{"id":4750,"date":"2022-03-31T12:43:45","date_gmt":"2022-03-31T10:43:45","guid":{"rendered":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/?page_id=4750"},"modified":"2022-11-03T10:20:27","modified_gmt":"2022-11-03T09:20:27","slug":"paul-rodenko-het-beeld","status":"publish","type":"page","link":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/paul-rodenko-het-beeld\/","title":{"rendered":"Paul Rodenko \u2013 Het beeld"},"content":{"rendered":"<div class=\"bibl\">Bron: Meander Klassiekers, afl. 21, 19 september 2001<\/div>\n<p>Natuurlijk gaf het lezen van \u2018De Ceder\u2019<sup> <a href=\"#footnote_1_4750\" id=\"identifier_1_4750\" class=\"footnote-link footnote-identifier-link\" title=\"Pim Heuvel&rsquo;s beschouwing van het gedicht in de voorgaande aflevering van Meander Klassiekers.\">1<\/a><\/sup> door Han Hoekstra me een plezierig gevoel van herkenning. Het is een gedicht waar je in momenten van twijfel op terug kunt vallen, een soort amulet voor wie zichzelf in een verwarrende wereld wil bewaren, want het zegt: er mag van alles met de wereld aan de hand zijn, maar in deze ceder vind ik mezelf, het is de wereld zoals ik haar ken, een wereld die werkelijker is dan wat ik om me heen zie. Nog eens \u2018De ceder\u2019:<\/p>\n<div class=\"gedicht\">DE CEDER<\/p>\n<p>Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,<br \/>\ngij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.<br \/>\nEen binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,<br \/>\nen schimmel die een blinde muur aanrandt,<br \/>\ner is geen boom, alleen een grauwe wand.<br \/>\nHij is er, zeg ik en mijn stem gaat trillen,<br \/>\nIk heb een ceder in mijn tuin geplant,<br \/>\ngij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.<\/p>\n<p>Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille<br \/>\nstam in het herfstlicht staat, onaangerand,<br \/>\nniet te benaderen voor noodlots grillen,<br \/>\ngeen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.<br \/>\nIk heb een ceder in mijn tuin geplant.<\/p>\n<p>Han G. Hoekstra (1906\u20131988)<br \/>\nUit: <em>Panopticum,<\/em>\u00a0Amsterdam 1946<\/p>\n<\/div>\n<p>Maar in de overtuiging die uit het gedicht spreekt, schuilt ook het onwelwillende, gelijkhebberige karakter ervan. De ik-figuur staat op zijn waarheid en tovert de aangesprokene een beeld voor dat alleen in zijn verbeelding bestaat. De aangesprokene wordt verweten dat hij spot met dit beeld, maar omgekeerd kan de ik-figuur worden verweten dat hij de wereld niet aanvaardt zoals die is, met schillen, schimmels, sintels en al.<\/p>\n<p>Zoals Pim Heuvel in zijn commentaar op \u2018De ceder\u2019 liet zien, spreekt de stelligheid van het gedicht ook uit de vorm ervan. De rondeelvorm, met zijn gelijkluidende begin- en slotregel, bakent het gedicht af en zet het neer als een gesloten, ontoegankelijke wereld, aan de waarheid waarvan niet getornd kan worden. Het gedicht stelt zichzelf in de wereld en heeft daarbij geen behoefte aan veel argumenten: de vorm is het enige argument.<\/p>\n<p>Met alle waardering voor de stilistische kwaliteiten, betekent dit ook dat we hier te maken hebben met een vorm van retoriek waarvan de risico\u2019s niet moeten worden onderschat. De ceder in het gedicht vraagt er als het ware om met politieke of religieuze denkbeelden te worden geladen. Wie zich nog niet van het gelijk van zijn motieven verzekerd had, kan dat met \u2018De ceder\u2019 gemakkelijk aan zijn kant scharen.<\/p>\n<p>Misschien is dit bezwaar wel de belangrijkste reden geweest voor de totstandkoming van de beweging van Vijftig, enkele jaren na publicatie van \u2018De Ceder\u2019 (1946) in het tijdschrift Criterium. De \u2018klein geluk\u2019-po\u00ebzie die in dit blad verscheen, maakte op deze dichters de onwaarschijnlijke indruk alsof er helemaal geen oorlog, atoombom en jodenvervolging hadden plaatsgevonden. In een tijd waarin ieders wereldbeeld flink door elkaar was geschud, gaf \u2018De ceder\u2019 voor temidden van de puinhopen alweer een centrum te hebben ontdekt, waaruit een nieuw wereldbeeld kon worden opgetrokken. Voor deze na\u00efveteit bedankten de Vijftigers, en ze stelden er een po\u00ebzie voor in de plaats die niet van een idee, oordeel of standpunt uitging, maar die vertrok vanuit de concrete ervaring, het experiment.<\/p>\n<p>Thematisch verwant met &#8216;De ceder&#8217;, maar inhoudelijk veel interessanter, want vervuld van meer realiteitszin, is bijvoorbeeld Paul Rodenko&#8217;s &#8216;Het beeld&#8217;, uit 1951:<\/p>\n<div class=\"gedicht\">HET BEELD<br \/>\n&nbsp;<br \/>\nUit het hout van de morgen<br \/>\nuit morgenrozenhout<br \/>\n<span class=\"tab\">sneed ik een beeld<\/span><br \/>\nheel licht en smaller dan een lijsterstem<br \/>\n<span class=\"tab\">een beeld van morgenrozenhout.<\/span><\/p>\n<p>Het was zo schuw zo ongeschoold<br \/>\ndat ik het zelf niet kende<br \/>\nmet elke windvlaag was het weg<br \/>\n<span class=\"tab\">maar \u2019n kind<\/span><br \/>\n<span class=\"tab\">een bloesemtak<\/span><br \/>\n<span class=\"tab\">een onbekende<\/span><br \/>\nbracht het mij voorzichtig weer terug.<\/p>\n<p>Er waren er die het herkenden<br \/>\n<span class=\"tab\">en luide namen gaven:<\/span><br \/>\nConfecta\u00a0\u00a0 Sexgiraffe\u00a0\u00a0 Tafel met Citroenen<br \/>\nClown\u00a0\u00a0 Tederheidsbeginsel\u00a0\u00a0 Bloedgewricht<br \/>\nNaakt met Napoleon\u00a0\u00a0 Een Huis\u00a0\u00a0 My Country<br \/>\nMy K\u00e2\u00a0\u00a0 My Lah\u00a0\u00a0 My Lullalongsome Baby<br \/>\nO Schweler Ahnenstern\u00a0\u00a0 Wir haben&#8217;s<br \/>\n<span class=\"tab\"><em>nicht gewusst<\/em><\/span><br \/>\nnimmet gruwuhle<br \/>\nnit gramah.<br \/>\nEen heel smal haast doorzichtig beeld<br \/>\n<span class=\"tab\">van morgenrozenhout.<\/span><\/p>\n<p>Langs zenuwrasterwerk<br \/>\ndoor tuinen<br \/>\n<span class=\"tab\">hoogbeplant met diplomatenkoppen<\/span><br \/>\ndroeg ik het broze beeld<br \/>\n<span class=\"tab\">van morgenrozenhout<\/span><br \/>\nen ieder wist nauwkeurig wat het was<br \/>\nslechts ik die &#8217;t eigenhandig had gesneden<br \/>\n<span class=\"tab\">ik orensnijder schoudertulpensnijder ik<\/span><\/p>\n<p><em>orensnijder tulpensnijder<br \/>\n<span class=\"tab\"><span class=\"tab\">wie gaat er mee de vijverkoe bevrijden<\/span><\/span><br \/>\n<span class=\"tab\"><span class=\"tab\">de vijver is gesloten<\/span><\/span><br \/>\n<span class=\"tab\"><span class=\"tab\">de sleutel is gebroken<\/span><\/span><br \/>\n<span class=\"tab\"><span class=\"tab\">er is geen ene<\/span><\/span><\/em><br \/>\n<span class=\"tab\"><span class=\"tab\"><span class=\"tab\"><span class=\"tab\">twee\u00eb<\/span><\/span><\/span><\/span><br \/>\n<span class=\"tab\"><span class=\"tab\"><span class=\"tab\"><span class=\"tab\"><span class=\"tab\">drie\u00eb<\/span><\/span><\/span><\/span><\/span><\/p>\n<p>-Dites, Madame, va-t-il pleuvoir ce soir?<br \/>\n-Mais non, Monsieur, vous ne savez donc pas?<br \/>\n-Quoi?<br \/>\n-Qu&#8217;on a invent\u00e9 le plus-jamais-pleuvoir?<\/p>\n<p>Paul Rodenko (1920\u20131976)<br \/>\nUit: <em>Gedichten<\/em>. De Windroos, uitg. Holland, Amsterdam 1951<\/p>\n<\/div>\n<p>Wie dit gedicht voor het eerst onder ogen krijgt, zal zich allicht even achter het oor krabben. In vergelijking met de overtuigingskracht van \u2018De ceder\u2019, dat zo direct tegemoetkomt aan het verlangen van de lezer aan vaste grond onder de voeten, lijkt \u2018Het beeld\u2019 de verwarring alleen maar aan te moedigen. De strenge rondeelvorm is door iets op het oog volstrekt willekeurigs vervangen. Hier is geen sprake van een wisselzang, maar van een opeenvolging van vertelinstanties, in drie, vier verschillende talen, inclusief een liedje en een dialoog.<\/p>\n<p>Misschien is het niet de opzet geweest van de dichter om ons zo in verwarring te brengen; anderzijds mogen we van een gedicht dat vanuit het experiment vertrekt, misschien ook niet verwachten dat het al zijn geheimen prijsgeeft. Maar waar begrip vooralsnog uitblijft, kan onze ervaring van het gedicht ons toch op weg helpen. Veel Vijftigerspo\u00ebzie is ook nauwelijks anders te waarderen dan via de weg van de onmiddellijke ervaring, die dus niet op een verstandelijk niveau plaatsvindt, maar op een emotioneel, lichamelijk niveau.<\/p>\n<p>Wat dat betreft is het een teken aan de wand dat dit gedicht werd geschreven door een bij uitstek verstandelijk mens. Anders dan de meeste andere Vijftigers was Paul Rodenko een gestudeerde, erudiete en internationaal geori\u00ebnteerde auteur, die dan ook voornamelijk actief was als criticus en essayist: de \u2018woordvoerder\u2019 van de Vijftigers, al meende hij zelf nooit werkelijk tot die groep te hebben behoord. Natuurlijk zien we die geleerdheid hier en daar wel af aan het gedicht, maar kennelijk zag Rodenko toch geen kans om wat hem bezielde in het gedicht op logisch-discursieve wijze onder woorden te brengen. De logica in \u2018Het beeld\u2019 is versplinterd zoals zijn wereldbeeld dat is, en alle geleerdheid wordt, blijkens het aftelversje in de voorlaatste strofe, zelfs prijsgegeven voor de ervaringswereld van het kind.<\/p>\n<p>Net als in \u2018De ceder\u2019 staat in \u2018Het beeld\u2019 een object centraal: een \u2018beeld van morgenrozenhout\u2019. Onwillekeurig dringt zich daarbij de vraag op wat dat precies voor beeld zou mogen zijn. Die behoefte tot duiding is maar al te menselijk, en daarom ook wel vergeeflijk, maar voor wie tot een echte, werkelijke verhouding met het beeld wil komen, is die neiging tot normatieve invulling niet de beste strategie. Het zou voor Han Hoekstra pleiten dat hij daarvan ten aanzien van de ceder uit zijn gedicht inderdaad heeft afgezien, ware het niet dat hij het zo overduidelijk wel voor dat doel aanbiedt.<\/p>\n<p>Rodenko is deze uitkomst een stap voor. In het gedicht wordt juist een verslag gegeven van de wederwaardigheden van het beeld op dit punt. Terwijl de dichter zegt dat hij het zelf niet kent, laat hij het zich eerst ontnemen, vervolgens wordt het hem weer terugbezorgd, daarna gaan anderen er weer mee aan de haal en tenslotte herneemt hij het weer. Het is als een waarschuwing aan de lezer: je kunt ermee doen wat je wilt, maar hoe je het beeld ook wilt begrijpen \u2013 en iets begrijpen of interpreteren is, alle goede bedoelingen ten spijt, ook altijd een vorm van annexatie, van onteigening &#8211; het blijft toch van mij, ik heb het immers gesneden.<\/p>\n<p>We doen er daarom goed aan zijn raad op te volgen en het beeld voorlopig maar te laten voor wat het is: een beeld gesneden uit het hout van de morgen, uit morgenrozenhout. Natuurlijk ontgaat het ons daarbij toch niet dat \u2018morgen\u2019 en \u2018roos\u2019 verwijzen naar zaken die jong, zuiver en schoon zijn.<\/p>\n<p>Anders dan Hoekstra\u2019s ceder maakt Rodenko\u2019s beeld een uiterst broze indruk. Het is \u2018heel licht en smaller dan een lijsterstem\u2019 en \u2018met elke windvlaag was het weg\u2019. Kennelijk kan het alleen met de grootste omzichtigheid worden gehanteerd, en inderdaad wordt het hem in de tweede strofe alleen door de teerste, betrouwbaarste handen weer terugbezorgd: die van een kind, een bloesemtak, een onbekende.<\/p>\n<p>Toch ontkomt het beeld niet aan de hebberige, gelijkhebberige handen van ge\u00efnteresseerde derden. In het verloop van de derde strofe gaat het even vreselijk mis: er ontrolt zich een associatiereeks die weliswaar hoopvolle momenten kent, maar toch ontaardt in een <em>werdegang<\/em> van het beeld langs de dieptepunten van de menselijke beschaving. Het eindpunt is het volstrekte negatief van wat het beeld vertegenwoordigt: de nazi-leugen \u2018Wir haben es nicht gewusst\u2019. Maar daarmee is het beeld ook terug bij zichzelf: zijn onschuld en fundamentele onkenbaarheid. En opnieuw kan de dichter het als het zijne aanvaarden: \u2018een heel smal haast doorzichtig beeld van morgenrozenhout\u2019.<\/p>\n<p>In de vierde strofe wordt nogmaals gewezen op pogingen om het beeld op verstandelijke wijze (\u2018zenuwrasterwerk\u2019) van de dichter af te nemen en voor politieke doelen (\u2018diplomatenkoppen\u2019) in te zetten. Maar de dichter laat het zich nu niet meer ontfutselen en in de voorlaatste strofe, op het punt waar het duidelijk is geworden dat het er niet om gaat wat het beeld voor ons kan betekenen, maar om hoe wij ons tot het beeld zullen verhouden, vervalt de dichter in een kinderversje.<\/p>\n<p>Op het eerste gezicht doet de inhoud van het liedje pessimistisch aan. In tegenstelling tot de litanie uit de derde strofe blijkt opnieuw dat er niets over het beeld kan worden beweerd: \u2018de vijver is gesloten\u2019, \u2018de sleutel is gebroken\u2019, en het ontbreekt zelfs aan bouwstenen om daar iets aan te doen: \u2018er is geen ene, twee\u00eb, drie\u00eb\u2019. Laat staan een ceder!<\/p>\n<p>Maar hoe pessimistisch is dit inzicht werkelijk? De ontwikkeling van wat het postmodernisme de \u2018grote verhalen\u2019 noemt (christendom, socialisme, nazisme, enz.), heeft niet tot veel goeds geleid. Het gaat misschien wat ver om Rodenko met terugwerkende kracht tot postmodernist uit te roepen, maar hij deelt toch het inzicht van het ontbreken van een centrum, een beginsel, al is het maar een \u2018tederheidsbeginsel\u2019. Het \u2018beeld\u2019 \u2013 overigens een veel neutralere term dan de met bijbelse connotaties geladen ceder &#8211; kan niet worden gebruikt als bouwsteen voor een nieuw op te zetten ideologie; het is juist datgene wat zich aan onze greep onttrekt. Anders dan \u2018De ceder\u2019, deze totempaal van de jongvolwassenheid, wijst Rodenko\u2019s gedicht op de noodzaak van een respectvolle verhouding tot wat de Franse postmoderne filosoof Derrida de \u2018Ander\u2019 noemt: datgene wat maar al te vaak wordt weggedrukt, benoemd en opgenomen in een groter geheel, zodat er naar believen mee kan worden gedaan.<\/p>\n<p>In de voorlaatste strofe is een kind aan het woord met het inzicht van een volwassene. \u2018Het beeld\u2019 reikt ons geen handvat aan, geen eerste beginsel; er wordt integendeel aanvaard dat het zoeken naar een dergelijk houvast een heilloze onderneming is, die op zijn best tot niets leidt, en op zijn slechtst tot oorlog en vernietiging.<\/p>\n<p>Met zijn pleidooi voor terughoudendheid cre\u00eberde Rodenko ruimte voor de wereld van het kind, zoals die tezelfdertijd door Karel Appel in de schilderkunst zou worden uitgebeeld. Het is een magische wonderwereld, die tot zulke verrassende wendingen kan leiden als in de laatste strofe (\u2018Zeg eens, mevrouw, gaat het regenen vanavond?\u2019 \u2018Maar meneer, weet u het dan nog niet?\u2019 \u2018Wat?\u2019 \u2018Dat men het nooit-meer-regenen heeft uitgevonden?\u2019). Het is maar een voorbeeld van de onbegrensde wereld die zich opent wanneer men afziet van het onderwerpen van de Ander aan onze belangen en behoeften: het onbenoemd laten van de dingen sluit niets uit, maar juist alles in.<\/p>\n<p>Tegelijkertijd mogen we niet uit het oog verliezen dat de laatste strofe ook op een andere, veel verontrustender manier kan worden gelezen. Wanneer we er namelijk niet in slagen om het beeld vrij te laten, dat wil zeggen wanneer het inderdaad wordt uitgeleverd aan de \u2018politiek\u2019 en het zijn singuliere karakter verliest, dan bestaat het gevaar van misbruik voor propagandadoelen, waarvan in de derde strofe voorbeelden worden gegeven. We belanden dan in een Orwelliaanse wereld, waarin Newspeak, een offici\u00eble, voorgeschreven taal, ons van alles wijs kan maken: dat bijvoorbeeld de misdaad is overwonnen, of dat het volk baadt in welvaart, of zelfs dat het nooit meer regent, ook al regent het wel degelijk. Dan zijn we gefopt, en belanden we aan de andere kant van het spectrum, daar waar geen onderscheid meer kan worden gemaakt tussen de letterlijke betekenis van het <em>\u2018Wir haben es nicht gewusst\u2019<\/em> en de leugen die deze woorden van onschuld produceert.<\/p>\n<p>Behalve de weg van het kind die Rodenko ons wijst, bevat \u2018Het beeld\u2019 ook deze waarschuwing.<\/p>\n<div class=\"credits\">Extra: Rudy Cornets de Groot leest Paul Rodenko&#8217;s &#8216;Het beeld&#8217;<\/div>\n<p>&nbsp;<br \/>\n<iframe loading=\"lazy\" title=\"YouTube video player\" src=\"https:\/\/www.youtube.com\/embed\/VKuxrn5jXXE?start=158\" width=\"560\" height=\"315\" frameborder=\"0\" allowfullscreen=\"allowfullscreen\"><\/iframe><\/p>\n<p>***<\/p>\n<p>NASCHRIFT 3-11-2022<\/p>\n<p>Vandaag kom ik, via de lijst van Laurens Jansz Coster, nog een ander gedicht tegen dat het schema van &#8216;Het beeld&#8217; volgt. Zelfs het slot, waar bij Rodenko de stemmen uiteenvallen, stemt overeen:<\/p>\n<div class=\"gedicht\">Po\u00ebzie en critiek<\/p>\n<p>Er fladderde een vlindertje al over de hei<br \/>\nEn vlamde als een flikkerend lichtje<br \/>\nIn \u2019t blauw, \u2014 gouden vonk in het oog van saffier,<br \/>\nDat straalt uit een kindergezichtje.<\/p>\n<p>Het dartelde al voort langs zijn baan van kristal,<br \/>\nVan jolige jeugd uitgelaten. \u2014<br \/>\nEen troepje van vlasblonde kleuters \u2014 o j\u00e9! \u2014<br \/>\nKrijgt juichend het beestje in de gaten.<\/p>\n<p>En nu \u2019t zich, eens poozend van \u2019t klapwiekend spel,<br \/>\nOp de bloeiende bramen wil zetten,<br \/>\nIs \u2019t aanstonds een joelende jacht, een gestoei,<br \/>\nEen lawaai en gezwaai met de petten!<\/p>\n<p>\u201cIk heb hem!\u201d roept de een met een kleur als een roos,<br \/>\nSluit ballend de vuilroode vuistjes,<br \/>\nDoet ze open, voorzichtig \u2014 daar spartelt het dier,<br \/>\nE\u00e9n vlerk in de klem van de knuistjes.<\/p>\n<p>Het wiekje, als het weefsel van \u2019t bloemblad zoo fijn,<br \/>\nZoo teer als de theeroos van verven,<br \/>\nTrilt klapprend en rukkend; de vingerklem knelt,<br \/>\nAl moet het ook scheuren en kerven.<\/p>\n<p>\u201cH\u00e8 hoe mooi\u201d \u2014 \u201cWat een groote!\u201d \u2014 \u201cLaat zien!\u201d \u2014 \u201cWacht je beurt.\u201d<br \/>\n\u201c\u2019t is een koolwitje maar,\u201d smaalt een rakker,<br \/>\nEn neemt het hardhandig voor zich in beslag.<br \/>\nDe vlinder besterft het, de stakker.<\/p>\n<p>Elk liep heen met een vlerk of een trekkenden poot<br \/>\nOm op zijn beurt te analyseeren \u2014<br \/>\nEn ik dacht bij me zelf aan de Jonge Critiek<br \/>\nEn haar woest po\u00ebzie-recenseeren.<\/p>\n<p>J.R. van der Lans (1855-1928)<br \/>\nUit: <em>Egelantieren<\/em> (1890)<\/div>\n<hr>\r\n<ol class=\"footnotes\"><li id=\"footnote_1_4750\" class=\"footnote\">Pim Heuvel&#8217;s beschouwing van het gedicht in de voorgaande aflevering van Meander Klassiekers.<span class=\"footnote-back-link-wrapper\"> <a href=\"#identifier_1_4750\" class=\"footnote-link footnote-back-link\">&#8617;<\/a><\/span><\/li><\/ol>","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Beschouwing van &#8216;Het beeld&#8217; van Paul Rodenko door Rutger H. Cornets de Groot in de reeks Meander Klassiekers<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"parent":0,"menu_order":1,"comment_status":"open","ping_status":"open","template":"","meta":{"footnotes":""},"class_list":["post-4750","page","type-page","status-publish"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/4750","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/pages"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/types\/page"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=4750"}],"version-history":[{"count":3,"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/4750\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":4752,"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/4750\/revisions\/4752"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.cornetsdegroot.com\/rhcdg\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=4750"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}