|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
'Het vulgaire', zeg ik, 'past bij het gewone. Bij het ongewone past het dat het vulgaire wordt geësthetiseerd'. Vraagteken, - wartaal, - pseudo-diepzinnigheid! 'Kijk', zeg ik. 'Iemand gaat naar de Alpen en stelt daar het landschap gelijk met een vrouw. Een zuivere. Of een strenge. Of een hoer. Akkoord?' 'Nee'. 'Uitstekend. Dat is bij voorbeeld Moeder Aarde'. 'Ja, ja, moeder aarde, natuurlijk'. 'Goed. Dan kun je toch begrijpen dat iemand zo'n alpendorp Tittmoning noemt, of een kampong op Nieuw Guinea Titimakoe? Tiet, dat kun je wel nagaan, dat is de moeder al'. En alsof ook zij de moeder was, begin ik als een kind aan een van haar karmijnrode tepels te zuigen, en zie haar nu toch eens, hoe ze zich voorover buigt en zich begint te strelen: een kittelaar, lang als mijn pink! 'Dat is gewoon idioot', zegt ze sidderend. 'En Titicaca dan?' 'Ja, het is een personificatie. Je bent een vreemde. Je wilt je de vijandige omgeving vertrouwd maken. Je bent een kleine jongen, dàt is je moeder, - daar wil je dus ook éen mee zijn'. Ik neem het strelen van haar over: het is langer dan mijn pink: 'Je gaat dàt veroveren. Daarom is je taal agressief. Maar ook bezwerend. Je geeft de naam. Maar die is eigenlijk alleen voor ingewijden toegankelijk. Die naam openbaart iets over die plaats op aarde. Maar misschien nog meer over jou. Wat zegt het van de naoorlogse generatie die een bikini bikini noemde?' 'Hoe kan ik dat weten?' prevelt ze. Ze spuwt zich in de hand en wrijft het vocht langs de tot berstens toe gespannen verlosser der mensheid. 'Daar werd moeder aarde door de hemel verkracht, lieve kind; in '46, in Bikini werd moeder aarde genaaid, ontzaglijk genaaid!' 'Genaaid?' 'Genaaid'. 'We naaien de wereld kapot, lieve meid'. 'We naaien de wereld aan flarden...' En zo gebeurt, zonder het nuttig en aangenaam gebruik van Jans zweep, waar ik al even aan had liggen denken. Een gramme roe maakt niemand goed, denk ik maar. Als ze verdwijnt, merk ik aan de omtrek van het haantje op de toren, dat de nacht over zijn dieptepunt heen is; de maan hangt er iets bleker bij, maar een pik! Waar haal ik een pik vandaan voor dat malle ding? Het komt me voor dat ik in mijn betoog tegen Annet ten onrechte alleen maar sprak van moeder aarde en de zoon geen blik waardig achtte. Maar iedereen weet dat Tittmoning héel dicht bij Pielenhofen ligt, aangezien moeder aarde een minnaar heeft: een autoritaire vaderfiguur. Of een zoon. Of een zoon, die vader werd. Zijn eigen vader. Een zichzelf verwekkende zoon. In Pielenhofen en Tittmoning nog gescheiden, zijn aarde en minnaar éen in Bikini, deze hermafrodiet, dit verre Zuidland van onze eeuw. Want soms wordt een punt in de wereld als heilig beschouwd wanneer daar een knaap zijn twinsoul vond in een meisje. Iedereen heeft, ergens, zijn Tittmoning, haar Pielenhofen, een plekje grond dat aanspraak maakt op zegen. Daar is de priapische moeder aarde dus, en zou dan de maan, das Ebenbild unsrer Erde, geen hermafrodiet kunnen zijn? Bij onze speurtocht naar de maan met pik kàn moeder aarde misschien nog een paar goede diensten verrichten - laten we haar niet te spoedig in de steek!
Leef lang in blij gedenken voort, Gewijde stond! Geheiligd oord! zegt mijn lijfdichter Staring van de Wildenborch in Herdenking. In sex zijn woorden oorden, en in onze tijd is bij voorkeur niet the girl next door dezelfde als the only girl in the world. Wat wil men? Men zweert het huwelijk af, meisjes trekken een jongenskiel aan, laten zich langs een laken uit het raam zakken en gaan aan de haal met zo'n stakker die in haar zijn zusterziel gevonden heeft - voor hoe lang? De bordelen puilen uit van de zusterzielen. Pure liefde! Uit liefde zit de ene helft van het wereldzielental de andere op zijn ziel. En als zo'n zusterziel nu eens niet bereikbaar is? Als ze liever haar Vader gehoorzaamt en een of andere slappe lul trouwt in plaats van zich te laten schaken - wat komt er dan van de broederziel terecht? Geen hol. Bijna is de Julia van Rhynvis Feith daar een voorbeeld van, en reeds daar is een wereldreis al niet meer genoeg! Schrei, schrei, mijn ogen, - bloed voor tranen: Mijn voet vindt nergens hier meer rust... Maar wie zal van u vergen, waarde lezer, dat gij de Julia lezen gaat, tegen uw zin, wijl uw bevattingsvermogen geen ruimte heeft voor zo huilerig een man in een tijd die daarentegen vrouwen voortbrengt wier geest ze het recht op tranen ontzegt? Zoudt gij ook willen weten in hoeverre het lijden en het ongeluk van geboren te zijn u zelfs welgevallig zouden kunnen wezen, gij hoefde niet méer te doen dan u te bevrijden van uw vooroordelen: schrei, als u een man bent, en, zijt ge een vrouw - verlicht uw gemoed door uw geest. Laat niets dat als onnatuurlijk geldt u ervan weerhouden juist die neigingen van uw ziel tot ontplooiing te brengen die de maatschappij zo verdomd graag zag doodgedrukt. Verdom het de maatschappij te aanvaarden zoals die is: ook zij aanvaardt u niet, helaas, wie ge ook zijt.
Zie op deze Julia, geknield niet alleen voor die bank van zoden, maar ook terneergeslagen, en toch vol hoop, getuige deze bede, dit nauw merkbaar verzet tegen haar Vader, - een bede, die tegelijkertijd overgave is aan die Hoger Vader, die haar trouwens, terzelfderstond en terzelfderplaatse haar twinsoul schenkt: deze Eduard. En bedenk, dat deze Eduard straks door haar vader afgewezen zal worden, dat zij buigen zal voor die vaderwil, die ogenschijnlijk de wil ook is van die Hoger Vader - tot blijkt dat die laatste - maar dan is het naar aardse maatstaven berekend al lang te laat - het toch bij haar en Zijn eerste keuze houdt, - wankelt hier dan niet even het droit divin? Is het niet of God zijn plaatsvervanger op aarde onmerkbaar haast, in de steek laat? En is het niet of Julia haar plicht tegenover haar vader niet gehéel na moest komen, wijl zij, óok zij, rechten heeft als mens, onvervreemdbare rechten, die God haar verzekert, haar boze vader en diens rijke huwelijkskandidaten ten spijt? Jawel, zo is het, en het is nog wel erger ook. Want een redelijke religie, een religie zonder wonder, zo een als waar wij nu geruime tijd van dromen, blijkt zonder wonder niet te kunnen. Het droit naturel, het is óns recht en een dat we ons nooit meer zullen laten ontstelen, zomin als Feith, die kennelijk op vaders niet erg gesteld is, die zich van hen afwendt, en die in de droom, maar dan ook daar alleen, de vriendelijke, paradijselijke natuur vond, met Eva en al. Sluiten wij ook daarom, nu Annet wenend verdween, de ogen, en geven we ons over aan de reeds zo lichte nacht - deze, die de mijmering begunstigt en een zekere ordeloosheid van het denken, waaraan men zich niet zonder genoegen overgeeft, al wenen àlle meisjes. Ik werd laat wakker, maar vond in de gelagkamer ten minste geen lopend volk meer. Aan een tafel zat een jongeman in justaucorps en kniebroek, maar bedolven onder een cape. Ik liet hem een jichtaanbrengend glas port brengen, waarna hij zich bekend maakte als Odilio X. Wat zo'n operaheld hier moet, dacht ik. Maar hij herinnerde me eraan dat deze avond om 12 uur precies de zonnewende zou plaats vinden, en dat hij van plan was in een nabijgelegen dorp het ritueel van de Sintjansnacht bij te wonen. 'Men zegt', zei hij, 'dat tijdens deze nacht de ziel het lichaam verlaat, en over de wereld zweeft. Men zegt', zei hij, 'dat in deze nacht de ziel in de toekomst schouwt en dat men in deze nacht volledige helderheid inzake het verborgene deelachtig worden kan. Men zegt', zei hij, 'dat varenzaad in deze nacht gevonden en op de juiste manier vergaard van grote waarde is en dat het de bezitter onzichtbaar maken kan'. 'En ik zeg', zei ik, 'dat u met uw mooie kleren aan, een mooie kans loopt in deze nacht van uw goed te worden beroofd. Dat is iets anders dan onzichtbaar'. Ik. 'Bent u zonder gezelschap? O. 'Ja maar ik heb geleerd voor me zelf te zorgen, en wat kan je overkomen in een postiljon?' Ik. 'Wel, zekerheid dat uw ziel in uw lichaam terug zal keren als ze van u wegfladdert vannacht, heb ik allerminst. Ik reis met een eigen koets, en als het u om het even is, waar u heengaat, kunt u met me meerijden. Ten slotte is er overal vuur, vannacht'. O. 'U hebt gelijk en ik neem uw aanbod aan. Men verlaat zich op zijn zin voor het onbekende, en raakt vanzelf in onvoorziene moeilijkheden. Ik ken het leven op het land niet, dan van het toneel en de boeken. Ik zag een hemels mooi meisje, hier langs de weg. Je beeldt je in, dat het het paradijs moet zijn met haar in het hooi te liggen. Het kàn bijna, het onmogelijke. Maar in de stad koop je zo'n vrouw: daar is geen paradijs. En dus ook geen slang'. Ik. 'Nu, moeilijkheden wat het paradijs betreft, hoeft u vannacht niet te hebben. Als er morgenochtend na het vuur nog tien maagden rondlopen in het dorp, is het veel'. O. 'Hoe bedoelt u?' Ik. 'Er wordt vannacht genaaid dat het bos ervan kraakt. De hele jeugd trekt tijdens en na de vuren de bossen in. Waarvoor denkt u?' O. 'Afschuwelijk!' Ik. 'Onzin. Het vuur is de verlosser der mensheid. Nimfen, saters - zelfs Merlijn is van hen een kind: zijn wij iets meer?' Ik vraag Annet me een fles jenever te brengen en laat het geld in haar keurslijf glijden: met trotse billen deint ze weg. Buiten hurkt Jan, de zweep in de hand, naast het rijtuig. Heeft hij in het zand getekend? 'Wat stelt het voor, Jan?', vraag ik, wijzend naar de cirkel. 'Een bos, meneer', antwoordt hij, 'met in het midden een vijver'. 'Er staat iets bij geschreven, Jan', zeg ik. 'Wat staat daar?' 'Kut', zei hij plomp. 'Maar het is een bos: een vijver, omgeven door dennen'. Odilio schudde het hoofd en stapte de koets in iets tè wrevelig, vond ik. Ach, toeschietelijk is hij niet, merk ik wel, en de brandende zon maakt hem slaperig bovendien. Ik ontkurk de fles en pak de glazen. 'Wanneer de zuyerzon omhoog / maakt magen zwak en levers droog / dan ziet men hoe door de jenever / de maag hersteld wordt en de lever /' zing ik oubollig, maar hem in een prettige stemming brengen, lukt me toch niet. Waardeloze jeugd! Ze kunnen niet drinken, niet naaien, niet lachen, tegenwoordig; ze zijn om het minste verongelijkt, geschokt! Doch behoude ik mijne verhandeling over het verband tussen het verval der zeden en het verbloemen der driften en portefeuille! En kere ik weer tot het bosch terug! 'In het diepste van het woud', schrijft Feith, 'was eene groote kom, wier midden de enigste verlichte plek van dit geheele bosch was'. Waar doet me zo'n zin aan denken? Oh! Indien het de overdreven kieschheid onzer dagen ware ingevallen zich te ergeren aan Jan, mijn goede koetsier, ik zou denken aan zijn bosch, ginds in het zand geschreven, met het woord kut er duidelijk bij. Maar het zit dieper, verder weg in het verleden, weet ik, ergens op de mappemonde van de vrije fantasie, ergens - en! - nu weet ik het weer, in de buurt van vannacht, toen mijn pneuma de common sense van Annet parten speelde: ergens bij Tittmoning, Pielenhofen, naaiekkere fols en Bikini! Leef lang in blij herdenken voort, gewijde stond, geheiligd oord! Woorden zijn oorden in sex, zei ik. Ik zei: Eduards bosch is zijn geheiligd oord, want kijk toch es, waarde lezers en lieve lezeressen bovenal! - is dat geen kut, die kom? Is dat het schaamhaar niet, dat bosch? En is niet deze bank van zoden een venusprikkel, waar onze sentimentele held, onze Eduard, zich nacht aan nacht op neervleit, wenend, stamelend, niet wetend waar hij het zoeken moet? Ach is dat moeder aarde niet en is niet moeder aarde een maagd? 'Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel, eene verzegelde fontein', zegt de dichter (Hooglied, 4:12). Maar is dan de gestalte die Eduard daar ziet knielen - is Julia dan niet evenzeer een moedermaagd voor hem, als dat hij een minnaar-zoon is voor haar? Vergeef me al deze verschuivingen, en zeg niet, gelijk onlangs een overigens toch snugger iemand, dat het met woorden dankbaar goochelen is, of dat ik hier voorbeelden geef van de willekeur waarmee van alles en nog wat aan elkaar gelijk gesteld kan worden. Ik doe deze onbegrijpelijke dingen alleen maar in navolging van Feith: 'Het bosch werd mij tot een Tempel, het bosch verdween, 't was geen tempel meer, 't was de hemel'. Schrik niet van zulke verschuivingen, brave critici, en denk niet altijd dat iets is wat het lijkt.
'Beurtlings van begeerte brandende en koud van schrik vloog ik honderdmaalen den heuvel af en honderdmaalen bereikte ik zuchtend zijnen top weder', zegt Eduard - ha! Ga daar maar es aan staan, scherpzinnige Lötermann! En kom me niet, bij interpretatie van al dit schoons met pseudo-diepzinnigheden aandraven waarachter het goed schuil gaan is, vermits ze eigenlijk van mij afkomstig zijn. Deze twee hebben het aards paradijs - het nachtelijk woud - verruild voor een heuvel, - in de zon, - wie krijgt dat ongestraft voor elkaar? En in het volgend hoofdstuk is het onheil er al: Julia moet haar soulmate melden dat pappa haar een rijke echtgenoot in het vooruitzicht heeft gesteld - o hell, to choose love by another's eye! Ze zijn de dood nabij, die twee, en men heeft de gedachte nog niet geformuleerd, of Feith brengt ze al een grafkelder in - de katabasis, nietwaar nieuwmodische psychologen? - de nederdaling in de moederschoot, of, zoals het Hooglied zegt: 'Toen ik een weinigje van hem weggegaan was, vond ik hem, dien mijne ziel lief heeft: ik hield hem vast en liet hem niet gaan, totdat ik hem in mijn moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft...' Ah! 'Met haar in den aakligsten Grafkelder een Paradijs te vinden!' roept Eduard, en o! Hoe nietig is de wereld nà de hergeboorte: 'Reeds zijn wij sterker vermaagschapt aan de eeuwigheid dan aan den tijd...'. In Julia zoekt hij van nu af aan de onsterfelijkheid, waardoor hij kan afzien van tijdelijk geluk. En ook zij vreest de lust des vlezes en vraagt Eduard afscheid van haar te komen nemen 'aan den voet van het kleene heuveltje, daar uw geliefde Eik op staat': toe maar, jongens, denken maar, maar zeg in godsnaam niet wàt je denkt: vrees de pseudodiepzinnighedenwreker! Laat de stommiteiten gerust over aan mij. Ik zal het wel weer zeggen dat hier, in Feiths taal, opnieuw de priapische moeder aarde zichtbaar wordt. Jullie hebben nooit anders gedaan, zei ik, dan gewacht tot ik de kastanjes uit het vuur had gesleept. Oh! Elke keer als ik zie hoe een stakker in het zweet zijns aanschijns een eerlijk stuk brood verdient, vraag ik waarom jullie alles zó aan mij overlaten, dat ik geloof die stakker te zijn... Uit gepeins de stoffelijke werkelijkheid binnen te vallen: de aarde schudt onder je voeten: scheurt open en vermorzelt je. Boven je gaat het leven voort. De geschiedenis maakt melding van een jaartal: Nederland door aardbeving van de kaart geveegd - geen overlevenden. Je slaat je ogen op: je rijdt nog, er is nog jenever, Odilio zit er, stikkend in zijn cape, te slapen. Ik tik hem op de knie. Niks zeggen, hoor! Doorslapen maar! Tot met een ruk de koets stil houdt voor een paar ruiters, die verder op de weg versperren. Odilio tuimelt de werkelijkheid in. De aarde splijt zich en vermorzelt hem. Een wereld verdwijnt - tastend met zijn ogen zoekt hij houvast, werpt de cape van zich aan, en mompelt iets. Ik had natuurlijk direct kunnen weten, dat hij een voortvluchtig meisje was, en daarom trok ik snel de cape weer om haar heen, nog voor de ruiters bij de reiskoets hadden kunnen komen, en ik ze op hun verzoek de weg wees naar het meisje Otilie Y., gelogeerd in De geleerde man. 'Wie ook maar éen keer van hogerhand onheus bejegend werd, voelt voor altijd een sympathie voor insubordinatie, zei ik. 'Maar nu ik weet wie je bent, kun je die mantel wel afdoen. Maak 't je makkelijk, lieve kind, mij kun je die boezem wel tonen'. Ze lachte, maar daar was toch ook de pleisterplaats al, het drukbezochte De vijf tuinen, aan de waard waarvan ik om een rustige kamer vroeg en om een fles wijn. De kamer keek uit over een tuin in de Engelse stijl, in de geest van Johann George Sulzer. Ze ontdeed zich van haar cape, Otilie, en ik hielp haar zeer zich te bevrijden uit haar justeaucorps: enkel in haar zijden kniebroek was ze dubbel zo sexy. 'Was het een mooi meisje of een mooie jongen, die het hooi tot een paradijs herschiep voor jou?' vroeg ik. 'Een man', zei ze. 'Ik ben overwegend normaal'. Ze ging in de vensterbank zitten en reikte naar het glas dat ik volschonk. 'Het graf van Rousseau', zei ik, wijzend naar een verhoging onder een treures. 'Ja', zei ze. 'Alles is er te vinden: een kleine waterval daar, en ginds een hut, opzij van de Lichtung. Vind je het een mooie tuin?' 'Jij bent mooi', zei ik, en: 'een mooi gelaat is een onverhulde bereidverklaring'. 'Een bloem', zei ze. 'Als uit de tuin van Eden. Ik bezweer u dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt, voordat het haar lustte'. 'Amen', zei ik en begon onzin uit te kramen over buitens en tuinen. Ik zag me al wandelen zei ik in navolging van J.H. van den Berg door het dichte duistere bosje naar het geheel kale weitje van daar via de bemoste rotsjes met de waterval naar de grot ik zei de tuin die Sulzer verdedigt is natuur zei ik dat is geen tuin ik zei die tuin is in het geheel niets wie erin wandelt loopt door niets vermaakt zich om niets heeft hoogstens een binnenpretje 't was zei ik onwijs om alles wat in de natuur de ruimte van een heel land beslaat binnen de perken van een altijd begrensd terrein onder te brengen met grafkelder en ruïne en al en ik hoop zei ik dat ik je danig verveel want jij was 't die over tuinen praten wou alsof je geen gevoel hebt voor het idyllische opstalletje hier met jou als een plaatje in het raamkozijn en achter je de tuin waarom doe je niet iets of zeg je iets stoms en daar kwam ze al naar me toe en wrong zich tussen mijn benen en ik zei nog dat ik het wel wist hoe volgens De Lille een tuin hoe klein ook onbegrensd kòn lijken en dat ik er een wist die niet dan zeer smalle wandelpaadjes had aan weerskanten met aardbeiplanten omzoomd en dat die erin kwam billijk verbaasd stond dat het mogelijk was geweest zoveel appel- en perebomen zoveel aalbes- en kruisbesstruiken in zo'n klein bestek bijeen te brengen dat het in een woord was wat ik een vruchtbaar lapje noemen zou en waar ik onbegrijpelijk veel van zou willen hebben indien niet de buitenlui er dichterbij woonden vroeger opstonden en eer wisten dan ik wanneer ieder bijzonder ooft geschikt zou wezen om geplukt te worden en ik bevestig dat zij me hielp opgemelde tuin te vinden en dat ze zich wist te gedragen als een hoer om mijnentwil. Een brainwave midden in de slaap, toen mijn ziel door de wereld zwierf: een maan met een pik: vinden we die niet in Het zwarte licht? Dáar is de maan een neger èn een zoon èn een goddelijke zieneres: Diana. En ook dit, van Lucebert:
de moeder draagt een ei de vader torst een tak het kind staat en is de starende maan het kind: het punt waar vader en moeder elkaar ontmoeten - is dat in beginsel niet al en hermafrodiet? Ik zie nog eens naar Eduards bos: daar zijn die bomen, rond de kom met het rimpelloze water. En recht boven die onberoerde diepte: de stralen van de maan. Die bundel licht: is dat geen pik? 'Het licht der maan', zegt Eduard, 'werd voor mij de stralen eener tegenwoordige Godheid'. Is dan de maan, das Ebenbild unsrer Erde, niet evenzeer een priapische godin als moeder aarde? Ik kijk door het raam in de bleke nacht - wat goed zou het zijn als ik daar een maan kon plaatsen, pronkend met zijn pik onder de sterren! En kijk! Daar zweeft ze al aan, de goddelijke, Diana, de maagd, - en vonken schieten uit haar kleed, stralen als lullen: de priapische Artemis! 1 Voi che sapete, hoor ik zingen. M'n ziele luistert, nu ik slaap. (Realisme is een wereld van symbolen en ieder boek is een antirealistisch geschrift, hoe weinig het ook van een de natuur nabootsend verhaal valt te onderscheiden). (De Perponcher zegt dat Feiths boek een onmaatschappelijk boek is; indien al, dan toch niet veel onmaatschappelijker dan het sprookje van de schone slaapster of de mythe van Endymion). (Feith was, al in de Julia, geen artist, maar een dromer, en Eduard was, in dat boek, een godenzoon, die zich in moeder aarde zijn eigen moeder schiep en zijn eigen maagd: het bos, Julia, naar wie hij verlangde en met wie hij éen was, de dood ten spijt èn met behoud van aller maagdelijkheid). (Zwart ben ik, maar schoon, zegt het Hooglied (1:5) en Ambrosius past deze woorden toe op de H. Maagd, die zwart is om het vlees maar schoon om haar maagdelijkheid. Maar ook Eduards bos is zwart, en schoon. En: het licht brak het watervlak niet). (Misschien had ik geen gelijk toen ik zei dat wie door Sulzers tuin liep, door niets liep. Zijn bos was kunsteloos, d.i. geen schepping van hem. De natuur liet zich gelden in dit bos, maar wie liet zich gelden in die natuur? Zijn bos was een godheid uit wie alles kwam en tot wie alles keerde. Ook Eduards bos was de oneindigheid en die oneindigheid was Julia. Hij was éen met haar, het woud, en zij, het woud, was éen met hem). Als de surrealisten de methode van de écriture automatique propageren, staat hun niet de bedoeling voor aan een daardoor ontstaan geschrift esthetische waarde toe te kennen: het is duidelijk dat zulk geschrijf in 99 van de 100 gevallen esthetisch van geen enkele waarde is. Maar bij dergelijke experimenten kwamen diep verborgen lagen in de menselijke ziel bloot. Men stuitte telkens opnieuw op droomsymbolen, archetypen, vormen die tot uitdrukking brachten wat tot nader order niet tot uitdrukking te brengen was. Overigens hadden surrealisten natuurlijk lak aan esthetiek. Indien Nederland surrealisten had gehad in een tijd toen het een verdienste was zulke mensen het woord te geven, stellig zou het aan een hunner de herontdekking van Rhijnvis Feith te danken hebben gehad. Want zowel Feiths droomtaal - op zijn bladzijden komen herhaaldelijk gestamelde zinnen voor, op éen bladzij telt men niet minder dan 26 gedachtestrepen! - als zijn symbolen waren zaken waar een surrealist begrip voor zou hebben gehad. Had Feith geweten, wat wij weten, sinds Freud, hij zou geen mythe maar een roman hebben gemaakt. Zonder het te weten boorde hij diep in de menselijke ziel van deze, de 18e eeuw. Zijn boek onttrekt zich om het gebrek aan vorm aan een esthetisch oordeel. Maar aangezien bij een veranderde aanschouwing een andere esthetica hoort, levert zijn boek de estheten onder ons, die zich met literair werk uit de 18e eeuw bezig houden toch dit voor een esthetisch oordeel belangrijk beginsel: de sexualisering van de mens verhoudt zich omgekeerd evenredig tot de sexualisering van de natuur; de vitalisering van de mens verhoudt zich omgekeerd evenredig tot de vitalisering van de natuur. Ik werd wakker, gelijk met Otilie. We zagen hoe twee Sintjansvlinders het raam uitwapperden. 'Zullen we naaien?', vroeg ik. 'Jij en ik, bedoel je?' vroeg ze. 'Wie dan?' antwoordde ik. 'Nee,' zei ze, 'ik wil 't jou zien doen. Om het even met wie. Desnoods doe ik het daarna met Jan, als jij ook mij wilt zien'. Aangezien ik dat geen onaardig idee vond, droeg ik Jan op zich als de bliksem te kleden en een mooie meid uit het land te plukken; en werkelijk slaagde hij erin een meisje binnen te brengen, zo blank en broos, zo bedeesd en nog niet wetend waartoe haar komst vereist was, dat zelfs Otilie twijfelde aan de intuïtie der buitenlui. Ik was niet weinig in de wolken met deze vondst en niet zo gauw had Jan de deur aan de buitenkant gesloten, of ik vroeg haar op de rand van het bed te komen zitten. In het keurslijf is haar bovenlichaam niet zo ingeregen dat het Otilie en mij moeite kost haar boezem te ontbloten - reeds heb ik mijn hand ook onder haar rokken, op de tast langs haar benen, reeds voel ik het wonder en valt het me in, dat dit meisje geen echt meisje is: fluistert ze Otilie niet toe Diana te heten? - Ik laat geschrokken haar pik los en zeg: 'Otilie, ga jij met haar naar bed'. 'Ik?', zegt Otilie, 'voor geen goud ter wereld'. - 'O, toch', zeg ik, 'ik bezweer het je'. En als de blonde, al te blonde Diana zich, gelijk een ruiker van het beschermend papier ontdaan, aan onze blikken prijsgeeft, zwijgt Otilie, verbijsterd, en staart, naar het mirakel dat ze, ongelovig, tòch in haar vingers houdt, en zie haar nou toch es, hoe ze 't met de lippen beroert, het bevochtigt met haar tong, met zó'n slingering in de adem, zo'n hunkering in de lenden, met een dwang in haar arm, zo bekoorlijk om dat welwillende lichaam geslagen, dat mijn hele wezen ervan verstomt, en overgaat in die twee daar: een beeld van de nooit eindigende jeugd. Hoe groter de desexualisering van de mens, hoe geladener de sexualiteit van de natuur. Hou dat beginsel in de gaten en kijk naar Poots drie mythologische gedichten. De hoer, de moeder en de maagd: een verheffende klim opwaarts. Maar kijk ook even naar de natuur in die gedichten. In Beddepraet:
(Mars): Ai zie de koets eens groenen van mirt. (Venus): En jeugdigh gras. - En daarmee houdt het op het stuk van de zichzelf voortbrengende natuur op in dit gedicht. Maar De verliefde Venus, zoals ik al zei, heeft:
Daer zwom al 't omgelegen lant In dartelheit en vreugt Ook rees er nieuwe jeugt. De nimfen reiden hant aan hant... zodat we zien, hoe, met de paring de passieve generatieve krachten in de natuur worden gepersonifieerd. En De maen bij Endymion?
De bloemen aen den top des berregs, loken op. De tijd scheen te verjongen. De nachtegael hief aen. Het woud kreeg duizent tongen, 't Geboomt veel groener blaên. Dat klinkt al bijna eender, is men geneigd te denken. Maar dan:
Daer hadt ge 't Saterdom Zien komen van rontom Uit ruigte en wildernissen... de actieve generatieve krachten: het mannelijk beginsel in alle ruigheid en woestheid en sluwheid:
Elk mikt rasch En scharp, loop, geitevoeten - Die krachten - ze worden hier niet verwekt, maar verjaagd. Ze zijn hier niet van node. Maar waarom niet? Andere vraag? Waarom wèl nimfen in het tweede, wel saters in het derde, maar niets van zulke vruchtbaarheidssymbolen in het eerste gedicht? Natuurlijk - daar is van desexualisatie van de betrokken figuren nog helemaal geen sprake, dus is er ook geen behoefte aan sexualisering van de natuur. Bovendien: hoe zou er van vruchtbaarheid en van de symbolen daarvan gerept kunnen worden waar het hier gaat om een coïtus interruptus? Geen nimfen dus, en geen saters. In het tweede gedicht wordt het puur sexuele getemperd door gevoelens van saamhorigheid, aanhankelijkheid en liefde. Hier wordt onder de ogen van Cupido de paring voltooid en daar zijn de nimfen dan ook: dit is het leven in zijn volheid - niet enkel sex, maar eveneens niet enkel die liefde waaraan men de naam van Plato verbonden heeft. En nu die saters in dat derde gedicht, waar de sexualisatie van de ten tonele gevoerde figuren duidelijk blijkt: waarom worden zij die het vermogen tot voortplanten verzinnebeelden er op de vlucht gejaagd? Uit vrees voor zwangerschap soms? Uit overtuiging dat alleen een in de geest beleefde liefde de Enig Ware Liefde is? Of zou hun verschrikte vlucht terug de bossen in misschien symboliseren dat Diana 't zonder hen ook kan? Zij zal hier haar lust wel boeten zónder hen, en dus met andere middelen: een handelende Diana, een sluimerende Endymion - is het niet of de geslachten elkaars eigenschappen hebben overgenomen? Is het niet of de priapische Diana in weerwil van wat we dachten, toch in De maen bij Endymion te vinden was? De negatieve correlatie tussen de sexualiteit van mens en natuur schenkt ons een juister gerichte kijk op Poots gedichten, en moet ons esthetisch oordeel daarover ten slotte wel beïnvloeden. Maar die nieuwe aanschouwing ons door dit beginsel mogelijk gemaakt, maakt ons ook opmerkzaam op de voyeurs in deze gedichten, op hun invloed en op de graad van hun voyeurisme. In Beddepraet zijn de voyeurs de gelijken van het naaiende paar: goden, godinnen. Ze zijn niet geprikkeld, maar geamuseerd: hun voyeurisme staat op een primitief peil: vervang Mars en Venus door een paar aan elkaar verkleefde honden, de jool der goden was er niet minder om. Maar nu het hier niet om honden gaat, stoort de aanwezigheid der goden het naaiende paar, - ze houden er maar mee op. Tussen die twee en hun voyeurs, hoezeer ook onderling elkaars gelijken: miljoenen lichtjaren! De graad van voyeurisme is in het tweede gedicht van veel hoger niveau, in feite een esthetische waardering van het schouwspel. Maar de voyeurs (eigenlijk voyeuses) zijn geen gelijken van de minnenden. Het zijn nimfen en er is een godenkind bij: Cupido. Ook zij zijn niet geprikkeld, evenmin op primitieve wijze geamuseerd, maar verheugd. Hun afwezigheid stoort ook niet, maar draagt tot de liefde tussen Venus en Adonis bij. Tussen hen en de geliefden: harmonie. Een trap lager dan de nimfen staan ongetwijfeld de saters uit het derde gedicht, in wiens gezelschap de dichter zich ook bevindt. Hun voyeurisme is van een geraffineerder soort, - éen dat speculeert op het exhibitionisme dat vrouwen en godinnen nu eenmaal ingeschapen is. Stellig zou hun aanwezigheid dan ook het liefdesspel van Diana hebben moeten verstoren, als ze niet zó behaagziek was, dat juist de wetenschap van te worden bespied haar des te intenser van haar liefde deed genieten. Zij speelt een spel van aantrekken en afstoten dat de saters tergt en dat hun moreel laagstaande nieuwsgierigheid in zeker opzicht rechtvaardigt. Haar preutsheid die het pikante van de scène verhoogt, maakt haar tot een buiten bereik liggend voorwerp van niet genoeg te wantrouwen verlangen. Ze bruskeert een paar grenzen, ze rekent op onze sympathie voor insubordinatie, ze ontneemt de realiteit zoveel zekerheid, als ze de illusie die ze schept kracht van werkelijkheid verleent. Loop, geitevoeten! - dat is, als Diana het zegt, een uitdaging te blijven. Loop, geitevoeten! Dat is, als de dichter/lezer het zegt, een voor zich opeisen van een door voyeur en exhibitioniste in elkaar gezette wereld. Maar op zijn minst denkt iedere sater zijn rivalen weg. Het kan dus niet anders of iedere sater, en dus ook de dichter en dus ook de lezer, vereenzelvigt zich met de onschadelijke Endymion en voelt zich wèl verbonden - in de geest - met Diana, maar niet met een van zijn medevoyeurs. En wanneer Diana heen most in 't ende, dan voelt ook hij zich, evenals de godin zelf trouwens, teruggeworpen in zichzelf: het voor een ander zijn blijft een droom waarvan de verwezenlijking telkens verschoven wordt, gelijk de horizont zich verschuift voor wie er heen wil. Wie aan de realiteit wil ontkomen, kan alleen maar naar het onbereikbare verlangen. De compositie van Poots cyclus wordt duidelijk. Het eerste gedicht fungeert als een springplank voor de erotische fantasie. Het toont, hoe, in den beginne, het geil gedrag van een paar goden een zondeval is, die niet alleen voor die twee de schone droom brak, maar ook voor de mensen. Maar heling van de breuk is mogelijk, zegt het tweede gedicht. Als Venus Mars allang vergeten is, doet haar liefde voor Adonis een nog niet geziene bloei van de natuur ontstaan. Nimfen verschijnen. De tijd overtreft de gouden eeuw, en mogelijk is een reprise van dit wonder niet uitgesloten: 'Spitsbroeders, komt er nog zo'n tijd...'. Natuurlijk was Poot realist genoeg om het degeneratief historiebeeld van Hesiodus te delen, maar, men ziet, zonder de hoop te laten varen. Het derde gedicht vindt, in tegenstelling met het tweede, niet in den beginne plaats, maar in een heden dat ons een veel belovende toekomst voor ogen houdt, - een toekomst helaas, die met iedere stap vooruit van ons evenveel stappen terugwijkt. Geerars nu meent, dat Poot koos voor een van de drie door hem geschetste mogelijke verhoudingen tussen man en vrouw. Poot, zegt Geerars, verwerpt de eerste mogelijkheid: dat is puur sletterij. Hij doorziet de tweede mogelijkheid als een dagdroom, en zo is hij wel aangewezen op de laatste, deze van een in de geest te beleven liefde. Maar moest Poot kiezen? Als hij De verliefde Venus als een dagdroom zag, waarom hem dan niet zoveel intelligentie toegekend dat hij ook De maen bij Endymion een dagdroom noemen zou? De achttiende eeuwer wist dat hij de schuldige beschaving een terugkeer naar een staat van onschuld of een voortgang naar een toestand van durend geluk in de weg stond. In Poots gedichten verbeeldt het eerste de schuldige beschaving, het tweede de verleden natuurstaat, waarin allen met allen verbonden waren, het derde een in de toekomst verborgen utopie waarin allen op personalistische grondslag met die Ene verbonden waren. Indien al een keus, dan was deze van Poot een voorlopige. Want duidelijk is, dat hij naar de gemeenschap en de schuldeloze natuur terugverlangde, zoals hij ook uitzag naar de eenzaamheid van het rijk van de geest. Hij wist wellicht beter dan anderen, dat geen artist ontkomen kon aan een personalistisch verbond met het hogere. Hij verbond zich dus met Diana - ook al omdat haar liefdesspel vergeleken bij de twee vorige, het meest een esthetisch spel was. Maar mocht de eeuw van Venus die blinkerder is dan de gouden herrijzen, dan, wellicht, zou zijn hart zich bevrijden, omdat het, beter dan de rede, geweten zou hebben, dat men naar het edelste verlangen de weg vrijhouden moet, of moet maken. Poot koos, onder voorbehoud. Maar zijn cyclus is, méer nog dan zo'n keus, de uiteenzetting van de responsorische actualiteit van de achttiende-eeuwse mens. Rousseau zou komen en beide dagdromen verbinden in de idee dat het terug naar de natuur op paradoxale wijze een stap vooruit zou zijn. Maar door de verhouding te tonen die er bestond tussen Venus en haar nimfen enerzijds en Diana en haar saters anderzijds, gaf Poot al aan, dat hij er wel enig idee van had, onbewust, hoe de vrijheid van de enkeling tot een harmonisch samenspel te brengen met de gemeenschap. Het contrat social berust in principe op deze reeds oude ideeën.
|