Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Alchemie

De zevensprong (2)

Rudy Cornets de Groot



Dit is voor de alchemist de grote moeilijkheid: het onderscheid niet te kunnen zien tussen de ontwikkeling in zijn fiool en die in zijn ziel. Immers, als hij het wel zag, zou het gelijktijdig verlopend dubbelproces op het moment van deze bewustzijnsverenging worden onderbroken. Mulisch zegt dat een alchemist in bedrijf leeg is: hij wéet niet wat hij doet, maar dóet wat hij doet. Het verval in de alchemie, de splijting in een spiritueel hermetisme en een chemie van puffers, die hun fiolen lieten zorgen, lag in de logica der dingen, en heeft met de ontwikkeling die mevrouw H.M.E. de Jong ziet en waarin sinds de renaissance tussen wetenschap en religie een kloof ontstond - de gangbare opvatting overigens - niet veel te maken. Ook als de eenheid tussen religie en wetenschappen, die in de middeleeuwen bestond, bewaard was gebleven, zou in ieder geval de alchemie zich hebben vertakt in een esoterische en exoterische chemie, terwijl daarnaast de ware adepten eenvoudig zouden hebben kunnen blijven bestaan.

Jacob van Maerlant, of althans zijn Franse bron en jonker Jan van der Noot kenden een mystiek gerichte alchemie zonder het chemisch tegenwicht daarop. Maar toch is er van bezorgdheid over het uiteengaan van religie en wetenschap in die tijd geen sprake. Integendeel, dominee Plancius staat op de preekstoel met een aanwijsstok in de hand. Achter hem hangt een kaart, Dieu le veut: de zeeweg naar Indië. God was met ons, met de dominee en zijn zeelui, hij was het volstrekt eens met zijn wetenschap, ja, godbetert, zelfs met zijn theologie. Anderhalve eeuw later leidt Jan Swammerdam het bestaan van God af uit het leven der bijen. Hij polemiseert, Jan Swammerdam, - niet met geleerden, maar met ketters, atheïsten: nooit waren religie en wetenschap zo hecht een eenheid...
Maar intussen was er toch wel iets gebeurd. Intussen was het 1614 geworden, het jaar van de Fama Fraternitatis, oder Entdeckung der Bruderschafft, des hochlöblichen Ordens des Rosencreutz, volgens welk boek de broederschap al een 120 jaar een ondergronds bestaan zou hebben geleid. Het hele boek is van a tot z een allegorie, het geeft geen geschiedenis van de orde, de orde bestaat niet eens, anders dan in de geest. Er waren: magiërs, mystici, alchemisten, en ze kenden elkaars symbolen, de geheimen van de getallenleer, ze namen kennis van de door Ficino toegankelijk gemaakte hermetische geschriften, maar ze waren niet georganiseerd. Ze vormden een Internationale van hermetisten, ze hadden een zeker saamhorigheidsgevoel, en van dat gevoel is het rozenkruis (de vier elementen, geschaard om het vijfde, de quinta essentia) het symbool.
Als jonker Jan van der Noot van 'Gods kinderkens' spreekt, dan bedoelt hij daar de Familia Caritatis van Hendrik Niclaes mee, - maar als hij spreekt van 'Gods kinderkens en vrinden' dan breidt hij de groep uit tot alle rozenkruisers (avant la lettre, uiteraard). Deze behoefte om in een gilde, al was het dan maar een fictief, opgenomen te zijn, werd, zelfs in de renaissance, nog diep gevoeld, en het is bekend, dat de rozenkruisers niet de enige niet-bestaande broederschap vormden. In de Nederlanden hebben we het voorbeeld van de Blauwe Schuyt, een gildesymbool waaraan allerlei maatschappelijk wankele figuren: gesjeesde studenten, loflaerden, everaertsbroeders: verlopen intellectuelen dus, elkaar herkenden. Juist zij die in maatschappelijk of religieus opzicht buiten de geordende samenleving stonden, voelden bewust het gemis van een beschermende organisatie, die niet of bezwaarlijk kon worden ontbeerd. De middeleeuwer gaf geen bal om vrijheid. Hij zocht bescherming. Op het stuk van persoonlijke veiligheid en zekerheid was de renaissance nog volop middeleeuws, net als wij trouwens. Want toen de tijden herleefden, waren het de nieuwe geuzen, die in een nieuwe blauwe schuyt verenigd, lieten zien dat eenheid mogelijk was, en saamhorigheid. Er schijnt zoiets als een Inquisitie of een Kulturkammer noodzakelijk te zijn, om zulke 'gilden' als die van de rozenkruisers of de blauwe schuyt mogelijk te maken...

Het is gebruikelijk de middeleeuwen te zien als een breuk tussen oudheid en renaissance, het is niet gebruikelijk het classicisme te zien als een breuk tussen middeleeuwen en de moderne tijd. De zestiende eeuw dacht graag in tegenstellingen. Titiaans amor sacro ed amor profano stelt de kijker voor een keus: deze geheel geklede vrouw met handschoenen aan, of die geplukte roos? - zoals Jacob Burckhardt (Der Cicerone) zich kuis uitdrukt. Wat was er in godsnaam met Burckhardt aan de hánd? Zag hij het naakt soms niet? Nee, hij zag het niet, - hij, deze 19e-eeuwer, zag alleen de roos, de geplukte. Burckhardt kóos, met zijn woorden. Hij koos, in den blinde, de hemelse Venus. Het was voor Burckhardt onmogelijk ánders te kiezen, en daarom is zijn keus ook reëel, en wij kunnen hem zijn keus vergeven. De totale mens bestond niet meer in ce stupide dix-neuvième. Sinds Ficino was de mens opgebouwd uit een aantal deugden en ondeugden, en voor de laatste sloot de negentiende eeuw haar ogen. Tot voor kort was de mens zich bewust van zijn voortreffelijkheid, en nóg gaat 'een kerel uit éen stuk' door voor een 'karakter'. Deze gehalveerde mens! We zien hem nog dagelijks om ons heen, en hij is ons een bron van ergernis en vort met hem. Zijn keus is niet reëel meer: want wie ons hart heeft, en ons karakter, die noemt hij zwak en wankelmoedig. Wij: lotgenoten van Ignaz Vorbrot - aartsverraders, bloedschenners en vadermoorders, - wij, die meesterschap wilden geven aan de onmacht: allemaal.

De voortreffelijke, maar gehalveerde mens - de aartsverrader en zijn gespleten ziel! De onvolkomen mens en de totale! Hermetisten hadden hun symbolen voor deze lui, en het moet me van het hart, dat ik het gabelkruis (Y) 1 voor de totale mens en zijn gespletenheid een ontroerend beeld vind. Het is een gespletenheid die voortkomt uit en terugkeert in de eenheid. Alchemistisch hebben we hier de gedaante van de dubbelhoofdige hermafrodiet, en alleen door die te halveren konden kopstukken ontstaan en van zichzelf beweren karakters te zijn. Maar wie is de schuld van dit halve bestaan?

In het systeem Ficino heeft de ziel twee lichten, en de ziel kan met het ene, goddelijke, zien op het hogere en met het andere kan zij zien op zichzelf en al wat beneden haar is. Bij elke verwijdering van het goddelijke (reeds de hellenistische neoplatonici namen een soort zondeval aan) vergroft het voertuig van de ziel, totdat ze eindelijk tot het grove lichaam vervalt, en in deze Lethe vergeet ze haar goddelijke oorsprong. Maar het is iedere ziel gegeven zich die oorsprong weer te herinneren en terug te streven naar die vroegere staat van gelukzaligheid. De ziel hoeft alleen maar de waan te doorbreken om opnieuw te mogen zwelgen in het goddelijke licht. Ficino nu, noemt vier deugden die de ziel zouden kunnen helpen, o.a. de fortitudo of moed, de iustitia of rechtvaardigheid, en de temperantia of gematigdheid. De beoefening van een dezer deugden is de begeerte die deugden weer in hun verheven staat te beleven, en het is deze begeerte, zegt Ficino, die de liefde is tot God: de liefde die de ziel in haar oorspronkelijke staat en tot het eeuwig heil terugvoert. Liefde vervolmaakt het onvolmaakte. Liefde verbindt het hoogste met het laagste. Hoe was het dan mogelijk dat de mens vervreemdde van zijn natuur, dat hij zich, blind, en zonder enige strijd overgaf aan het hogere, dat hij, bevooroordeeld, zich afsloot voor het lagere? 'Beschikt de mens over een vermogen dat hij niet gebruikt, omdat men hem ervan heeft overtuigd, dat hij het niet bezit?' vragen Pauwels en Bergier in hun boek. Er is een vierde deugd, bij Ficino, die volgens hem de gelukzaligheid onmiddellijk openbaart. Het is de prudentia, de voorzorg. En ook die is niets anders dan liefde tot God...

Men weet dat de neoplatonici uit de oudheid geïnteresseerd waren in occulte verschijnselen. Volgens hen volgt de ziel, wanneer die het lichaam verlaat, een organisme, het pneuma, uit fijne, luchtachtige stof, door middel waarvan de ziel buiten het lichaam kon vertoeven, zonder zelf de aarde te betreden: men ziet hoe oud de theorie van het astraallichaam al is.
Jan van der Noot kende natuurlijk al deze theorieën; hij brengt ze tenminste in praktijk wanneer hij in zijn Olympiagedicht vertelt dat zijn ziel het slapend lichaam verlaat, om allerlei extatische en louterende belevenissen te ondergaan. Zoals men weet stijgt zijn ziel zo hoog, dat in de eenwording met God het onderscheid tussen God en ziel niet meer te maken valt. Maar God zendt die ziel na haar extase naar het slapende lichaam terug, met de opdracht het lichaam te gebieden God lief te hebben en zijn geboden te gehoorzamen, en met de belofte dat de gehoorzame dichter eens toegelaten zal worden tot wat de ziel in haar extase heeft gezien. Van der Noots gedicht behelst dus een profetie, en die profetie is een werk van de ziel. Omdat Iamblichus nu meende, dat de ziel niet tot profetieën in staat is, omdat ze aan alle kanten door het lichaam wordt verduisterd, was Van der Noot gedwongen zijn ziel los te maken van het lichaam: alleen zo kon de ziel deel hebben aan wat voor het lichaam nog in de toekomst verborgen was. De ingewikkelde compositie van zijn gedicht is dus niet ingewikkeld om de ingewikkeldheid, maar alleen omdat de ziel pas onder uiterst moeilijk te verwezenlijken omstandigheden vooruitziend, prudentes, kan zijn. Maar de prudentia is dan ook een aparte deugd, en die zetelt in tegenstelling tot de drie andere, niet in de handen, maar in het hoofd.

Er zijn bij Ficino twee Venussen, de hemelse en de aardse. Zij vormen tussen God en de mensen een paar schakels van wezenlijk belang. De eerste Venus staat tussen God en haar zuster, en zij ontvangt Gods heerlijkheid en straalt die uit naar de ander. De tweede Venus wil door haar lichaam eigen (d.w.z. aan de hemel ontleende) schoonheid aan het menselijk lichaam verlenen. Vonken van hemelse gloed draagt zij over aan de mensen en het is deze afglans van schoonheid die in ons de liefde tot het aardse en vergankelijke wekt en die bij ons de herinnering oproept aan een schoonheid die de ziel eens, in haar voorbestaan, bij God heeft aanschouwd. Het is door de aardse Venus, dat wij verlangen kunnen gevoelen naar haar hemelse zuster, en via haar naar God. Ik zei al, dat Burckhardts keuze de onze niet kan zijn. Maar zijn keus is evenmin die van Titiaan. Titiaan zág het naakt, en zijn geplukte roos oordeelt niet...
Bij Ficino zijn er in de ziel ook twee krachten werkzaam, die beantwoorden aan beide Venussen. Het zijn twee Cupido's, een aardse en een hemelse. Men moet niet kiezen tussen die twee. Men moet beide omhelzen ...

Iamblichus was een wonderdoener. Steeds opnieuw kwamen lastige vrienden hem vragen hun iets te tonen waarover zij van harte verbaasd konden zijn. In Gadara (Syrië), een stad om haar warme bronnen bekend, voldeed hij eindelijk aan hun verzoek. Hij liet zijn vrienden bij inwoners vragen naar de naam van twee kleine warme bronnen, en hoorde uit hun mond de beide namen: Eros en Anteros. Iamblichus raakte het water met de handen, sprak een spreuk uit en riep uit het water een jongeling tevoorschijn, met goudglanzend haar. Direct daarop herhaalde hij dezelfde handeling bij de andere bron en riep de andere Eros tevoorschijn, die in alles aan de eerste gelijk was, op het wat donkerder haar na. Eunapius die dit wonderschone verhaal vertelt, zegt dat de knapen hem omhelsden alsof hij hun vader was. Maar hij gaf ze aan hun bronnen terug, en ging heen, nadat hij zich gebaad had.

Eros Twee Cupido's


Andreas Alciatus (1492-1550), de grondlegger van de emblemata-literatuur, nam in zijn Emblemata het prentje op van een Eros, onder een boom gezeten, met een lauwerkrans op het hoofd, en drie andere, hangend om zijn arm. Bij ditzelfde prentje past ook een 'dialogisme in prosopopeye' van Jan van der Noot, gevolgd door een 'wtlegginghe' en een 'epigramme in Apodixe', waar weer een ander prentje van Alciatus bij hoort: twee Cupido's van wie de kleinste door de grootste aan een boom gebonden wordt. Tekst en prentjes vindt men alle afgedrukt in: Jan van der Noot, Het Bosken en het Theatre, Wereldbibliotheek, 1953, blz. 119/121. In het dialogisme laat Van der Noot Cupido aan het woord die vier croonen der deugd draagt: een op het hoofd en drie aan de arm. Zoals men begrijpt, is de kroon op het hoofd de Voorsichticheyt en dander drij zijn natuurlijk iusticie, cracht ende maticheyt - geen hoofddeugden als de Voorsichticheyt (en geloof, hoop en liefde) - en daarom ook inde handen geschildert, niet op het hoofd.
In de wtlegginghe spreekt Van der Noot van zeven deugden. Hij voegt dus aan de vier neoplatonische deugden de drie traditionele (geloof, etc.) toe, om tot een voltalligheid te komen: 7 drukt nu eenmaal volmaaktheid uit, een voltooid zijn. Vergelijking met de tekst van Alciatus leert, zoals W. A. P. Smit opmerkt, dat dáar de drie onplatonische deugden ontbreken. 'Merkwaardig is', aldus Smit, 'dat Van der Noot deze drie hoofddeugden zo uitdrukkelijk noemt, ook al doet Alciatus dat zelf niet en al wordt de symboliek van de éne krans op het hoofd daardoor vertroebeld'. Hij heeft natuurlijk gelijk: voor ons wordt die symboliek vertroebeld; maar de neoplatonici der zestiende eeuw zullen het perfectionisme van Van der Noot misschien begrepen hebben...

Wie nu na de wtlegginghe het epigramme in Apodixe leest, en zich nog het wonder van Gadara herinnert, zal niet kunnen begrijpen, hoe het neoplatonisme, zo kort na zijn herontdekking, tot dit radicalisme vervallen is. Het is hem of hij Burckhardt hier al aanwezig ziet. Dacht Jan van der Noot werkelijk, zoals hier blijkbaar te verstaan wordt gegeven, of schreef hij deze regels alleen maar onder invloed van een slecht voorbeeld?

Nemesis maecte (vroet) d'een liefde d'ander tseghen
D'een liefde die is goet, dewelcke in alle weghen
Der ander liefden cracht benemt ende veriaecht...

In ieder geval behield hij de voorsichticheyt waar ik zo graag de nadruk op leg. Prior illa corona caput ambiens () prudentiam repraesentat: providere enim et aliquid prudenter meditari, contemplationis est, zegt Alciatus ervan: In de eerste plaats beduidt die kroon die het hoofd omgeeft de voorzichtigheid: immers vooruitzien en iets verstandig overleggen is een eigenschap van het beschouwen, aldus de vertaling die Henk Flinterman speciaal voor deze gelegenheid verzorgde.

In zijn Epitalameon oft houwelycx sanck richt Van der Noot zich tot den edelen wijsen ende voorsinighen heere, H. Otto van Vicht, ter gelegenheid van wiens huwelijk met Cornelia van Balen de dichter zijn vers in elkaar heeft gezet. Hij geeft in het kort een overzicht van wat Van Vicht in dit poëtisch werk te wachten staat: een opsomming van sommige gracien, daer de hemelen hem mede beghenadighet hebben, waarna het gedicht te verstaan zal geven, dat de Heer hem een gezellin wilde schenken, die in alle opzichten aan hem gelijk was. Dit laatste is iets zeer bijzonders: een grote zeldzaamheid. De lezer die zich de opdracht van de Lofsang van Braband nog herinnert, hoort de dichter het weer zeggen: datmen onder een ontallike menichte der menschen nauvvelijx tvvee en can vinden, die malcanderen so vvel ghelijken, datmen die niet en soude kunnen onderkennen: ia al sijnt oock gesusters oft ghebroeders, van eene Vader en van eender moeder ghevvonnen, en onder eene hemel op een maniere opghevoedt... Maar die gelijkgestemdheid schijnt dan ook de reden te zijn, waarom de goedighe Cytheréa die twee te samen omgordt heeft medt eene loffelijken carcant; gheluckighlijk vercierdt met de alder dierbaarsten ende edelsten steen Anterotos ghenaemdt...

Maier's vierde embleem
Atalanta Fugiens, vierde embleem

Anterotos, tekent W. A. P. Smit aan in zijn uitgave Jan van der Noot, Epitalameon, oft Houwelijcx Sanck, Zwolle, 1953, is feitelijk 'de genitivus van Anteros, voor Van der Noot 'de liefde die tot der deucht trect', in tegenstelling tot de zinnelijke Eros. In zijn bundel Het Bosken heeft hij deze gedachte ontleend aan het 109e emblema van Alciatus'. Maar waar heeft hij in zijn Epitalameondie gedachte aan ontleend? Hoe komt hij aan een steen Anteros, - een allerkostbaarste en edelste steen? Er is maar éen steen die aan deze superlatieven beantwoorden kan: de steen der wijzen, die hier terecht en ook van chemisch standpunt terecht, met Anteros wordt vereenzelvigd. Heeft Van der Noot aan een chemisch huwelijk gedacht? Bij zijn vierde embleem in de Atalanta Fugiens plaatste Michaël Maier het motto: 'Verenig broeder en zuster en reik hun de beker met liefdedrank'. In zijn uitlegging schrijft Maier: 'De reden dat in de kunst van de filosofen de broeder met de zuster huwt, is de gelijkheid van de substantie, zodat het gelijke met het gelijke wordt verenigd. Zij zijn naar wezen en geboorte éen...' En legde Van der Noot niet de nadruk op de gelijkheid van de twee gehuwden? Hij looft, prijst en dankt Jupiter

Om dat hij heeft verbonden
In trouvven, op dees' stonden,
Dees tvvee gheliven goedt:
Die deen d'ander ghelijcken
In deughdt, niet om verrijken,
In verstand, sin, en moedt.

De goedighe Cytheréa kan wel geen andere dan de aardse zijn - zij alleen, zoals we al zagen, stond in directe verbinding met de mensen. Het halssnoer dat zij de twee geliefden schonk, deze liefdeband, zal geen andere dan de aardse Eros kunnen zijn, zonder wie geen mens Anteros nabij kan komen. Dat het deze twee wèl lukt, ja dat hij hun mèt de aardse liefde geschonken wordt, is te danken aan een wonder: Venus, die hen met éen halssnoer tot een hermafrodiet samengordde, schiep metterdaad uit hen het Rebis der alchemisten, de steen zelf - er is geen onderscheid tussen hen en de steen... Vergis ik me niet, dan verwijdert Van der Noot zich hier van Alciatus, om tot Iamblichus te naderen: een aardse Venus bond het paar in aardse liefde, die de liefde tot God in hen wekte: conform Ficino, conform Iamblichus...

Verder naar:
De zevensprong 3


Of terug naar:
Inleiding
De zevensprong 1

NOOT
  1. Y d'or, ydor - Torecs vader! [Noot bij de tekst].