Start » Tropische jaren (’86) » *Buiten het boek » Recensies van ‘Tropische jaren’

Recensies van 'Tropische jaren'

Bronnen: Literom, BNTL, Picarta, knipselarchief van de auteur.
Diverse auteurs.

Indringende tropische jaren

Jan Verstappen

Het Binnenhof, 28 maart 1986.

De zestiende en zeventiende augustus van het jaar 1945 zijn spannende dagen geweest in Batavia, de hoofdstad van het toenmalige Nederland Indië. De nederlaag van de Japanse bezetters werd op 16 augustus 1945 een feit, waarmee de onafhankelijkheidsstrijd van het Indonesische volk metterdaad kon beginnen. Op de muren in de stad werd voor het eerst de strijdkreet “Merdekka” gekalkt. Leo de Brauw, de hoofdpersoon van de nieuwe roman van Cornets de Groot (Tropische jaren) heeft deze historische gebeurtenissen meegemaakt in zijn puberjaren, toen hij in een woelig, chaotisch koloniaal leven opgroeide; de liefde, de vrijheid en het leven leerde kennen. Het komt allemaal weer bij De Brauw terug, als hij vele jaren later, tijdens dezelfde dagen van augustus op vakantie in Istanboel is, de eerste Aziatische stad die de Europeaan op zijn reis oostwaarts ontmoet.
Leo de Brauw is in gezelschap van zijn veel jongere vriendin of partner, Narda. Tijdens de tien dagen, 10 tot en met 17 augustus van een niet genoemd jaar, noteert De Brauw als in een dagboek zijn toeristische wederwaardigheden, zijn gesprekken met Narda en met een soort gids of factotum met de raadselachtige naam Oral Edip, die zijn diensten aanbiedt aan vreemdelingen. Het Aziatische, de stof, hitte en volheid van de stad brengt hij De Brauw de herinneringen aan de gebeurtenissen in zijn pubertijd naar boven. Hij vertelt daarover in mijmeringen of herinneringen, in dagelijkse notities opgeschreven. Hij vertelt dat kennelijk ook aan Narda en mr. Edip, want beiden blijken zij – wanneer zij op een of ander detail ingaan – nauwkeurig op de hoogte van wat de lezer misschien vermoedde dat zich uitsluitend in de gedachten en de notities van De Brauw afspeelde.

De Brauw was en is een “Indo”, hetgeen nauwkeurig uitgelegd wordt in het boek, want het was niet zonder belang hoe de verhoudingen van het Europese en Indische bloed waren bij deze bevolkingsgroep: wie 50% of meer Europees bloed had, werd opgepakt door de Japanse bezetter. De jongeman De Brauw raakt in een niemandsland als de Europeanen in de kampen worden ondergebracht. De vijandschap tussen bevolkingsgroepen neemt hand over hand toe. De beschrijving van deze situatie in deze roman is niet zonder betekenis: het gebeuren in deze oorlogstragedie wordt hier verteld vanuit de ervaring van iemand die niet tot een duidelijk kamp hoorde. Dat is opmerkelijk!
De Brauw is in die oorlogsjaren natuurlijk ook met zijn eigen lichamelijke en geestelijke ontwikkeling bezig. Een paar meisjes spelen daarin een grote rol. Carla, het ongegeneerde jonge vrouwtje, dat hem op de hoogte stelt van het lichamelijke, het sexuele. Tegenover haar Julie, een veel afstandelijker “ideaal”. Natuurlijk zijn het niet alleen de laatste oorlogsdagen, die De Brauw als het ware opnieuw beleeft tijdens zijn mijmeringen in Istanboel. De geschiedenis rond Carla en Julie (waar Narda tussen lijkt te staan) neemt meer tijd in beslag dan enkele augustus-dagen. Ook het gebeuren na de “bevrijding” van Indonesië komt aan de orde: het vertrek naar Nederland, de aankomst in dit voor de jonge Indo vijandige land. De ambitie van De Brauw om te tekenen is dan al lang ontwaakt, hij heeft zijn geliefden en anderen al eerder geportretteerd.

Die gegevens leiden tot een vergelijking met een andere roman, die twee en een half jaar geleden uitkwam: Liefde, wat heet! over een tekenleraar De Brauw en zijn liefde voor zijn veel jongere leerlinge, Narda. Die roman werd gepubliceerd onder een andere auteursnaam, het is nu Cornets de Groot, tot op heden niet anders bekend dan als eigenzinnig literair essayist. Interessant is dat hij dat merkwaardige spel van identiteit enkele malen aangeeft in zijn nieuwe roman: “Het is heel moeilijk autobiograaf te zijn”, roep hij ergens uit (een stijlfiguur die vaak wordt toegepast in de taal van Leo de Brauw). En iets later piekert hij daarover verder: “Gaat het bij iemand als ik niet zo dat ten slotte toch het zelfbeeld aan een al te hardhandige aanpak ontsnapt?” En twintig bladzijden verder, als hij zich realiseert wie de Lilith in zijn jonge leven was: “Geheim, dacht ik. Dit zijn dingen die je nog niet aan je grootste vertrouweling vertelt. Dingen die in geen biografie komen te staan en in een autobiografie al helemaal niet”.
Dat aan Tropische jaren een autobiografische basis ten grondslag ligt staat buiten twijfel: de indringende manier waarop de chaos in de voormalige kolonie beschreven wordt geeft dat duidelijk aan. Heel voelbaar wordt dat in de aantekeningen van 16 augustus, die in korte, fragmentarische maar heel doeltreffende flitsen uiteenvallen.
Op een terugvlucht naar Nederland schrijft Leo de Brauw een “onvoltooide brief” aan factotum Oral Edip. Hij trekt een paar lijnen uit zijn verhaal door, want mevrouw Edip wilde niet in een “bezet Batavia” achterblijven, zoals hij tegen De Brauw opmerkte. De lijnen die als losse eindjes overblijven zijn echter menigvuldig bij het geringe dat wel ordelijk (?) kan worden voltooid. De chaos die het leven door De Brauw betekent, zal zijn deel blijven.
Tropische jaren is een indringende roman, die het levensgevoel van iemand, die gedoemd is buitenstaander te blijven, overtuigend onder woorden brengt.


De tropische nabloei in de Nederlandse literatuur

Aad Nuis

De Volkskrant, 4 april 1986.

[…] Heel anders 1 staat het met de roman Tropische jaren van Cornets de Groot. Ook een criticus van origine, maar van een heel ander type. Zijn essays over moderne Nederlandse poëzie en over de meer poëtische hoeken van het proza, in tal van bundels verzameld, waren haast altijd persoonlijke jagerstochten, soms irriterend door hun vergezochte grilligheid, maar daardoor ook wel inzichten oogstend waar de tuinbouw van de gevestigde kritiek nooit aan toe kwam. Nu hij tamelijk laat (hij is van 1929) ook aan een roman begonnen is, een Indische, is ook dat boek in menig opzicht tegengesteld aan dat van Boomsma. Het lijkt een oprechte poging om zonder omhaal het beeld van een jeugd op te roepen door iemand met een onstuitbare grilligheid van geest en een exuberante omgang met beelden en taal. Een ander verschil is dat Cornets de Groot wel degelijk over onvervreemdbaar eigen materiaal beschikt, en bepaalde dingen te vertellen heeft die nog niet eerder zijn verteld.
De hoofdpersoon, de vijftiger Leo de Brauw, is een Indische Nederlander. Hij is met zijn veel jongere vrouw op bezoek in Istanboel, “Indo onder de steden”, en daar wordt hij, ook al door de nadrukkelijke aanwezigheid van soldaten in het straatbeeld in die nadagen van Ecevit, bestormd door herinneringen over zijn leven als jongen in een niet meer bestaande stad: Batavia tijdens de Japanse bezetting. Hij heeft die namelijk niet in het kamp doorgebracht, maar als gevolg van zijn gedeeltelijk Indische afstamming en enig gemanipuleer met papieren in benarde vrijheid.
Hij probeert zijn jonge vrouw deelgenoot te maken van die ervaringen. Ze hebben vooral te maken met de ontdekking van de erotiek, en daarnaast met zijn wankele positie, tussen de botsende culturen die leven op straat, in jaren waarin vrienden door onpersoonlijke krachten geleidelijk tot vijanden werden. Daartussen speelt het Turkse heden mee, waar het paar wordt rondgeleid door een in Nederland opgevoede Turk die Rotterdams spreekt en zich door de soldaten bedreigd voelt, ook al een man tussen twee vaderlanden dus.
De opzet en de sfeer lijken een beetje op Het land van herkomst, maar dan minder ordelijk en op een veel kleinere schaal. Tropische jaren heeft mij vooral getroffen als een sympathiek boek, ook in de hier en daar opborrelende pathetiek en zelfs tot aan de manier waarop het de schrijver aan het eind een beetje kitscherig uit de hand loopt. Al met al geeft hij een ruwe, maar levendige, zeer invoelbare en haast ruikbare schets van het leven in Batavia in die voor Nederlandstalige getuigen vrijwel afgesloten jaren. En in één moeite door geeft hij de verklaring van zichzelf als curieuze verschijning in de Nederlandse literaire journalistiek. Ook hij was er zo een die van buiten kwam en een raampje openzette.


Essayisten met Indische romans

André Matthijsse

Rotterdams Nieuwsblad, 4 april 1986.

Essayisten die kritisch over Nederlandse literatuur hebben geschreven en die nu zelf hun literaire debuut maken, dat is pas echt spannend. Hoe doen ze het zelf? Cornets de Groot en Graa Boomsma hebben bovendien nog iets gemeen: beiden schrijven over Indonesië.
Hoe verschillend evenwel zijn hun uitgangspunten. Cornets de Groot is van 1929. Hij maakte de oorlogsjaren in Indonesië als ontluikende adolescent mee. Graa Boomsma werd geboren in 1953. Zijn band met Indonesië ontstaat via de vader: een Westfriese jongen die in de na-oorlogse jaren naar ‘Ons Indië’ wordt verscheept om het Nederlandse gezag te herstellen.

Cornets de Groot tekent het portret van een jeugd vanuit een onverwacht perspectief. De ik-figuur, de Indo Leo de Brauw, verblijft gedurende een week met zijn vrouw Narda in Istanboel. Zwervend door deze stad (“een Indo onder de steden”) vertelt hij Narda en hun gids, Mr. Edip, verhalen over zijn jeugd in Indonesië. Vooral over meisjes. Zij vormen meestal de leidraad, maar ook over de ontdekking van de literatuur en de tekenkunst en tenslotte ook: de politieke werkelijkheid en de betekenis van het koloniale denken.

In het vliegtuig terug naar Amsterdam schrijft Leo aan Mr. Edip:
“Ik heb in Istanboel beelden gevonden, archetypen van wat Batavia mij was. 0, niet alleen de stank, het stof, de helse drukte en de hitte. Maar ook de nachten, de geur van jasmijn, de zang van kippen, krekels en kikkers. Als een maquette rees Batavia uit mijn onrust op, uit mijn herinneringen aan vrienden, meisjes – aan rampen, lang geleden gebeurd.
Een maquette van mijn jeugd met zijn verschrikkingen, zijn schroom, zijn angsten en extases.”
Maar Istanboel doet ook denken aan sprookjes van 1001 nacht, aan de kunst van raamvertellingen. Zo ook vertelt Leo als het ware zijn verhaal. Het neerstrijken op een terras, in een restaurant, geeft telkens de gelegenheid opnieuw de sprong in de herinnering te maken.

Door deze situering en de verteltrant krijgt Leo’s verhaal iets bedwelmends, de herinnering iets melancholieks, waardoor de gruwelijkheid van de politieke situatie op deze evocatie van een jeugd nauwelijks greep krijgt. […]


Romandebuut Boomsma en Cornets de Groot

Ton Bogaard

Brabants Dagblad, 19 april 1986.

De roman Tropische Jaren van de onorthodoxe, beetje rare en soms briljante essayist Rudy Cornets de Groot (Bandung, 1929) lijkt een debuut, maar is dat niet. De hoofdfiguren Leo de Brauw en zijn veel jongere vriendin Narda kennen we uit een boekje dat in 1983 verscheen: Liefde, wat heet!. Het stond toen op naam van Simon Lucard. Ik vermoedde dat dat een pseudoniem was, las in de naam Lucard een omkering van dracul(a) en meende dat we onthaald werden op fake, bewuste literaire misleiding. Die roman verhaalde van de liefde tussen een oudere schilder en het 14-jarige meisje Narda. Ik vond en vind die roman geheel en al waardeloos. 2
Tropische Jaren is veel interessanter dan Liefde, wat heet!. De voorstelling van zaken is deze. De Brauw en zijn vrienden verblijven in Istanboel op het moment dat Ecevit het daar nog voor het zeggen heeft. Militairen paraderen door de straten. Die stad – Europees voor de Aziaat, Aziatisch voor de Europeaan – en die dreigende sfeer herinneren hem dwingend aan zijn jeugd in Indonesië, vooral aan de tijd tussen 1942 en 1946 toen hij daar als jonge puber door de straten zwierf. Omdat hij Indo was, geen blanke dus en geen Indonesiër, leefde hij tussen twee culturen. Daardoor, en door enig geknoei met papieren, kon hij wel aan het Jappenkamp ontkomen. Een aardige complicatie is dat zij in Istanboel worden rondgeleid door een Turk die plat Rotterdams spreekt. Ook iemand dus die tussen twee culturen leeft.
Doordat zijn eerste ervaringen met meisjes in zijn herinneringen een grote rol spelen, maar ook doordat hij die als het ware laat regisseren door zijn vriendin Narda, is zijn relaas gedrenkt in een nogal zwoele erotiek. Het werd “een samenraapsel van beelden, parken, geuren en klanken, ontworpen naar de natuur van de vrouw”.

Cornets de Groot belijdt een soort indringende oppervlakkigheid die wel iets aardigs heeft. “Ik ben niet diep,”zegt zijn hoofdfiguur. En misschien is diepte ook wel een vreselijk overschat en misleidend iets. Diezelfde hoofdfiguur prijst de poëzie van Jan Campert omdat daarin het hogere met het aardse identiek is (en geeft dan als bewijs een voorbeeld van lik me vestje: 0 lieflijkheid van lucht en land/van Hollands vrije kust). Ook acht hij het lichaam hoger dan de geest: “lk, die later, vooral door toedoen van Carla, alles van het lichaam te weten kwam, koesterde toen al niet veel verwachtingen van zijn tegendeel.” Van abstractie moet hij niets hebben. Misschien maakt dat het hem mogelijk allerlei uitspraken die elkaar bij aanvaarding van een leidend beginsel zouden uitsluiten, in een mond te leggen. Al wordt zijn boek zo wel nogal een ratjetoe.
Of zou alleen zijn waarnemingsvermogen zijn beginsel zijn? Waarom vind je in zijn boek minstens drie keer de uitspraak dat niet wat gebeurt van belang is, maar wat we denken dat er gebeurt? Hoe is dat verenigbaar met verzet tegen de mogelijkheid dat iemand zichzelf tot norm verheft? Herhaaldelijk vervalt Cornets de Groot tot een kirrende naïviteit, vol oh’s en ach’s, vooral wanneer hij over de meisjes en hun lichamen spreekt. En waarom die tientallen driekoppige zinnen? “Wat ik altijd zo grappig van haar vond, was de manier waarop ze je overrompelde met een woord, een grap, een gebaar.” “Vandaar die nachtmerrie, die angst, die beschaming.” Kan dat niet in een keer raak? […]


[Geen titel]

Gerrit Jan Zwier

Leeuwarder Courant, 25 april 1986.

Van Cornets de Groot, die in de jaren zestig en zeventig bekendheid verwierf met sterk persoonlijk gekleurde opstellen over het werk van o.a. Vestdijk, Achterberg en Mulisch, verscheen onlangs de roman Tropische jaren. Het boek behelst een autobiografische terugblik op de jeugdjaren van de auteur in Indië. Zijn alter ego heet Leo de Brauw, een Indojongen die ten tijde van de Japanse bezetting de puberteitsleeftijd heeft bereikt. De verteller is met zijn vriendin op vakantie in Istanboel, vlak voor de militaire machtsovername. De sfeer en het decor voeren hem terug naar het Indische verleden: ‘Ik heb in Istanboel beelden gevonden, archetypen van wat Batavia mij was. 0, niet alleen de stank, het stof, de helse drukte en de hitte. Maar ook de nachten, de geur van jasmijn, de zang van kippen, krekels en kikkers. Als een maquette rees Batavia uit mijn onrust op, uit mijn herinneringen aan vrienden, meisjes – aan rampen, lang geleden gebeurd’.
Terwijl zij, samen met een ontwikkelde Turkse gids, door Instanboel – deze ‘Indo onder de steden’ – slenteren, dringen de herinneringen aan zijn eerste vriendinnen, zijn eerste seksuele ervaringen en het optreden van Japanse soldaten en de Kempetai (=geheime Japanse politie) zich onweerstaanbaar aan hem op. Met nostalgie naar tempo doeloe heeft dat alles niets te maken; de aardsheid en lichamelijkheid van de stad aan de Bosporus heeft er méér mee te maken, evenals de verhalen uit de Duizend-en-één-nacht.
De jonge vriendin van de verteller, die zelf de vijftig gepasseerd is, is geen sprookjesvertelster à la Sheherazade, maar een minnares die graag een rol in het verleden van haar minnaar zou hebben gespeeld; zij haakt dan op zijn erotische herinneringen in door het liefdesspel van zijn eerste vriendinnetjes weer tot leven te wekken. Zij imiteert dan het gedrag van de jongensachtige Carla, die de onthutste Leo inlicht over het feit dat hij de afgelopen nacht voor het eerst een natte droom heeft gehad: ‘Ik was verlamd, ik dacht dat ik doodging, het was angstaanjagend, het was zielsverrukkend, bloed stroomde uit mij en vuur en pijn, het bruiste in mijn hoofd, en licht zag ik, paars en geel, en tranen verhelderden hun kleur’. En zij verplaatst zich in de verleidelijke en zinnelijke Julie, die slechts een uitdagend spel speelt met de jongere Leo. Bezoekjes aan de voormalige haremvertrekken van de sultan en het kijken naar een buikdanseres, liggen in het verlengde van die centrale, allereerste herinnering – de naakte Indonesische vrouw die heupwiegend en met de zwarte tepels van haar borsten op hem gericht, uit het water van een fonteinbak oprees.
Aan het slot van Tropische jaren wordt nog even snel ingegaan op de overgang van het land waar ‘de koperen ploert met zijn kakelbonte ondergangen in kitscherig technicolor’ heerst, naar het land waar de kleiaardappel groeit. Deze korte notities vallen in feite buiten het vlechtwerk van Indische herinnering en Turkse realiteit dat het leeuwedeel van de roman in beslag neemt.
Het gedeelte over de Indische jeugd van Leo de Brauw vind ik het meest geslaagd; zijn jeugdervaringen worden zowel op een intieme als sfeervolle wijze beschreven. Door de snelle perspectiefwisselingen staat het boek echter teveel in dienst van de filmcamera, in plaats van de verdere verdieping van het verhaalthema.


Nieuwe schrijvers over de Nederlandse tropen

Jeugdjaren onder de palmen

Bouke Jagt

Elseviers Magazine, 7 juni 1986.

[…] Cornets de Groot schreef met Tropische jaren eveneens een Indische roman, maar daar houdt de overeenkomst 3 mee op. Tropische jaren bevat overwegend lyrisch proza en is als zodanig even zeldzaam als aantrekkelijk. Niet de feiten, maar de gevoelens en de sfeer slepen de lezer mee. De ikfiguur, Leo de Brauw, wordt met Narda, zijn vriendin, in Istanboel rondgeleid door een Turkse heer, die in Rotterdam zijn HBS behaalde. Terwijl zij een tapijthandelaar, het Taksimplein, de serail van de sultan en het scheepvaartmuseum bezoeken, gaan de gesprekken en gedachten terug naar het Batavia van de oorlogsjaren. Er ontstaat een genuanceerd beeld hoe een Indisch joch de puberteit beleeft en zich bewust wordt van meisjes, oorlog en Indonesiërs. Het is levensecht zonder zwaar op de hand te worden. De verhaallijn zelf is vrij losjes. Wanneer culturele en historische fraaiheden de revue passeren, geschiedt dit duidelijk om emotionele redenen en niet om geleerd te doen.
Cornets de Groot publiceerde eerder essays, waarin niet noodzakelijk duidelijk werd wat de essayist zo verwoed betoogde. Wie die “uiteenzettingen” kent, wordt in dit boek aangenaam verrast door de innemende schildering van Indische personen en situaties. Lyrische auteurs hebben doorgaans een zwakkere afronding; dat zij deze sfeerrijkste onder de auteurs vergeven. […]

Tropische jaren lust om te lezen

[Anoniem]

Dagblad van West-Friesland, 12 juni 1986.

Nadat Cornets de Groot al diverse essays publiceerde over onder anderen Vestdijk, Mulisch en Achterberg, is nu zijn roman Tropische jaren verschenen. Een bijzonder boek om uiteenlopende redenen. Leo de Brauw, een Indo, is op vakantie in Istanboel, een stad tussen oost en west en daarom “de Indo onder de steden”. Hij zwerft er rond met zijn vriendin Narda en de Turkse gids Edip.
Deze zo ‘Indische’ omgeving roept allerlei herinneringen bij hem op aan de dagen vlak voor en tijdens de oorlog, toen hij nog in Batavia, de hoofdstad van Nederlands Indië, woonde. In de verhalen die hij dan aan zijn vriendin en gids vertelt, schetst hij het dagelijks leven van een Indische jongen die met zijn moeder, in tegenstelling tot de vader, niet naar een Japans kamp hoeft.
Hij laat de innerlijke ontwikkeling voelen die zo’n jongen dan doormaakt en dat is voor een niet onbelangrijk deel erotisch. Leo tast grenzen af die de iets oudere meisjes in zijn omgeving voor hem trekken, zonder dat ze hem die ooit laten overschrijden. Daarnaast vertelt hij hoe hij steeds meer ontdekt wie hij als Indo is om tot slot te concluderen dat hij geen Indonesiër, maar ook geen Hollander is. Maar wat dan wel? Waarschijnlijk de optelsom van de herinneringen, gerangschikt door een vrouw.
Cornets de Groot filosofeert heel wat af met voldoende ruimte voor identificatie. Hij laat de geest ruimschoots waaien in het heden en vooral het verleden, om tijden en plaatsen één geheel met zichzelf te doen zijn. Dat levert een roman op vol verhalen, contrasten, spanningen en toch grote eenheid. Dat alles in een taal die op zijn minst poëtisch kan worden genoemd. Een lust om te lezen.


Voorheen de koloniën

De batik en het indigoblauw

Tessel Pollman

Vrij Nederland, 19 juli 1986.

[…] Een boek met herinneringen zou, behalve als de schrijver een genie is, het beste recht toe recht aan geschreven kunnen worden. Cornets de Groot nu is geen genie, maar een verdienstelijk essayist die de herinneringen aan de oorlog in Indië die hij als Indo-Europeaan buiten het kamp doorbracht, heeft opgeschreven.
Zijn onderwerp (en zijn levensloop) is uitzonderlijker dan men denkt: er zijn maar weinig getuigenissen over van Indo-Europeanen die temidden van een hen vijandelijke inheemse bevolking en zonder de bescherming van het leven in een Japans kamp zich staande moesten houden. De Groot hield zich staande, als jonge jongen en hij vertelt hoe hij dat deed: financieel met allerlei handeltjes, emotioneel met erotiek.
Zijn roman over deze periode is van het flitsachtige, flasback-achtige, experimenteel-achtige karakter dat schrijvers (men denke aan Graa Boomsma, Marion Bloem) wel meer toepassen als het gaat om een mengeling van gedocumenteerde herinnering, herinnerde herinnering (met al de vertekeningen des tijds), fictie en hedendaagse werkelijkheidsbeleving. Zo springt Cornets de Groot van een vakantie in Istanboel dat hem aan Batavia doet denken telkens terug naar Indië, en dat geeft iets kunstzinnigs aan het boek dat ik liever meer documentair had gezien. Dat procedé staat ook allerlei politieke conversaties onder straatjongens anno 1944 toe die zo clear-cut zijn, pro en contra Soekarno, dat ze me onecht toeschijnen, in alle opzichten, of Tropische jaren nu als ondertitel ‘roman’ draagt of niet.
Indië was een samenleving, waar de kleur- en rassenbarrière van groot belang was. Cornets de Groot is een echt kind van die samenleving wanneer hij, argeloos, ook zijn denkbeelden over de eeuwige raciale vragen die Indië kwelden, uit:
“Zij was met haar zwarte, toch zo heldere en een beetje getrokken ogen een echt kind van Batavia. Kijk naar die rode mond, zuigend aan een sigaret. Haar prachtig bruine huid, die hoge jukbeenderen, dat zwarte, blauw glanzende, lang vallende haar – waar kwam het vandaan? Ze was even Chinees als Javaans, even Iers als Zeeuws, een samenraapsel van alle volken en net zo verdorven en onschuldig als zij. Je zou ook kunnen zeggen dat ze van een nieuw ras afstamde. Het ras der underdogs, het ras, waaruit volgens een filosofie die Nietzsche en Hegel nog moeten verzinnen, de Uebermensch geboren moet worden.”
Zo’n zin, met al zijn obsessies omtrent ras en al zijn tweeslachtigheid over hoe het is Indo-Europees te zijn, legt veel bloot. Cornets de Groot weet veel meer dan hij in Tropische jaren heeft opgeschreven, en hij zou ons allen een dienst bewijzen als hij over zijn onderwerp nog eens een onromantisch boek schreef.


Tropische Jaren

Ralph Boekholt

Moesson, 15 augustus 1986.

Bij uitgeverij De Prom is onlangs de roman Tropische jaren verschenen, geschreven door Cornets de Groot. Het boek gaat over de Indo Leo de Brauw, vijftiger, die met zijn 24-jarige vriendin Narda een vakantie doorbrengt in het Turkse Istanboel. Ze ontmoeten er de Turk Mr. Edip, die in Nederland het HBS-B diploma heeft gehaald en die hun gids wil zijn.

Istanboel met alle stof, lawaai, geuren en kleuren en mensen doet Leo denken aan Batavia, sterker nog: hij leeft helemaal terug naar de jaren van zijn jeugd, de oorlog die hij met zijn moeder buiten het kamp doorbracht en vooral naar de jaren van zijn puberteit. Een mens moet ergens aan zijn jeugd herinnerd worden. Als je niet beter wist, zou je kassian krijgen met Leo en sommigen zouden ongetwijfeld een neiging voelen om tenminste een praatgroep te vormen om Leo en zijn lotgenoten te begeleiden. Immers, het is niet niks om een vader in het kamp te hebben, bloot te staan aan Japanse willekeur, Indonesische vrienden van je af te zien wenden en dan ook nog man te willen worden en niet zo’n kleine ook. Maar de schrijver, die naar je mag aannemen autobiografisch bezig is geweest, verlangt niet naar mededogen. Integendeel, het is een bijzondere en spannende tijd geweest, waarin vrouwen en meisjes, bij voorkeur ontkleed, zijn leven bepaalden en al het andere bijzaak deed zijn. Die puberale driften schijnt Leo trouwens tot op de dag van vandaag nooit helemaal te boven zijn gekomen, maar betreuren doet hij dat blijkbaar niet.

“Dit is een roman die een bezet ‘Nederlandsch-Indië’ laat zien door de ogen van een al bijna thuisloze Indo-jongen. Een boek ook dat na de discussiestukken van Rudy Kousbroek en de romans van Jeroen Brouwers een eigen plek zal innemen in de contemporain-historische romanliteratuur” aldus de uitgever op de achterflap. Als je dan naar de daarnaast geplaatste foto kijkt van de schrijver en ziet hoe hij een shaggie draait, hoor je hem denken “laat ze maar kletsen” en gelijk heeft hij want Tropische jaren is gewoon een boek over een puber in oorlogstijd in Batavia. Niets meer. En niet elk boek over Indië is een Indisch boek.


Aantrekkingskracht van een Indische melange

Douwe de Vries

Fries Dagblad, 30 augustus 1986.

Het aantal boeken waarin het voormalige Nederlands Indië een min of meer belangrijke rol speelt, lijkt de laatste jaren eerder dan af te nemen. Kennelijk worden schrijvers nog steeds geïntrigeerd door “tempo doeloe”, die goeie ouwe tijd in Indië, hoewel de toonzetting van de literatuur die is gesitueerd in Indië wel veranderd is. Heimwee naar het Indië van voor de gouvernementsoverdracht wordt nu overheerst door de dramatische ervaringen van de oorlog en de politionele acties daarna. Er zijn kort na elkaar twee boeken verschenen, waarin voor de plaats van de historische feiten in het gevoelsleven van mensen een rol speelt. Het zijn Tropische jaren van Cornets de Groot en De idioot van de geschiedenis van Graan Boomsma, die met dit boek debuteert als romanschrijver.

In hoofdstuk 7 van het eerste boek staat een bizar staaltje van de mentaliteit waarmee Nederlanders hun toenmalige kolonie bekeken. Het vriendje van de hoofdpersoon woonde in een “Hollands Huis” met een moeder, die “Nederlands sprak net als in Holland”. En verder: “Ze nationaliseerde zelfs de Goenoeng Gdéh, waar ze aan de zuidkant op uitkeken. ‘Het is net Holland,’ zei ze. ‘Zo was het uitzicht op de duinen ook, in Scheveningen, o, dat tere groen.’ Ze vergat te vertellen, dat die duinen dan wel vlak voor je voeten lagen. Ik heb in Holland nimmer een mogelijkheid kunnen ontdekken om duinen met vulkanen te vergelijken”, zo schrijft Cornets de Groot ironisch.
De constructie van Cornets de Groots roman is in die zin opvallend, dat het verhaal start in Istanboel, waar de hoofdpersoon, De Brauw (een Indo), samen met een vriendin een korte vakantie van een week doorbrengt. Verschillende zaken in die stad herinneren hem aan het leven in Indië, waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht.
Vooral de sfeer van gewapend lopende soldaten, die alles scherp in de gaten houden, doet hem Istanboel vergelijken met Batavia tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toch gaat dit boek niet zozeer over de ellende, die de Nederlanders in de Jappenkampen hebben moeten ondergaan. Die vormt slechts een decor zonder echt een wezenlijk bestanddeel te zijn in de verhaalgang. Het gaat veel meer om het functioneren van de geschiedenis in het gevoelsleven van De Brauw. Op bladzijde 90 houdt een Indische vriend de hoofdpersoon voor, dat voor hem geschiedenis niet bestaat. “We hebben geen jaartallen of feiten. Niet wat er gebeurt of gebeurd is, is voor ons van belang. Voor ons telt voorlopig alleen wat we denken dat er gebeurt.” Dit sluit heel subtiel aan op de constructie van de roman. Het grootste deel wordt in beslag genomen door de willekeurig gerangschikte flashbacks met jeugdherinneringen van De Brauw. De auteur beschrijft die herinneringen zodanig, dat de lezer de indruk krijgt, dat de hoofdpersoon ze op dat moment ook echt beleeft. Een belangrijk motief in die herinnering vormt de omgang van De Brauw met meisjes/vrouwen die een rol in zijn leven hebben gespeeld. De roman begint met een soort van visioen van de hoofdpersoon, die in het bassin van een fontein in een park een naakte vrouw ziet, die als een soort paradijselijke Lilith hem biologeert. “Ik ging aan de haal, alleen omdat de hel er zo vlak naast lag”, stelt De Brauw vast.
In zijn latere verhoudingen met vrouwenfiguren demonstreert hij een soortgelijke houding. Zo heeft hij als puber een vriendschapsrelatie met een ouder Hollands buurmeisje, dat hij (in zijn herinneringen achteraf!) identificeert met een paradijselijke nimf. Haar aantrekkelijkheid roept echter tegenstrijdige gevoelens bij hem op, die hij in de tegenwoordige tijd projecteert op z’n vriendin Narda, met wie hij vakantie houdt in Istanboel…
De “liefdesscènes” worden afgewisseld met herinneringen die de typische sfeer van het voormalige Nederlands Indië, bezet door de Jappen, oproepen. Het is het beeld van een grote Hollandse familie, die omzichtig omgaat met de inlandse bevolking, die zich met stil verzet te weer stelt tegen de Jappen, maar die ook profiteert van de situatie wanneer de kans daartoe aanwezig is. Het zijn “tropische jaren”, dus dubbele jaren in de herinnering van De Brauw, die vermoeid vaststelt, dat de geschiedenis in herhaling treedt, wanneer het om geweld en macht gaat. En vooral: dat een mens zonder macht, vooral zonder de macht van het wapen, machteloos toekijkt, wanneer de geschiedenis schijnbaar als een soort eigen mechanisme haar eigen gang gaat.
De roman van Cornets de Groot is beslist geen historisch document, maar een “vie romancée” van een Indo, die de flarden van zijn jeugd met zich meedraagt als een onontkoombaar stuk van zijn gevoelsleven. […]


Status quo

Karel Osstyn

De Standaard, 6 september 1986.

Nederlands koloniale verleden is altijd een grote inspiratiebron geweest voor de Nederlandse literatuur. Dat was en is ook zo voor die van andere wereldmogendheden; om uit een in essentie inhumane situatie iets humaans als literatuur te puren, is deze traditie bijna onvermijdelijk een kritische traditie. In Nederland is ze gestart met Multatuli en Couperus – deze laatste schreef meer dan louter burgerlijke romans – en gaat tot op heden door met Jeroen Brouwers die met Bezonken rood een roman in de Indonesische Jappenkampen situeerde. Maar het bijzonderste is dat deze Nederlandse traditie een injektie toegediend kreeg door de groei en bloei van een Nederlandstalige Surinaams/Caraïbische literatuur: de namen van Frank Martinus Arion en Edgar Cairo zijn maar twee van de vele. Deze boeken hebben tegelijk een emanciperende en stabilizerende betekenis: hierin komt de kritiek niet meer uit het Europees moederland, maar ze overvleugelt die bovendien, en verbijstert door haar doorzicht. Kortom, ze betekenen een echte verrijking en verruiming voor de Nederlandse literatuur.

In dat opzicht is het misschien vreemd dat de roman Tropische jaren van Cornets de Groot niet meteen dat korrigerende en kritische karakter heeft. Cornets de Groot, die vooral bekend is van studies over o.a. Vestdijk, Mulisch en Achterberg, is als kind van een Nederlandse vader en een Indonesische moeder in Nederlands Indië opgegroeid. Zijn roman is een verslag van de oorlogsjaren, toen de Jappen zowat iedereen in kampen interneerden, maar gezien door de ogen van een veertienjarig kind. Tropische jaren heeft niet het fulminerende karakter van een oorlogsboek, of het rancuneuze van een afrekening. Die jongen, die zijn lichaam en de liefde ontdekt, heeft nauwelijks oog voor het wild om zich heen grijpende leed van de oorlog. Maar Cornets de Groot heeft zijn thema nog veel aparter aangepakt, door de herinnering van die Indo puber op een indirekte manier weer te geven, doorheen zijn volwassen alter-ego.

Die hoofdfiguur heet dan De Brauw, en verblijft in het min of meer huidige Istanboel met zijn vrouw op vakantie. Het kontakt met de Turkse beschaving voltrekt zich hoofdzakelijk door bemiddeling van een gids. Tussen die drie figuren ontstaat een perfekt klimaat van vertrouwelijkheid, een klimaat dat alleen maar ingegeven kon worden door een kosmopolitische stad als Istanboel, het kruispunt van westerse en oosterse kulturen. De Brauw vertelt over Indonesië: maar zijn herinneringen zijn die van de jongen die hij toen in de oorlog was. En hij vertelt uitsluitend over de vriendinnetjes die hij toen had, vooral over eentje in het biezonder, die net iets ouder was en met wie hij jarenlang een spel van verleiding en inwijding speelde. De Groot houdt de lezer heel subtiel aan het lijntje door zijn hoofdfiguur met veel spanning en onderbrekingen te laten vertellen.

Want het heden in Istanboel en zijn relatie met zijn vrouw komt voortdurend om de hoek kijken. Een en ander resulteert in een zwoele sfeer van aantrekkingskracht en jaloezie, wat Tropische jaren tot een kostelijke leeservaring maakt. Toch is dit meer dan alleen maar een paradijselijk boekje. De essentie van het paradijs is trouwens al tweeslachtig: het is vergankelijk. De Groots roman is opgebouwd op een veelvoud van dergelijke kontrasten: de tegenstelling tussen heden en verleden, tussen de vroegrijpe jongen en de volwassen persoonlijkheid; de tegenstelling tussen mannen en vrouwen zoals hij dat in de diverse stadia van zijn leven ervaren heeft; de tegenstelling tussen kulturen die in hem als Indo erfelijk ingeboren zit, maar die hij in een stad als Istanboel sterker dan ooit ondergaat; de tegenstelling tussen de realiteit en de innerlijke werkelijkheid, waardoor hij als kind nauwelijks oog had voor de oorlog, maar nu ook nauwelijks de militie ziet in de straten van Istanboel.

Toch is die tegenstelling voelbaar aanwezig in Tropische jaren. Precies door dat ingehouden contrasteffect werkt Cornets De Groots idyllische bewerking van zijn thema meer dan doeltreffend. Wat hij doet, is de vergankelijkheid van het paradijs schetsen, en het kinderlijk geloof dat het desondanks altijd ergens wel door zal blijven gaan. Misschien is hij niet hard genoeg, en had de realiteit in Tropische jaren los mogen barsten zoals dat in de meest lieflijke Saïdjah en Adindaverhalen gebeurt. Maar toch verzwijgt dit weemoedige en dromerige boek niets. Het houdt zich immers met realiteiten bezig: de persoonlijke werkelijkheid van een kind en van een volwassene, die zich handhaven moeten en vooruitkijken willen, daardoor een en ander aan zich passeren laten, maar hun handen vol hebben met de eigen status quo. Tropische jaren is daarom niet minder een kritisch boek. Want het verleden van de hoofdfiguur is eveneens het koloniale verleden van Nederland en haar overzeese gebieden, en ook dat van een voorbije periode in de wereldgeschiedenis. Cornets de Groot beschrijft niet alleen het volwassen worden van een enkele man, maar van een heel werelddeel.


Kroniek 83

J.J. Wesselo

Kultuurleven, oktober 1986.

[…] Tropische jaren is het romandebuut van, zoals hij op het omslag heet, Cornets de Groot, die we vroeger kenden als R.A. Cornets de Groot, de vermaarde essayist die zijn onderwerpen (Vestdijk, Achterberg, Mulisch e.v.a.) altijd op zo’n ongewone, zijn het altijd zeer prikkelende en spirituele manier te lijf ging, dat je soms twijfelde of je nu iets geniaals las of kletskoek. Dat was in de tijd van Merlyn, Raster, Komma – en al dat moois uit een voorbij verleden.

Daarna, de laatste tien jaar pakweg, ben ik Cornets de Groot, zoals zijn romanschrijversnaam nu dus luidt, uit het oog verloren – maar zijn comeback als romandebutant herinnerde me gelukkig op aangename wijze weer aan zijn bestaan: Tropische jaren is een prima boek.

Het hoofdverhaal behandelt de jongensjaren van de “Indo” (halfbloed) De Brauw, in het toen zo geheten Nederlandsch Indië van tijdens en kort na de oorlog. Het verhaal van de overgangsjaren van kolonie (in oorlog) naar republiek (via oorlog), het verhaal ook van de beestachtige “politionele acties” van Nederlandse zijde, en allerlei vaak even grof geweld van een veelheid van andere zijden: Britse, Japanse, Republikeinse, Mohammedaanse, enz. enz. Deze achtergrond, de jaren in de slotfase van een koloniale situatie, heeft als gevolg een gevoel van identiteitsloosheid als het onbekende “moederland” Nederland eenmaal het land is geworden waar men thuis blijkt te moeten horen; voor zijn vader gold nog: “Mijn vader groeide in de dessa bij zijn moeder op, een ongehuwde Indonesische vrouw. Hoe is het, geen Europeaan te zijn of Indonesiër, en toch, door het doen of nalaten van aangifte van je geboorte tot de Europeanen of Indonesiërs te moeten behoren?” (pg. 36) – voor hem is dat toegespitst tot: “Hoe is het, geen Europeaan te zijn en toch tot de Europeanen te behoren?” (pg. 37). Dit gevoel komt onstuitbaar naar boven wanneer hij een week met zijn vrouw op vakantie is in Istanboel, een stad waardoor hij, op allerlei manieren aan het Batavia (nu Djakarta) van zijn jongensjaren herinnerd wordt; Istanboel als “Indo onder de steden” (een soort “grensstad” tussen Europa en Azië) het vele militaire vertoon op straat, de vakantie-situatie (= voor hem vertelsituatie) met zijn vrouw – het zijn allemaal factoren die zijn herinnering in gang zetten, en hem een poging laten doen via reconstructie van zijn verleden erachter te komen wie hij is.

Dit levert enerverende beelden op van een jongenswereld, uitstekend afgezet tegen de achtergrond van laat-koloniaal geweld, maar ook de “gewone” ontwikkeling van een jongen beschrijvend, avonturen met meisjes e.d. Mijn enige bezwaar betreft soms de vorm: het boek wordt aangeduid als ter plekke genoteerd verslag, “dagboek”, van de week in Istanboel. Daarin wordt dus naast de notities over hun verblijf aldaar veruit de meeste ruimte in beslag genomen door wat hij aan zijn vrouw en hun gids allemaal over zijn jeugd in Indië vertelt. Dit letterlijke, maar achteraf genoteerde vertellen heeft soms wat dubbelzinnigs. Zo staat op p. 79: “Ik liep op haar toe, maar hoe zal de deugdzaamheid van een pen als de mijne haar raadselachtigheden ooit kunnen beschrijven?” – en dat is een als zodanig aangediende “echte” vertelsituatie? Inderdaad als zodanig aangediend, want geregeld komen er in zijn vertellingen korte dialoogjes met de luisteraars voor! Een voorbeeld uit vele: “Je zult me op mijn eerlijke gezicht moeten geloven, Narda, als ik zeg dat ik toen (enz.)” (pg. 58). Maar de fricties die dit soms oplevert kunnen de conclusie nauwelijks beïnvloeden dat Tropische jaren een uitstekend romandebuut is. […]


Kroniek van het proza

R.P. Meijer

Neerlandica Muros, 47 (najaar 1986), p. 77.

[…] De meeste Neerlandici kennen Cornets de Groot als een originele en vaak onbesuisde essayist die zich vooral bezighoudt met Vestdijk en Achterberg. Het was dan ook een verrassing om van deze nu zevenenvijftigjarige een eerste roman te lezen. Het boek, Tropische jaren (De Prom, f 24,50), beschrijft de ervaringen van een jongen in Jakarta tijdens de Japanse bezetting. De gebeurtenissen worden gezien vanuit het perspectief van een Indo, en verteld en te boek gesteld tegen de achtergrond van Istanboel. Dat lijkt haast te origineel om aanvaardbaar te zijn maar er is een goede reden voor. Als de verteller, zelf Indo, met vakantie in die stad logeert, blijkt Istanboel voor zijn westerse vrouw een Aziatische stad terwijl het voor hemzelf, met zijn Aziatische achtergrond, een westerse stad is. Istanboel is een Indo onder de steden, zegt hij, en juist daardoor beginnen zijn herinneringen zich ineens uit te kristalliseren. Het is een levendig en boeiend boek geworden, een kunstig vlechtwerk van Indische en Europese ervaringen. Het is vooral interessant omdat de verteller door zijn half-Indonesische afkomst betrekkelijk vrij door Jakarta rond kon lopen in de tijd dat de Nederlandsers in de kampen zaten en niet van het dagelijks leven in de stad konden meemaken. […]

[Geen titel]

Dr. J.J.M. Westenbroek

Prisma-Lectuurvoorlichting, Voorburg 1986.

De in 1929 te Bandung geboren essayist Cornets de Groot debuteert nu met een autobiografisch getinte roman, waarin hij vooral verhaalt over de jeugd van Leo de Brauw als Indo-jongen in Batavia tijdens de Japanse bezetting. De Brauw zwerft met zijn vrouw zeven dagen door Istanboel, dat vol is van gewapende, waakzame soldaten. Deze stad geeft hem steeds aanleiding tot een teruggaan naar een verloren tijd, de jeugdjaren in Batavia. Hij spreekt daarover met zijn vrouw en zijn Turkse gids, vooral over de problematiek van een Indo die naar saamhorigheid verlangt maar een uitgestotene wordt. Een tweede belangrijk thema is de ontdekking van de erotiek. De roman bevat kunstgrepen die herinneren aan Du Perrons Het land van herkomst (o.a. afwisseling van een Indisch verleden en gesprekken in het heden) en flarden Proust (ervaringen die het verleden sensationeel-concreet oproepen). Hoewel deze procedés door een zeker automatisme minder authentiek aandoen dan de ervaringen van de tropische jaren in een ons onbekende wereld zelf, en hoewel het toeval ten slotte een te gemakkelijke rol speelt, is het verhaal boeiend en innemend.


Bruggen naar een verdwenen stad

Teunis Bunt

‘t Kofschip, maart/april 1987.

Sommige schrijvers zijn erop uit je een hak te zetten: ze nemen je aan hun hand mee een werkelijkheid in, die achteraf helemaal geen realiteit blijkt te zijn, maar bijvoorbeeld een droom, een toekomstfantasie, een hersenschim. De lezer heeft zich dan laten neppen, hij wordt naast zijn bed op het koude zeil wakker, hij is bedrogen.
Meestal hééft de lezer zich laten bedriegen. Hij heeft niet nauwkeurig genoeg gelezen, niet alle aanwijzingen opgemerkt, die hem moesten vertellen dat hij op een dwaalspoor was.
Eigen schuld.
Het is het leukste, wanneer de lezer de schrijver doorziet. Dat hij ziet waar hij op het verkeerde been gezet wordt, zodat hij stiekem weer goed kan gaan staan, terwijl hij geniet van de manoeuvres van de schrijver. Hij speelt mee. Dit “literaire” lezen, dit genieten van de vorm, is voor mij een van de plezierigste manieren van lezen. In het boek Tropische jaren van Cornets de Groot kwam ik ruimschoots aan mijn trekken.
Het verhaal lijkt vrij simpel: een Indo, Leo de Brauw, verkeert met zijn (heel wat jongere) vrouw een week in Istanboel. Die dagen zijn ze vergezeld van een gids, Mr. Edip. De Brauw vertelt herinneringen aan zijn jeugd in Indonesië en inzonderheid aan een jeugdvriendin, Carla. Het boek eindigt met een brief, die De Brauw op de terugweg schrijft aan Mr. Edip.
Bij nauwkeurige lezing blijken de zaken toch iets ingewikkelder te zijn. Het verhaal is nl. niet afgelopen als De Brauw met Narda in het vliegtuig zit, ook al zijn we aan het einde van het boek. Uit enkele, wel bijzonder kleine, aanwijzingen blijkt, dat De Brauw later teruggegaan is naar Istanboel.
We zien hem daar zitten op een terras (in het begin van het boek) en we komen erachter dat hij het boek dat wij in handen hebben later geschreven heeft. “Zulke dingen kan ik opschrijven (…). Het is heel moeilijk autobiograaf te zijn”, lezen we een eindje over het midden van het boek.
Deze extra tijdlaag met de schrijvende De Brauw zet het hele boek op losse schroeven. Voor de lezer is bijvoorbeeld niet meer na te gaan wat De Brauw werkelijk aan herinneringen verteld heeft en wat hij er later bijgeschreven heeft. Realiteit en verzinsel, schijn en werkelijkheid, zijn niet uit elkaar te houden. De lezer kan het verhaal “mee-construeren”, maar hij weet nooit of het klopt. De Brauw zit trouwens met hetzelfde probleem als de lezer. Hij probeert zijn vroegere ik te reconstrueren, met behulp van zijn herinneringen, wetend dat het beeld nooit compleet zal zijn. “Maar wat zijn die dingen, wat kunnen zij anders zijn dan bruggen naar die verdwenen stad, die ik zelf werd? Een samenraapsel van beelden, parken, geuren en klanken, ontworpen naar de natuur van de vrouw?”
Zo zouden we dit boek kunnen karakteriseren: een poging met bruggen een verdwenen stad te bereiken. Bruggen van heden naar verleden, van Istanboel naar Batavia, van Narda naar Carla.
Als je erop let, zie je hoe geraffineerd Cornets de Groot dit boek opgezet heeft. “‘U maakt van Batavia een spiegelbeeld van Istanboel’, zei Mr. Edip. ‘Is die Carla dan ook een spiegelbeeld van uw vrouw?'” De Brauw geeft dan een ontwijkend antwoord, maar intussen zijn de parallellen tussen Narda en Carla al heel onopvallend in het verhaal verweven. Zo worden ze beiden beschreven, zittend op een bed met opgetrokken knieën en slechts gekleed in een slipje. Het is maar zo’n geringe overeenkomst en de lezer moet zelf de verbanden leggen. Met zulke subtiliteiten zit het boek vol.
Met parallellen en contrasten kan de schrijver goed overweg.
Ze zijn niet opgelegd, maar vloeien voort uit het verhaal. De militairen in het Istanboel van Ecevit doen denken aan de Jappen in Batavia, de “seniele aftakeling” van Istanboel staat in contrast met de jeugd van Carla, enz.
Maar er zijn meer fraaie dingen. Bijzonder mooi vond ik het fragmentarische laatste hoofdstuk. Dat bestaat uit korte alinea’s (soms niet meer dan een regel lang) waarin de schrijver herinneringen en ideeën als gedachtenflitsen weergeeft. Een litanie noemt de schrijver het.
Hoe fraai dit hoofdstuk ook is, toch doet het (evenals de brief aan Mr. Edip) de homogeniteit van het boek afbreuk. Ook vind ik de brief en het laatste hoofdstuk onderling te veel verschillen van sfeer, terwijl ze wel op dezelfde dag geschreven zouden moeten zijn. Dit neem niet weg dat de brief heel mooie passages bevat, zoals bijvoorbeeld het slot.

Minder te spreken ben ik over sommige politieke discussies in dit boek. Dat hadden er wat mij betreft best wat minder en die hadden best wat korter mogen zijn. Voor het emotionele leven van de jonge De Brauw zijn ze toch van veel minder belang dan de mensen met wie hij omging en dan vooral de vriendinnen.
Ten slotte wil ik opmerken dat ik de titel Tropische jaren niet zo best vond. Hij raakt m.i. niet de kern van het boek en hij is bovendien (vind ik) nogal saai. Ook over de omslag ben ik niet enthousiast.
Het is niet gebruikelijk nog een alinea te schrijven na een alinea die met “Ten slotte” begint, maar ik vind het gewoon vervelend om een recensie van een goed boek te besluiten met een negatieve opmerking. Daarom nogmaals: lof!


[Geen titel]

Hans Maas

NBD|Biblion

Tijdens een korte vakantie in een door militairen gecontroleerd Istanbul komen de herinneringen aan de jeugd van de verteller terug. Zijn verhaal over de jaren in een door Japanners bezet Indonesië wordt door hem bij stukjes en beetjes verteld aan een vriendin en hun Turkse gids (met een Rotterdams verleden). Deze autobiografische roman wordt nu eens verteld vanuit het standpunt van een Indo – geen Indonesiër en geen Hollander – en geeft een beeld van het opgroeien tussen twee kulturen. Ook het Indonesische vrijheidsstreven, versterkt door de Japanse bezetter, speelt daarbij een rol. Cornets de Groot is vooral bekend als essayist. Onder het pseudoniem Simon Lucard publiceerde hij Liefde, wat heet.


[Geen titel]

[Anoniem]

Datum en publicatie onbekend.

[…] Maar nieuw werk van wie het nog zelf heeft meegemaakt, 4 ontbreekt ook dit jaar niet. Het romandebuut van de grillige literaire spoorzoeker Cornets de Groot, Tropische jaren geheten, roept een warm en levendig beeld op van een verdwenen stad: Batavia vlak voor en tijdens de Japanse bezetting. De in 1929 geboren auteur is een van de weinige Nederlanders die over die periode uit de eerste hand kunnen vertellen, omdat hij door zijn gemengde afstamming en enig gemanipuleer met papieren buiten het kamp wist te blijven. Daarom, maar vooral omdat het een boek met karakter is, verdient deze roman meer aandacht dan de kritiek eraan heeft gegeven. […]

[Geen titel]

[Anoniem]

Datum en publicatie onbekend.

[…] Tropische jaren van Cornets de Groot speelt ook in Indonesië. Het is het verhaal dat Leo de Brauw, een man met een pathetisch gedachtenleven, op vakantie in Istanboel, vertelt aan zijn 24-jarige vriendin Narda: de geschiedenis van zijn seksuele ontdekkingsreis als puber, tegen de achtergrond van de Japanse wreedheden op Java, de kampen, de Bersiaptijd daarna. Narda is het spiegelbeeld van het jeugdvriendinnetje Carla, dat hem haar borstjes liet zien en hem biologieles over de paring gaf. “Jij weet niks, hè? Jij weet met al je schuttingwoorden nergens van.” Uitgeverij De Prom, f 22,50.


[Interview; geen titel]

Marja Käss

Literama, 1 maart 1988.

Cornets de Groot is essayist of, zoals hij zelf spottend zegt, ‘bibliotheekvuller’, ‘ik schrijf voor bibliotheken’. Hij publiceerde talloze essays over onder anderen Vestdijk, Mulisch en Achterberg. In 1986 verschijnt zijn eerste roman Tropische jaren.
Cornets de Groot:
‘Ik ben er geboren, in Bandoeng in 1929. Mijn jeugd heeft zich voornamelijk op Sumatra afgespeeld. Mijn vader was ambtenaar en werd naar Sumatra overgeplaatst. Mijn sterkste herinneringen gaan dus uit naar die allervroegste jeugd in Padang.’

Marja Käss:
U heeft uw hele jeugd daar doorgebracht. Wat voor invloed heeft dat op je latere leven?
‘Eigenlijk niet zo gek veel. In 1946 moesten wij de keus maken: blijf je in Indonesië en wordt je Indonesiër of ga je weg en blijf je Nederlander. Mijn ouders kozen voor het laatste. Ik ging dus naar Nederland en ik ben me daar ook echt Nederlander gaan voelen, al was het in het begin toch wel een moeilijk aanpassingsproces. Je was vreemd en zat ook als oude knar tussen hele jonge kinderen op school. In Indonesië werd tijdens de oorlog geen onderwijs gegeven en dan loop je natuurlijk achter.
Ik wilde met alle geweld beeldend kunstenaar worden. Ik heb er het talent niet voor, maar ik probeerde het wel. Het was de tijd van het begin van de Vijftigers en de opkomst van blaadje als Braak en Blurb en Reflex. Die kreeg ik per toeval eens een keer in handen en dat vond ik erg interessant, omdat dat natuurlijk ook beeldend kunstenaars waren. Mensen als Lucebert en Jan Elburg. Ik ben me toen voor literatuur gaan interesseren.’

Ik heb in Istanboel beelden gevonden, archetypen van wat Batavia mij was. 0, niet alleen de stank, het stof, de helse drukte en de hitte. Maar ook de nachten, de geur van jasmijn, de zang van kippen, krekels en kikkers. Als een maquette rees Batavia uit mijn onrust op, uit mijn herinneringen aan vrienden, meisjes – aan rampen, lang geleden gebeurd.
Een maquette van mijn jeugd met zijn verschrikkingen, zijn schroom, zijn angsten en extases.
0, een stedebouwer zou een verleden moeten hebben, Mr. Edip. Alleen dan bouwt hij iets dat leeft: living cities, in plaats van dormitory towns.

Uit: Cornets de Groot: Tropische jaren. Baarn; De Prom, 1986. p. 131.

Cornets de Groot:
‘Indië is niet de hoofdbedoeling van het boekje, maar het Indische denken zit er wel in. Het heeft iets te maken met de Komedie Stamboel, waar u waarschijnlijk nooit van gehoord heeft.
Dat is een soort van driestuivers-opera. Een gezelschap van Indische mensen werkt er aan mee. Zij geven een opvoering die een mengeling is van toneel, opera en cabaret. Eén van de beroemdste figuren daaruit is Miss Riboet, riboet betekent kabaal maken. Deze mensen zijn er op uit binnen die Indische gemeenschap de mensen een beetje aan de druk van alledag te laten ontkomen. Het is echt amusementstoneel. Hun onderwerpen ontlenen ze vaak aan ‘1001 Nacht’ maar ook de ‘Lohengrin’ hebben ze wel eens opgevoerd. Sprookjesachtige dingen dus en dat zit ook in mijn boek. Stamboel, dat is natuurlijk Istanboel en dit verhaal speelt in Istanboel. In de komedie die zich daar voltrekt rijst dan Batavia/Jakarta uit het decor op. Maar de dingen die ik noem, zoals Salomé, Johannes de Doper, Entfürung en dergelijke, komen natuurlijk uit mijn eigen Komedie Stamboel. Dat hebben zij waarschijnlijk nooit gedaan.’

Holland werd me na de oorlog in Indië gebracht.
Of nee. Ik werd bij mijn lurven gegrepen en ergens neergezet, op een plaats waar alle verworvenheden uit de jaren zonder ouderlijk gezag eenvoudig werden ontkend. Hoe wonderlijk dat je je daarin schikte. Indonesië had zijn pemoeda’s, Parijs zijn existentialisten, maar wij?
We waren gewillig – en waarschijnlijk alleen maar omdat die pemoeda’s zo ónwillig waren. Wij vormden geen ‘opstandige jeugd’. Eerlijk gezegd: braver burgers dan wij na de oorlog werden, bestonden er niet, nergens op de hele wereld. Met ons kon de regering in Den Haag alle kanten op. Maar zo voel je dat pas achteraf, na de onherstelbaarheden. We legden ons lot helaas in de handen van de machthebbers, we waren getikt.
Op school (in Bandoeng was dat) deelde de leraar Nederlands een stapel blaadjes uit, de Pen Gun, een soldatentijdschrift, dat bij ons dienst deed als leesboek.
We lazen er Jan Camperts’ De achttien doden uit – het zou me verbazen, als je dat niet kende; het is nog altijd ‘klassiek’ in het onderwijs, en terecht. Ik vond het onmiddellijk een schitterend gedicht, nog niet eens om de taal, die ik toen voor onnavolgbaar hield, maar om de stemming erin, die gaandeweg uitgroeit tot een beeld van onverzettelijke solidariteit.
Het was niet het eerste gedicht dat me onder ogen kwam (poëzie vond ik toen eigenlijk heel erg), maar wel het eerste waardoor ik dacht: Hé, poëzie! De werkelijkheid. Godverdomme, dit is met bloed geschreven!
Dat gedicht, dat werd Holland voor mij, heel concreet opeens. Iets anders dan sentimentaliteit of bespottelijk heimwee. Het hogere was bij Campert met het aardse identiek:

0 lieflijkheid van lucht en land
van Hollands vrije kust

Dat begreep ik daar, onder die koperen ploert met zijn kakelbonte ondergangen in kitscherig technicolor.

Uit: Cornets de Groot: Tropische jaren. Baarn; De Prom, 1986. p. 129-130.

Cornets de Groot:
‘De bindingen zijn vrij sterk. Die Komedie Stamboel natuurlijk, maar ook de datering. Onder elk stukje staat een datum, dat zijn de data van het laatste oorlogsjaar in Indonesië, 10 tot en met 16 augustus. Beginnend met de bom op Hiroshima, echter niet eindigend met de onafhankelijkheid. Wel wordt die onafhankelijkheid in de laatste brief eigenlijk een beetje verworven door de hoofdpersoon De Brauw. Hij zit in het vliegtuig naar Nederland en herinnert zich dan dat hij voor het eerst in een vliegtuig zat, in een Dakota die tussen de bergen vloog, tussen de ups en downs van moeder aarde. Een vrij stevige binding nog, de navelstreng is niet doorgesneden, maar als hij boven de Alpen vliegt ziet hij die tienduizend meter beneden zich. Dan is de afstand veel groter. Daar, in die laatste brief, is dat eigenlijk een soort loskomen en een zichzelf worden.’


RR

Excerpta Indonesica, no. 48, December 1993 (August, 1994), Leiden, p. 54.

Teruggaan naar een vergeten tijd: de ‘tropische jaren’ van Rudy Cornets de Groot / Gerard Termorshuizen. – Indische letteren, jrg. 8, nos. 3-4 (1993), p. 181-190 : bibl., photogrs. – Subtitle: Indische egoducumenten.
= Bersiap; Cornets de Groot, Rudy; egodocuments; Japanese occupation; literature; psychology; youth;
Rudy Cornets de Groot is known as a controversial essayist. Little in his work gives any hint of a connection with Indonesia. In fact he spent his whole youth in colonial and post-colonial Indonesia. He never spoke of his Indies antecedents, even to his wife and children. Although his father was interned, he and his mother and sister were not. He was repatriated to the Netherlands in 1946 at the age of seventeen. He only began to make Indonesia part of his life again in 1979, after a visit to Istanbul. In 1986 he published his thinly disguised autobiography Tropische jaren.
 





NOTEN
  1. Dan met Graa Boomsma, De idioot van de geschiedenis. ↩
  2. Zie Bogaards recensie van Liefde, wat heet! ↩
  3. Met Graa Boomsma, zie noot 1. ↩
  4. Bedoeld wordt: een jeugd in Indië. ↩

»

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

  

  

  

%d bloggers like this: