|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
|
Een wijze van lev/zen, Mouette Press, Oxford, juli 1969, p. 1-36.
Voor Herwig Leus
Men dient in te zien dat het uitgebreide en het beknopte hetzelfde beogen (Epicurus) M'n koetsier onder de lantaarn tegen de muur in slaap gesukkeld, moest ik wakker schoppen: we waren zeker nog een paar dagen reizen van huis. Zijn ogen nog uitwrijvend, spande hij de paarden in. Op, naar de volgende kroeg, dacht ik. In zo'n koets hield ik het niet langer uit dan drie kwartier, hooguit een uur. 'Jan', zei ik, wijzend met de stok, 'wat heb je op die muur getekend?' 'O', zei Jan, 'dat is een hoefijzer, meneer'. 'Een hoefijzer! En al die haren, Jan?' 'Dat zijn toch geen haren, heer. Het zijn guirlandes, klimop, bloemen, lauweren, een vijgeblad...'. 'Je hebt er iets bijgeschreven, Jan, wat staat daar?' 'Kut', zei hij plomp. 'Er staat kut, maar het is een hoefijzer. Ik heb lang moeten wachten, heer. Men verveelt zich, men tekent iets, men voelt zich betoverd. Er gebeuren erger dingen, waar u niet kwaad om wordt, - en dan: dit brengt geluk'. 'Geluk? Gelul bedoel je. Waar jij toch niet aan denkt, als ik je alleen laat!' Als ik bezopen ben, heb ik het gevoel zowel dogmatisch als didactisch te moeten zijn. God is God ten slotte en als God God is, is de wereld de duivel. Eén is: zich eindeloos splijten en gespletenheid baart duizend dingen: een duizelingwekkende val in de diepte - een reeks aan het eind waarvan ik sta, met aan de oorsprong mijn Heer: hoe zou ik mezelf kunnen betreuren, zonder, onrechtzinnig, ook de boze te betreuren? Hoe zou ik Hem loven, zonder mezelf tegen zijn wil uit te leveren aan de gevallen engel die deze aardkloot werd? Helaas, de wereld spreekt in mij - wie ben ik, dat ik de koetsier het rechte pad moet wijzen? Een voorzichtig man hoedt zich voor wat de natuur getekend heeft, en natuurlijk gaan zulke symbolische dingen vanzelf. Laatst nog ikzelf: toen ik me naar Marianne liet rijden, betrapte ik me erop de duim tussen twee vingers te hebben gestoken, volkomen gedachteloos. Want toen de gedachten kwamen, zat ik haar al onder de rokken. Nader tot U, dacht ik en ik stond opeens zover niet meer van Hem af, God nee, er was geen enkel verschil tussen haar en mij en Hem - mij hoeft niemand het wonder van de transsubstantiatie ooit te verklaren. De volgende kroeg, zei ik, met een tong, zwaarder dan mijn benen. De uitzonderlijkste reizen zijn deze, waarbij men zich niet verplaatst. Ik heb wel es de wens, nooit de vrees gekend, waanzinnig te zullen zijn. In de reiskoets lees ik een libel tegen mij gericht en tegen mijn wartaal. Het is waar, dat ik helder zie als ik schrijf, maar er zijn lezers die zich door de zekerheden hunner opleiding laten bedotten. Dat ze professoraal tegen mij polemiseren bewijst nog niet dat ze van hun stupide vooroordelen te bevrijden zouden zijn. Lang lezen deed ik dan ook niet: het rijtuig slingerde zo, dat de letters van het papier werden geschud. En ik had slaap. Het was stikwarm bovendien. 'Een koffijhuis', dacht ik, en: 'als ik wakker raak, is daar een koffijhuis'. Maar ik raakte niet wakker. Ook had ik niet het gevoel, dat ik sliep. Op de vloer lagen letters: De Geleerde Man, De Sotte Man. Naam van de zojuist verlaten pleisterplaats. Een vriendelijk plaatsje, maar niets te beleven. Conclusies op waarnemingen gegrond, zei ik. Toen we er kwamen, moest Jan nodig weg. 'Kniebandjes losmaken, heer', zei hij. (Met kniebandjes aan kan een paard niet hard lopen). Aan de toog achtergebleven hoor ik twee mannen aan, die Urinaal en Raasbol heten: U. 'Weet jij dat God dubbelslachtig is?' R. 'God? God is abstract'. U. 'Ik bedoel: Israëls God'. R. 'Ha, maar dat valt uit de bijbel niet op te maken. Iedereen weet dat Mozes en de profeten moeite genoeg hebben gedaan Hem los te maken van iedere menselijke voorstelling. Volgens hen is God onvoorstelbaar en volgens de theologen, die Hem niet voor niets de Voorzienigheid noemen vandaag de dag, ook. Alleen uit apocriefe boeken zou je een dubbelslachtig wezen van God kunnen maken, maar wie leest die onzin nou?' U. ' Mijn stelling volgt uit een van de eerste verzen uit Genesis: "God schiep de mens naar zijn evenbeeld. Man en vrouw schiep hij ze". God is zonder twijfel èn man èn vrouw'. R. 'Dat kun je niet zeggen. Als man en vrouw éen waren (hij steekt zijn duim tussen twee vingers) dàn kun je zeggen: dat is een beeld Gods. In hun gescheidenheid tonen ze hun onvolkomenheid. Maar God is volkomen'. U. 'God verenigt mannelijke en vrouwelijke elementen, is dat soms goed?' R. 'Dat kan. Waar heb je het voor nodig?' U. 'Ik ben op zoek naar een maan met een pik. Maar wanneer vind je die?' R. 'Wanneer de maan drie tuiten heeft...'. Toen wierp ik een blik door het raam en zag nog net hoe Jan, met aan elke arm een blondje, de dijk afschoof, achter de wilgen, en, om erger te voorkomen, wierp ik de kastelein een handvol geld toe, hup! de dijk af, Jan achterna. 'Wat bedoel je met kniebandjes losmaken, Jan?' vroeg ik in opperste verbazing. 'Helaas, heer', antwoordde hij. 'Fortuna is me kwaadgezind. Zij zond me deze twee op m'n weg'. 'Drommels, Jan', zei ik. 'Laat ik je van ze verlossen. Als ze 't me vragen, neem ik ze mee'. Ze vroegen het, niet met de mond, maar met van zulke ogen, als waarin men wanhopig verzinken gaat als in een leegte. Met haarwegslingerende bewegingen van het hoofd, en met klaterend gelach, dat de wind jaloers wegdroeg, een verre echo tegemoet. 'Lieve meisjes', zei ik, 'ik bied je een glas en opgewekte praatjes. Laat deze satyr zijn wandeling voltooien, en verdrijf m'n verveling, ginds in De geleerde man'. Ik bood ze een arm en begeleidde ze naar een tafeltje binnen, dat de waard juist aan het lappen was. 'Kastelein', zei ik, 'ik heb hier twee verrukkelijke wezentjes, weggelopen uit Gods hand, maar ik ken ze niet'. 'O, laat ik es kijken, UE', riep hij, en, ze opnemend, vervolgde hij, 'ik ken ze wel, en vertrouw me als ik zeg, dat u hier in de buurt moeilijk twee bedrevener en toch zo onbedorven meisjes zou kunnen hebben ontmoeten. De hemelse onschuld, meneer, - brengt u ze toch boven als men u bidden mag, en wat mag ik u schenken? Constance drinkt port, evenals Carla'. 'Hebben jullie zo'n goede naam?' vroeg ik opgetogen. We vervolgden de waard naar een kamer, waar hij de gebefte fles ontkurkte en de glazen volschonk. We dronken elkaar toe en spraken onzin; ik bevond mijn miniharem zo onbedeesd als ik maar wilde en had het aan mogelijkheden niet ontbroken, zeker zouden ze met het gebod in Ezekiël 17:16 de draak hebben gestoken om mij een pleizier te doen: hoe goed wisten ze met de vingers overweg als het erom ging de venusprikkel de hulde te brengen die ze toekwam! Ik verheugde me om het bekende in het vreemde: een déjà-vu van iets dat nooit gezien was; ze waren bovennatuurlijk, die twee: sterren, planten, dieren. Ik speelde met illusies en tastbare realiteiten, en ik wist waar en hoe ik de meest verheven hartstochten in ze op kon roepen. Wat ik van mezelf kende, ging onder in wat hier als naakte waarheid tevoorschijn kwam, miraculeus gemixt, een duim tussen twee vingers, een goddelijke hermafrodiet, de oude éenvoudige natuur hersteld, met de mogelijkheid tot talloze nieuwe hybridische verbindingen: een menselijke chemie, een cifra waarbij vergeleken het teken 69 in het niet verzonk. Allen tegelijk, rumor in casa, met vallen en opstaan, dacht ik nog, maar aan opstaan viel, wat mij en Constance betrof, maar al te spoedig niet meer te denken. Alleen Carla bleef onstuimig, en verstoord vragend wat er van háar worden moest, hield ze door het open raam een toevallige jongeling aan, met wie ze zich een ogenblik later zonder zorg om ons in bed wierp: das Naturell der Frauen ist so nah' mit Kunst verwandt! Een maan met een pik, - de maan volgt het rijtuig op de voet. Ken ik het nog, Um Mitternacht?
Gelassen stieg die Nacht ans Land, Lehnt träumend an der Berge Wand, Ihr Auge sieht die goldne Wage nun Der Zeit in gleichen Schalen stille ruhn... (Eduard Mörike) En werkelijk klinkt een kerkklok in de verte. Als we niet gauw voortjakkeren vinden we geen rustplaats meer vannacht, maar waar vind ik een maan met een pik? In ons land niet gauw, denk ik. De maen bij Endymion: een maagd. En nochtans! Die saters in dat gedicht: wezens, evenals de nimfen, onmiddellijk uit de chaos ontstaan - hoe ongescheiden man en dier waren zij, die, mèt de nimfen de actieve en passieve vermogens van de godheid belichaamden, de prima materia vormden waaruit de mens geboren worden zou, indien die maar bezield zou worden door het wezen Gods. Helaas, de goden zijn jaloers. Poot wist het wel en zei het ook in Mars en Venus beddepraet. Maar ziet De verliefde Venus die ik dagelijks aanroep eindelijk de kans vrij, zwemt dan niet - ten gevolge van haar liefde - het omgelegen land in dartelheid en vreugt? Reien zich niet eerst dan de nimfen hand aan hand? Wanneer dat gebeurt, verliest de eeu van gout zijn glans - deze eeuw waarin kommer en ellende niet bestaan en de aarde alles uit zichzelf voortbracht. Die eeuw is voorbij, we weten het. Hoezeer dan deze waarin de nimfen ontstonden? En geen van beide tijdperken zijn voorlopig te verwezenlijken, de saters ten spijt.
't Geil vier brandde onbegrenst. 't Is lichtelijk te gissen Wat dit gebroedsel wenscht, zegt Poot van hen. Maar Diana's liefde had alleen effect op Flora's rijk, zoals men weet:
De bloemen aen den top Des berregs, loken op...
De geleerden zullen het wel weer niet met me eens zijn, maar de drie gedichten Beddepraet, De verliefde Venus en De maen bij Endymion voeren niet alleen tot een climax die in het laatste gedicht te vinden zou moeten zijn. Ze vormen bovendien een drieluik, waarvan het midden de ware tuin der lusten voorstelt en de twee zijpanelen de alternatieven. Zo staat ook in onze geest de moeder tussen hoer en maagd. De breuk in de volheid is onze corrupte goden te wijten: éen nimf in het derde gedicht had allen gered... Diana dus, - een maagd. Maar zeker geen Priapische Artemis, - geen maan met een pik. En tòch, die maan met drie tuiten! De taal laat het denkbeeld toe: nooit zal iemand subliem kunnen denken als zijn taal niet in staat is het sublieme tot uitdrukking te brengen. De maan, voor de etymoloog een mannelijk woord, voor de mytholoog een godin. Wat weten we van de etymologie van dit woord? maan vgl. onfrank., osaks., ohd. mâno, ofries, oeng, môna, onoors mâni, got. mêna, te vergelijken met lat. mensis, gr. mèn 'maand', lit. menuo 'maan'. Af te leiden van de idgerm. wortel mê 'meten'; de maan is dan de 'tijdmeter', wat hij inderdaad van de vroegste tijd geweest is: de Germanen berekenden de tijd naar nachten, zegt reeds Tacitus en ja, Um Mitternacht bevestigt dat de Duitsers 't - in poëzie - nog steeds doen. Ze moraliseren óok, zoals Matthias Claudius:
Sieht ihr den Mond dort stehen? Er ist nur halb zu sehen Und ist doch rund und schön. Schijn bedriegt, dus, maar desondanks: geen pik. En Kinkel? Gottfried Kinkel?
In gleichem, festem Gleise Der goldne Wagen geht... Keller dan, over de maan:
Der nach verlornen Strahlen jagt, Ist er der Sonne Ährenleser? Zo spreekt Keller, Gottfried Keller over hem en vindt al ineens een beroep dat, sinds Ruth, gelijk men weet, door vrouwen uitgeoefend wordt: bij Keller is de maan al bijna een vrouw! En Hölderlin?
Sieh! Und das Ebenbild unsrer Erde, der Mond Kommet geheim nun auch, die Schwärmerische, die Nacht kommt. Langs slinkse wegen maken Keller en Hölderlin van de maan een vrouw. Van twee tegengestelde polen een mnl. en een vrl. vindt een gelijktijdige beweging plaats naar een punt waar noodzakelijk een hermafrodiet moet ontstaan, maar g.v.d. - waar is die dan? En ook de wagen verlaat de hoofdweg nu en houdt al plotseling stil voor een herberg De twee maenen. 'Hei, hallo', hoor ik Jan schreeuwen, en in weerwil van het reeds zo late uur, is er na enige tijd grendelgeschuif en in de openklappende bovendeur tekent zich een boevenafschrikkend gelaat onder een slaapmuts af. 'Is het hier zo vol?' vraag ik de waard in de gelagkamer, terwijl ik over onder dekens liggende landlopers stap. Maar nee, daar is nog een kamer, zegt hij, 'volgt u dus de keukenmeid die daar wacht, met de kaars al in de hand; intussen zorgt Jan wel voor de paarden'. En waar ik me niet bidden laat, en haar integendeel volg, en op de voet volg, ontgaat het me niet, hoezeer haar rokken éen fluisterende dankbetuiging zijn aan voor onvoorstelbaar genot geschapen heupen. En zie haar in mijn kamer over de tafel reiken om een plaats voor het licht: lijkt dan het keurslijf niet iets ruimer, die boezem niet iets witter, juist daar waar men donker vermoedt? Men vindt een goudstuk, nietwaar, reeds blikkert het in het licht, en ei, is niet die boezemstrook nog veel toegeeflijker? Ze loenst, onmerkbaar welhaast, maar haar wondermooie ogen krijgen daardoor iets van dat hongerig-stompzinnige waar men voor door de knieën gaat. En daar weet ze het nog uit te brengen: 'Maak niet een eerlijk meisje verlegen, heer'. 'Wat nou', zeg ik: 'een mooie meid zou in een herberg eerlijk zijn?' Helaas, zegt zij, ze ziet geen kans te blijven, men is wakker, men let op haar, en ze houdt er ook niet van, zegt ze, deze Annet, met die ogen, ze houdt er niet van, mag ook de zoom van haar onderrok naar verhouding al evenveel gerezen zijn, als de zoom van het décolleté gedaald. Het ware prettiger, meent ze, als zij haar terughoudendheid kon laten varen, indien ik slechts beloofde evenzo met mijn vooruitstrevendheid te zullen handelen. We spreken dus af, ofschoon ik er weinig heil in zie, - met drie kwartier, een uur zal ze wederom zijn, als allen slapen. Met een klap op haar billen laat ik haar gaan, en nauwelijks wil ik de koffer in, of daar valt mijn oog op een exemplaar van de NTG! 2 De NTG! Voedstervader van mijn jeugd! Het tijdschrift met oog voor details, kleinigheden, onaanzienlijkheden, onzichtbaarheden, het tijdschrift dat het immateriële van materie voorziet! Dat werkt aan de boompjes alsof er in het geheel geen bos bestond! 't Is een oud nummer, zie ik, de 2e aflevering van de 61e jaargang: van '68 dus nog. Maar een blik op de inhoud leert me dat de alom gevreesde A.S. Lötermann weer danig van leer trekt, op de blz. 104 tot 107, en wel in een traktaat over de motieven tot het ongemotiveerd gebruik van grove woorden, een artikel dat merkwaardigerwijs een eigenaardig licht werpt op de wetenschappelijke achtergronden van deze criticus en op 's mans allerminst wetenschappelijke karakter! Lezen we dat, waarde lezer, want, gelijk Samuel Johnson volgens Boswell al zei, niets is te gering voor zo onbeduidend een schepsel als de mens. Het is door onze aandacht voor kleine dingen dat we ons de grote kennis kunnen vergaren om zo min mogelijk in kommer en zoveel mogelijk in geluk te leven. Ach, ook zij leven in deze siècle des petisses - gelukkige Boswell! Een der eerste Europeanen die er een goeroe op na hield! En wat voor éen! Eén die het zeggen kon en zei: dat een verlangen naar kennis een natuurlijke trek is van de mens: iedereen die niet verloederd is, zou alles op willen offeren om zich kennis te verwerven! Lezen we dus, waarde lezer, dit traktaat, volgen we Johnsons raad, en houden we ons daarentegen doof voor de woorden van Faust, wiens kennis immers tot niets leidde, gelijk hij dat zelf vast moest stellen, alvorens Mefisto hem te hulp schoot...
|