Start » Vestdijk op de weegschaal (’72) » Persoonlijkheid als maat der dingen

Persoonlijkheid als maat der dingen

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, Vestdijk op de weegschaal, A.W. Sijthoff, Leiden, 1972, p. 25-28.
Over: S. Vestdijk, persoonlijkheid, Forum, mythe.
[p. 25]

Wie de novelle Het veer gelezen heeft, ziet een zonder enige opzettelijkheid aangebracht verband tussen de algemene situatie van de schrijver “tussen stoommachine en computer” en die van de verteller uit Het veer; de visie is in het verhaal ingebouwd, want de lezer kan niet voorkomen dat hij het verband niet ziet. De verzuchting van de ik-figuur: “Dit koortsachtige bestaan, liefde en vriendschap putten uit een ontwrichte samenleving (-), kon ik het maar inruilen voor de vrede van dit landschap”, gaat op voor iedere periode waarin oude waarden wankelen, en nieuwe nog moeten worden geformuleerd. Ze gaat natuurlijk op voor de tijd van Vestdijks introductie in de literatuur, die toevallig samenviel met die van de internationale oorlogsinspanning en het daarmee gepaard gaande demoraliserend machtsmisbruik. Die tijd – 1933-1940 – dwong de creatieve minderheid ertoe haar recht van bestaan te funderen op de “persoonlijkheid” en op de gedachte dat de mens een “honnête homme” kan zijn. Woorden als “bestaansrecht”, “eigenbelang”, “honnêteté” en “waardigheid van de mens” deden als sjibolets dienst in het tijdschrift Forum, 1 dat in 1932 door Menno ter Braak 2 en E. du Perron 3 was opgericht. De waarden die Forum verdedigde waren lang niet fonkelnieuw: met de vernieuwing werd pas een begin gemaakt! Voor ons oordeel over dat tijdschrift is het ook niet van belang of er iets “nieuws” uit de bus kwam. Essentieel is alleen, dat Forum in een wereld die langzaam maar zeker een gewelddadige toekomst tegemoet ging, naar een aan die wereld tegengestelde enclave zocht. De medewerkers van Forum, tot wie Vestdijk behoorde, zagen zich gedwongen onder weinig goeds belovende voorwaarden te streven naar de meest ideale levensvorm.
Vestdijk, anders dan de anderen, nam daarbij geen politiek geëngageerd standpunt in. Wel toont hij een scherp oog te hebben voor het demonische in mensen, en voor hoe anderen daar slachtoffer van worden – metterdaad (Else Böhler, Duits dienstmeisje) of in gedachten (Meneer Vissers hellevaart); voor hoe men zich tegenover het demonische handhaaft (Het veer) of er waardig aan ten onder gaat (Mnemosyne in de bergen).
De zwerver uit Het veer streeft naar de ideale levensvorm, naar het hoogst denkbare, nooit te verwezenlijken ideaal. Maar wie naar het onbereikbare streeft, zal altijd eenzaam blijven, en dat stelt de eeuwige kringloop van dit slachtoffer van het verleden in werking: aan het einde

[p. 26]

van zijn streven naar de ideale levensvorm ligt een utopie; maar het streven daarnaar belooft uitsluitend eenzaamheid en niets dan dat, zodat hij zijn eerste doel – een maximum aan persoonlijk comfort – nooit verwezenlijkt zal zien. Wil hij een beetje comfort, hoe tijdelijk ook, toch genieten, dan zit er niets anders op, dan dat hoge ideaal een ogenblik te verlaten. Eens wordt het gevonden evenwicht onbehaaglijk genoeg, om het verlaten ideaal opnieuw te omhelzen, – sterker, weerbaarder, met nieuwe psychische energie geladen.

Het spreekt vanzelf dat we het individualisme van de held uit Het veer niet gelijkstellen aan dat van Vestdijk. Maar het schijnt er het symbool voor te zijn. De waarden ervan stemmen overeen met die welke Vestdijk vertegenwoordigd ziet door de kunstenaar die zijn persoonlijkheid uitdrukt in zijn werk. Van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson zegt hij in Lier en lancet, dat ze zich onbekommerd overgeeft “aan de levende beweging van het psychische”, en dat voor haar “niets te hoog of te laag (is) om aanleiding te worden voor (haar) poëzie”. Dat vertrouwen op het psychische is ook kenmerkend voor de zwerver uit Het veer; het garandeert met vrij grote zekerheid een steeds terugkerende zelfvernieuwing, die juist bestaat door de mogelijkheid van een radikaal om kunnen slaan van de ene in de andere tegenstelling, bij behoud van de structuur van de persoonlijkheid. In Het veer is dit tot systeem geworden, tot een door de verteller gevolgde taktiek, die een voortdurend beroep doet op zijn vindingrijkheid en kansberekening. Niets is dat wat Vestdijk het “klassicisme” noemt dan ook minder welgezind dan deze methode, die de persoonlijkheid en haar uitingen zo sterk begunstigt.
Misschien heeft Vestdijk het begrip “persoonlijkheid” wel zijn engste betekenis geschonken, want hij zag duidelijk in iemand wiens “persoonlijkheid” buiten het werk bleef de “klassieke” dichter, die afzag van het recht zich uit te spreken: de vervaardiger van gepatenteerde verveling, de veroorzaker van levenswijsheden, tot stand gekomen buiten bemoeienis van het intellect. Niet een maximaal opgevoerde verzorging van de vorm vraagt hij van de dichter – zo noemde hij Willem Elsschots nuchtere en sceptische gedichten de “wortelstokken van de Forumpoëzie” – maar dat hij zijn persoonlijkheid zoveel mogelijk zal uitdrukken in het kunstwerk, en niet daarbuiten. Wie het eerste doet, kan naar Vestdijks overtuiging in niet-literaire dingen niet veel meer zijn dan een kind. Buiten het strikt eigen domein verliest zich voor de persoonlijkheid de wereld in “een onthutsend waas van niet-bestaan”,

[p. 27]

zegt Vestdijk in zijn roman Het genadeschot. Wel geldt dit daar voor de held van het verhaal, maar ook voor de kunstenaar is bij voorbeeld de oorlog een “luchtledig”, zoals Vestdijk beweert in zijn in 1937 verschenen essay Kunstenaar en oorlogspsychologie. In het op blz. 31 opgenomen fragment uit het artikel Tussen ik en menigte spreekt Vestdijk dit inzicht nog eens anders uit.

Strijdt Vestdijks opvatting nu met die van de vormtheoretici voor zover die menen dat een kunstwerk een eigen wereld inhoudt? Integendeel. Vestdijks uitlating over Emily Dickinson dat niets haar te hoog of te laag is om “aanleiding te worden voor haar poëzie” bevestigt dat het ook hem om zo’n “eigen” (kunst)wereld gaat – maar met de nadruk op “eigen”, “op het “persoonlijke” dus. In tegenstelling tot de schrijvers die de vorm op de voorgrond plaatsen, betekent voor hem het woord “eigen” niet dat het kunstwerk losgesneden is van deze wereld. Vestdijk schakelt die wereld hoogstens tijdelijk uit, om zo de beschikking te krijgen over ervaringen waarvan het niet uitmaakt of ze waargenomen, ondergaan of door de verbeelding ingegeven zijn. Voor de beschouwer is er immers geen verschil tussen het voorwerp van de waarneming of dat van de voorstelling: ook de voorstelling bereikt – door de emotie – het object. Daarom hoeft het verband tussen voorstelling (c.q. waarneming) en emotie voor de buitenstaander niet verborgen te blijven. Wil hij artistieke uitingen als uitingen verstaan, dan gaat het er niet om ze tot “strukturen” uiteen te rafelen of van etiketten te voorzien: het gaat er veel eerder om die emoties waarzonder deze uitingen déze uitingen niet zouden zijn mee te voelen. Daarom moet een schrijver voor wie de persoonlijkheid iets is, zich niet in de eerste plaats richten op deze wereld (die immers alleen door de waarneming weer te geven valt), en niet op alleen maar de taal, het woord of het begrip (die het tenslotte niet na zullen laten het persoonlijke in de uiting dood te drukken), maar op een symbool tussen deze wereld en de taal: op de mythe.
We kunnen ook zeggen dat de persoonlijke creatie de projectie is op een mythe. Het symbool dat we ontvangen geeft de richting aan waarin we zullen denken.

Vragen

14. Definieer, verklaar of identificeer: Emily Dickinson, sjibolet, Elsschot.

15. Wat hebben de schrijvers “tussen stoommachine en computer” en de zwerver uit Het veer met elkaar gemeen?

16. De slingerbeweging tussen eenzaamheid en de ideale gemeenschap garandeert een steeds terugkerende zelfvernieuwing. Waarom?

17. De dichter die zijn persoonlijkheid uitdrukt in zijn werk wordt hier geplaatst tegenover de “klassieke” dichter. Hoe ziet Vestdijk deze laatste?

18. Hoe ziet Vestdijk Emily Dickinson?

19. Kan volgens Vestdijk een “persoonlijk” dichter buiten zijn werk een “man van ervaring” zijn?





NOTEN
  1. Forum, letterkundig tijdschrift in 1932 door o.a. Menno ter Braak en E. du Perron opgericht. Na uittreding van Du Perron (1933) werd S. Vestdijk redactielid. Bij de opheffing in 1935 ging de laatste mee naar Groot Nederland, waarin Forum was overgegaan. Forum had grote invloed op de literatuur, omdat het de persoonlijkheid van de schrijver stelde boven de gave vorm. Het afrekenen met tal van epigonen behoorde tot de sport van deze vechtlustige auteurs. Vgl. voor Forum: W. Mooijman en L. Mosheuvel, Forum. Brieven, citaten, dokumenten en knipsels, ‘s-Gravenhage, 1969. ↩
  2. Braak, Menno ter, 1902-1940. Voornamelijk essayist, sterk door de ideeën van Nietzsche beïnvloed. Stelt zich de “honnête homme” als voorbeeld, bij wie de intelligentie met het instinct samenvalt. In zijn politieke denkbeelden verkondigt hij de overtuiging dat deze honnête homme alleen door weerbaarheid en strijdbaarheid de horde zal kunnen weerstaan. ↩
  3. Du Perron, Edgar, 1899-1940, schrijver van gedichten, romans, novellen en biografieën. Scherpzinnig en strijdbaar criticus, die in een berucht geworden boek, Uren met Dirk Coster, afrekent met “halfzachte” ethische normen. ↩

Recensies van Vestdijk op de weegschaal »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>