Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Lichamelijke taal

Een wijze van lev/zen (2)

Rudy Cornets de Groot



Cornets de Groot met model voor stripteasesessie, nauw herkenbaar afgedrukt op het omslag van 'Een wijze van lev/zen'.
Foto Hendrik-Jan Koldeweij, 1968.
Onderzoek naar de motieven tot het ongemotiveerd gebruik van grove woorden

In het Nederlands vindt men grove woorden onder werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden en zelfstandige naamwoorden.
Grove werkwoorden en van grove woorden afgeleide werkwoordsvormen treden op in drie afzonderlijke functies, en wel:
1) ter aanduiding van het hebben van geslachtelijke gemeenschap (fieken, neuken, naaien, etc.)
2) ter aanduiding van een beslist vast te stellen onhandigheid (bv. Wat sta je daar te pielen, jongen?)
3) ter aanduiding van kletsen, zwammen, praatjes verkopen, etc. (bv. Hij lult maar zo'n beetje).
Opmerking verdient dat woorden als lullen, pielen, kloten etc. nooit worden benut als de eerste functie van grove werkwoorden wordt benut in een uitdrukking. Bij de derde functie daarentegen verdient het onze aandacht dat daar maar éen uitdrukking gebezigd wordt: wèl: hij lult, maar nooit: hij pielt, hij kloot. Daarentegen vinden we: wat een gepiel, wat een gekloot, wat een gelul. De primitieve psycholoog die in ons schuil gaat, heeft inmiddels al besloten dat zwetsen, zwammen etc. een typisch vrouwelijke aangelegenheid is, en het bevreemdt hem dan ook, na enig nadenken, dat voor deze specifiek onmannelijke vorm van vrijetijdsbesteding nooit van de grove aanduiding van vrouwelijke geslachtsorganen gebruikt wordt gemaakt voor de vorming van een bruikbaar werkwoord. Blijkbaar zijn remmende factoren in het geding, - maar van welke aard zijn ze? Redenen om subtiel te zijn, of niet beledigend voor de vrouw heeft iemand die toch van plan is zich grof uit te drukken, allerminst.
Stellen we het volgende rijtje op:

ga je naaien?
ga je fieken?
Wat zit jij te pielen!
Wat zit jij te kloten!
Jij lult maar zo'n beetje

en vragen we naar de betekenis, dan is het duidelijk dat bij de eerste twee zinnen de letterlijke betekenis der woorden van toepassing is. Om volledige helderheid deelachtig te worden op het stuk van de zin dier woorden is het grijpen naar een woordenboek genoeg - althans bij wijze van spreken. De aanschouwelijkheid is hier het grootst: iemand die ons de betekenis van het woord 'naaien' duidelijk wil maken, kan volstaan met ons van die handeling een demonstratie te geven, als hij daartoe tenminste te verleiden is. In de volgende twee zinnen is de aanschouwelijkheid al een stuk minder! We zien bij het woord pielen in het geheel geen piel! We zien hoogstens twee linkerhanden bezig, maar niet met een mannelijk lid. Bij de eerste twee voorbeelden zien we dus - althans ons voorstellingsvermogen werkt er zonder mankeren; bij de twee volgende zinnen dòen we alsof we ze zien. De laatste zin uit ons rijtje is volmaakt onaanschouwelijk. Hier kunnen we ons niets bij voorstellen, als we er niet van op de hoogte zijn dat in het Nederlands het woord 'lult' opgevat moet worden in de zin van 'zwamt' (of een synoniem daarvan). 'Lult' kan eenvoudig niets anders betekenen, - vervangingsproeven tonen het aan:

jij kookt maar zo'n beetje
jij bouwt maar zo'n beetje
jij zwamt maar zo'n beetje

Vraag een Nederlander welke zin van toepassing is op jij lult maar zo'n beetje, en hij zal de laatste zin aanwijzen.
We mogen zeggen dat onze voorbeelden een zekere graad van aanschouwelijkheid veroorzaken bij degeen die de woorden hoort of leest. De eerste twee voorbeelden hebben een aanschouwelijkheidspercentage van tegen de honderd, de volgende twee aanzienlijk minder, het laatste voorbeeld heeft een percentage van nul komma nul. We mogen zeggen: de betekenis is in de eerste twee voorbeelden letterlijk te nemen, in de twee volgende figuurlijk, maar in het laatste voorbeeld is de voorstelling loos. Het is die loosheid die de oorzaak is van het feit, dat de grove aanduiding van vrouwelijke geslachtsorganen niet in een werkwoord benut wordt ter aanduiding van de activiteit 'kutpraatjes verkopen'. Men volstaat eenvoudig met dit ene werkwoord lullen als men kletsen bedoelt. Alle andere grove uitdrukkingen die eveneens deze zin hebben, moeten als neologismen worden beschouwd; maar ze zijn dun gezaaid, en komen ze voor dan stijgt het aanschouwelijkheidspercentage niet gering! Zo vond Du Perron het werkwoord 'moerneuken' en de daarvan afgeleide vorm 'gemoerneuk'. Ook door versterking van de betekenis 'je lult' wordt de aanschouwelijkheid een handje geholpen, bv. 'je lult uit je nek' of 'je lult uit je nekharen'. De aanschouwelijkheid is hier niet meer nul komma nul, maar volledig is ze toch niet: op het niet belichte deel van het netvlies van ons innerlijk oog blijft de voorstelling blind.

Bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.

Een bekend Haags onderwijsinspecteur demonstreerde eens de woordarmoede van wat in zijn ogen 'volkskinderen' waren aan de hand van het volgende taallesje:

zo ... als gras
zo ... als sneeuw
zo ... als een paard

en zo voort! Men herinnert zich de bedoeling: op de stippellijntjes vult men de bijpassende woorden in: dus: groen, blank etc.
Maar iemand vulde overal het woord 'lullig' in, hij zal wel een tien hebben gehad. Het voorbeeld toonde mij iets anders dan de inspecteur voorzweefde, en wel dit: dat grove bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden overal bij kunnen staan: 'een lullige rotmeid', 'Lientje, doe niet zo lullig'.
Het feit dat zulke woorden overal bij kunnen staan, toont dat ze van hun aanschouwelijkheid zijn beroofd. Bijgevolg is letterlijke toepassing onmogelijk.

Zelfstandige naamwoorden.

Deze functioneren vaak als scheldwoorden voor mensen of dieren, en als zodanig zijn ze vaak in aansprekingen opgenomen: 'Hee, lul, kijk es uit!' Mogelijk is hieruit het gebruik ontstaan sommige mensen met een naam te karakteriseren: Jan Lul, Lulletje Rozewater, van welke laatste naam ook een Latijnse vorm bestaat, die - omdat het Latijn is - moeilijk als grof kan worden beschouwd. Maar echte bijnamen zijn die aanduidingen van een persoon toch niet, - daartoe is het gebruik te incidenteel en op te veel personen van toepassing. Ook bij de zelfstandige naamwoorden is de aanschouwelijkheid ver te zoeken. De letterlijke betekenis blijkt alleen wanneer het woord inderdaad slaat op de zaak of handeling die het noemt. Dit woordgebruik is bij de 'volkskinderen' van onze inspecteur heel normaal: in het algemeen kennen zij de Latijnse benamingen der mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen niet. Hen, die deze namen wèl kennen, klinken de volkse namen grof in de oren, ook als de spreker niet bedoelt grof te zijn. Zolang geen opzet tot kwetsen aantoonbaar is, is het het beste het air van beschaving dat een handjevol Latijn ons verschaft, maar op te geven. Zo'n houding maakt ons toegankelijk voor een boel mensen en voor een hoop literatuur die vaak ten onrechte onze ergernis opwekken. We zullen moeten bedenken dat een literatuur, die geen plaats geeft aan het gewone taalgebruik van gewone mensen, zich buiten de gemeenschap plaatst, en daardoor geen beeld kan geven van wat in die gemeenschap leeft.
Met dit pleidooi voor het gewone grove woord is een meer gecultiveerd gebruik van het grove woord uiteraard niet veroordeeld. Ik wees al op het ingeburgerde gebruik van de naamgeving Lulletje Rozewater. Dit inburgeren is er oorzaak van dat zulke woorden vervlakken. Veel aanschouwelijker dan deze laatstgenoemde naam is dan ook de Latijnse vorm Penis Aqua Rosa. Zo gauw de neiging er is om het vulgaire te esthetiseren, dient de mogelijkheid tot het vinden van neologismen zich aan, en het is alweer Du Perron die wij hier als voorganger mogen begroeten, sinds hij als pseudoniem voor zichzelf de naam verkoos van Kloot van Neukema, een kennelijk Friese, dus on-Hollandse naam. Zeer vaak worden grove woorden met een exotisch sausje overgoten, - dat hoeft niet altijd Latijn of Fries te wezen, en de namen hoeven niet altijd op dieren of mensen te slaan. Aardrijkskundige namen schijnen zich in het bijzonder voor dergelijke aardigheden te lenen, bij voorbeeld:
naaiekkere folls (Lucebert) ipv. Niagara Falls;
Tittmoning en Pielenhofen (Vestdijk), plaatsnamen in Een Alpenroman;
Titimakoe en Poepjanknor (Harry Mulisch), plaatsnamen in Wat gebeurde er met sergeant Massuro?
Ook hier zit geen opzet tot kwetsen achter en ook hier doen we er verstandig aan begrip op te brengen voor de welopgevoeden die met de welopgevoedheid de draak steken en daardoor eerder aan de kant staan van de onopgevoeden dan aan die van de mensen die vinden dat welopgevoedheid een hoogst serieuze zaak is.