Jarmusch’ Nowheresville: tussen Wittgenstein’s paradijs en Leone’s woestijn

Een beschouwing naar aanleiding van Father Mother Sister Brother (Jarmusch, 2025)

Charlotte Rampling, Cate Blanchett, Vicky Krieps drinken thee
Charlotte Rampling, Cate Blanchett, Vicky Krieps in Father Mother Sister Brother.
Drievuldig feilloos vals (Piet Gerbrandy)

Eigenlijk zou ik ze allemaal nog eens moeten zien: Stranger than Paradise (1984), Down by Law (1986), Mystery Train (1989), Night on Earth (1991) en vooral Dead Man (1995). Films over zwervers, nachtwerkers, criminelen, reizigers, muzikanten, cowboys en andere verdwaalde zielen. Ze speelden zich af in lege, nachtelijke steden, in motels en andere zogenaamde liminal spaces: verlaten doorgangsplekken die Jim Jarmusch, lang voordat ze het onderwerp van internetmemes werden, al fascineerden. Het waren de hoogtijdagen van de ‘indies’, independent movies, met regisseurs als Hal Hartley en Steve Buscemi en films als Reservoir Dogs, In the Soup en The Brown Bunny. Maar waar Tarantino al snel door Hollywood werd geabsorbeerd en anderen uit beeld verdwenen, bleef Jarmusch trouw aan de traditie van John Cassavetes, de godfather van het onafhankelijke filmen. Wat was hij cool, met die spiegelende zonnebril, ook in cameo’s in Smoke en Blue in the Face, met andere New Yorkse helden als Harvey Keitel en Lou Reed.

Na Dead Man leek er iets in Jarmusch te verschuiven. Year of the Horse (1997), een zich voortslepende documentaire over Neil Young, werd vooral door bewondering overeind gehouden; Ghost Dog (1999) presenteerde zich als een filosofische parabel zonder innerlijke noodzaak. Het was alsof de vorm – de pose van onafhankelijkheid, de stilering van de outsider – belangrijker werd dan de ervaring die die vorm moest dragen. De onafhankelijkheid die ooit een bron van vrijheid was, werd een keurslijf: een manier om binnen een nichecultuur symbolisch kapitaal te behouden zonder het risico van vernieuwing. Vanaf dat moment verloor ik hem uit het oog – hij maakte ook niet veel meer.

Maar nu is daar na zoveel jaar Father Mother Sister Brother, in een wereld die aanzienlijk is veranderd. Ik was benieuwd of Jarmusch als oude meester misschien de inspiratie uit zijn eerste jaren zou hebben hervonden, om ons allemaal met gerijpt werk opnieuw voor hem te winnen.

‘Deze film wordt óf heel goed, of heel slecht,’ zei ik vlak voor de zaallichten doofden tegen Angèle. Een tussenweg leek me niet mogelijk, zoals bij Woody Allen, die heel veel films van gemiddeld niveau heeft gemaakt, en die net als Jarmusch vaak met grote sterren, maar altijd buiten het studiosysteem is blijven werken. Het verschil is dat zijn films altijd onderhoudend zijn en gebouwd op een ijzersterk plot. En precies daar schiet Jarmusch tekort: Father Mother Sister Brother vond ik opnieuw saai, leeg en ongeïnspireerd.

Nu blonken zijn vroege films ook niet uit in sterke plots of een meeslepend ritme, maar toch verveelde ik me niet, omdat de personages zelf zich verveelden, of hoe zegt Lucebert dat:

want mijnheer ik ben een engel
die zich in deze eeuw in de hemel verveeld heeft
die naar de aarde afdaalde
die daar verveeld het onvolledige leven
meeleeft
en die deze verveling volledig
liefheeft

Het spijtige is dat Jarmusch hieruit geconcludeerd heeft dat verveling en leegte op zichzelf interessant zijn. Hij toont van beide niet de fatische kwaliteit – verveling en leegte als voorwaarde en achtergrond van het leven – maar behandelt ze als absolute, apostolische grootheden die zich van de aarde en het leven hebben losgezongen.

Net als Mystery Train is Father Mother Sister Brother een drieluik, en net als Night on Earth spelen de verhalen zich af in verschillende steden, met verschillende personages. Maar het grondgegeven is in de drie verhalen telkens hetzelfde: twee kinderen brengen een bezoek aan hun ouderlijk huis. Daar blijkt dat hun ouders ook een eigen leven hebben, los van hun kinderen, waar nadrukkelijk niet over wordt gepraat, omdat de vader het voor hen geheim houdt zoals in het eerste deel, of omdat het taboe is zoals bij de moeder in het tweede, of omdat de ouders inmiddels dood zijn, zoals in het derde.

Daarnaast zijn er een aantal kleinere motieven die in alle delen terugkomen, zoals het zoekend rondtoeren in een auto, het dragen van kleding in dezelfde kleur, de kreten ‘Nowheresville’ en ‘Bob’s your uncle’ (‘Klaar is Kees’), en drie skaters in slow motion. De vraag is: waarom deze opzet, ja waarom überhaupt een structuur?

Een structuur maakt verschillen zichtbaar. Wittgenstein gebruikte dat principe voor zijn taalspelen: betekenis ontstaat niet uit een essentie, maar uit gebruik. Ook in deze film is de ene ouder de andere niet, de ene stad de andere niet, enz. Inderdaad vergeleek Wittgenstein zijn taalspelen met een stad die je het beste leert kennen door erdoorheen te lopen, vanuit verschillende richtingen, zonder plattegrond die alles verklaart. Concepten hebben hooguit familiegelijkenissen, zei hij letterlijk, geen vaste kern.

Toch is de verleiding groot om achter de variatie een model te zoeken. Kosuth speelt daarmee in One and Three Chairs: drie verschijningsvormen van één onuitgesproken ‘One’. Het is precies dat idee van een verborgen kern dat zijn weg lijkt te hebben gevonden naar het geheime leven van de ouders, die de oorzaak is van de lange, ongemakkelijke stiltes en de statische mise-en-scènes in Jarmusch’ film.

Kosuth, One and Three Chairs (1965)
Joseph Kosuth, One and Three Chairs (1965)

Een ander nadeel van het werken op basis van een structuur is dat het grote beperkingen oplegt aan verhalen en personages. Daarom zijn biografieën vaak zo saai: de betrokkene wordt geboren in moeilijke of minder moeilijke omstandigheden, gaat naar school of niet, trouwt of niet, heeft succes of niet, en sterft geliefd of vergeten. De route door het leven wordt binair, net zoals het licht dat aan is of uit: het beantwoordt aan de feiten, dat wil zeggen aan vooraf geformuleerde criteria, waardoor het fundamenteel virtuele karakter van de werkelijkheid – het licht dat uit is als fatische voorwaarde voor het licht dat aan is, en omgekeerd – wordt miskend.

In dat opzicht lijken het dwalen door straten en het skaten een poging om aan dit voorgeprogrammeerde traject te ontsnappen en uit te komen in ‘Nowheresville’. Maar als alle verschillen wegvallen en we allemaal op elkaar gaan lijken, blijft alleen een ideaalbeeld over waarin iedereen ‘Bob’s uncle’ is — een droom voor manipulatoren en dwingelanden. Nowheresville zou Wittgensteins hemel op aarde zijn: in plaats van nieuwe concepten te ontwikkelen om op nieuwe manieren naar de problemen in de wereld te kijken, wordt het denken er aan banden gelegd om te voorkomen dat nieuwe problemen zich voordoen. Het geheim dat zo’n voorname rol speelt in deze film is daarin instrumenteel: niet om zijn inhoud, maar om zijn vorm. Het garandeert een machtspositie. De Staat houdt van geheimen omdat de bureaucratische piramide zich erin kan spiegelen: van top secret naar vertrouwelijk. Geheimen structureren hiërarchie: wie gehoorzaamt wordt ingewijd.

In deze film staan de kinderen in elk van de drie delen machteloos tegenover de ouderfiguren. In het eerste deel is de vader hen met zijn manipulaties te slim af, in het tweede dwingt de moeder een taboe af, en in het derde zijn de ouders met stille trom vertrokken, hun kinderen achterlatend met de restanten van hun geheime leven. Waarover je niet kan spreken, daar moet je over zwijgen: de kinderen hebben geen andere keus dan dit gebod uit de laatste stelling uit Wittgensteins Tractatus op te volgen.

Het alternatief: Leone’s woestijn

Er is ook een categorie geheimen waarbij geen informatie achter de hand wordt gehouden. Wanneer we onzichtbaar of onvoorspelbaar worden, houdt het geheim op een model te zijn en wordt een eigenschap, beter gezegd: we worden zelf een geheim. Daarmee ontsnappen we aan de binaire blik van de maatschappij die ons wil identificeren: man/vrouw, enz. In hun boek 1000 Plateaus zeggen Deleuze en Guattari dat het geheim dan geen inhoud meer heeft, maar zelf onwaarneembaar is geworden. Het is volgens hen de hoogste staat van het geheim: niet langer iets te verbergen hebben, maar een pad worden dat niemand kan volgen. De tijd gaat nu een rol spelen, het geheim wordt een beweging en de verveling slaat om in spanning: niet meer het wat staat op het spel, maar het wanneer. Deleuze en Guattari noemen dit een verschuiving van de extensie (de ruimte waarin de afstand tot de ‘One’ wordt gemeten) naar de intensiteit (tijd als innerlijke duur, zoals door Bergson gedefinieerd: geen meetbare kloktijd, maar een levende, vloeiende ervaring waarin onze bewustzijnstoestanden elkaar doordringen). Door het geheim van Luceberts hemel naar de aarde te verplaatsen, verandert het apostolische karakter ervan in een fatisch worden, in pure intensiteit. Het streven naar volmaaktheid wordt prijsgegeven voor een onvolledig leven, waarin alles kan gebeuren omdat het model zijn ijzeren greep kwijt is.

Waar Wittgenstein zwijgt uit eerbied voor de grens van de taal (het mystieke, ethische), zwijgen Deleuze en Guattari om de vijand te misleiden. De ‘nomade’ die onzichtbaar door de muren beweegt die de Staat opwerpt (dezelfde muren waarmee Wittgenstein de grenzen van de logica bewaakt), wordt een strategische onvoorspelbaarheid. Hij speelt zijn troef niet uit om een punt te bewijzen – ‘bewijzen vermoeien de waarheid’, zei de schilder Georges Braque – maar om de ruimte te transformeren. Hij glipt door de staatsrasters van wegen, wetten en grenzen, waardoor hij onzichtbaar wordt voor het systeem. Zo verandert hij de regels van het spel, terwijl iedereen nog naar zijn kaarten staart.

‘Mexican standoff’ aan het eind van The Good, the Bad, and the Ugly (Sergio Leone, 1966).

Een concreet voorbeeld van zo’n geheim staat niet in een filosofisch traktaat maar in een western. In de slotscène van Sergio Leone’s The Good, the Bad, and the Ugly (1966) staan drie gewapende mannen tegenover elkaar in een zogenaamde ‘Mexican standoff’. De troef is hier geen verborgen kaart – het Wat, de goudschat, is bekend – maar controle over de reflex. Wie het geheim van het Wanneer beheerst, van pure intensiteit, beheerst de hele situatie. In de standoff zijn alle partijen onbeweeglijk, maar de situatie zindert van spanning, deze meest intense vorm van ‘verveling’ in Bergsoniaanse zin.

De blikken van de mannen verdelen de ruimte in drie strakke lijnen. Dit is de logica van de Staat: alles is overzichtelijk en georganiseerd en wordt gedefinieerd door angst. Maar Blondie (Clint Eastwood) heeft de kogels uit de revolver van Tuco (Eli Wallach) verwijderd. Hij verandert de regels van het standoff-taalspel zonder dat de anderen het doorhebben. In het moment vlak vóór het schot kan alles tegelijk gebeuren. Blondie overleeft omdat hij niet wacht op een signaal van buitenaf; hij is de snelheid zelf. Het geheim van de winnaar is dat hij niet meer nadenkt over de regels, maar een onwaarneembare beweging maakt op het exacte moment dat de intensiteit haar hoogtepunt bereikt.

Speelt Blondie niet vals? Zeker, maar met recht en reden. Hij valt niet voor de Staat-ethiek zoals Tuco, die de logica van de confrontatie accepteert: drie mannen, drie geladen revolvers, moge de snelste winnen. Tuco is weliswaar ‘eerlijk’ tegenover het duel, maar hij is een slaaf van zijn eigen reactiviteit en zijn eerlijkheid is eigenlijk een vorm van onderwerping aan de regels van het geweld. Voor een nomade is er geen eerlijk spel binnen een systeem dat het op je leven heeft voorzien. De ethiek van Blondie is er een van overleving en bevrijding. Hij stapt uit het binaire systeem van dood of gladiolen en weigert slachtoffer te worden van een zinloze rekensom die hem een 33% kans geeft om het te overleven. Zijn manipulatie (het legen van Tuco’s revolver) is wat Deleuze en Guattari een vluchtlijn noemen, een manier om te ontsnappen aan een taalspel waarin je tegen je zin wordt opgenomen. Hij is een beweging geworden die geen sporen nalaat; in die zin is hij onwaarneembaar op het moment dat hij het meest effectief handelt.

Het diepste geheim blijkt datgene wat open en bloot gebeurt, maar wat niemand begrijpt.

De ‘standoffs’ in Father Mother Sister Brother missen deze intensiteit. Ze staan niet onder spanning, maar zijn als een cul-de-sac: er is geen Blondie die opstaat en de regels van het spel verandert. Illustratief voor het verschil in benadering, en een verklaring voor Jarmusch’ creatieve malaise, zijn de beelden in slow motion van de skaters. Waar een nomade onzichtbaar wil zijn door snelheid, maakt Jarmusch hen juist hyper-zichtbaar. Ze zijn geen vluchtlijn meer, maar een projectie van zijn verlangen om er een te zijn. Het is de ‘snelheid van de stilstand’ (zoals bij Leone), maar dan zonder de dreiging of de troef; het is stilstand die in dienst staat van waarneming, analyse, vergelijking, verificatie, maar niet van het leven.

Hitchcock wijst op nog een ander verschil tussen het geheim als drager van een plot, en suspense (spanning) als stuwende kracht van de handeling. Father Mother Sister Brother is in essentie een mystery-film. Net als de whodunit wordt die gekenmerkt door zijn intellectuele inzet. Suspense werkt op emoties en wordt niet bereikt door het publiek van informatie uit te sluiten, maar juist door die te geven. Een bom die onverwacht afgaat levert een schrikreactie van vijf seconden op, maar een bom waarvan het publiek weet dat hij over vijf minuten ontploft, creëert vijf minuten spanning. Jarmusch kiest voor mystery: het geheim van de ouders blijft een gesloten systeem, een hiërarchisch Staatsgeheim.

Dat is niet altijd zo geweest. Zijn vroege films werkten omdat de kijker, ondanks de gestructureerde opbouw, wist wat er op het spel stond, ook als de personages dat niet wisten. In Stranger than Paradise dwaalde de kijker mee met personages die nergens naartoe gingen, maar je voelde voortdurend de druk van wat onuitgesproken bleef — niet als verborgen geheim, maar als gedeelde onmacht die open en bloot op tafel lag. Dat was Hitchcocks bom zichtbaar onder de tafel. Het geheim van de ouders in Father Mother Sister Brother blijft een geheim van de Staat (bureaucratisch, hiërarchisch), terwijl de film snakt naar een nomadisch geheim. 

Jarmusch’ laatste film is een One and Three Chairs geworden, een  drieledige conceptuele exercitie naar het fenomeen ‘gezin’. Hij is vergeten dat een geheim pas gaat leven wanneer het, zoals in de woestijn van Leone, een gevaarlijke vluchtlijn wordt. Het resultaat is een film die weliswaar over geheimen gaat, maar zelf geen geheim meer is. Het is ‘Nowheresville’ geworden, niet als bevrijdend niemandsland, maar als Luceberts hemel en Kosuth’s ‘One’. Een plek zonder intensiteit, een eindeloze leegte: Wittgensteins paradijs.

 

 

Over twee vormen van suspense

Over Tori en Lokita (Jean-Pierre en Luc Dardenne, 2022)

Wat een ideale film en wat een fantastisch regisseurskoppel is dit toch, met die unieke combinatie van sociale bewogenheid en vakmanschap, en hoe die twee in dienst van elkaar staan. Het engagement met het ‘precariaat’ staat niet op zichzelf maar leidt tot oorspronkelijke artistieke keuzes, zoals het werken met onervaren acteurs, of het doordringen tot in de diepste lagen van dat precariaat, waar dingen gebeuren waar ik geen idee van had en waardoor het engagement nog een documentaire dimensie krijgt. Wie zei er ook weer dat film het medium is dat je dingen laat zien waar je normaal gesproken niet bij komt?

Hitchcock definieerde film als een problematisch medium doordat het beslag legt op de tijd van de kijker, zonder dat die kan ingrijpen. Het enige wat een regisseur kan doen om de aandacht vast te houden, is zorgen voor spanning: suspense. Daarvan biedt Tori en Lokita twee vormen. De eerste is direct gekoppeld aan het engagement dat het verhaal in de kijker wekt: in spanning, maar machteloos kijk je toe hoe de beide kinderen zich door het mijnenveld van de illegaliteit heen bewegen, belaagd door de een, afgeknepen door een ander, uitgebuit door een derde, aangerand door een vierde en wat een vijfde nog doet verzwijg ik maar. Voortdurend die spanning: hoe lang gaat dit nog goed?

Het laatste half uur raakt de film in een stroomversnelling en neemt de klassieke, Hitchcockiaanse suspense het over, alsof het medium ten slotte zegeviert over het naturalisme. Pas na de ontknoping, de laatste paar minuten, volgt ontspanning – maar geen berusting: de film sluit af met een aanklacht. Die is korter dan die van Max Havelaar, maar niet minder pregnant.

’t Wordt druk bovenin mijn jaarlijstje…

PS De openingsscène van de film, waar ook de trailer hieronder mee begint, bevat een verborgen spoiler die de eindjes van de film fraai aan elkaar knoopt.

Tegen het waterboarden van de kijker

Over Certain Women (Kelly Reichardt, 2016)

Filmaffiche

Al tijdens het kijken naar dit drieluik besefte ik dat dit een van de fijnste films is die ik de laatste jaren heb gezien. Er zijn misschien betere films, van grotere regisseurs, met grotere budgetten en meer ambitie (het woord ‘mannelijker’ valt me in) maar geen waarbij ik me zo thuis voelde – ook al speelt de film op een plek op aarde die ik niet ken en ook al ben ik geen vrouw en stelt het leven me voor heel andere vraagstukken.

Het was dus geen kwestie van identificatie met de personages. Ook was het niet een of ander ‘haakje’ – de plot, de visuele stijl, een talent, actualiteit of ethische kwestie – dat mijn betrokkenheid wekte. Het was juist het open karakter van de film, het gevoel dat er niets was voorzien, maar ook niets was uitgesloten, waardoor ik maximaal betrokken raakte.

Reichardt laat veel ruimte open in haar film: van het weidse landschap van Montana, in de verte begrensd door het blauwe graniet van de Rocky Mountains, tot aan het kalme, ik zou haast zeggen sobere tempo waarin de drie verhalen zich afspelen. Gestuurd wordt er nergens, en het is die openheid die zorgt dat de film geen moment verveelt. Er is geen bescherming tegen het onverwachte; evenmin is er een plan of programma dat houvast biedt. Het is alsof je er zelf bij bent en er van alles kan gebeuren. Elk moment is spannend.

Suspense dus, maar van een heel bijzondere aard. Het probleem met film is dat het een medium is dat tijd in beslag neemt. Om te voorkomen dat het publiek daarbij zijn geduld verloor, voorzag Hitchcock de kijker van informatie: een tikkende tijdbom onder een tafel bv. 1 Zo bouwde hij ahw een laag om de film heen: een verhaal met een bepaalde inzet, waardoor je wilde weten hoe het afliep en je vergat dat je naar een rolprent van een bepaalde lengte keek.

Bij Reichardt is dit radicaal anders. In haar film komt de spanning niet voort uit het script, maar uit de suggestie dat er géén script is – alsof wat er gebeurt niet is voorzien en de dingen gebeuren omdat ze nu eenmaal gebeuren, net als in het leven. De scènes volgen elkaar op zonder uit elkaar voort te komen of naar een einde toe te werken. De vraag is natuurlijk waarom Reichardts film dan niet verveelt. Ik denk dat dit is omdat het tempo in haar film niet wordt bepaald door wendingen in het verhaal, maar door de motieven van de personages. Zij bepalen het belang van de gebeurtenissen. De manier waarop het verhaal wordt verteld komt overeen met de manier waarop zij de gebeurtenissen beleven en er waarde aan toekennen. Daardoor hoef je je als kijker niet in hen te verplaatsen. Door alleen het verhaal te volgen, leer je hen niet kennen als subject, maar als waarnemer en ontwerper van het eigen lot. In die zin zijn zij eerder auteur van hun verhaal dan subject.

De maat wordt dus niet geslagen door een script, maar door de wisselwerking tussen personage en diens (sociale) omgeving. In wezen is er geen tijd, is er alleen een nu waar de film zich in nestelt, eenvoudig door geen voorsprong te nemen en met een nieuwe verhaalwending klaar te staan. Er is een totaliteit waar de tijd ahw doorheen loopt: niet om een volgorde aan te geven, maar om verschillende kanten te kunnen belichten, zoals omgekeerd een kubistisch schilderij van een figuur verschillende kanten tegelijk laat zien.

Misschien is dat de reden waarom de film een drieluik is, alsof die vorm zich na films als Old Joy (2006), Meek’s Cutoff (2010) en Night Moves (2013) vanzelf voor Reichardts stijl van filmen aandiende. Samen laten de drie verhalen drie kanten van een tijd en een plaats zien. Soms zijn er raakvlakken, wanneer een personage even kort in een van de twee andere verhalen opduikt. Maar anders dan in het drieluik van Pulp Fiction kan het tijdsverloop na afloop niet worden gereconstrueerd. Alles vindt plaats in een enkel continuüm en de verbanden zijn even toevallig als noodzakelijk: toevallig omdat ze niet zijn voorzien; noodzakelijk omdat in een continuüm alles op een gegeven moment bij elkaar komt. Gebeurtenissen boeten daardoor aan belang in en worden lyrischer, poëtischer – minder dramatisch, minder geladen met consequenties. Alles wat gebeurt krijgt pas betekenis in het bewustzijn van de personages. Hun onderlinge interactie bepaalt de richting en het tempo van de film. En net als in poëzie gebeurt er meer dan je kunt overzien – of zoals Roger Ebert zei na het zien van Old Joy:

‘What happens in the story isn’t defined by incident. In that sense, I couldn’t synopsize what happens in Old Joy any more than I could tell you what happens in The Dead, or Yasujiro Ozu’s Late Spring, or Miles Davis’ In a Silent Way. *Everything* happens.’ 2
Kelly Reichardt
Kelly Reichardt.

Er is met films als Dunkirk (Nolan, 2017) veel te doen over ‘immersive cinema’: films die je met alle mogelijke visuele, akoestische, sensorische, stereoscopische enz. middelen in de filmische werkelijkheid onderdompelen. Regisseurs als Nolan willen, aldus Gawie Keyser in zijn recensie,

‘de mentale staat van de figuren op het scherm overbrengen: een gevoel dat of een gewaarwording die in een bepaald tijdsbestek wordt doorleefd. Ze plaatsen ons in het hoofd en in het lichaam van de mensen op het scherm. Het is alsof zij onze avatars zijn: wat zij voelen, voelen wij, wat zij doorleven, maken wij evenzeer mee. Ik weet niet of fictie, of misschien zelfs de hele beleving van kunst, intenser kan zijn dan dit.’ 3

Een totale identificatie dus, het opgeven van jezelf om maximale betrokkenheid te creëren. Dat laatste bereikt Reichardt in haar film ook, maar niet door de kijker van zichzelf te vervreemden. Reichardt neemt een weldadige distantie tot haar onderwerp in acht, en spreekt de kijker aan op diens vermogen om zich op eigen gezag tot de wereld te verhouden – dus door hem vrij te laten in het bepalen van zijn aandacht. Keyser noemt Dunkirk een ’triomf van de cinema’, maar de methode-Noland berust niet op het filmmedium, maar op identificatie met de personages. De kijker wordt verleid zijn positie van waarnemer-op-afstand op te geven en zijn lot in handen te leggen van instanties (personages) die nauwelijks invloed hebben op de gang van zaken, ook niet op de situaties die ze ‘zelf’ creëren. Het tempo wordt namelijk niet door hen, maar door een abstracte voorzienigheid gedicteerd, in dit geval door het genreformat, deze optelsom van productie-eisen – zoals galeislaven door een trommel. In Dunkirk wordt dat tempo zelfs letterlijk verbeeld door een klok. ‘Net als Farrier en Mr. Lawson zijn wij () gevangen binnen de grenzen van een werkelijkheid gemeten in seconden, minuten, uren, dagen’, schrijft Keyser. En: ‘Wanneer die klok aan het einde eindelijk stopt met tikken, zit ik doodop in mijn stoel’.

Als ik zo’n zinnetje lees, denk ik direct aan Bertolt Brecht. Die zou dat effect tegen elke prijs willen voorkomen. Wat heb je aan een uitgeput, genarcotiseerd publiek dat zich gevangen voelt en zich uitlevert aan dragers van angsten en visioenen, aan onderhorigen van een fataliteit: het script? Identificatie is niet hetzelfde als solidariteit. Door de subjectpositie van een ander te aanvaarden bereik je alleen dat je diens avonturen en sensaties mag ondergaan in een verder van hogerhand geschonken, onveranderlijke wereld. Volgens Brecht gaat het er niet om mensen onder te dompelen, maar ze tot inzicht te brengen, te confronteren met de wereld en aan te zetten tot activiteit.

Reichardts film wordt niet gestuurd door plotwendingen waar de personages willoos achteraan hollen. Er is geen lineaire, organische of anderszins evolutionaire ontwikkeling; elke scène staat op zichzelf. Wat overheerst is die gerichtheid op het onbekende, onvoorspelbare, op film als een medium van onbestemde duur, dat precies daarin de werkelijkheid spiegelt. De personages zijn dus wel de vormgevers van de film, maar hebben niet alles in de hand. Het is juist door het besef dat ze er fundamenteel alleen voor staan en net zo weinig houvast hebben als wijzelf, dat hun reacties en emoties een dringend appel komen doen op de kijker. Zo creëer je betrokkenheid. In dat opzicht is dit ook een politieke film, die aanzet tot solidariteit met de geportretteerde vrouwen.

Een van de hoogtepunten vond ik de confrontatie tussen een paardenhoudster en een advocate op een parkeerplaats, waar er in enkele momenten wordt beslist over liefde en geluk. Het is haast een vrouwelijke variant van de standoff in een western. Je hoeft geen partij te kiezen voor een van beide vrouwen in dit geweldig geacteerde moment. Beide posities zijn volkomen begrijpelijk en houden elkaar in evenwicht; ook hier blijf je als kijker zowel vrij als tot het uiterste betrokken. Op subjectniveau zijn ze vreemd voor elkaar – maar daarbuiten, in de ruimte van het volledige leven, zijn ze allebei verwant aan jou.

  1. Zie Hitchcocks uitleg. 
  2. RogerEbert.com, 6 november 2006. 
  3. Spookoorlog in de duinen, De Groene Amsterdammer, 27 juli 2017. 

Liefde in tijden van staatscontrole

Over Amour van Haneke

 
LEESWAARSCHUWING: ARTIKEL VERONDERSTELT KENNIS VAN DE FILM
 

George en Anne in bed
Jean-Louis Trintignant (Georges) en Emmanuelle Riva (Anna) in “Amour”.

 
(…) Dit binnendringen van de camera in een besloten omgeving – en het daarmee gepaard gaande zelfbewustzijn van het apparaat – vormt het eigenlijke onderwerp van Michael Haneke’s Amour (2012). De film biedt een nietsontziende blik op twee mensen in de ellende van hun ouderdom. Het verhaal speelt zich vrijwel helemaal af in een Parijs’ appartement. Gaandeweg de film werkt die beslotenheid verstikkend, temeer doordat motieven van afsluiting en beklemming elkaar in het scenario voortdurend opvolgen. De man smoort een binnengevlogen duif, smoort ook zijn vrouw, weigert open te doen, barricadeert het huis en plakt na de dood van zijn vrouw de deuren af: maatregelen die niet verhinderen dat vreemde elementen het appartement binnendringen, mensen onaangekondigde bezoeken brengen en er zelfs wordt ingebroken.

Vanwege de beperkingen van dit strenge, Hermansiaanse scriptprotocol, waarbij elke handeling door een echo of tegengeluid wordt beantwoord, kon alleen door een interne verschuiving van verhaalpassages wat lucht en beweging in de film teweeg worden gebracht. De film wordt iconisch 1 geopend doordat de brandweer de voordeur van het appartement forceert en in de slaapkamer de ramen opengooit om er de lijklucht te laten ontsnappen. In het verhaal hoort deze scène aan het slot thuis. Van de andere kant zien we het echtpaar aan het eind van de film het huis verlaten, alsof ze in een droom ontsnappen aan hun beroerde situatie, maar in het verhaal hoort deze scène thuis aan het begin, wanneer beiden nog gezond van lijf en leden zijn en zich op weg begeven naar een recital.

Door dit hechte verband tussen de onderdelen, de geconcentreerde aandacht en de manier waarop de dramatische ruimte van de omgeving is afgescheiden, maakt Haneke’s film als het ware de indruk van een gedicht, een zelfstandige eenheid die met de buitenwereld een vreemde relatie onderhoudt, als een tekstblok op het wit van de pagina.

Ter vergelijking even een andere film die zich ook vrijwel uitsluitend in een appartement afspeelt: Hitchcocks Dial M for Murder, uit 1954. Anders dan Amour roept die film geen gevoelens van beklemming op, maar van spanning, suspense. De mise-en-scène is niet statisch als bij Haneke maar dramatisch, met opkomende en afgaande personages. De lucht die in Amour ontbreekt, is in deze film volop in beweging. Hitchcocks cameravoering legt zich toe op identificatie en het overbrengen van emoties, in dienst van een wil tot lust; zijn cinematografie kondigt een periode aan waarin de verbeelding aan de macht kwam en bedient zich van idiosyncratische standpunten en bewegingen: extreem dicht bij de grond, of vanaf het plafond: posities die door mensen alleen in dromen worden ingenomen. Bij Hitchcock wordt de camera eerder door het onderbewustzijn geleid dan door een sociale agenda, zoals bij Haneke en de jongens van Dogme95. Het is een apparaat met gevoelens en zelfs met een eigen geweten. 2

Camerastandpunt vanaf de vloer in Hitchcocks "Dial M for Murder".
Camerastandpunt vanaf de vloer in Hitchcocks “Dial M for Murder”.
Idem, vanaf het plafond.
Idem, vanaf het plafond.

Bij Haneke is de camera van gevoelens en een geweten ten enenmale gespeend. Er worden geen extreme posities ingenomen zoals bij Hitchcock; evenmin wordt het ding in de hand gehouden, zoals bij Dogme95. De verbeelding is niet langer aan de macht; het beeld staat integendeel onder overheidscontrole. Het is vaak roerloos, als van een stille maar onverzettelijke getuige. In Amour opereert de camera heimelijk, als een insluiper, een agent van de geheime dienst. Haneke’s cinema is van onze tijd; ze wordt niet door verlangen of lust bestuurd, maar door Big Brother; zijn perspectief is dat van een bewakingscamera die onafgebroken registreert, in dienst van een toezichthoudend staatsapparaat. Je bent je nauwelijks bewust van de bewegingen en daardoor krijgen die iets vanzelfsprekends – maar dat is in Amour, bij een onderwerp dat om zo te zeggen uit alle poriën om respect en discretie, om een afgewende blik vraagt, bepaald onhebbelijk en aanmatigend. Haneke’s camera dringt zich overal tussen, eist vrij zicht op wat ze maar wil vastleggen: van pijnlijke scènes in de douche en op de wc tot in het echtelijk bed. Over het recht van het apparaat op deze informatie vernemen we verder niets. Althans niet rechtstreeks.

De camera op ooghoogte als heimelijke gast aan tafel in "Amour".
  De camera op ooghoogte als heimelijke gast aan tafel in “Amour”.

Het gedrag van de camera kan pas worden verklaard wanneer we niet van het onderwerp van de film uitgaan, maar van de vorm van het scenario. Door de hechte interne samenhang ervan wordt de dramatische ruimte in het appartement als het ware vacuüm getrokken. Het toneel verandert in een besloten, hermetisch universum waar alleen Georges nog uit de voeten kan. 3 Het is zíjn rijk, een formele vesting die hij uit hoofde van een rigoureus literair regime beveiligt en bestiert. Zijn universum lijkt dus principieel ongeschikt voor een filmische behandeling, voor het toelaten van een camera als fysieke getuige – en toch gebeurt dat. De camera staat binnen zelfs al te wachten wanneer de brandweer in het openingsshot de voordeur forceert, en is er nog als de dochter aan het eind het lege huis binnenkomt. Niet omdat het apparaat door Georges in het appartement is ‘opgesloten’ of iets dergelijks, maar omdat Haneke’s camera het eerste en het laatste woord heeft. De camera bepaalt bij hem het perspectief en is altijd aanwezig. Soms blijft het ding op de gang wachten terwijl de handeling zich achter een deur afspeelt: geduldig, in afwachting, alsof er iets subliems staat te gebeuren, onbeweeglijk vaak in tegenstelling tot de handheld camera Von Trier, maar gedreven door dezelfde wil tot weten.

Georges’ hermetische universum is geen zelfstandige, vanzelfsprekende wereld, hoezeer ook het product van zijn almachtsdroom, en ondanks zijn pogingen de ruimte te conserveren. Ze wordt gemedieerd door dit filmische perspectief, dwz door een camera die de ruimte in ogenschouw neemt en zich toe-eigent – niet ongelijk aan de manier waarop de kwajongens in Haneke’s Funny games het vakantiehuisje binnendringen en er hun terreur uitoefenen. Georges is niet de held van een literair drama, een eeuwige mythe waarop van buitenaf een keer een camera is gezet. Er is onder het regime van de wil tot weten geen plaats voor helden – alleen voor Big Brother zelf. Georges is een personage in een film: een subjectief relaas van een reeks eenmalige gebeurtenissen.

De intimiteit van het drama volgt uit de hechte samenhang van het scenario. Het onderwerp sluit er vanzelf bij aan: waar elke geïsoleerde, aan zichzelf overgelaten wereld onherroepelijk in entropie overgaat, daar zien we de eerste tekenen van dat verval al in de ouderdom en de misère van de beide protagonisten. Maar dit gesloten, mythische universum roept tegenkrachten op: een instantie die deze zelfgenoegzame orde doorbreekt en de eeuwigheid vervangt door het ogenblik, lyriek door epiek. De gesloten literaire ruimte openbreken: het gebaar waarmee de film opent is meteen alles waar het in de film om gaat. Tegelijk getuigt Haneke van het inherent indiscrete, opdringerige karakter van zijn medium en van de camera, die van nature door privéruimten en privéhandelingen wordt aangetrokken. Zo bereidt Haneke’s camera vanuit een programma van staatscontrole de pornografische ruimte voor. (…)

  1. Zie iconiciteit. 
  2. Getuige haar gedrag in Frenzy, waar ze de besloten locus delicti van buitenaf in ogenschouw neemt. Zie deze scène. 
  3. Zie de vele verwijzingen in de film naar voeten, benen, lopen, niet-lopen enz.: George’s droom waarin hij in de gang tot zijn enkels door het water waadt; zijn sloffen (ooit een paar sportschoenen) waarmee hij door het huis loopt; de tot fysiotherapie teruggebrachte bedscène waarin hij Anne’s been op en neer beweegt; de als wals opgevoerde oefening in de vestibule; Anne’s solodans in elektrische rolstoel in diezelfde vestibule; de rondscharrelende duif die George er vangt; het idee dat hun hele bestaan nu op hem steunt. 

Met Northwest naar Guantánamo Bay

Over ‘Shutter Island’ (Scorsese, 2013)

Filmaffiche

Altijd een feest om naar uit te zien, een nieuwe film van Scorsese – hoewel het de laatste jaren een beetje tegenviel, gemeten naar de maatstaven die hij zich met dat imposante oeuvre zelf op de hals heeft gehaald. Toch heb ik van zijn laatste vier films het meeste plezier aan Shutter Island beleefd, die momenteel in de bioscopen draait. Het is weliswaar geen 3D-film, maar met productieontwerper Dante Ferretti en Scorsese zelf is de film van a tot z een esthetisch, ik zou haast zeggen Italiaans genot om naar te kijken. Het is ook een echte Scorsese, met een verlosser die gekruisigd wordt, een gegeven dat in bijna al zijn films het verloop van het verhaal bepaalt, maar dat in zijn vorige films naar mijn gevoel misschien wat te formalistisch werd behandeld.

Ik zal hier verder geen recensie van maken, maar wil, zonder iets over de toedracht te verklappen, alleen wat zeggen over een aspect dat merkwaardigerwijs in de recensies tot dusverre over het hoofd is gezien. Dat is de nogal opzichtige metafoor van het psychiatrisch instituut op Shutter Island voor het gevangenkamp op Guantánamo Bay. Misschien komt het doordat recensenten vooral letten op verwijzingen naar de filmische werkelijkheid, maar zelfs dan had dit hun toch niet mogen ontgaan. Want de manier waarop Scorsese zijn kritiek op dat kamp in de film vormgeeft geeft blijk van hetzelfde filmische bewustzijn dat bij hen voor die kennelijke blikvernauwing zorgt.

De scènes kan ik misschien pas over vele jaren laten zien, 1 maar ik herkende ten minste drie verwijzingen naar Hitchcock in de film: de douchekop uit Psycho, de wenteltrap uit Vertigo en de klauterpartij op de rotsen uit North by Northwest.

Nu heeft Scorsese onlangs in The Key to Reserva weliswaar een geestig en inventief eerbetoon aan Hitchcock gebracht, maar anders dan bij Brian DePalma – hoe fantastisch die overigens óók is – dienen de Hitchcock-verwijzingen in Shutter Island niet om van zijn schatplicht of bewondering voor de meester te getuigen. Hij gebruikt hem om zijn kritiek op dat gevangenkamp kracht bij te zetten. Die klauterpartij speelt zich in North by Northwest immers af op Mount Rushmore, die rots in South Dakota waar de koppen van vier presidenten in zijn uitgehakt. In deze film is die klauterpartij van Mount Rushmore verplaatst naar Guantánamo Bay. Dat betekent dat Leonardo diCaprio, als de hedendaagse manifestatie van Cary Grant, niet langer houvast zoekt aan een in steen uitgehouwen eerbetoon aan de VS, maar aan een schandvlek. En dat betekent dat de film geen kritiek is op een verfoeilijke psychiatrische praktijk  – zoals bv. One Flew over the Cuckoo’s Nest dat was – maar het verleden laat uitstralen naar het heden. Er gaat van Mount Rushmore via North by Northwest een directe lijn uit naar Guantánamo Bay.

‘De apotheose van het beeld’ (zie mijn serie over Scorsese op Alphavillle) kan bij Scorsese dus niet letterlijk genoeg worden genomen: in Mount Rushmore beleven vier stervelingen in een in steen uitgehouwen beeld hun apotheose, hun vergoddelijking, een blijvend beeld van een voorbije werkelijkheid. Tegelijkertijd is dat beeld vloeiend: 2 het is voor bewerkingen en aanpassingen vatbaar, waardoor het zijn betekenis voor deze tijd kan behouden.

Een Steen der Wijzen – wat? Is Scorsese nu ook al een alchemist?

  1. De filmkritiek beschikt met YouTube-achtige platforms in potentie over een fantastisch middel, maar mag van studio’s niet citeren en moet het doen met een trailer die vaak, ook in dit geval, een verkeerde indruk geeft van de film. 
  2. Vgl. trouwens ook Lucebert: ‘de stenen of vloeibare engel’