn ‘permanente staat van gekwetstheid’ (Groenewegen) zal eraan hebben bijgedragen – en ik zal dan verdergaan als nomade, precies wat het medium waarop wij met elkaar in contact staan vordert.

  • eddy warmerdam

    ik moet af en toe echt lachen om die running gag tussen samuel en chretien en het lijkt ook soms of ze hun ruzie ter vermaak van de lezer nog even opvoeren
    ik heb wel eens gezocht naar de bron van het conflict maar ik kon de betreffende teksten waarmee het is begonnen niet vinden

  • M.H.Benders

    Maar Rutger, we horen jouw toch ook nooit als er postjes van mij of Samuel van de Contrabas worden gewist? Dat vind ik verder prima, maar klaag dan niet dat anderen ook niet hetzelfde doen. Zover ik weet heeft Samuel nooit geopperd dat die honingpot de ultieme vrijheidsbaak is en woordne van die strekking kan ik me van jou over de contrabas wel herinneren. Zoals je er nu tegenaan kijkt lijkt het je alleen te interesseren of je eigen postjes blijven staan.

    Dat Awater verhaal is te van de pot gerukt om zelfs ook maar veel woorden aan vies te maken. Het is algemeen bekend dat Lindner dikke vingers in de pap heeft daar (waar niet, eigenlijk?) en dat zijn bundel er dan niet negatief besproken mag worden – tja. Men had geen enkele moeite met de prachtige recensie die Schouten over Karavanserai schreef met de intellectuele kernargumentatie dat het boek ‘te dik was’ en ‘te vol stond’.

  • M.H.Benders

    (en die recensie was ‘positief’ dus ik heb primair geen reden tot klagen, zo heet dat dan, als er maar gejubeld wordt met wat onzinargumentatie is het de meesten al goed. Dezelfde Schouten brandde een nummer eerder Vriezens bundel af met dezelfde halfbakken luie onzinargumenten, dus hoeveel is zo’n recensie je dan waard? Mij niks.)

  • Martijn, ik ben er in het algemeen op tegen om reacties te wissen, maar er zijn wel bepaalde grenzen, zoals dat je je in je eigen huis niet hoeft te laten beledigen. Daar heb ik me op die honingpot in elk geval niet schuldig aan gemaakt, integendeel. Wel ben ik daar gesandwicht in een combi van de gastheer en zijn vaste vriendje Hans Groenewegen, die met opzettelijke en vooringenomen mislezingen van serieus bedoelde bijdragen van mij blijk hebben gegeven van een volstrekt gebrek aan intellectuele rechtschapenheid. Wat daar wordt opgevoerd is een schertsvertoning: een non-issue als vehikel voor een orgie van zelfbevlekking.

    Dat van Samuel en Chrétien heeft een eigen achtergrond waar we nu niet op in hoeven te gaan; laat ik zeggen dat ik het toejuich dat Samuel weer op de CB kan posten en dat ook daadwerkelijk doet. En ik zou het toejuichen als ze hun animositeit wat meer aan het oog onttrokken, want het vermoeit de mensen (Eddy zegt het vriendelijk). Van gewiste reacties kan ik verder natuurlijk niet veel zeggen.

    Wat recensies verder betreft: veel heb je er inderdaad niet aan, maar het is een onuitroeibaar genre. Het mag duidelijk zijn dat Awater onder deze hoofdredacteur geen blad is voor fundamentele kritiek. Het is een propagandamachine voor de poëzie, bestaand uit een staalkaart van smaken en smaakjes.

  • Martijn Benders

    Ik ben juist weer tegen het idee dat je de belediging als dusdanig op 1 hoop gooit – dat haalt de angel uit het hele idee van polemiseren: het is juist van belang, meen ik, dat er onderscheid kan worden gemaakt tussen types beledigingen: je hebt intelligente beledigingen en domme beledigingen. Als (zoals op de Reaktor) elke vorm van polemisch schrijven inmogelijk wordt gemaakt hef je feitelijk de literatuur zelf op, want in een polemiekvrije literatuur geloof ik niet.

    Ik vind dat ‘wissen’ op weblogs moet kunnen als het aan twee voorwaardes voldoet:

    1. Niet uit publieke middelen gefinancierd. Want dan moet de overheid ook maar over het moderatiebeleid gaan anders loop je het risico dat iemand op staatstkosten anderen de mond snoert.
    2. Dat er consistent beleid op staat. Ik wis bijvoorbeeld op Loewak alleen dingen die ik echt dom vind, gewoon omdat ik geen zin heb zulk niveau te ondersteunen. Dat is tot op zekere hoogte een subjectief criterium, maar wel het beste criterium dat ik weet te verzinnen. Beter dan het wissen van alle ‘beledigingen’ want intelligente beledigingen zijn beter dan domme complimenten.

  • Martijn Benders

    Awater is nooit wat geweest, soort glossy blaadje met het idee erachter dat er schijnbaar een behoefte bestaat bij poezielezers aan glossy blaadjes. Medwerkers zijn samenraapsel van alles wat de populaire consensus goedkeurt zonder enige lijn erin, grotendeels mislukte journalisten die zich de poezie in hebben weten werken als lapmiddel. Zo’n blad heb je niks aan. Een blad wordt pas de moeite waard als er wat spraakmakende, stekelige figuren aan meewerken, als er iets op het spel staat, als je door een blad daadwerkelijk verrast kunt worden, geschockeerd, etc. Wie wil er nou een glossy variant van de doorsnee middelmaatsconsensus lezen? Ik niet in elk geval. Heb mijn abonnement dat ik met dei Turing won aan Emma Burns kado gedaan.

  • eddy warmerdam

    dat is toch wel een merkwaardige overtuiging martijn, het niet geloven in een polemiekvrije literatuur
    in geen enkele kunsttak heb je polemiek en ook niet in de wetenschappelijke wereld
    zelfs in de polemelogie wordt er niet gepolemiseerd
    in de filosofie dan…jawel daar komt het wel eens voor, maar de scheldkanonnades van schopenhauer op hegel (die zelfs nietzsche ‘unintelligent’ noemde) zijn een befaamde uitzondering
    en ten slotte is het ook in de literatuur maar een marginaal verschijnsel
    vestdijk deed het niet, gerard reve deed het niet, wolkers begon er wel eens aan maar wist gelijk dat ie daarmee een periode van productief werk kwijt was
    het zijn maar een paar mensen die zich thuis voelen in de polemiek en dat zijn niet per definitie de grootsten – om niet te zeggen: per definitie niet
    neemt niet weg dat polemieken lekker leesbaar zijn, juist omdat ze een tikkeltje persoonlijker worden en vuiler zijn dan de ‘discussies’ die elders gevoerd worden en ze hebben misschien wel een rol doordat daarin kwaliteit geschift wordt, maar noodzakelijk.. en dat de literatuur niet zonder kan…dat zou toch wel zeer tegen de literatuur pleiten

  • Eddy, je schiet raak. Ik herinner mij het Maatstaf-nummer over polemiek destijds, voorheen een subgenre. Sindsdien is de beer los, literair en maatschappelijk. Hoogste tijd voor marginalisering van de polemiek, alleen voor Benders hoofdmenu. En op tijd weer van stal halen als de nood aan de man is.

  • Rutger:

    over podia: ik heb natuurlijk ook mijn eigen podia gecreeerd; dat doe ik al 15 jaar. Niet alleen online, ook door concerten te organiseren, maar ook door voor steeds andere organisaties werk te doen. Soms vrijwillig, soms betaald; soms gevraagd, soms op eigen initiatief. Op mijn eigen blog heb ik geen zin om Awater-stijl recensies te schrijven; daarom doe ik het bij Awater, zolang ik er aardigheid in heb (en ze me nog willen). Ik doe het nog maar kort en ben er nog niet uit hoe leuk ik het precies vind!

    over de Honingpot: dat debat over die tijdschriften vond plaats op een blog, precies daar, zoals je trouwens al eerder opmerkte, maar zoals óók door Marc zelf (en door Renée de Rijk) is opgemerkt. Het vond dus niet alleen bij jou maar zeker ook op de Honingpot plaats.

    Verder kon ik Marcs redactiebeleid van zijn blog wel degelijk goed volgen. Ik begrijp heel goed dat iemand geen podium wil bieden aan wat hij ziet als smadelijke opmerkingen. Daarover gaan we het gewoon niet eens worden.

    Hij bood bovendien wel degelijk ruimte aan jou zo goed als aan mij; van mij zijn tenslotte ook reacties verwijderd, die in de nasleep speelden van de opmerkingen waar hij geen ruimte aan wou bieden. Daarnaast krijg jij meer tegenspraak dan ik, dat is zo: maar ook dat hoort bij debatten.

    Tot slot: je wijst “redactioneel beleid” per definitie af. Daar kan ik het niet mee eens zijn. De persoonlijke blogpraxis is een heel andere dan een die onder redacties valt, maar daarmee nog niet beter. Bijvoorbeeld: een tijdschrift met redactie is een goede manier om de boodschap in dienst te stellen van iets dat boven het persoonlijke uitgaat – in een tijdschrift kun je “wij” zeggen; op een persoonlijk blog kan dat niet. Dat geeft het blog zijn ruimte maar ook zijn beperkingen. Nomadisme is prachtig, maar nomaden konden ook in groepen trekken; om mijn eerder opmerking te parafraseren, laten we hopen dat het internet ons niet zal veroordelen tot individualisme als totalitair beginsel.

  • Martijn Benders

    Omdat voor mij literatuur hecht verbonden is met de strijd tegen de middelmaat en tegen de vervlakking – zonder polemiek heeft de literatuur geen tanden en wordt het het domein van de ‘beschaafden’ – een formalistische vertoning, net zoals kunst die niet meer mag ‘shockeren’ en ‘netjes moet blijven’ geen kunst meer mag heten. Zodra het moralisme de overhand neemt vloeit de geest weg. Je ziet ook altijd dat immorele tijdperken – zoals de jaren 70, of de laatste 10 jaar – altijd juist met een opbloei van de kunst samen gaan. Moralistische tijdperken, zoals de idealistische 90’er jaren, zijn juist ongunstiger voor de kunst en de literatuur.

  • @eddy: dat met Breukers is oude geschiedenis, over jaren opgebouwd, niet wezenlijk interessant. Kort: Breukers heeft bijna stelselmatig stukken van me aangevallen op een beetje rare manier (meestal door een losse zin te citeren en dan te zeggen “Nou, dat is dus slecht geschreven”) en op een gegeven moment, toen het me te gortig werd, ging ik in de tegenaanval op mijn blog. Die tekst heb je wél gelezen. Sindsdien zijn de remmen los. Als je het echt allemaal wilt nazoeken is er diep in de archieven van De Contrabas wel van alles te vinden. Kan wel eens wat linkjes sturen. Maar ik raad het eerlijk gezegd sterk af.

  • Er bestaat ook middelmaat die zich, door te fulmineren tegen vermeende middelmaat, zijn licht onder de korenmaat zet. Die doet aan literaire machtsstrijd. Een ‘middelmatig’ gedicht critiseer je toch het best door een briljanter gedicht te schrijven? De echte criticus mag bepalen – zolang hij gelijk krijgt – waarom het matig is of waarom zijn briljantjes schitteren. Hij zou ook suggesties kunnen doen hoe een ‘matig’ gedicht in de steigers te zetten en het op te knappen.
    Daarom is Rutger onrecht gedaan, ik ken hem onderdehand als iemand die de briljanten, indien aanwezig, ook voor de nieuwkomers in zogenaamd moeilijke poëzie weet op te poetsen.

  • Martijn Benders

    “Een ‘middelmatig’ gedicht critiseer je toch het best door een briljanter gedicht te schrijven?”

    In een omgeving waar alles genivelleerd wordt op zodanige wijze dat het laagste en het hoogste op dezelfde plank komen staan, dezelfde prijzen winnen en door dezelfde intellectuelen als hoogste goed worden aangeprezen is het totaal zinloos ‘briljant’ werk te schrijven in kritieke zin – je kunt het dan uiteraard nog voor jezelf schrijven, of voor de heilige geest, of voor een pantheon van gelijke zielen, maar je ‘bekritiseert’ er niks mee. Het is trouwens ook wel weer opvallend dat weer de Nederlandse maatstaven hier als uitgangspunt worden genomen (nauwelijks polemisten) terwijl internationaal – de echt grote schrijvers – toch heel wat meer aan de polemische bel hebben getrokken. Denk aan Borges, Nabokov, etc. Nederland is traditioneel bezien gewoon te klein voor grote polemiek – de persoon die je beledigt is bijna per definitie je buurman of de kerel die de scepter over je subsidie zwaait.

  • Ik ben blij dat het ‘laagste en hoogste’ eindelijk op dezelfde plank staan. Dat daardoor de *schijn* wordt gewekt dat ‘alles genivelleerd wordt’ laat mij ook koud.
    Het komt er daardoor steeds meer op aan wie je bent en voor wie je kiest (van een individualistisch ‘tijdvak’ om een term van Benders te gebruiken is immers amper sprake?) Als een ieder origineel wil zijn betekent dat nog niet dat we met een meute originele individualisten zijn verrijkt, eerder met een massa confectie-narcissi: Rijghard en Lindner tonen zich in hun zgn. eigen mening inzake RHCdG nu juist benauwde, moderne kleinburgers.

  • Ik weet niet of polemiek aan kwaliteitsverhoging of zelfs maar -onderscheid kan bijdragen. Er zijn in heden en verleden en ook buiten het internet heel wat schrijvers met een grote bek geweest die toch maar weinig te melden hadden. Het doet me trouwens denken aan een uitspraak van Cruyff die zei dat als de tegenstander je met gemeen spel bestrijdt (tackels, ellebogen, enz.) het beste antwoord dat je kunt geven een doelpunt is. In dat opzicht heeft Wijnand wel een punt.

    Neemt niet weg dat de polemiek wat mij betreft een echt literair genre is met ook in Nederland een aantal grote beoefenaren. En het hangt er vooral vanaf of de polemicus zich persoonlijk in zijn eer aangetast voelt. Want Mulisch heeft wel degelijk gepolemiseerd, nl. toen hij zich door Reve aangevallen voelde. Reve zelf deed die gewraakte uitspraken in persoonlijke brieven aan Carmiggelt. Kousbroek en Jeroen Brouwers polemiseerden over de jappenkampen van hun jeugd. En Hermans trok zich álles persoonlijk aan. Misschien geldt dat voor mij ook wel, in elk geval in literaire kwesties. Maar dat met Kregting en Groenewegen is voor mij geen literaire kwestie. Dat zijn minderwaardige mensen, die van de twee kanten waarover ze beschikken aan mij de slechtste hebben laten zien – en zonder dat ik ernaar solliciteerde.

  • Samuel,

    “over de Honingpot: dat debat over die tijdschriften vond plaats op een blog, precies daar, zoals je trouwens al eerder opmerkte, maar zoals óók door Marc zelf (en door Renée de Rijk) is opgemerkt. Het vond dus niet alleen bij jou maar zeker ook op de Honingpot plaats.”

    Maar dat heb ik ook niet beweerd. Wel beweer ik dat men niet reflecteert over dat medium. Dat deed ik, en daarvoor werd ik afgestraft.

    “Verder kon ik Marcs redactiebeleid van zijn blog wel degelijk goed volgen. Ik begrijp heel goed dat iemand geen podium wil bieden aan wat hij ziet als smadelijke opmerkingen. Daarover gaan we het gewoon niet eens worden.”

    Dat zal wel, maar je mag mij de plaats wijzen waar ik bij die jongen smadelijke opmerkingen heb geplaatst. Sterker, dat verzoek ik je met klem.

    “Hij bood bovendien wel degelijk ruimte aan jou zo goed als aan mij; van mij zijn tenslotte ook reacties verwijderd, die in de nasleep speelden van de opmerkingen waar hij geen ruimte aan wou bieden. Daarnaast krijg jij meer tegenspraak dan ik, dat is zo: maar ook dat hoort bij debatten.”

    Heeft niks met debat te maken. Heeft te maken met wie vriendjes met wie wil zijn of worden. Heeft ermee te maken dat de band tussen een groep steviger wordt wanneer men gezamenlijk één lid ervan excommuniceert. Heeft ermee te maken dat men er een belang bij heeft sommige dingen niet onder ogen te willen zien.

    “Tot slot: je wijst “redactioneel beleid” per definitie af.”

    Dat zou ik zo zeker niet willen zeggen. Er zijn, behalve fatsoensnormen, ook praktische overwegingen. Maar daar gaat het niet om. De bewijslast ligt in deze niet bij mij. De kwestie is dat Kregting opmerkingen van mij verwijderde en er parafrasen van gaf. Daarover heb ik je oordeel gevraagd; ik hoop dat ik het nog krijg.

  • Ik vergelijk polemiek graag met een kookcompetitie (voordat de instantmaaltijd, een kaakslag tegen de verfijnde smaak, bestond): opgescheept met dezelfde keuken, de literatuur: beide koks raken aan en van de kook vanwege hun particuliere, vaak geheime recepten en verschillende kooktijden, terwijl zij het met dezelfde pannen, dezelfde ingrediënten, hetzelfde fornuis en hetzelfde krappe aanrecht in dezelfde keuken moeten doen, terwijl het publiek, hongerig naar de eerste de beste kluif, aangebrand afwacht door wie het als eerste bediend zal worden met een gerecht dat te zelden naar de keuken wordt teruggestuurd. Dat loopt uit op taart gooien.

  • eddy warmerdam

    ik denk dat het omgekeerde het geval is martijn
    de grootste kunst is gecreëerd in moralistische tijden
    alle gouden eeuwen of het de babylonische, myceense, de griekse, de romeinse of de nederlandse is waren moralistische tijden par excellence
    immorele tijden waren vervaltijden wat zich ook en misschien wel vooral in de kunst uitte
    maar neem het even dichtbij huis: neerlands grootste polemist ooit, menno ter braak, was een moralist in al zijn vezels
    het interbellum waarin hij leefde was een uitermate geengageerde – idealistische? – tijd die niet voor niks uitliep in de grootste ramp die de mensheid ooit trof
    de kunst uit die tijd zou ik toch beslist niet als armzalig of geestloos karakteriseren
    de verbanden die jij aanlegt bestaan helemaal niet

    @ samuel: die tekst heb ik inderdaad gelezen maar daarvan kon ik me niet voorstellen dat..enfin..dus ik dacht dat er een andere tekst moest zijn

  • Wellicht heeft Marc onhandig geopereerd. Hij verwijderde reacties van jou en van mij die op zichzelf niets smadelijks bevatten, omdat ze onbegrijpelijk werden na het verwijderen van andere posts. Ik zou het zelf anders hebben gedaan, en Marc zat er duidelijk mee in zijn maag; vandaar ook dat hij samenvattingen gaf van relevante aspecten van de verwijderde posts. Is dat goed of fout? Een moreel oordeel heb ik daar niet over; ieder zijn eigen redactiebeleid. Iets onhandigs had het zeker. Een slechte bedoeling had die parafrase volgens mij niet.

    Ik meen je daar per mail al eens over te hebben geschreven; zelf zou ik in dergelijke gevallen altijd de auteur van de verwijderde tekst zijn tekst retourneren per mail alvorens hem te verwijderen.

    Dat je “geexcommuniceerd” zou zijn klopt niet. Je was het niet eens met Marcs redactievoering; daarover kwam discussie; die werd fel; er werden misverstanden uitvergroot; maar niemand heeft gezegd dat je niet meer welkom was. Jij bent degene die uiteindelijk is weggelopen:

    http://dehoningpot.blogspot.com/2010/04/coreferenties-4.html?showComment=1272235315827#c2738056942007339119

    Naar nu blijkt voel je je buitengesloten door de groep. Gezien dat ik óók meediscussieer op die site voel ik dat mede als een verwijt aan mijn adres. Vandaar dat ik nu graag van je zou willen weten hoe dat zit met die uitsluiting?

  • Martijn Benders

    “Ik ben blij dat het ‘laagste en hoogste’ eindelijk op dezelfde plank staan.”

    Uiteraard, dat zijn de meeste mensen voor wie zelfverheffing een nachtmerrie bleek.

    “ik denk dat het omgekeerde het geval is martijn
    de grootste kunst is gecreëerd in moralistische tijden
    alle gouden eeuwen of het de babylonische, myceense, de griekse, de romeinse of de nederlandse is waren moralistische tijden par excellence”

    Nee, dat waren allen tijden waarin de verovering, het immorele, centraal stond en de ‘moraal’ alleen diende om dat van een leuk kleurtje te voorzien. De echt morele tijden zijn juist tijden waarin niks veroverd mag worden, in zichzelf gekeerde tijdperken zoals de late middeleeuwen of de vijftiger jaren, het autistische tijdperk bij uitstek. De zeventiger jaren en de jaren nul van deze eeuw waren ook bij uitstek vruchtbare periodes voor de kunsten.

  • eddy warmerdam

    jij hebt het over kleinburgerlijkheid volgens mij: het petieterig uitkristalliseren in het dagelijks leven van wat ooit een verheven idee is geweest en het verlangen naar geborgenheid daarin
    het is pas weer een echt moreel idee dat nodig is om dat te doorbreken – zo is het ook gegaan met de historische voorbeelden die je noemt

  • Martijn Benders

    “Het doet me trouwens denken aan een uitspraak van Cruyff die zei dat als de tegenstander je met gemeen spel bestrijdt (tackels, ellebogen, enz.) het beste antwoord dat je kunt geven een doelpunt is. In dat opzicht heeft Wijnand wel een punt.”

    Dat doet alleen ter zake als de scheidsrechters de goals nog kunnen herkennen. In een wedstrijd waar zowel publiek als scheidsrechter de hele zijlijn als doellijn zien heeft het maken van een echt doelpunt bar weinig zin, vooral niet als dat afleidt van de mooie schijnbewegingen van het modderbadende elftal die de hoempapa dansen in het midden. Met andere woorden: zodra de kritiek niet meer in staat is kwaliteit als zodanig te herkennen (wat impliceert dat je het niet met rommel nivelleert anders is de erkenning nutteloos) is het produceren van kwaliteit geen tegenbeweging meer.

  • eddy warmerdam

    ik denk trouwens ook niet dat je er met morele begrippen uitkomt
    het gaat om hartstocht en ja..die is er gewoon niet
    we leven niet in de hartstochtelijkste aller tijden (marsman)
    we zijn eerder nietzsche laatste mens, het gaat ons om een gezonde nachtrust, een goede spijsvertering, geen stress, goed pensioen en lekker wonen al dan niet in gezinsverband
    en tot slot een pijnloze dood
    tja dat levert nu eenmaal geen grote kunst op

  • Samuel,

    “Naar nu blijkt voel je je buitengesloten door de groep. Gezien dat ik óók meediscussieer op die site voel ik dat mede als een verwijt aan mijn adres. Vandaar dat ik nu graag van je zou willen weten hoe dat zit met die uitsluiting?”

    Nee, je past hier dezelfde truc toe als Kregting, nl. dingen die ik zeg volstrekt letterlijk nemen. Als ik ‘Spinoza’ zeg word ik geacht als een jood zijn volledige werk te declameren – maar zo werkt het niet. Ik ben daar niet de jure, maar de facto de deur gewezen, daar ben je bij geweest en het is triest dat ik ook dit moet uitspellen.

    “Je was het niet eens met Marcs redactievoering; daarover kwam discussie; die werd fel; er werden misverstanden uitvergroot; maar niemand heeft gezegd dat je niet meer welkom was. Jij bent degene die uiteindelijk is weggelopen”.

    De discussie werd niet fel; Kregting werd fel, nadat ik in vier lange, opeenvolgende reacties – door Jan Pollet op de CB ‘fenomenaal, pertinent, scherp, open-minded, enfin kwaliteitsvol’ genoemd – het een en ander over het internet had gezegd. NB nadát K. die reacties had verwijderd en geparafraseerd – zo ver ging ik in mijn eindeloze goedheid. Daaroverheen kwam Groenewegen nog eens een keer, die begon over mijn ‘permanente staat van gekwetstheid’. En dan verwacht jij dat ik zeg: ‘lekker, meer?’

    Zo is het gegaan en dat weet je – maar het komt jou beter uit vriendjes te blijven met dat minderwaardige geteisem daar.

  • Met mijn blijdschap om het ‘laagste’en ‘hoogste’ op dezelfde plank wil ik natuurlijk de keuze aan de kopers, genivelleerd of niet, in de boekwinkel overlaten, die dan Benders of Bloem uit de schap kunnen halen. Als *de* kritiek dan Benders aanbeveelt, kan de kritische lezer – die bijvoorbeeld wel eens iets wil dat níet van deze tijd is – toch voor Bloem kiezen.
    Rein Bloem bedoel ik nu liever.
    Ik ben altijd voorstander geweest van een boekhandel waarin nieuwe boeken naast uitverkochte (antiquarische) exemplaren van een auteur staan. Dat heft meteen dat verouderde taboegedoe tussen oud en nieuw op (en tussen jong en oud). In Parijs zag ik ooit zo’n boekwinkel (naam en adres kwijt).

  • Eddy, Martijn,

    Jullie kennen deze speech toch? The Cuckoo Clock

  • Ik ben erbij geweest, heb ongeveer begrepen waar Marc zich boos over maakte, ben ervan overtuigd dat een dialoog altijd nog mogelijk was en is – maar dat je daarbij niet kunt eisen dat de ander zich gedraagt volgens jouw inzichten. In jouw geval betekent dat dat je in dat debat bijvoorbeeld óók iets van begrip voor Marcs positie t.a.v. het wissen had kunnen tonen, dat had wellicht de discussie wat opener gehouden. Anderen hadden weer andere dingen ongetwijfeld beter kunnen doen. Dat zal mutatis mutandis vast en zeker ook voor mij of Marc of Hans of wie dan ook gelden. Ook dat mag dan gezegd worden.

    Maar vooral word ik van termen als “minderwaardig geteisem” behoorlijk wanhopig.

  • eddy warmerdam

    jazeker ken ik die rutger,
    die citeer ik wel eens
    passie, daar gaat het om
    maar in zo’n tijd leven we niet
    misschien als er wat sociale onrust ontstaat door de schuldencrisis
    je zou er bijna op hopen
    maar anders vinden we met onze gezapigheid hooguit nog het koekoekspolshorloge uit

    in die zin begrijp ik en heb ik ook altijd wel begrepen waarom martijn zo nodig de boel moet opstoken
    maar het is nutteloos en alleen maar vermoeiend gedoe
    hooguit af en toe vermakelijk

  • Waar ik allergisch voor ben geworden zijn die eeuwige vergelijkingen met voetbaltermen (ja, ik weet het, voetbal is passie). Ik geef niet om vrouwen die van voetbal houden noch van haar die tatoeages dragen (nee, ook geen bloempje of vlindertje boven het stuitje).

    “Koekoek”, riep Dér Mouw als hij zijn dienstmeisje riep. (Hij zal toch wel geweten hebben dat hij daarmee ‘de duivel’ binnenriep?

  • Nou goed, misschien is die kwalificatie wat overspannen, en staat die hen wel, maar mij niet. Wat dat betreft neem ik hem terug. Maar die mildheid van jou past evenmin, en wat dat betreft ben ik het wèl met Martijn eens, hartgrondig zelfs. En ik begrijp niet waarom je Kregting voortdurend moet verdedigen, ook nadat ik je hier opnieuw vertel wat je zelf hebt meegemaakt. Je kunt ook zeggen: inderdaad Rutger, die reactie van hem was uncalled for. Maar dat doe je niet, en dat weet ik, en daar laat ik het bij.

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>