Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Alchemie

De zevensprong (1)

Rudy Cornets de Groot

De zevensprong, De Bezige Bij, Amsterdam, 1967, p. 177-213.



Immers de engelen zingen, zoals de Heilige Schrift overlevert, de hemelen zingen, zoals Pythagoras vaststelt, zij bezingen de glorie Gods volgens de Psalmist, Apollo en de Muzen zingen volgens de dichters, de mensen zingen, zelfs als ze nog een kind zijn, de vogels zingen, schaapskoppen en ganzen zingen bij hun muziekinstrumenten, en derhalve zingen ook wij, en we doen het niet zonder reden. (MICHAËL MAIER).

klik om te vergroten
Alchemistisch-hermetisch-polemische impressie van Cornets de Groot met elementen uit De zevensprong. 18,5 x 12 cm. Klik om te vergroten.
Natuurlijk heeft de alchemie van Pauwels en Bergier niets met de ware alchemie te maken. In haar bronnenonderzoek van het emblemenboek van Michaël Maiers Atalanta Fugiens maakt Mevr. H.M.E. de Jong gewag van de adepten der alchemie en van de 'puffers', de 'souffleurs', - zij die het vuur aanbliezen, maar zelf buiten het reinigingsproces bleven, waar zij hun stoffen in het Filosofisch Ei aan onderwierpen. Pauwels en Bergier zijn geen adepten: zij, souffleurs, zijn de aangewezen figuren niet om een nieuwsgierige wegwijs te maken in de hermetische wetenschap. Niet zonder zorg zag ik dat velen het boek De dageraad der magiërs als een soort bijbel gingen beschouwen. Het boek ontketende een rage, maar die werd goddank snel weggevaagd door een andere, die beter in een gevoelde behoefte voorzag: de rage van de popmuziek.
Pauwels en Bergier moet je met haast lezen, op verzoek van de auteurs: niet met aandacht, nog minder met hersens. Want men zou ontdekken, dat het boek waarschijnlijk barstte van de fouten en tegensprakigheden. Zo spreken zij van het 'fantastisch realisme' dat de wereld redden moet, en zij noemen Poe, Hugo en Wells als hun voorgangers in dit opzicht, - niet Conan Doyle, al heeft die met zoveel woorden in zijn Het verbond der roodharigen gezegd, dat er niets fantastischer is dan het alledaagse. Alleen wie er een waanidee op na houdt, wordt uitvoerig besproken in dit boek: de halfgare Hörbiger (niet Horbiger, zoals de auteurs consequent schrijven), wiens 'harmonische astronomie' al in 1943 door Robert Henseling (zijn boek werd in het Nederlands vertaald: Omstreden wereldbeeld, Antwerpen, 1943) openlijk werd bestreden. Van een voor een nazi-analyse zoveel belangrijker figuur als Lanz, over wie Wilfried Daim een boekje opendeed, geen woord bij Pauwels en Bergier... Maar men wordt tegenwoordig inderdaad overstelpt met geschriften waarin achter een overdadig verbalisme hele begrippenbazars schuilgaan. Op zichzelf zegt zo'n vaststelling natuurlijk nog niets over de bruikbaarheid van die bazars. Maar ze leidt wel tot de conclusie dat vele schrijvers van dit moment niet worden bevoorraad door die besluitende, zekerheid verschaffende visie, die uitgaat van een op fatsoenlijke grondslagen gevestigde 'ideologie'. De schrijver van vandaag is nu eenmaal geen Verwey meer: hij zit met de brokken, en bij afwezigheid van een betrouwbare Idee kan alleen een persoonlijk ingrijpen die innerlijke chaos ordenen. Het boek van Pauwels en Bergier bewijst, hoe gemakkelijk men in die chaos zelf verstrikt raakt. Maar deze schrijvers zijn de enigen niet wie dat overkomt: hun populariteit is daar wel borg voor. Vanwaar opeens die aandacht voor het magische, het chemische? Is er een (Nederlandse) alchemistische traditie die in zekere perioden opeens door de oppervlakte heenbreekt, en is er een correlatief verband tussen de opeenhoping van alchemistisch werk en het in het wilde weg zoeken naar zekerheden, minder wankel, meer belovend dan die van een vorig geslacht? Misschien. Maar er zijn grote verschillen tussen alchemisten en alchemisten. Misschien zijn er alchemisten die niet eens weten dat ze het zijn... Denk eens aan Gorter, die zijn kleuren zwart, wit, rood in deze volgorde voor laat komen als hij Mei sterven laat. Maar aan het rood was hij in ieder geval gebonden door het van Homeros afkomstige beeld van de stervende papaver...
Vestdijk is een alchemist, evenals Karel van de Woestijne, minder om de alchemie waarschijnlijk dan om de vorm ervan, die een mystieke techniek is, en die een voertuig kan zijn voor mystieke belevenissen, zoals Herbert Silberer en C. G. Jung hebben aangetoond.
Harry Mulisch is als alchemist het tegendeel van Vestdijk: psychologie interesseert hem niet, hij is geïnteresseerd in het dubbelproces waar de alchemist zichzelf en zijn stoffen aan onderwierp. Mulisch is het meest alchemist in de gewone zin van dat woord: zoals Paracelsus schrijft: 'Ein alchemist ist der becke in dem so er brot bacht, der rebman in dem so er den wein macht, der weber in dem das er tuch macht. Also was aus der natur wachst dem menschen zu nutz, derselbige der es dahin bringt, dahin es verordnet wird von der natur, der ist ein alchemist...'
Mulisch is een schrijver die geen andere bedoeling heeft dan te schrijven: 'Schrijven is mijn middel van bestaan'.
Tegenover Mulisch staat W. F. Hermans, die in zijn De god Denkbaar, Denkbaar de god de ontoereikendheid van de alchemie wil doen voelen: het zoeken naar geheimen die niet bestaan. Hermans' 'mystiek' verhoudt zich omgekeerd evenredig tot die van Vestdijk: als zwarte magie tegenover witte. Zoveel schrijvers, zoveel alchemisten. Maar ook: zoveel lezers, zoveel alchemisten? Nee, - daar vindt men de adepten der souffleurs, warhoofden in het zog van Pauwels en Bergier.

Wanneer ik Torec van Jacob van Maerlant juist gelezen heb, en zo goed mogelijk geïnterpreteerd, dan is Maerlants alchemie heel precies een illustratie voor de opvattingen van Jung en Silberer. Een franse bron voor Torec, als die ooit nog eens gevonden wordt, zou geen andere alchemie laten zien dan deze, universele, van de praktijk van het goudmaken al losgeraakte: een allegorie. Reeds lang voor Maiers emblemenboek werden alchemistische uitspraken gebruikt voor mystieke bespiegelingen zonder de achtergrond van chemische experimenten, - lang voor Maier werden wegen gezocht om de alchemie in zuiver spirituele kanalen te leiden. Die gingen dan wel ondergronds en vormden slechts verspreide groepen van hermetisten, maar die organiseerden zich ten slotte, na eeuwen, in de Vrijmetselarij.

De bron voor alchemisten is uiteraard Hermes Trismegistus. En de bron voor deze Hermes is, in de renaissance, Marsilio Ficino. Ik heb geen letter van de oorspronkelijke Ficino gelezen: latijn is grieks voor mij. Maar jonker Jan van der Noot moet hem hebben gelezen - in het oorspronkelijk, of net als ik: uit de tweede hand. Gerard Knuvelder schrijft in zijn Handboek dat Jan van der Noot vertrouwd was met de ideeën der neoplatonici. Nu weet ik toevallig, maar ik kan het misschien niet bewijzen, en ik wil dat waarschijnlijk niet eens, want ik weet het immers al, dat ook Jan van der Noot de spirituele kant van de alchemie benutte voor belevenissen van mystieke aard. Hij was misschien geen mysticus, maar ongevoelig voor mystiek was hij zeker niet. Hij schreef Das Buch Extasis, - hij spreekt over zijn goede Enthusiasmus, er zweeft hem een ideaal voor: Olympia. Hij voelt zich alleen staan, en zo tekent hij ook, in zijn inleiding tot de Lofzang van Brabant, zijn portret, laten we meteen maar eens zien:
Jan van der Noot
Jan van der Noot
'Soo en gelijc vvij daghelijcx sien, vvant vvij bevinden (1) dat de sommighe vliedende oorloghe en strijdt, alle heur genueghte neme in den acker te bouvven, teulen ende planten, in saeyen ende maeyen. Andere, (2) gants anders gesint, verlatende som land en sandt, hius ende hof, vvijf ende kindt, vrinden en maghen, vvelvaerdt ende gemack, deurreysen med grooten last, perikel en erbeydt landen en steden, tot dat sij kome ter plaetsen daermen strijdt en vecht, moordt en bradt, steeldt ende roofdt. Een andere (3) vercoopt sijn tonghe ende vvelsprekentheyt veur de vvet, oft veur den Raedt. D'ander' altijt deur ghieric heyt ontsteken, vvaeght lijf en goedt, te vvater en te lade, om deur sijn coopmanschapp' veel goedts by een te schrape. D'een (4) sueckt altijt heerlijck te ghebieden, landen en menschen te regeren, ende maect hem seluen also deur lust tot hoogheydt, der knechten knecht, d'ander volght het Hof, en dient de erdsche Goden, vvaer deur hem dunckt dat hy den hemel raeckt: d'andere (5) vliedt die, en meyndt schier doot te vvesen als hij den vorst oft sijn palleys ghenaeckt. Dese deurgraefdt het binnenste der eerde, soekende goudt, siluer, coper oft stael, yser oft ten, speauter, bleck oft loodt, marmer, Pourphier, Albast oft derghelijcke: Daer d'ander' (6) dan op verscheyden maniren, menigh schoon heerlijck ende kunstigh vverck af maect. Dese deursuect en kendt de aerdt en oock den loop der sterren, veurseggende somvvijlen vvat daer geschieden sal. D'ander (7) pluckt en versameldt criude en verscheyden bloemen, brandt oft maeckt daer af wateren, olien, siropen, gileppen, oft conseruen, om als een goedt apoteker, Medecijn, oft cirurgijn, den menschen, in heure crancheden ter hulpen te comen...'
Al die velen, anoniemen, laat Jan van der Noot opdraven: waarom? Het is een bonte wemeling van mensen, en de jonker weet heel precies wat ze doen, hij ziet ze met een oog, dat kennis heeft, ergens van, de sfeer heeft iets middeleeuws, iets onrenaissancistisch, iets van een volksrealisme: iets samenvattends. En tegen deze globale achtergrond geeft hij een genuanceerd beeld van zichzelf, van zijn strijd tegen het lagere, zijn poging zich te schikken naar de wil Gods, toen het hem duidelijk werd, dat hij tot poëet was uitverkoren.
Veursienigheid is een bij Van der Noot veel voorkomende term, en hij volgt de gewoonte van zijn tijd als hij dit woord in titels van magistraatspersonen opneemt. Men vertaalt dit woord tegenwoordig met beleidvol, beschikkend, maar is dat wel helemaal juist in het geval van Van der Noot? Voorzienig betekent ook vooruitzorgend, het woord is nauw verwant met voor(uit)ziend, een ander woord voor voorzichtig. Jan van der Noot zou geen dichter zijn, geen dichter van klasse, wanneer hij niet alle betekenissen die er van de woorden veursienigh en veursichtigh te benutten zijn, benutte...
Ik zei: hij ziet het volk met een oog dat kennis heeft, ergens van - maar zichzelf ziet hij in zijn wederspoed en qualicvaerdt, met als enige gids in zijn leven zijn goede Enthusiasmus. Waarom ziet hij zo wel als het om anderen gaat, waarom leidt hij zichzelf in een labyrint van taal bij zijn zelfportret? Ik heb in mijn citaat een nummering ingevoegd om erop te wijzen dat de typologie van Van der Noot geen andere is dan een astrologische: in volgorde van de nummering typeert Van der Noot in zijn inleiding achtereenvolgens de 'kinderen' van Jupiter jupiter, Mars mars, Mercurius mercurius, Zon zon, Saturnus saturnus, Venus venus, en Maan maan, en daar zet hij zich tegen af. 0 zeker was hij een kind van twee werelden, en natuurlijk was hij innerlijk verscheurd. Hoe zou hij zonder dat begrip kunnen hebben van wat dat is: mystiek, extase, enthousiasme? Hoe zou hij hebben kunnen schitteren als iets volstrekt unieks wanneer hij niet als een zeldzame komeet met zijn licht dat van de aloude constellatie vernieuwde? Knuvelder zegt van dit gedeelte uit de opdracht van de Lofsang, dat het 'wezenlijk het probleem van het dichterschap in de samenleving stelt' - maar van zo'n realistische kijk op de wereld getuigt het geciteerde allerminst. Jonker Jan zijn mensen leven - maar niet in de werkelijkheid buiten hem. Ze leven: in zijn ogen, in zijn geest, in het kader van zijn zojuist herschreven woorden. Die woorden beelden niet een werkelijkheid na, maar ze zijn de uitdrukking van een mens, een dichter: een ziener van de droom zich los te kunnen maken van het verleden, om uit eigen kracht in een eigen wereld aan eigen leven gronding te geven. Dat zijn mensen symbolen zijn, personificaties in de zin van Staudenmaier, of fantasmi in de zin van Hocke-Peregrini, blijkt uit de eigenaardige volgorde der planeten. Alleen de zon is op de (in Van der Noots tijd) juiste, vierde, middelste plaats blijven staan, maar Jupiter is naar voren geschoven. Voor een artiest is dat iets eigenaardigs: men zou wensen Venus voorop te zien gaan. Maar Jupiter is het teken van erkenning en status, van sociale verwerkelijking, oogst van roem en eer, en Van der Noots gedicht is een sollicitatiebrief... Wel staat dezelfde opdracht van de Lofsang haast woordelijk in het Duits vertaald in Das Buch Extasis te lezen, maar eerzucht is van deze slechtbeloonde dichter een karaktertrek, die hij nooit voor het oog van de wereld heeft willen verbergen.
In plaats van met Venus te beginnen, eindigt hij zowat met deze planeet: na dit venerabele teken der schoonheid volgt alleen Luna nog, het teken van de magie. Betekent dit nu dat Van der Noot zijn eerste criticus is, en dat hij zijn kunst om de in veler ogen geringe waarde daarvan het laatst ter sprake brengt? Of heeft hij op een climax aangestuurd, kunst en magie met elkaar in verband gebracht, om vrijwel direct daarop de aandacht op zichzelf te vestigen? De volgorde der planeten is natuurlijk bewuste opzet, en een dichter met veel zelfkritiek was Van der Noot zeker niet, hij die een sunderlijc behagen heeft gehadt tot de hemelsche cunste die Godt deur Phoebum (= zon, de centrale planeet) in 't vreedzaem herte stort der Godlijker Poëten! Het is duidelijk dat Van der Noot Venus weer aan zich verplicht, door in zijn Lofsang haar planetenprent, speciaal tot dat doel ontworpen, op te nemen. Zij is Brabant, moeder en beminde, zij zal hem recht doen, omdat zij is beata, bona et amabilis:

Wacht u dan Brabant schoon, moeder der geesten goedt,
Te laten leven voirdts u goedt
kindt in onspoedt...

Door zijn planetenprent, waarop Venus en Olympia éen zijn, geeft hij te kennen een kind van de godin te willen wezen, en dus van haar planeet, en dus van Brabant, hoewel het hem uitstootte, en dus van Olympia, hoewel hij wist of weten kon, dat ook dit ideaal - omdat het een ideaal is - een onbereikbaar ideaal is...
Alles is symboliek bij Van der Noot, en dit feit tilt zijn werk uit de sfeer van de mimesis, en plaatst het in die van het fantastikon, waar de magie heerst, en waar de woorden zoals en is gelijk synoniemen zijn, en waar voorgoed vastgestelde grenzen vervagen en begrippen vloeiend overgaan in elkaar.
Een alchemist die zich aan zijn Grote Werk wijdt - het vinden van de steen, - is het er niet alleen om te doen de stoffen in zijn retort te zuiveren. Hij zuivert, gelijke tred houdend met het chemisch proces, ook de eigen ziel. Het zal duidelijk zijn, dat zij die hameren op het simultaan verloop van dit dubbelproces, de alchemie van buitenaf beschrijven. De alchemist zelf ziet geen onderscheid tussen zichzelf en zijn retort. Als de prima materia, zijn zelfprojectie, zich rood kleurt, en dus verandert in de gezochte steen, verandert ook hij: de steen, de mens, is goud (gesymboliseerd door zon, de zon, God) en goud is de steen. 'Gott war in mir', bekent Van der Noot in zijn Das Buch Extasis, 'Gottes war ich und er war auch ganz mein, Das ich glaub, das wird beid waren nur ein'.
In de Lofsang schrijft Jan van der Noot na een opsomming van al zijn tegenslag:

  Wel aen, ick sie nu wel dat Godt in sulker veughen,
340  Mij heeft om beters wil bepruefdt, na syn genughen,
Soo (fr: comme) hij sijn kinderkens, en vrinden ondertast,
Ghelyck als 't goudt in 't vier versocht wordt en verrast,
Om die na grooten storm, na heurlider verlanghen,
In sijn rijck eeuwichlijck d'leven te doen ontfanghen...

Dr. C. A. Zaalberg tekent hierbij aan in zijn uitgave van Jan van der Noot. Lofsang van Braband/Hymne de Braband, Zwolle, 1958:
'342. versocht: beproefd; verrast: verdrukt. (De dichter schijnt het beeld te hebben losgelaten en aan eigen ervaringen te hebben gedacht)'. Maar voor een alchemist wordt hier helemaal geen beeld losgelaten, er is voor hem geen verschil tussen de kinderkens Gods en goud: het beeld is een volledig uitgewerkt, hermetisch beeld, en dat temeer omdat de uitdrukking Gods kinderen associaties oproept aan de mystiek van Hendrik Niclaes. Voor een alchemist is, wat Van der Noot bedoelt, zo helder als koffiedik, al weet hij wel, dat de dichter hier een beeld gebruikt, zonder zelf een praktiserend adept te zijn van Hermes Trismegistus...

Verder naar:
De zevensprong 2
De zevensprong 3

Of terug naar:
Inleiding