Over Heere Heeresma

Lezers van Heeresma’s boeken zullen het allicht hebben herkend: het postbusnummer in Amsterdam dat hij in al zijn boeken liet opnemen. Hij was er zijn tijd ver mee vooruit. Vestdijk, het boegbeeld van onze literatuur in de jaren van Heeresma’s opkomst, woonde wel middenin het land, maar toch zo geïsoleerd dat men hem ‘de kluizenaar van Doorn’ ging noemen. Aan de andere kant van het spectrum had je dan Harry Mulisch, die in Amsterdam om de hoek van het Leidseplein ging wonen en daar voor iedereen fysiek benaderbaar was. Heeresma daarentegen was een modern auteur: niet zozeer fysiek aanwezig, maar altijd bereikbaar, zoals schrijvers van nu die allemaal bereikbaar zijn via een virtueel postbusnummer: een FB- of Twitter-account.
Mulisch, die aan de Leidsekade nog een tijdje naast Heeresma heeft gewoond, was trouwens in een belangrijk opzicht diens tegenpool. Voor Mulisch was literatuur de enige werkelijkheid: een geschiedenis die niet gebeurd hoefde te zijn om toch te worden opgetekend: ‘het niets, dat gebeurt’. De werkelijkheid daarbuiten bestond voor hem nauwelijks; wie daarover schreef, was geen schrijver van literatuur, maar van ‘reportages’.
Voor Heeresma was die werkelijkheid nou juist de inzet van zijn schrijverschap: zonder zijn bericht zouden zijn mensen nameloos verdwijnen, zoals de vele miljoenen die in de oorlog waren verdwenen. ‘Gedenk hem’, staat er boven ieder verhaal uit de Zwaarmoedige verhalen. En: ‘Uit verzet werd dit boek geschreven’ boven Een jongen uit Plan Zuid, zijn laatste roman over de oorlogsjaren. Geen mythisch schrijverschap dus, geen heilige optekening, maar tegen het vergeten: joods.
Tegenover dat vasthouden stond zijn poëzie. Heeresma debuteerde met poëzie (Kinderkamer, 1954) en hoewel het met zijn omvangrijke oeuvre aan verhalen en romans moeilijk is voor te stellen, beschouwde hij zichzelf in de eerste plaats als dichter. In zijn gedichten wordt de invloed van de voorbij vlietende werkelijkheid sterk gevoeld. Het is als een Heraclitische stroom, waarvan je de kracht ook in zijn titels terughoort: In het voorbijgaan heet er een verhaal, en Vlieg met me mee vogel tralala een brievenboek. Of neem de beroemde eindscène uit het verhaal Een winkelier keert niet weerom, waarin de winkelier en de postbode (in de film gespeeld door Johnny Kraaykamp en Rijk de Gooyer) samen in een boot door de ondergaande zon worden aangetrokken en in een maalstroom worden meegesleurd. ‘Wat gaat het hard!’
Er was één probleem met poëzie: je kon er niet van leven. En Heeresma wilde onafhankelijk zijn. Daarom ontzag hij zich niet om in populaire subgenres van de literatuur te laboreren: in spyromans, filmscenario’s, tv-spelen, pornopersiflages (‘prima porno in prachtig proza’). In de literatuur was hij de Quentin Tarantino van zijn tijd.
In een aantal geruchtmakende publicaties heeft Thomas Vaessens, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, gepleit voor herstel van de banden tussen literatuur en de werkelijkheid. Dat is hem door een literaire elite niet in dank afgenomen. Als schrijvers en lezers weer dezelfde taal gaan spreken, wat moet er dan worden van de hoge cultuur waar die elite zijn posities in het veld aan dankt?
Ook Heeresma vond dat de literatuur moest worden opengegooid, dat men er geen steil, modernistisch gebouw van moest maken. Natuurlijk stonden zijn idealen in het verlengde van zijn persoonlijke belangen – maar zou dat anders moeten zijn? Een selfmade man als hij had bij elitaire idealen niets te zoeken. Hij spreekt een taal waar iedereen zich in herkent.
Een titel als Dag mopperkont, hallo Bets… is geschreven in een idioom dat Henk en Ingrid kunnen verstaan. Zo sloeg Heeresma een brug tussen literatuur en gewone lezers. Hij was een publieksauteur die het contact met lezers zocht: daarom liet hij dat postbusnummer achter in zijn boeken. Heeresma heeft een halve eeuw lang uitdrukking gegeven aan Vaessens’ model.