Start » Vestdijk op de weegschaal (’72) » Historische contingentie (S. Vestdijk)

Historische contingentie (S. Vestdijk)

 

Bron: R.A. Cornets de Groot, Vestdijk op de weegschaal, A.W. Sijthoff, Leiden, 1972, p. 39-43.
Oorspronkelijk in: Essays in duodecimo, Amsterdam, 1952, p. 23-28.
Copyright © 2008 Erven S. Vestdijk, Doorn www.svestdijk.nl
[p. 39]

In het algemeen houdt de historicus zich te veel met feiten bezig, te weinig met mogelijkheden. Het experiment zit hem niet in het bloed, – het gedachtenexperiment – en zelfs de pogingen van een veertig- of vijftigtal jaren geleden om de geschiedenis als een “natuurwetenschap” ten tonele te voeren hebben daarin weinig verandering gebracht. De historicus interesseert zich alleen voor wat er gebeurd is, niet voor wat had kunnen gebeuren, indien… Nu, indien bij die en die veldslag de zon niet vijand A, doch vijand B in het gezicht geschenen had, – in deze vorm wordt het probleem van de “contingentie” der geschiedenis, d.i. de leer der mogelijkheden en gemiste kansen, nog wel eens onder de ogen gezien. Dwz. in een vrij kinderachtige vorm, te meer omdat over de gevolgen van zulk een “natuurlijk” gewonnen veldslag gewoonlijk het stilzwijgen bewaard wordt, op het slechts matig tot onze verbeelding sprekende gelegenheidszinnetje na: “De geschiedenis had een andere loop genomen.” “Le nez de Cleopatre: s’il eût été plus court, toute la face de la terre aurait changé” (Pascal). Maar nog nooit heb ik een geschiedkundige de vraag horen stellen: wat zou er gebeurd zijn, indien Napoleon in de wieg was gesmoord? Of niet in Ajaccio geboren was, maar in Parijs, als telg van het ancien régime? Of vijftig jaar eerder of later geboren was? Of indien er twee Napoleons tegelijk waren verschenen? De vragen zijn voor uitbreiding vatbaar, maar het zijn steeds interessante vragen.
De kans is groot, dat een geschiedkundige, vooral een marxistisch geschoold geschiedkundige, met dergelijke allotria lastig gevallen, onmiddellijk zal beginnen met zich achter het ondoordringbaar pantser ener collectivistische beschouwingswijze terug te trekken. Napoleon, zal hij zeggen, was een genie, een held, een grote eenling enkel en alleen in onze kinderlijke verbeelding; in werkelijkheid was hij niets anders dan de exponent van collectieve factoren, het snijpunt van massale bewegingen, en hieruit volgt, dat het smoren, overplanten, chronologisch verplaatsen of verdubbelen van Napoleon minder invloed op de geschiedenis zou hebben gehad dan een enthousiast beoefenaar van de verwaarloosde tak der historische wetenschap zich wel voorstelt.
De “tijd”, het “Franse volk”, de “historische situatie”, het “nastadium der revolutie”, waren nu eenmaal rijp voor het optreden van

[p. 40]

Napoleon, of liever: van een Napoleon; en naar deze dwang van de kant van groepen en begrippen voegt zich gewillig de natuur, die een Napoleon produceert op de plaats en het tijdstip, waarop hij nodig is. Een Napoleon van vijftig jaar later zou onherroepelijk zijn ondergegaan in de anonieme en half literaire lichtontvlambaarheid ener politieke romantiek, die op een gestabiliseerd werelddeel geen vat meer had. En van twee Napoleons zou de tweede nooit bekendheid hebben verworven, want alleen de eerste was nodig.
Het is duidelijk, dat onze historicus de moeilijkheden ontweken heeft en de vlucht heeft genomen in een soort mystiek, of op zijn best in een schematisch determinisme à la Oswald Spengler. Volgens hem bezit de geschiedenis een wonderbaarlijke efficiency in het voorzien in de behoefte aan grote mannen, – een bewering, waarvan de onjuistheid gemakkelijk aan te tonen is. Mogen wij onze historicus geloven, dan zou voor de als zuigeling gesmoorde Napoleon feilloos een andere Napoleon in de bres gesprongen zijn. Maar smoor nu ook deze tweede Napoleon. Dan was er een derde Napoleon opgestaan, zegt onze historicus. Smoor ook deze. En zo door. Iedere poging van de historicus om Napoleon voor het wereldtoneel te redden wordt beantwoord met een massacre van steeds nieuwe Napoleons. Tenslotte ziet hij zich genoodzaakt een beroep te doen op de “genialiteit” van het Franse volk, dat nog Napoleons produceert, nadat de laatste Napoleon is uitgeroeid. Maar dan geloven wij het al niet meer.
Maar in ernst: zijn dit geen belangwekkende problemen? Wat zou er gebeurd zijn, indien niet Columbus, maar een Hollander Amerika had ontdekt? Waar had men het Christendom vandaan gehaald, indien Herodes zijn wil had kunnen doordrijven? In hoeverre zou de geschiedenis “een andere loop hebben genomen”, indien onze Willem de Derde zijn sleutelbeen niet had gebroken? Bij de beantwoording van dergelijke vragen, zullen, het spreekt vanzelf, overwegingen aangaande een wederkerige doordringing van individuele en collectieve factoren een zekere rol moeten spelen. Maar met collectieve factoren alléén, zoals onze historicus wil, komt men er niet: want een dergelijke “operatie”, op het lichaam der geschiedenis toegepast, – een Hollandse Columbus, een succesvolle Herodes; een tachtigjarige Koning-stadhouder, is in wezen stééds “individueel”, ook waar er groepen, klassen, volkeren in het spel zijn, en wekt dus ook steeds “individuele” reacties op. Vandaar, dat het stellen van vragen inzake de contingentie der geschiedenis, indien het al geen ander nut afwerpt, ons op zijn minst tot bewustzijn kan brengen, dat de geschiedenis gemaakt

[p. 41]

wordt door personen, en niet door de “historische situatie”, het “Franse volk”, of “de Renaissance”.
Dat de oplossing van dit soort problemen in de meeste gevallen stranden zal op het onontwarbare en gecompliceerde juist van het persoonlijke element in de geschiedenis, – en op het gemis aan feitelijke gegevens om “groepen” met enige kans op welslagen in “personen” op te kunnen lossen, – dient volmondig te worden toegegeven. Veel méér belooft de wetenschap der historische contingentie op een ander gebied, waar het persoonlijke element zich in aanzienlijk geringer mate in groepen en stromingen vermomt, – ik bedoel de kunstgeschiedenis. Hier zal men nooit een “persoonlijkheid” willen vervanger door een groep (een “school” bv.) en een vraag betreffende de eerste willen beantwoorden met een dooddoener omtrent de tweede. Men heeft hier houvast aan het individu; en waar het reeds enige moeite kostte een reeks van gelijktijdige Napoleons te concipiëren, van wie er maar één voor het voetlicht der historie is verschenen, daar is zulk een reeks van Beethovens, op dezelfde wijze behandeld en in dezelfde redenering betrokken, gladweg een onmogelijkheid. Niet omdat het muzikale genie van Beethoven zeldzamer is dan het militair-politieke van Napoleon, – hierover zou te twisten zijn, – maar omdat de Beethovens, anders dan de Napoleons, nooit onder zulk een exclusiviteit van het lot zouden hebben gezucht, dat er maar één van hen bekendheid had kunnen verwerven. Beethovens bijten elkaar niet, – Napoleons wel. Zet drie Beethovens naast elkaar: alle drie zullen zij beroemd worden, de een wat meer, de ander wat minder, – dit hangt van bijkomstige factoren af, – alle drie zullen zij “Beethovenmuziek” componeren, de een wat beter, de ander wat minder goed en wat minder goed herkenbaar. Met de familie Bach heeft de natuur zich trouwens zulk een experiment veroorloofd, dat nog iets leerzamer had kunnen uitvallen; indien de zoons van Johann Sebastian uniformer waren toegerust dan zij in werkelijkheid waren (bv. in de vorm van eeneiïge tweelingen). Smoor Beethoven in de wieg; wat gebeurt er dan? Tot zekere hoogte moet dit zijn na te gaan; en in elk geval kan men enkele mogelijkheden tegenover elkaar stellen, waaruit een keuze is te doen en waaruit de historie ongetwijfeld een keuze zou hebben gedaan. De eerste mogelijkheid is, dat de “Beethovenmuziek”, die nooit zou zijn geschreven, toch “ontstaan” zou zijn, in de loop der jaren, doordat de opvolgers van Beethoven (ik denk nu vooral aan Schubert en aan Brahms) deze taak gezamenlijk hadden overgenomen. Wat bij Beethoven de inspiratie was van het genie werd dan als taak verdeeld over enkele generaties. Een

[p. 42]

tweede mogelijkheid is, dat de Beethovenmuziek eenvoudig overgeslagen zou zijn, en dat de 19e-eeuwse componisten hun romantische en klassicistische consequenties hadden getrokken uit de muziek van Haydn en Mozart. Voor een muziekkenner is deze oplossing zeer aantrekkelijk: hij denkt bv. aan de Haydn-variaties van Brahms, en gaat na in hoeverre de (bij Brahms onvermijdelijke) Beethoveninvloed uitgeschakeld zou kunnen worden. Schumann’s pianominiaturen nemen een Mozartesk karakter aan of sluiten zich aan bij de sonaten van de hier en daar sterk aan hem verwante Philipp Emanuel Bach; de invloed van Johann Sebastian Bach treedt vroeger en machtiger op; de programmamuziek blijft binnen bescheiden grenzen; alles wordt kariger, helderder, overzichtelijker; en Wagner wordt een groot vraagteken.
Tweede probleem: zet Beethoven in onze tijd, en ga na wat voor soort muziek door hem gecomponeerd wordt. Zal hij “überhaupt” componeren? Is het bijzondere talent van Beethoven niet zó volledig aan “zijn tijd” aangepast, dat hij in de tijd van Debussy, of Bartók, voor “onmuzikaal” zou kunnen doorgaan? Dat is mogelijk. “Echte” Beethovenmuziek zou hij in geen geval scheppen, onverschillig of wij de “echte” Beethoven aan hem vooraf laten gaan of niet. Een nog iets lastiger probleem dan het voorgaande, komt mij voor; maar, al weer, uiterst interessant, – zo interessant, dat men niet goed inziet, waarom deze kwesties niet op de conservatoria worden behandeld.
Tenslotte het allerindividueelste gebied der “historie”, het gebied waar geen school, stroming, natie, groep of klasse de aandacht van de eenling afleidt, – dat van het persoonlijke lot, de persoonlijke levensgeschiedenis. Tot dusverre een meer of minder instructieve vorm van “Spielerei”, verkrijgt het probleem der historische contingentie hier een uiterst reëel karakter; indien ooit mogelijkheden als werkelijkheden worden behandeld, dan hier. Een menselijk leven, dat zich op de duur niet met tien, twintig andere levens vermenigvuldigt, – levens die geen vorm hebben aangenomen, maar daarom nog geen doodgeboren levens, – verdient de naam van “leven” ternauwernood; het is een leven zonder diepte, zonder ruimtelijkheid, zonder licht en schaduw. Hoe ouder de mens wordt, des te meer wordt zijn verleden van werkelijke gebeurlijkheden geschaduwd door een verleden van gemiste of althans niet benutte kansen. Iedere minuut kunnen wij een andere richting uit dan wij in feite inslaan; en deze andere richting wordt door het geheugen niet als iets negatiefs afgedaan, maar haakt er zich in vast, keert terug in onze dromen, kwelt ons geweten of tergt ons verlangen naar geluk.

[p. 43]

Op ieder keerpunt van ons leven hadden wij een handeling kunnen nalaten, of aan een andere handeling de voorkeur kunnen geven; en vergeefs vragen wij ons af welke invloed de realisering der verworpen mogelijkheid op onze biografie zou hebben gehad. In menig geval kunnen wij bij benadering wel raden hoe het gegaan zou zijn, gedurende een zekere tijd althans, net zolang totdat nieuwe keerpunten en nieuwe keuzen de fictieve levensweg doorkruisen en voorgoed onoverzichtelijk maken. Maar zoveel is zeker: deze mogelijkheden, die geen werkelijkheid zijn geworden, zijn niet op één lijn te stellen met een Napoleon, die vijftig jaar te laat geboren wordt, of een Beethoven, die in drie exemplaren tegelijk de geschiedenis der toonkunst komt verrijken. Aan deze mogelijkheden gelooft eigenlijk niemand. Aan de niet tot ontwikkeling gekomen mogelijkheden van het eigen leven daarentegen gelooft iedereen: het zijn geen kunstige bedenksels, doch gegevens die bijna op dezelfde trap staan als wat in werkelijkheid is geschied, – mogelijkheden, waarvan de verwerkelijking op bijna even weinig tegenstand stuitte, maar die, op het allerlaatste moment, door het noodlot (zo zegt men dan) niet zijn gewild. Het persoonlijke neemt hier de lichte, kantelende gedaante aan van het toeval. Zeker, ook het feit, dat Napoleon daar en daar, en dan en dan, geboren is en niet als kind is gestorven, berust in zekere zin op toeval; maar het toeval is hier zo vanzelfsprekend, dat wij het niet meer als toeval beschouwen. Waarschijnlijk is dit toe te schrijven aan het ontbreken van een keuze, en van een persoonlijkheid die kiest. De werkelijkheid van Napoleon en de werkelijkheid van Beethoven zijn niet ontstaan door eliminatie uit een zeker aantal mogelijkheden, maar zij zijn “gedetermineerd”, door blinde en onbekende natuurwetten, die weliswaar ook ons persoonlijke leven beheersen, maar die daar steeds de vorm aannemen van de vrijheid om het een te doen en het andere te laten. En deze vrijheid, die van buiten af beschouwd “toeval” is, slaat terug op het leven en verleent het die troosteloze rijkdom, welke ons tegemoettreedt wanneer wij in stille uren nadenken over wat had kunnen zijn. *

* Essays in duodecimo, Amsterdam 1952, J. M. Meulenhoff.

Vragen

33. Toon met een paar citaten aan, dat dit essay in feite een pleidooi is voor het individualisme.

34. Het stellen van vragen inzake de historische contingentie werpt meer vrucht af als men zich niet tot de algemene, maar tot een bijzondere geschiedenis bepaalt (kunst- of muziekgeschiedenis). Hoe komt dat volgens Vestdijk?

35. Vestdijk bestrijdt dat de “tijd”, het “Franse volk” etc. rijp waren voor het optreden van een figuur als Napoleon. Bij uitschakeling van Beethoven ziet hij in de ontwikkeling twee alternatieven. Laat zien dat de eerste ervan tamelijk goed aansluit bij de bestreden “collectivistische” opvatting.

36. Het tweede alternatief stelt: bij uitschakeling van Beethoven was de muziek klassieker geworden, de romantiek opgeschoven of overgeslagen. Laat zien dat dit alternatief de opvatting ondersteunt, dat de geschiedenis gemaakt wordt door personen en niet door de “historische situatie”.

37. Toon aan dat het eerste alternatief de opvatting ondersteunt dat de historische situatie de geschiedenis maakt.

38. Welke van de twee opvattingen verwerpt Vestdijk zonder dat met zoveel woorden te zeggen, en met welke woorden zegt hij het toch?

39. Is het weegschaalmechaniek dat werkt in Het veer, Tussen ik en menigte ook hier actief? Hoe dan?

Persoonlijkheid als maat der dingen »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>