Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Alchemie

De zevensprong (3)

Rudy Cornets de Groot



Melancholia
Albrecht Dürer, Melancholia, 1514.
Men is gewoon Jan van der Noot voor een broodschrijver te houden, en zijn Epitalameon laat ook wel zien dat hij veel met stroop gewerkt heeft. Maar in dat laatste onderscheidt hij zich nauwelijks van zijn tijdgenoten. Wat ons wèl opvallen moet, is dat hij zich wel degelijk moeite gegeven heeft, om op voor derden minder doorzichtige manier iets van zijn genegenheid voor Van Vicht en zijn Cornelia te laten blijken. Van het Epitalameon zijn twee boekjes bewaard gebleven. Maar vergelijking leert, dat ze in druk van elkaar afwijken. Het ene draagt namelijk het gewone huisvignet van de drukker op de titelpagina, het andere een speciaal, misschien voor deze gelegenheid ontworpen vignet. W.A.P. Smit merkt op, dat het mogelijk een ontwerp is van Van der Noot zelf. De afdruk is naar mijn smaak erg zwart geworden en helder is de voorstelling allerminst. Men ziet links van een boom een vogel zitten, rechts, na lang kijken, een slang, opgerold als een tuinslang. Het randschrift Amore et prudentia licht de bedoeling toe: de vogel is een duif - geen kalkoen, men zou dit laatste kunnen denken, omdat de snavel iets kalkoenerigs heeft, en de staart in het zwart verloren gaat - een duif dus, vanouds een attribuut van Venus.
W.A.P. Smit schrijft: 'Het is duidelijk dat hier gezinspeeld wordt op Mattheüs 10:16b: 'Zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven, maar de bijbelse 'simplicitas' der duif is vervangen door de 'amor' (in de zin van huwelijkstrouw) waarvan zij een klassiek-renaissancistisch symbool was'.
W.Gs. Hellinga, in zijn aan Smits uitgave van het Epitalameon toegevoegde bijlage, maakt onderscheid tussen de 'sprekende vormen' in het randschrift en de 'stomme beelden' in de voorstelling van het vignet: 'De zg. 'stomme beelden' slang en duif zijn in hun combinatie substitutievormen voor de begrippen èn voor de woorden - de 'sprekende vormen' - , 'prudentia' en 'simplicitas', die in de Bijbeltekst Matth. 10 vs 16 identiek zijn aan serpens en columba; door de identiteit van het 'stomme beeld' duif met het begrip en het woord amor combineren zij dus ook prudentia en amor. Het randschrift van het vignet noemt derhalve op deze wijze de bijbeltekst'. Prof. Hellinga rondt zijn betoog dan af, door ook voor de slang een tweede betekenis aan te wijzen: 'Maar het randschrift van het vignet noemt niet alleen het tweede lid van de Bijbeltekst: 'estote ergo prudentes sicut serpentes et simplices sicut columbae'; het noemt tevens het eerste lid, dat als ánder aspect ermee verbonden is binnen het 'aangewezen' vers Matth. 10: 16: 'Ecce ego mitto vos sicut oves in medio luporum'! En zo is ook, parallel aan de geactiveerde identiteit van duif en amor, in het embleem de identiteit aanwezig van het 'stomme beeld' slang met de vele, zeer vele slechte begrippen, welke in de hiëroglyfiek en emblematiek talloze malen geactiveerd worden'.
Het is duidelijk dat Smit en Hellinga de aandacht hebben willen vestigen op dit vignet, zonder aan dit in het verband van hun eigenlijke bedoelingen nogal ondergeschikte punt te veel ruimte te besteden. Hellinga stipt slechts in het voorbijgaan enkele punten aan, die verder uitgediept hadden kunnen worden, en in zijn voetnoot geeft hij nog een stapel literatuur op voor de liefhebber. Ik waag me daar maar niet aan, en improviseer op mijn eigen houtje wat aan. Wat mij dan opvalt is het 'stomme beeld' boom, waar geen 'sprekend' equivalent in de randtekst voor te vinden is, of het zou het woord 'et' moeten zijn. Aan het plaatje uit het pre-Linnaeïsche tijdperk is duidelijk te zien dat een boom bedoeld wordt: de vertakking begint een stuk boven de grond, er is een stam, en dat is bij struiken dus anders, zoals men weet. De boom beheerst het ruimtelijk vlak waarin de tekening is aangebracht. Heeft hij nu alleen maar compositorische betekenis? Dat is voor een emblemendichter toch nauwelijks te verwachten. Een boom en een slang: die combinatie maakt de boom al meteen tot een boom van de kennis van goed en kwaad, en dat alleen al activeert ons gevoel voor symmetrie in de ruimte van de geest. In enkele van onze middeleeuwse spelen geeft de boom de grens aan tussen het Christenland en dat van de volgelingen van Mohammed, en nog, in Nijhoffs Een idylle grenst de boom het heden af tegenover het hiernamaals. De boom is een teken van leven, maar hij wortelt in de dood. Het zaad, volgens de alchemistische - maar niet alleen de alchemistische, zie Guido Gezelles Kerkhofblommen - opvatting verrot in de grond, maar schept daar nieuw, beter, schoner en vruchtbaarder leven uit, en wijsheid en kennis. De boom vertegenwoordigt een dynamisch beginsel en symboliseert de loutering van de mens, die, aan de aarde gebonden als de slangen, geroepen is ten hemel te stijgen als de duiven. Dan is die boom ook geen scheiding meer, maar de verbinding van twee werelden, het aardse en het hemelse. Prudentia, zegt Ficino, is liefde tot God, amor, en prudentia openbaart de ziel onmiddellijk de gelukzaligheid. Het vignet zou de alchemistische transmutatie kunnen symboliseren van de veursinighe mens, die in het bezit is van de alder dierbaersten steen Anterotos, de liefde die tot der deucht trect...

Met de neoplatonische ideeën van een aardse en hemelse liefde komt later ook P.C. Hooft in aanraking, maar de invloed van Ficino is al sterk getaand in de beginnende zeventiende eeuw: Paracelsus prikkelde heviger de fantasie van wie in de medicijnen of de chemie roem zocht te vinden. Zijn navolgers waren velen, maar wie kon in zijn schaduw staan? De alchemie was vastgelopen, of in de daad, of in de bespiegeling. De hoogheid van het chemisch goud werd al in de veertiende eeuw door Paus Johannes XXII in twijfel getrokken. De verstarring, zowel in de experimentele chemie als in de beschouwende (maar deze laatste, inderdaad, werd door Ficino's publicaties van Platonische en Hermetische geschriften doorbroken), was het eindpunt van een 1500-jarige ontwikkeling. Paracelsus weigerde zijn studie te zien in het licht van Galenus of de scholastiek, maar plaatste de mens in de natuur. Hij zag de Archeus als het levensprincipe, als 'der Künstler und Artist der Natur und eine verborgene Kraft und Tugend der Natur', en hij concludeert: 'Also ist der Mensch sein Arzt selbst'. Hij is 't die er steeds weer aan herinnert, dasz aus der Natur der Arzt wachsen soll - und musz. Verwijdert zich hier de wetenschap van de godsdienst? Also merkent, do got alle ding beschaffen hat, um allerlezten beschuf er den Menschen aus dem limo terrae. Nun ist limus terrae das fünft wesen, quintessenz, der ganzen Welt, ein auszug von allen naturen... Paracelsus aanvaardde naast en met de bijbel het boek der natuur. Als na hem de alchemisten de eenheid van theorie en praktijk in de chemie weer willen herstellen is dat iets anders dan een pleidooi voor de eenheid van geloof en wetenschap. Men was niet zo bang voor een uiteengaan van die twee, het voorbeeld van Paracelsus (gevoegd bij die van Plancius, Swammerdam, e.v.a.) bewijst het, men was toen al, en dat bleef zo tot ver in de achttiende eeuw, de overtuiging toegedaan, dat de wetenschap ten slotte het bestaan van God onomstotelijk zou kunnen vaststellen. Wel noemt mevrouw H.M.E. de Jong in haar boek over Maiers Atalanta Fugiens Paracelsus een charlatan, maar welke arts uit die tijd was dat niet? In ieder geval erkent zij zijn verdiensten en nooit zou de alchemie na 1500 jaar mislukken zo hoog gewaardeerd worden dat keizers en vorsten alchemisten aan hun hof bonden, wanneer niet Paracelsus, door af te zien van het goudmaken en uitsluitend te zoeken naar het Arcanum (Arcanum und Krankheit, das sind die Contraria) de alchemie een nieuwe image gegeven had en een nieuwe weg gewezen. Toch bleef hij neoplatonist: 'Der höchste Grund der Arznei ist die Liebe'. Hij meende dat de arts onzelfzuchtig zijn kennis in dienst moet stellen van de lijdende mensheid, en altijd vond hij de weg naar de armsten der armen, zonder veldslagen of door pest geteisterde gebieden uit de weg te gaan. Waar werd dan een wig gedreven tussen religie en wetenschap?

In het systeem-Ficino wordt de mens gesplitst in lichaam en geest. Voor het lichaam behoudt Ficino de zintuigen reuk, smaak en gevoel, terwijl het oog, het oor en de rede des geestes zijn. Er valt voor deze indeling trouwens veel te zeggen. Oog, oor en rede zijn met een boek, of met andere zaken van de geest, te strelen. Ze zijn bovendien onderling te verbinden, bij voorbeeld in een emblemenboek. Het is misschien geen toeval dat neoplatonici hun ideeën in emblemenboeken uit de doeken deden: 'Zie, we hebben het Zichtbare en het Hoorbare verbonden en de zintuiglijke waarneming met het verstand, en dat betekent, dingen die merkwaardig zijn voor gezicht en gehoor hebben we met chemische emblemen verbonden, die bij deze wetenschap behoren'. Dit schrijft Michaël Maier in zijn inleiding tot de Atalanta Fugiens. Hij maakt onmiddellijk daarna een scherp onderscheid tussen deze, geheime, wetenschap en alle andere, profane om zo te zeggen, die 'voor allen begrijpelijk willen en moeten zijn'. De andere wetenschappen interesseren hem niet eens, hij liet ze los en maakte aldus de alchemie tot iets exclusiefs. Toen eenmaal de broederschap der rozenkruisers was gesignaleerd, ontstond in de kring der alchemisten de behoefte aan een exclusieve sociëteit. Zij hebben bewust aangestuurd op de inrichting van een broederschap in hermetische geest. Na 1614 - het jaar van het eerste boek over Rosencreutz - volgden nog meer publicaties over deze legendarische figuur, - er volgden bovendien tal van andere alchemistische geschriften, o.a. van de hand van Maier, en hoewel hij geen rechtstreeks aandeel heeft gehad in boeken die de roem van Rosencreutz verbreidden, heeft ook hij zijn bijdrage geleverd tot de mogelijke creatie van zo'n broederschap. Maar een jaar na de oorlog al, 1619, begon de kentering: Valentin Andreae neemt in zijn Turris Babel stelling tegen de Fama (mogelijk een werk van zijn hand!), en in 1620 maakte de slag op de Witte Berg een einde aan de droom van een hermetische vereniging op het vasteland. De beweging ging weer ondergronds en splitste zich, later, veel later, voorgoed in een zuiver wetenschappelijke, de chemie, en een zuiver esoterische richting, de Vrijmetselarij. Maar die ontwikkeling in maçonnieke richting is al in kiem aanwezig bij Michaël Maier. Mevrouw De Jong vertelt, dat Maier zeer geïnteresseerd is geweest in de Practica van Basilius Valentinus. De eerste uitgave ervan, samen met twee andere geschriften, is onder de naam Tripus Aureus door hem verzorgd.

Zoals ik al zei, kenden alchemisten, astrologen, rozenkruisers en neoplatonici elkaars symbolen. Hun symboliek is oeroud, men vindt er vele van reeds in de catacomben van Rome, bijvoorbeeld het rozenkruis, alsmede tekens uit de getallenleer, symbolen die ook in de bouwhutten der middeleeuwse metselaars bekend waren. Vanouds bekend zijn de tekens en , Mercurius en sulfur, kwikzilver en zwavel, ofwel het wezen van de vluchtigheid en dat van de brandbaarheid ( = vuur). Avicenna meende dat ieder metaal in wezen uit deze twee 'stoffen' bestond, al wordt met kwikzilver niet altijd het kwik van deze aarde, met zwavel niet altijd een aards zwavel bedoeld. Trouwens het woord 'metaal' werd door de adepten vaak genoeg begrepen als 'mens' en in de artsenij zag men dan ook in de symbolen en de begrippen ziel en geest uitgedrukt. Het zou tot Paracelsus duren eer de renaissancistische medicijnman de mens ook een lichaam toekende. Ieder mens bestond volgens deze geniale vernieuwer uit deze drie elementen: ziel, geest en lichaam, te weten: mercurius, sulfur en sal (= zout). Het symbool voor zout werd , of, wanneer de nadruk werd gelegd op het aardse: , ruimtelijk ook door een rechthoekig lichaam voorgesteld. Er is dus een duidelijke hiërarchie in de samenstelling van een mens: zout, mercurius, sulfur, en het is geen wonder dat sommigen in die symbolen ook een trap omhoog zagen in het louteringsproces van iemand die zich wijdde aan het Grote Werk: = reiniging (zwarting), = verlichting (verwittiging) en = vereniging (tinctuur).

de achtste sleutel
De 'achtste sleutel' uit Valentinus' Practica, overgenomen van het omslag van De zevensprong

In haar proefschrift nam mevrouw De Jong een embleem op uit Valentinus' Practica, dat ik hier overneem in de juiste weergave (het prentje in het proefschrift laat ons nl. het spiegelbeeld van de werkelijkheid zien), en dat bekend is onder de naam de achtste sleutel. Het embleem toont een gesloten ruimte, waarbinnen vreemde dingen te zien zijn: twee mannen gezeten op een rechthoekige steen schieten met pijl en boog op een roos, waarboven een sleutel zweeft. Tussen hen in en de roos bevinden zich vier graven, op de voorgrond nog een grafteken, daarachter een geraamte. Van links treedt een bazuinengel aan, van rechts een zaaier. De grond is een akker: kraaien strijken erop neer. Het meest opmerkelijke is een keurig geopend graf, waar een man uit oprijst - weelderig graan schiet voor zijn ogen op uit de grond. De muur toont negen spaarpoorten, zoals de vestingbouwkundige zich uitdrukt, en de veronderstelling ligt dus voor de hand dat het een dubbele muur is, die de ruimte omsluit. Het militaire gedoe met pijl en boog maakt ook wel aannemelijk, dat het hier om een deel van een fort gaat. Maar er is veel meer te zien. De grond vóor het geopende graf is omgeploegd, de grond daarachter niet. In de tekst is sprake van de putrefactio, zoals mevrouw De Jong ook zegt: van de zwarting.

Maier's zesde embleem
Atalanta Fugiens, zesde embleem

Zij brengt dit embleem, volkomen terecht, in verband met het zesde embleem uit Maiers Atalanta Fugiens. Op die prent ziet men eveneens een zaaiende boer, maar het bijbehorende motto luidt: 'Zaait uw goud in de witte bebladerde aarde', en de boer zaait goudstukken in de vorm van een zon, zon. Nu is zon behalve een symbool voor zon, ook een symbool voor goud, voor God en voor het begrip 'vader' ( maan is dienovereenkomstig dan ook een moedersymbool, en ster dat voor zoon, ster met middelpunt voor de Steen, maar ook voor Jezus Christus). De landman offert dus een deel van zichzelf, nl. hij offert zijn 'vader', dit is: hij legt zijn oude Adam af, hij overwint een stuk van zichzelf en keert door dit zelfoffer terug in de moederschoot, als zaad in moeder aarde. Deze fase van introversie is een kritieke: men kan vergaan, voorgoed vergaan: reeds loeren de kraaien op buit. Maar men kan uit die introversie ook nieuwe reserves putten, zoveel energie opdoen, dat men als herboren terugkeert, met nieuwe kleren aan, in een nieuwe wereld. In het laatste geval bereikt de adept het stadium van de verwittiging en is hij bijna bij het doel. Zijn psychische energie is dan zo toegenomen dat de volgende stap, de rode tingering eigenlijk als vanzelf gaat. Zijn doel staat hem duidelijk voor ogen - en een pijl (zeven, als men goed telt: waarvan éen, de laatste, in de roos) vereenzelvigt hem ermee. Er bestaat in de mystiek (en in de opvatting van sommige moderne fysici) geen verschil tussen uitzending en ontvangst van een werking: die beide zijn samen een, alleen onze aanschouwing maakt er twee gebeurtenissen van. En ziet men de vorm van de roos: ? De zoon wordt zijn eigen vader - de zoon schiet op zijn eigen beeld. De zoon, en zijn zelfoffer, de mystieke vereniging van de mens met zijn God! De onmiddellijke openbaring van de goddelijke vreugde, zonder geploeg en gezwoeg: in de onbewerkte grond staan vier graftekens in de vorm van het hoogste symbool, dat van de vereniging: . Zijn dat de vier neoplatonische deugden niet, die identiek zijn aan onze liefde voor God? De mannen zitten op een steen, , zij hebben de ruwe steen in de ideale vorm geslepen: zij zijn de ware vrijmetselaars. De dubbele muur met zijn spaarpoorten is een gecompliceerd stukje metselwerk, het teken Ç, de poort dus, symboliseert de mens, - de hele rij poorten symboliseert de hele broederschap: een gesloten kring. Die twee schutters zijn boogschutters ( ), en ze kennen hun doel en hun heimwee daarnaar en dat hen erheen draagt: zij inderdaad kennen zichzelf, ze kennen hun Zelf, dat hun voorzweeft als een ideaal en dat een sleutel is tot de gelukzaligheid straks, maar waar ze nu al weet van hebben...
Het spreekt vanzelf, dat mevrouw De Jong op al deze symbolen niet ingaat: zij ziet de emblemen met het oog van de kunstkenner, en van de historicus, niet met dat van een amateur-psycholoog, zoals ik. Ik lever hier ook geen kritiek op dit gedeelte van haar boek, mijn enige kritiek daarop betreft eigenlijk alleen maar de voorstelling van Maier als een man, die wetenschap en religie met elkaar zou willen verzoenen, terwijl hij alleen maar zoekt naar de eenheid van theorie en praktijk in de chemie. Maar ik vertel al die dingen bij Valentinus' achtste sleutel ook niet voor de leut, maar om duidelijk te maken dat het hermetisme uit dit plaatje ook het hermetisme is van Vestdijk. Dit plaatje uit de Practica bracht hem ertoe zijn Het genadeschot te schrijven. De gesloten ruimte, als van een filosofisch ei, herkennen we in het landschap tussen Bund en Schittach, het bergtraject van Vorbrots bus. Vorbrot is een schutter - een boogschutter (), en zijn mystiek biedt ruimte voor het boogschieten in het Zenboeddhisme. Vestdijk kent Valentinus' plaatje. Het komt voor in het boek van Herbert Silberer: Probleme der Mystik, een boek dat Vestdijk van binnen en van buiten kent, en waar ook ik veel aan te danken heb.

Wat ik heb willen tonen in dit opstel, is een aantal lijnen die alle uitgaan van Hermes Trismegistus. Er is een alchemie te zien, die filosofisch is en die van Maerlant en Jan van der Noot uitloopt op Karel van de Woestijne: de filosofie van nederig dienstbetoon dat tot de hoogste toppen van gelukzaligheid voert. Er is een alchemie die voortgaat van Paracelsus af, via de vrijmetselarij en die uitmondt bij Vestdijk: een psychologische chemie. Maar ook is er een alchemie van Paracelsus af, die betrokken bleef op het lichaam. Het is de chemie van Crollius, die, in het voetspoor van Paracelsus, verklaarde dat elk proces in het menselijk lichaam een chemisch proces was. Toen pas werd de chemie geseculariseerd, toen pas raakte het lichaam los van de geest. Het is Crollius die een schrijver als Harry Mulisch noodzakelijk maakte: een schrijver die in wat hij schrijft gestalte, lichaam geeft aan het Niets. Want dat dit, ons menselijk lichaam, dit mechaniek van Vesalius op het titelblad van Voer voor psychologen, een waardeloos lichaam is, is na Crollius wel meer dan duidelijk. Deze mens is zijn ziel kwijt, en als hij er een wenst te dragen, dan maakt hij er zich een, uit batterijen, transistors, weerstanden, meters en lichtjes: hij is de versierde mens. Hij is het allang vergeten, dass man das Wort Laboratorium aus Labor (Arbeit) und orare (beten) zusammengesetzt glaubte, zoals Hocke zegt. Hij is de ondergang van deze wereld, en alleen de restauratie van dit oorspronkelijk laboratorium - dit wederzijds elkaar opheffen van Practica door theoria en van theoria door Practica, dit huwelijk van lichaam en geest, kan hem van de aarde verdrijven en de waan wegnemen, die hij over het wezen der dingen heeft gelegd. Want het wezen der dingen is het niets, en de ware mens, de canonieke, om in de sfeer van Mulisch te blijven, is van dit Niets vervuld. Ook deze mens heeft geen ziel, en zijn lichaam is slechts een vaas die vorm geeft aan de leegte. Deze mens is een masker. Alles is een masker. En daarachter woont de onzichtbare, die met Harry Mulisch zijn initialen gemeen heeft, de driemaal grootste: Hermes Mercurius.