Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Lichamelijke taal

Een wijze van lev/zen (4)

Rudy Cornets de Groot



Nawoord

'La belle et la bête'.
Collage op papier, 65 x 50 cm, 1957.
Feiths roman bracht tot overmatige bloei wat in Poots drie gedichten in kiem en bijna verborgen al aanwezig was: de omgekeerd evenredige verhouding tussen de sexualiteit van mens en natuur. Zijn roman is, esthetisch beschouwd, van geen enkel belang. Feith vond geen artistieke vormen voor zijn emoties, maar droomsymbolen, die hij waarschijnlijk met zijn tijdgenoten gemeen had. Maar zijn roman is van belang omdat die ons attent maakt op een verandering in de aanschouwing die een verandering in onze esthetiek ten gevolge hebben moet. Met de 'nieuwe' gegevens, aan Feiths roman onttrokken, was het ons mogelijk in de mythologische cyclus van Poot een andere compositie te ontdekken dan de voor de hand liggende. We zagen bovendien dat Poot niet alleen een voor esthetische dingen gevoelige dichter was. Hij wist, per intuïtie, dat, wat onbewust leefde in de bewust levende mens van de 18e eeuw, tot uitdrukking te brengen. Toen iedereen nog dacht zonder Rousseau, huldigde hij al een paar kleine ideeën, die de grote van een later geslacht aankondigden.
Ik ben me er natuurlijk wel van bewust dat mijn analyse van Poots gedichten langs een weinig natuurlijke weg tot stand gekomen is, en zelfs langs een, het zij met schaamte op de kaken gezegd, onacademische. Mijn schare van vijanden zal zich wel weer uitbreiden: ik groet ze van harte, allemaal, - ik kàn niet meer zonder hen. Want, men weet het, nietwaar: sinds Sötemann het zei: een wetenschappelijk beoefenaar van een vak is geen man met een benijdenswaardige vrijheid. Hij is gebonden aan een stringente methode. Hij moet stap voor stap verantwoording afleggen van zijn beweringen. Hij kan zich niet permitteren een strikt persoonlijke visie te presenteren. Maar hij smaakt dan ook het genoegen te mogen zeggen dat de basis van zijn werkwijze in geen enkel opzicht non-existent is: het grootste gedeelte van zijn bedrijvigheid berust namelijk op een mechanische denkwijze die door iedereen die daartoe is opgeleid, verricht kan worden. De wetenschappelijk beoefenaar van een vak weet alles van zijn vak. Maar hij weet ook dat hij niets weet van al wat er buiten zijn minigebied ligt. Want zodra hij onverwachts met het onverwachte wordt geconfronteerd, schiet het hem te binnen dat hij toch wel iets weet, zij het dat dat allejezus weinig is. En daarom zal hij zich met een hoop van hysterie niet te onderscheiden poeha onttrekken aan de eisen van: een stringente methode te volgen, zich rekenschap te geven van al zijn beweringen. Daarentegen zal hij strikt persoonlijke visies tegen heug en meug opdringen aan mensen die nog zoiets als eerbied weten op te brengen voor zo iemand als 'een wetenschappelijk beoefenaar van een vak'. Kortom, hij zal bij die onverwachte confrontatie met het onverwachte precies die dingen doen, die hij zegt in anderen te verafschuwen. Maar wat wil men? Hij snuffelt aan een boek, en weet al, zonder het te lezen, hoe het in elkaar zit: hij zit al in de herberg, nog vóor Jan hem er heeft gebracht!
Hoe eenvoudig is, vergeleken bij dit harde en niet te onderschatten werk van een wetenschappelijk beoefenaar van een vak het tamme gedoe van een essayist, die toegeeft dat hij in een doolhof huist! Hoe zeker is een wetenschappelijk beoefenaar van een vak, als neem de eerste de beste: A.L. Sötemann, en hoe weinig doorgrondt zo'n figuur van Faust, toch óok een prof, maar inderdaad, bovendien een alchemist, deze waarheid: 'Wenn wir zum Gutem dieser Welt gelangen, / Dann heisst das Bessre Trug und Wahn/'. Enfin, een bepaald soort van wtsch. beoef. ve. v. (Ik kort het maar af, het is een mooi klinkend woord, daar niet van, maar het is toch ook een grote bek vol) is nu eenmaal niet moeilijk te begrijpen: ze hebben de eigenschappen van een specialist die in zijn denken over zaken die buiten zijn beperkte gezichtskring zijn gelegen, volkomen geatrofieerd is. 'Laat ons', zei Jan Vos al tot dat soort, 'Laat ons van de kunsten der aaloude Dichters spreeken: wij hebben op Parnas, bij Apollo, school geleegen, en letters gegeeten'. Tot wie met een plank voor zijn kop loopt, richt ook ik me niet, - mogen mijn uitgevers mijn boeken ook bij stapels bij ze binnendragen. Niet de basis van hun werkwijze maar hun persoonlijkheid is non-existent, iets wat van mij in ieder geval niet verteld kan worden: ik ben nooit op hùn Parnas geweest, en ze hebben me dan ook nooit kunnen verpesten. Ik richt me niet tot hen die zich laten voorstaan op hun toevallige opleiding, maar tot mensen die inzien dat het om innerlijke gaven gaat. Ik richt me tot hen die lezen niet als een plicht, maar als een plezier zien. Tot hen die niet teveel belang hechten aan het fabula docet, en tot hen die mijn werk niet al te lichtvaardig opnemen, zoals Hölderlin zei, die ik verder citeer: 'Wie alleen maar ruikt aan mijn plant, kent ze niet, en wie ze plukt uitsluitend met het doel er bij te leren, kent ze ook niet'.
Laat ik éen misverstand uit de wereld helpen: ik beschouw me niet als een vertegenwoordiger van enige stroming in de kritiek. Ik herinner me alleen, dank zij J. Kuin, een door de nood gedwongen schrijver te zijn. Maar laat ik J. Kuin de woorden die hij me uit het hart gegrepen heeft:
'De nieuwe kritiek heeft zich nog te veel beperkt tot de eigentijdse literatuur. Men krijgt de indruk dat de literaire kritiek in Nederland, wat de oude letterkundige werken betreft, te veel blijft steken in de filologie. Als men de vraag stelt wat de nieuwe kritiek nu denkt over een of andere bekende schrijver uit de zeventiende eeuw, dan is het antwoord tien tegen een dat een team van specialisten of een zeer speciale specialist al jaren bezig is met een kritische standaarduitgave in tien delen, waarvan alleen het eerste deel tot nu toe is verschenen... in de jaren dertig'.
Ha, bepeins zo'n tekst, waakzamen, die het door gebrek aan voorstellingsvermogen op diepzinnigheden niet zo erg hebt begrepen! En mocht de uitkomst van uw bedenkingen zijn dàt ik een noodgedwongen schrijver ben, steek dan uw hand voor een keer in eigen boezem, gelijk ik de mijne steek in deze van Otilie die ik met hernieuwde welwillendheid omarm. Het zij verre van mij uw verdiensten te verkleinen, doch laat ik u wijzen op de door die verdiensten opgelegde plicht uw reacties op anderer werk niet bloot te stellen aan die kritische maatstaven die u zegt zelf te hanteren. Spreek met geen valse tong, opdat ik niet smeken zal: 'Geef dat zijne dagen kort zijn: een ander aanveerde zijnen ambt' (Psalm 109).

[Zonnewende 1968].

AANTEKENINGEN

Colofon van 'Een wijze van lev/zen'
Toen ik een schets opzette voor een analyse van Rhynvis Feiths Julia, geloofde ik mijn ogen niet. Maar ik was bereid een psycholoog te geloven, en ik riep dan ook de hulp in van de wetenschappelijk ambtenaar A. Boon van Ostade, te Nijmegen. Hij greep precies op tijd in, en verhoedde dat tal van verkeerde ideeën in die analyse inslopen. Ik verbeeld me dan ook, dat ik, wanneer ik op het stuk van de Julia als een psychanalist te keer ga, binnen de perken blijf die zo'n vakman zich stelt. Met éen grote uitzondering. Want de maan is voor de psycholoog een moedersymbool, en die bundel licht kan voor hem dus nooit een fallisch symbool zijn. Ik ben bereid dat tegen te spreken, en ik deed dat trouwens al, en niet zonder argumenten, zoals men zich herinneren zal. Onder dankzegging voor zijn vriendschappelijke medewerking laat ik hier in het kort de droomsymbolen van Feith, door Boon van Ostade gedetermineerd, volgen:

Moedersymbolen:
  de grafkelder
de kom in het woud
de maan
de heuvel
de rots
het bos
de zee

Deze symbolen stemmen overeen met borsten, venusheuvel, baarmoeder; het haantje op de toren waar Eduard nog gewag van maakt op het eind van het boek is een symbool voor de kittelaar.

Fallische symbolen:
  de dolken
de omgehouwen denneboom

Deze symbolen zijn echter met de dood verbonden: de dolken hebben de functie van zelfmoordwapens: 'Ja, mijn Vriend! ik ontken het niet - in mijn eerste vervoeringen zoude ik de hand, die mij een dolk door de boezem gejaagd heeft, gekust hebben' (p. 58) - de omgehouwen den doet dienst als een wat voorbarige grafkist.
Het boek is in de eerste plaats een kader voor de beleving van de doodsproblematiek. Een kernvraag eruit is: 'Waarom vordert gij van dit leven, wat slechts de eeuwigheid geven kan?' De toon van de vraag verraadt al het negativisme in dit boek. De romanfiguren gedragen zich als kinderen, ze tonen een opvallend gebrek aan initiatief: de Voorzienigheid bepaalt het lot, het fatalisme - 'Nog één ogenblik - en het gordijn valt - gij hebt geleefd' - vindt als enig tegenwicht de zekerheid van een leven hierna: 'Waarlijk de bewustheid van een leven na dit leven is de enige verkwikking voor ellendelingen, die hier onherstelbaar ellendig zijn'. De zin formuleert ook het schuldgevoel die de maatschappelijk noodzakelijke rivaliteit met de vader - rivaliteit om de liefde van de vrouw - bij de zoon opriep. Op deze zonde is de dood de straf. De zoon gaat ten onder aan het feit dat hij een man is, en als zodanig de rivaal van de vader. Pas door de dood heen is verzoening mogelijk - 'Ja, de liefde is in den Hemel!' en daarom: 'Hoe dierbaar wordt mij het graf in deze vervoering!' De verbinding van liefde en dood, die dit boek voor de tijdgenoot zo 'gruwelijk' maakt, ligt in de rede der dingen. Dat het liefdesideaal bovendien een onbevlekt ideaal moest zijn is een typische uiting van de decadente, perfectionistische sociale kring waar Feith deel van uit maakte. Uit de onbewuste symboliek blijkt, dat de moeder in die tijd in het gezin een te verwaarlozen rol speelde. De boze vader regeerde en kinderen hadden geen stem in het kapittel. Ze hadden maar te doen wat voorgeschreven werd, ook als volwassenen.
Uit alles blijkt dat het boek een vorm van compensatieliteratuur is. Het heeft voor de schrijver en zijn lezers de functie gehad van een tegenhang op de zakelijke, kleinburgerlijke, moraliserende en ongevoelige tijd. Voor Feith is het schrijven ervan dan ook een plezierig tijdverdrijf geweest. Niet alleen kon hij zich daardoor van zijn schuldgevoelens ontdoen, maar het gaf hem ook het tonicum dat hij nodig had om zich te wijden aan zijn zakelijke opdrachten en beslissingen als Zwols burgemeester. Daardoor is de afstand tussen werkelijkheid en beleving ook zo groot: voortdurend wordt een onwezenlijk geloofsideaal gepredikt, de natuurschilderingen zijn volkomen irreëel, onbestaanbaar, de menselijke reacties en verhoudingen onwerkelijk, en de oplossing 'eeuwig genot in de hemel' onmogelijk.

II.
Ik heb bij het in elkaar zetten van dit verhalend essay herhaaldelijk gebruik gemaakt van andermans wijsheid. In de meeste gevallen heb ik me beperkt tot het plagiëren van hooguit éen zin, vaak genoeg ook tot brokstukken van een zin. In een enkel geval werd iets meer overgenomen, in een ander het citaat verminkt. Om plagiatenwrekers tegemoet te komen: mijn uitgeplunderde auteurs zijn, in volgorde van hun voorkomen: Hildebrand, Cornelis Troost, Goethe, Jan de Vries, Pieter Langendijk, H.C. Poot, Rhynvis Feith, Fontenelle, Robert Hennebo, E.J. Potgieter (tweemaal achtereen), K.L. Poll, Shakespeare, Hooglied, Hildebrand (opnieuw) en Wolfgang Amadeus Mozart.
Ik voel me ertoe verplicht hier aan toe te voegen dat mijn (verminkt) citaat van J.H. van den Berg afkomstig is uit zijn onvolprezen Het menselijk lichaam II.