Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Verzameld werk - Onvoltooid werk (1985-1989)

Dagboek 1989, deel 3

Rudy Cornets de Groot



20 aug. '89

Voor de zoveelste keer blader ik door de tekst van mijn essay over de volkszanger Speenhoff. Dat ding moet eindelijk ook eens weg, en níet naar een grote, maar naar een geïnteresseerde uitgeverij. Ik denk aan Thomas & Eras, met alle aandacht voor Indië, of ook aan Dimensie, met klinkende namen en eerder interessante dan populaire onderwerpen. Ik moet een titel verzinnen en ik denk aan De volkszanger Speenhoff of zelfportret met liedjes.

Honderdzestig jaar geleden werd de Maatschappij tot bevordering van de toonkunst opgericht, waar Jan Pieter Heye, die ook nog deel zou nemen aan de Tiendaagse Veldtocht, de secretaris van werd. Maar eerder al zag het Nut het belang van de volkszang voor de volksopvoeding in. Er was een koninkrijk; moest er geen volkslied komen, geen nationaal gevoel? In antwoord op een prijsvraag die hij won, schreef Tollens zijn Wien Neêrlands bloed (1815). Een nationaal bewustzijn ontstond, omdat het - geïnspireerd door smetangst en de wil iets (het Germaanse, het bloed, "roots", etc.) "zuiver" te houden - werd gewekt.

De Maatschappij tot bevordering van de toonkunst verzamelde met opvoedkundige bedoelingen bekende en oude volksliedjes, maar zij creëerde met hetzelfde doel ook nieuwe. Evenals Jan Pieter Heye zelf: Een karretje langs de zandweg reed; In een blauw geruite kiel; Piet Hein. Die liedjes zijn op een gegeven moment in de bundel Kun je nog zingen zing dan mee terecht gekomen en werden ook in Indië ongehoord populair.

Wat is een volkslied? Zoals het levenslied een lied is, "dat het leven beschrijft" (Pisuisse), zo beschrijft het volkslied een volk en bij uitbreiding zijn land, het karakter en de geschiedenis van beide, en het kan dit werkelijk op een vreselijk aardige manier doen: Daar zaten zeven kikkertjes... Helaas, met volksliedjes begeef je je snel en voordat je het weet in nationalistisch vaarwater.

Voor de bundel Kun je nog zingen zing dan mee 1 breekt Rudy Kousbroek in zijn essay Nederland: een bewoond gordijn een lans:
"Ik heb nog ergens een knipsel uit 1967 waarin wordt beschreven hoe Soekarno, toen al onder paleisarrest, de tijd kortte door met zijn getrouwen liedjes uit deze bundel te zingen, bij de meeste betrokkenen bekend doordat ze die in de Nederlandse tijd op de lagere school hadden geleerd.
Er is een foto bij die ik niet kan zien zonder overspoeld te worden door een gevoel van spijt en verlangen: dat was nu eens een van de weinige echte culturele banden tussen Indonesiërs en Nederlanders, in plaats van de holle grootspraak van vroeger en de gemiste kansen op het gebied van kunst en literatuur. Ongeveer de enige culturele erfenis die sterk genoeg bleek om strijd en vijandschap te overleven..."
En verderop en als besluit van de paragraaf bedoeld:
"Terwijl ik dit schrijf slaak ik de ene diepe zucht na de andere, want ik hoor de melodieën in mijn hoofd, zelfs de klank van de piano. Ik zie de foto van de al bijna ex-president van de Republiek Indonesië die voor een groepje van zijn landgenoten staat als een onderwijzer voor de klas, de armen geheven. Ik hoor ze zingen: "Zie de leliën op het veld", "In 't groene dal, in 't stille dal", "Kent gij het land der zee ontrukt". Ik kijk naar die zingende Indonesische gezichten en jank een potje".
Maar nu het breken van de lans!
Nadat hij heeft toegegeven dat de liedjes uit Kun je nog zingen zing dan mee "ook 'geëngageerd'" waren, schrijft Kousbroek:
"Toch geloof ik niet dat de archaïsche strekking van die liederen in staat is (of was) enige kinderziel te corrumperen met ondemocratische of imperialistische neigingen, zomin als het kijken naar oude schilderijen met vorsten, regenten en veldslagen dat doet. 2 (Het blijkt wel dat de Indonesiërs daar ook niet zwaar aan tilden)..."

Het wil me voorkomen, dat Kousbroek zich hier vergist. Enkele maanden geleden zond de VPRO een programma uit, Indonesia merdeka, waarin Roeslan Abdulgani 3 de kijker eraan herinnert, dat Indonesische jongeren op school de vaderlandse geschiedenis van de Nederlander uit het hoofd kregen te leren - de strijd van 80 jaren tegen Spanje vooral - evenals diens volkslied, dat sprak van "de tyrannie verdrijven" en van trouw aan het vaderland. Maar vooral wees hij op de bundel Kun je nog zingen zing dan mee, waaruit hij deze regels citeert:

't Is plicht dat iedre jongen voor d'onafhankelijkheid
van zijn geliefde vaderland zijn beste krachten wijdt.


Dat inspireerde de Indonesische jeugd wel degelijk, zei hij,- al hadden de Holanders andere - en waarschijnlijk geen archaïsche - bedoelingen met hun onderwijs.

In de bersiap-tijd, in Bandoeng, kort na de brandstichtingen aan de rand van de stad door de pemuda's, die tenslotte door de Japanners teruggeslagen werden, maakte ik mee dat een open vrachtwagen, volgeladen met stoere knapen, de een nog bruiner dan de ander, me voorbij stoof - richting verbrande erven; ze zongen het in 1815 bekroonde liedje van Tollens, die jongens:

Wien Neêrlands bloed door d'adren vloeit,
Van vreemde smetten vrij-ij...


: al zegt Rudy Kousbroek heel zinnige dingen over de de-totokisatie op pag. 9 en 10 van zijn essay - de nationalistisch-imperialistisch-ondemocratische gekte van wie geen antiracistische bastaard wil zijn, is groter dan hij geloven wil.

1987. Na 40 jaar terug in Indonesië. Op Bali bewonen we met zijn drieën een hotelkamer. Vanaf de veranda daarvan kunnen we de tuin tot in zijn diepe verte overzien. In de avonduren zit ik daar, de voeten steunend op of tegen de balustrade. Het is die keer een uur of zeven, als van het einde van de tuin gezang tot ons doordringt,- liedjes die ik niet ken, liedjes van deze tijd. Vrolijke liedjes: er is daar een feestje. De bediende komt langs met een borrel - da's waar ook, die was ik bijna vergeten. "Hebben ze daar een jarige?" vraag ik hem als hij de fles neerzet.
"Er is daar een feestje", zegt hij en meteen klinkt er in het Indonesisch een verjaardagsliedje, op het wijsje van Lang zal die leven...
Toen kon ook ik wel janken, niet uit spijt en verlangen,- maar omdat ik zonder erom te vragen, zo aangenaam verrast werd met dit Hollands-Indonesische lied. Alsof het voor míj werd gezongen!

Roots! Als je de dood even buiten beschouwing laat, zijn verleden en herkomst onze enige zekerheden. Is er in het verleden iets mis gegaan, dan is er desoriëntatie en moet er herstelwerk worden gedaan. Het kampongkind dat mijn vader was, kende de voorrechten en de kapsones van de westerling niet en streefde hem daarin ook niet na. Maar toen hij twaalf jaar werd en tot grote verrassing van zijn vader met een mooi rapport naar de HBS mocht, eiste hij zijn afstamming, her- en toekomst op: een naam, een vaderland en een plaats onder de zon. In dit al te menselijke, want rechteloze Indië vroeg hij iets, waardoor hij boven zichzelf uitsteeg. Door hem werd ik opgevoed en groot gebracht.

En door Bahar natuurlijk, mijn vaders vertrouweling, die in Padang als djongos bij ons in huis was gekomen. Vergeleken bij andere bediendes genoot hij de gekste voorrechten, maar er werden hem ook verantwoordelijkheden toevertrouwd, die een heer des huizes niet zo maar uit handen gaf. Mijn vader moet iets van zichzelf in hem hebben herkend. Toen wij naar Batavia verhuisden, ging Bahar met ons mee. Toen wij in de bezettingstijd ons huis moesten verlaten en mijn vader werd geïnterneerd, hadden wij geen werk en geen geld meer voor hem en ging hij in de kampong wonen. Hij zocht ons wel eens op in die tijd. Het ging niet goed met hem; toen wij naar Bandoeng vertrokken, leed hij aan tbc en daar is hij -zonder dat wij dat ooit te weten kwamen - natuurlijk ook aan overleden.

9 sept. '89

Ik leer uit de Volkskrant van vandaag, 4 dat Lebensraum gedefinieerd moet worden als "een sociale ruimte waarin huiselijke rust en traditionele waarden heersten". Dat heb ik nooit geweten, het klinkt ook veel te onschuldig; het heeft het sprookjesachtige van een vader en een moeder als steunpilaren van een gezond en gelukkig gezin,- deze hoeksteen van de maatschappij... Maar natuurlijk is de definitie juist, denk ik als ik de foto zie.

Op het plaatje in de krant zie je een optocht van de Bund deutscher Mädel ter gelegenheid van het oogstfeest, 1933. Kraft durch Freude: een stoet van forse longen en stevige stappers. Geen zweet, geen ronkende machine, geen landarbeider komt er op dit oogstfeest aan te pas. Daar is een oogstfeest ook helemaal niet voor. Die dingen stampten ze uit de grond, de nazi's: oogstfeest, winterfeest, de Olympische spelen, de ene boekverbranding na de andere: elk feestje met een beetje mythe die in de vorm van een swastika te wurmen viel, werd te hulp geroepen bij de nazificatie van de Duitse jeugd, bij het scheppen van Lebensraum voor de Duitse jeugd.

10 sept. '89

De beeldhouwkunst der nazi's toont ons jongelui uit een wereld van normen, spieren en Griekse goden. De wereld van zweet en motorolie bestaat daar niet. De mens is voor de nazi's geen "broodkruimel op de rok van het universum". Hij is immers niet "entartet", hij is de ideale mens, de evenknie van de goden der oudheid, het toonbeeld van het nieuwe Duitse ras. Daarom ontbreekt het menselijke al te menselijke op deze bronzen goden- en nazigezichten. Niets mag de droom van een perfecte wereld verstoren: geen moedervlek, geen rimpel. Kunst moet behagen,- verheffen en behagen; kunst die dat niet doet, is entartete Kunst.
Op kunst van die aard vestigt Vestdijk de aandacht in De Poolse ruiter als hij spreekt van "de schoonheid die het zonder de lelijkheid niet stellen kan". In de kunst der nazi's was voor die "lelijkheid" geen plaats. Elke oneffenheid, een kuiltje in de kin, een plooitje in de wang, een bril op de neus, werd weggepolijst. Werden de mannen op die manier in de kunst der nazi's al nauwelijks als individualisten voorgesteld, de vrouwen verloren daar iedere persoonlijkheid wel volledig. Hoe volmaakter hun lichaam was, des te minder nodigde het iemand uit tot een lekker potje vrijen. Voor zulk smerig zweet- en slijmwerk lag dat frisgeboende, koele naakt daar niet. Edeltrut lag er niet om te worden genaaid, maar om te worden bevrucht. Zij legde zich op het goede, schone en olympische toe. Het lelijke, dat men als het vreemde, joodse, zigeunerachtige, marxistische, homofiele, etc. definieerde, moest worden verdreven. Er was voor het lelijke geen plaats in het Duitsland van Hitler...

Maar die twee uiterst persoonlijke vlekjes onder de neus van de Führer dan?

Die snor! In zijn portretten kijkt de Führer serieus: soms puilt zijn voorhoofd eigenaardig uit van het denken, en dreigt het een eigen leven te zullen gaan leiden. Maar bijna altijd fronst hij zijn wenkbrauwen en dat speelde de beeldhouwer een welkom cliché voor de uitbeelding van peinzende jongemannen in handen. Ook zij fronsen zonder ophouden en als om strijd hun wenkbrauwen, ook zij doorboren met hun ogen de ruimte, en zijn op zijn minst belachelijk in al hun heroïek. Zij trekken hun wenkbrauwen ook nimmer op: zij zijn nooit verbaasd of verwonderd, ze relativeren niet,- kortom, een Griekse of Duitse god met het uiterlijk van een Stan Laurel 5 komt bij hen eenvoudig niet voor.
En ook hun kunst bestaat niet, is een antikunst, heeft werkelijk niets met kunst te maken. Ze zijn te middelmatig, te ordinair voor een leven op de rok van het universum: zij kunnen zich die sensatie niet eens voorstellen.

4 nov. '89

Geen avonden en geen acacia's 6 heet Jan Blokkers bespreking van Ondergronds verwachten, het proefschrift waarin Piet Calis negen literaire jongerentijdschriften behandelt, die gedurende de bezetting w.i.w. illegaal werden uitgegeven, maar die op zich met de "ondergrondse", dwz. het georganiseerde verzet weinig of niets te maken hadden. 7 Calis flirt een beetje met dat woord met die betekenis, maar de hoofdbetekenis van ondergronds is hier natuurlijk: verborgen, heimelijk, niet openlijk, en vooral latent, als we de suggestie van het dichterlijke "verwachten" uit de titel volgen (de suggestie nl., dat uit deze "ondergrondse" literatuur de na-oorlogse voortgekomen zou kunnen zijn). Een evolutionaire gedachte, wishful thinking van de literatuurhistoricus Piet Calis.

In '84 verscheen bij Meulenhoff/Landshoff een bundel studies onder redactie van Willemijn Stokvis, onder de titel De doorbraak van de moderne kunst in Nederland. Daarin wordt verteld van de eerste grote, na-oorlogse tentoonstelling waaraan naast Nederlandse kunstenaars, die voor de kultuurkamer hadden bedankt, ook kunstenaars uit België, Frankrijk en Brazilië deelnamen. Kunst in vrijheid heette die tentoonstelling, waar ook nog inzendingen uit Nieuw-Guinea te bewonderen waren, die Anton Rooskens inspireerden tot zijn Gens du soleil, waarmee - zeker voor hem - de doorbraak begint. De tentoonstelling zelf werd éen grote teleurstelling. Zij bracht aan het licht, dat er in Nederland gedurende de oorlog niets nieuws tot ontwikkeling was gekomen of gebracht.

Om een lang verhaal kort te maken: uiteraard was dat ook in de literatuur zo gesteld: niets nieuws, niets dat modern genoemd kon worden. De schone zakdoek leverde een paar lenteboden met surrealistische inslag op - maar geen kiemen van na-oorlogse literaire bewegingen. Daarvoor stond nu juist het ondergronds verwachten, dit vijfjarige droomleven, waar Calis keer op keer door werd getroffen - vanwege "de voortdurende verwachting van een andere, betere wereld", zoals hij zegt - te ver van de werkelijkheid af. Hermans, Van het Reve, Lucebert, Vijftig, die hoorde je niet over zo'n wereld en zo'n wereld bestond ook helemaal niet. Behalve misschien in de verbeelding van een aalmoezenier op weg naar Korea.

Blokker wijst in zijn stukje vooral op een verandering in de stijl van Piet Calis. Vroeger ontbraken de stadhuiskrullen, veldwachterswendingen en houthakkerstournures in zijn verhalen, artikelen, boekjes en gedichten. Het is alsof hij zeggen wil, dat je vroeger met Piet Calis kon lachen, en dat dat nu anders is. 8

7 nov. '89

Toen Ajax' doelman in het UEFA Cup-duel tegen Austria-Wien zo verschrikkelijk blunderde dat Austria op 1-1 kwam te staan, kende de F-side in De Meer geen genade meer: niet met Austria en met Ajax niet. In de eerste helft van de verlenging werd de wedstrijd onderbroken, omdat de Oostenrijkse doelman Wohlfahrt, die al geruime tijd bestookt werd met sinaasappels, aanstekers en ander wegwerpmateriaal, door een ijzeren staaf in zijn rug werd getroffen.
"Onbegrijpelijk genoeg had de voor deze gelegenheid ingehuurde Ajax-omroeper Freek de Jonge in de slotfase olie op de golven gegooid door de volgende kreet door de microfoon te slingeren: 'Hallo, hallo, heer Waldheim soll Herr Wiesenthal anrufen'. De vijandige stemming tegenover de Oostenrijkse voetballers uitte zich ook in het enkele malen gescandeerde 'Nazi's, nazi's.' De domheid regeerde in De Meer" - schreef Ben de Graaf de volgende dag in de Volkskrant. 9 De burgemeester (Van Thijn) vond Freeks opmerking wat "ongepast" en Sonja wou Freek wat graag in haar show van zondag hebben, zegt de krant. 10 In zijn verhitte fantasie was de U-pagina van de Volkskrant al helemaal aan hem, "de zondebok, de oorzaak van het vandalisme" gewijd, bekende Freek, die de alomtegenwoordige sportiviteit nog op bijzondere wijze verhoogde door in de mede door hem verpeste sfeer naar De Graaf uit te halen met: "Iemand die na zijn vijftigste nog sportjournalist is..."
Als ik het analyseer, is er dit gebeurd: Freek praat zijn mond voorbij, voelt nattigheid, betuigt zijn lichte spijt over het gebeurde,- bevindt zich min of meer in de situatie van Rushdie en rekent dus eigenlijk een beetje op bijval. Maar waar Rushdie (die in het afgelopen halve jaar meer dan 56 keer is moeten verhuizen) van alle kanten in bescherming wordt genomen, aangezien hij van het recht van vrije meningsuiting tegen heug en meug zal profiteren - wordt hèm integendeel voorgehouden dat hij had moeten zwijgen.
En natuurlijk had hij moeten zwijgen. Want ook zonder hem zou het publiek "Nazi's! Nazi's!" hebben geroepen om, zoals gewoonlijk, anderen met de eigen problemen op te zadelen. En natuurlijk volgt juist daarom deze vraag: Waarom mag Freek van ons niet, wat Rushdie van ons moet? Wat is het verschil tussen het (al dan niet opzettelijk) uitlokken van geweld en vrije meningsuiting? Welk racisme schuilt achter dit verschil in tolerantie? De hardste klappen vallen in ieder geval niet in de hoek der blanken en niet in die van Freek.

14 nov. '89 Lydia
16 nov. '89 Berlijn, vijandbeeld etc.
18 nov. '89 D66 11


NOTEN
  1. Zie pag. 28 en 29 van Rudy Kousbroek, Nederland: een bewoond gordijn, Amsterdam, 1987.  
  2. De Maatschappij ter bevordering van de toonkunst (1829) bewaarde en vermeerderde in oude en nieuwe volksliedjes het roemrijke verleden van ons vaderland en trachtte met de verspreiding ervan de heersende Jan Saliegeest te keren. Men zou nog eens wat meemaken in de Tiendaagse Veldtocht (1830) en bij het bombardement van Antwerpen (1830). Toen Van Speijk zijn schip opblies, stond het land op zijn kop door zoveel vaderlandsliefde. Zelfs de nuchtere Staring bezong die heldendaad.
    Is het niet gevaarlijk te doen alsof die geest omstreeks 1930 dood was? Zijn levenskracht nam m.i. sinds die tijd voortdurend toe (Helfrich lijkt me zo'n man, die de liedjes van Heye niet alleen kent, maar ook in praktijk wil brengen) en bereikte in de jaren '45 -'46 een hoogtepunt.  
  3. Voor een deel staat zijn naam in de spelling van de kolonie voor een ander deel in die van de republiek. Ook Soekarno spelde nooit Sukarno.  
  4. In de bespreking van Claudia Koonz, Moeders in het vaderland - De vrouw en het gezin in Nazi-Duitsland door Dick van Galen Last.  
  5. Het lukt een man, die zijn wenkbrauwen opgetrokken heeft niet, iets hatelijks of agressiefs tegen een ander te zeggen. Of dit bij vrouwen ook zo ligt, weet ik niet. Er bestaan foto's van Marlène Dietrich, die doen vrezen, dat zíj het in ieder geval wèl kan.  
  6. Zie de Volkskrant, 27 okt. '89.  
  7. Men moet m.i. onderscheid maken tussen illegale en verzetspoëzie, tussen illegaliteit en verzet, die maar in een enkel geval werkelijk samen gaan:
    "Alleen in het geval van Lichting was de literaire activiteit regelrecht verbonden met politieke (verzets)daden - Gerrit Kouwenaar, die erbij betrokken was, is er voor gearresteerd, Leo Freijda is zelfs geëxecuteerd, maar niet om zijn poëzie: hij heeft (met éen medeplichtige) de aanslag op Seyffard gepleegd, wat in zekere zin ook een daad van poëzie was," schrijft Jan Blokker in zijn artikel van 27 okt. '89.  
  8. Het valt Calis op, dat hij bij lezing van de ondergrondse tijdschriften, steeds weer getroffen is geweest, "door de voortdurende verwachting van een andere, betere wereld, die bij vele jongeren in die tijd geleefd heeft. Het is in de eerste plaats daarom," schrijft hij, "dat ik dit boek Het ondergronds verwachten heb genoemd". Wat hij in die tijdschriften vindt, - een ondergronds verwachten van een generatie twintigers in de bezettingsjaren - zijn volgens Blokker "ontboezemingen over cultuur, maatschappij en toekomst, die in 1989 nog elke week in een schoolkrant of pril studentenblaadje staan afgedrukt". Ondergrondse verwachtingen zijn "zo oud als de wereld" (Blokker). En, voeg ik eraan toe, pas echt interessant als ze zich in de wereld willen verwerkelijken. De provo's, al hadden ook zij hun blad, hielden zich niet alleen maar met ontboezemingen bezig.
    Wie de negen blaadjes bekijkt, ziet onmiddellijk dat je hier - in overeenstemming met de situatie in de beeldende kunst - wel ondergrondse verwachtingen mag koesteren, maar geen verwachtingen voor de toekomst. [Uit 'Bahar'-typoscript (noot van de bezorger)]. 
  9. In de Volkskrant van 28 sept. 1989.  
  10. In Het gezeik waaraan Nederland kapot gaat in de Volkskrant van 29 nov. '89.  
  11. Het 'Bahar'-typoscript (zie hiervoor de inleidende verantwoording bij dit deel) eindigt met de volgende aantekeningen:

    1 sept. Rushdie's boek vertaald
    (Ik geloof dat de belofte van een terugtocht uit het geweld, ons door zoveel verlichte geesten gegeven, een lichtzinnige belofte is, van een naïeve verlichting. Ik wil daar niet lichtzinnig in geloven. Ik geloof dat ik niet graag vernederd word en dat ik daarom net zo bescheiden, zo wantrouwig en zo open ben als mijn vader).
    Zie ook Voltaire-citaat Steiner, bij Kayzer.

    Wij nemen de vreemde elementen in onze eigen cultuur op. Het vreemde wordt ons steeds vertrouwder, omdat het steeds meer aangeboden wordt en omdat de vraag ernaar groot is. Het gaat op in het alledaagse meedoen. Er vindt een soort van nivellering plaats. "Ons exotisme is het exotisme van de toerist" - vgl. "de wereld van BB".
    Zie ook Ter Braak.

    27 okt. Blokker over Calis
    4 nov. Calis verweert zich
    Stokvis! Kunst in vrijheid, p. 18;

    7 nov. regering DDR dient ontslag in
    9 november 1989.

    Vanmorgen gedroomd van Matti, die bij een struikeling haar voetje had verstuikt. De dokter schreef een recept uit op éen van die hedendaagse, absurd grote wenskaarten voor kinderen, waar hij een hele verzameling van had. Bürowwater, prissnitzverband, watten, verbandlinnen, etc. Onze dokter in Padang was een Fries. Zijn naam, dokter Zuringa, rook naar Bürowwater! Ik werd wakker door een enorme jeuk op de plek, die overeen kwam met deze, waar haar voet in het verband ging.

    10 nov. Zivkov treedt af
    10 nov. De muur in Berlijn
    13 nov. Cees Zoon over Ind. Lett.
    14 nov. Lydia, wijnproeverij
    28 nov. Elburg, Piet Smits
    [Noot van de bezorger].