Over Digger (Iñárritu, 2026)
Dat Digger flopt, begrijp ik wel: een verhaal-in-een-verhaal, een pessimistisch toekomstperspectief, veel discursief geouwehoer en (dit is het ergste): een onaantrekkelijke Tom Cruise.
Is het dus een goede film?
Mwah. Eerdere films van Iñárritu maakten meer indruk op me: Birdman, The Revenant en Bardo. Toch is de thematiek onmiskenbaar die van Iñárritu. Net als het hoofdpersonage in Birdman is Cruise een acteur; net als in The Revenant voelen de personages zich bedreigd door hun omgeving, en net als in Bardo is het heden een overgangsfase tussen een eindtijd en een nieuw begin – al maken we dat misschien alleen in de eindcredits mee. Maar Digger mist de greep en concentratie die die eerdere films wel hebben.
De reden hiervoor is allicht de actualiteit van het onderwerp. Die is zo urgent dat het engagement waartoe de film wil oproepen – voor zover het daarvoor niet al te laat is – vanzelf de verantwoordelijkheid wordt van de kijker: die wordt geacht om uit de buitenfilmische werkelijkheid zelf de conclusie te trekken dat we het uur nul zijn genaderd. Daardoor moet Iñárritu hebben bedacht dat hij de teugels kon laten vieren en zijn film alle kanten op te laten gaan, van satire tot drama en alles er tussenin. Want wat doet vorm er nog toe in het licht van de ondergang waar we op af stevenen?
zegt de producent (Jesse Plemons) van het spektakel: de situatie is zo ernstig dat elke vorm daarin bij voorbaat zijn legitimatie vindt.
Dat betekent niet dat vorm irrelevant is, integendeel. De film maakt van de vraag naar vorm haar onderwerp. Welke vorm is nog toereikend voor een catastrofe die alle vormen teniet kan doen? De vormeloosheid is dan geen onvermogen maar een soort proefopstelling, en dat maakt Digger interessanter en kwetsbaarder: een film die zijn vorm tot onderwerp maakt, kan zich er niet achter verschuilen.
Dat een alarmerende buitenfilmische werkelijkheid consequenties kan hebben voor de vorm, blijkt overduidelijk uit Dr. Strangelove, de satire die Stanley Kubrick in 1964 onder druk van een dreigende atoomoorlog maakte. De overeenkomsten tussen Strangelove en Digger springen in het oog: beide films bezingen de ondergang van de planeet via een koor van hooggeplaatste politici en militairen, die in gesloten ruimtes schreeuwend en vechtend hun rampzalige besluiten rationaliseren, ook al worden die vooral door testosteron gedreven (‘wargasm’). Digger geeft zich rekenschap van zijn schatplicht aan zijn beroemde voorganger: op de poster zien we Digger wijdbeens en met een stetsonhoed op, net als Major Kong aan het eind van Strangelove als een cowboy op een atoombom. Misschien is schatplicht een te beperkt woord, alsof het alleen om een filmhistorische referentie zou gaan: beide films hebben uit het overweldigende onderwerp van hun verhaal dezelfde conclusie getrokken voor de vorm ervan, en een goed heenkomen gezocht in alternatieve genres.
Voor Kubrick was dat de satire. Hij ontmantelde zijn personages tot er alleen een huiselijke, menselijk-al-te-menselijke kern overbleef (‘Well, let me finish, Dmitri. Well, how do you think I feel about it? Can you imagine how I feel about it, Dmitri?’ enz.). In Digger stapelen de vormen zich op, van satire en groteske tot hyperrealisme, backstage-drama en doomsday-beelden. Maar anders dan in Strangelove blijven de personages in hun mannelijkheid hangen en uiten zich grof, misogyn en racistisch, wat bij de kijker een afwijzing oproept die de mogelijkheid tot herkenning en de bijbehorende lach blokkeert. Dat geldt ook voor de gekozen metaforen: zo lijdt de president aan anuskanker, een weinig fijnzinnig beeld voor de gevolgen van Diggers boringen voor de planeet.
Een ander verschil is dat Dr. Strangelove specifiek op de atoomdreiging reageerde, terwijl Digger aan een veel algemener gevoel van onbehagen raakt. Want het is niet moeilijk om in het stijgende waterpeil een metafoor te zien voor alle mondiale crises die de mensheid en mogelijk ook de aarde zelf in haar voortbestaan bedreigen, van het klimaat en AI tot geopolitieke confrontaties en pandemie‑risico’s, kortom voor alle rampen die Digger Rockwell als personificatie van het neoliberalisme ons brengt. Het overheersende sentiment in de wereld van vandaag is deze angst voor een omnicide, voor de dood van allen en alles.
In een speech in het parlement, die doet denken aan die van Chaplin aan het eind van The Great Dictator, stelt Digger dat wij deze situatie zelf hebben gewild: ‘You love oil’. Dat argument is uiteraard vals: misschien willen we wel niets en zijn we met weinig tevreden, maar de marketingmachine van het neoliberalisme doet voortdurend een beroep op onze laagste instincten om het te ‘willen’, er valt nauwelijks aan te ontkomen.
Hoe moeten we Iñárritu’s film nu waarderen? Is zijn keuze voor een postmodern anything goes effectief? Aan de bezoekcijfers te oordelen niet.
zegt Nietzsche’s dwaze mens als hij merkt dat de mensen hun schouders ophalen over de dood van God. Het is duidelijk dat voor Iñárritu de dreigende catastrofes niet alleen maar een sociaal-politiek feit zijn. De film doet wat hij kan, benadert zijn object kubistisch/postmodern van alle kanten, doorbreekt de vierde wand en wijst ondubbelzinnig de schuldige aan (Digger zelf, ook al wijst hij naar ons) maar aan het eind van de voorstelling in het theater gaan de gasmaskers weer op en druipen de mensen af. Kunst vermag niets. Wat valt Digger bij zoveel zelfinzicht dan nog te verwijten? Misschien alleen dat hij zijn eigen onmacht als een artistiek alibi lijkt te gebruiken, alle inventiviteit en stilistische brille ten spijt.
Natuurlijk geeft Multatuli ten slotte de beste verdediging van het uiteenwaaieren van vormen:
‘Het boek is bont… er is geen geleidelykheid in… jacht op effekt… de styl is slecht… de schryver is onbedreven… geen talent… geen methode…’
Goed, goed, alles goed! Maar… de javaan wordt mishandeld!
Want: wederlegging der hoofdstrekking van myn werk is onmogelyk!
Hoe luider overigens de afkeuring van myn boek, hoe liever ’t my wezen zal, want des te grooter wordt de kans gehoord te worden. En dit wil ik! 1
- Multatuli, Max Havelaar. ↩



