|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
|
Intieme optiek, Nijgh & Van Ditmar, 's Gravenhage, Rotterdam, 1973, p. 131-137.
SYSTEMATISCH Ja, dat 's wel waar, doch in 't systeem Daar zou 't volstrekt niet deugen; En dus - dat ik de vrijheid neem Te zeggen: 't is een leugen. (P.A. de Genestet)
Duitsland heeft de grootte van een provincie: Keulen, Dresden, Berlijn. Even buiten Scheveningen richten zich, zoals men weet, de Alpen 3 op, die het Noorden scheiden van de Provence, die bloeit terwille van Albi. 4 Geïsoleerd vinden we nog: Parijs, het vergane Rome, het onherstelbaar Athene, het onvergankelijke Florence. In de woestijn overzee ligt als een vage herinnering aan een grijs verleden Jeruzalem. Achter de woestijn de hoopgevende Goudkust. Zuid-Afrika is onbewoonbaar verklaard gebied. In het Westen overzee vinden we de eilandjes Groot-Brittannië, Ierland, Noord- en Zuid-Amerika, bij elkaar plusminus 1/4 van de oppervlakte van de Nederlanden. Het Oosten wordt beheerst door een kraterveld: Siberië, Hiroshima, Nagasaki. China - niet al te groot - verliest zich in onverkende vlakten. De gordel van smaragd, met de koningin van het Oosten: Batavia. Het onmetelijke Bikini: onbekend Zuidland. Dat is de wereld waarin ik leef. Daar is de antihistorische jungle van o.a. de 18e eeuw, bekend uit Een wijze van lev/zen. Daar en toen riep ik Lucebert op uit de 20e eeuw, en Du Perron, Vestdijk en Harry Mulisch om aandacht te vragen voor antitijdgenoten als Staring, Poot en Feith. Hindernissen bestonden niet, want de begeerte gebood. Mijn 'kritiek' - ik zeg maar gewoon 'kritiek' - toont een systematische ordeloosheid in denken, leven, lezen en voelen, met als doel te laten zien hoe de gevestigde orde meer en meer geïnfiltreerd wordt door het irrationeel, en hoe dat laatste uiteindelijk die maatschappelijke orde verandert, omwoelt en vernietigt. Niets blijft. Het woord is zelfdestructie in slow motion. Het essay, en zeker het mijne, is een zichzelf vernietigend apparaat. Maar het is de vergankelijkheid zelf die liefde voor het vergankelijke mogelijk maakt. Alleen al daarom verzet ik me tegen kritiek die, vermomd als de rechtvaardigheid en zeker even blind als deze uit onlust geboren werd en gehanteerd wordt als een akte van seclusie. Ik ben geen polemist van huis uit: ik werd het. Ik leerde van me af te bijten. Zo leerde ik nog net op tijd inzien dat het plezierig is een vreemde dood te slaan om een wond en een broeder om een buil. Ik besef met voldoening dat er veel in de wereld is dat ik met enthousiasme en zonder daar schuld aan te dragen volkomen haat: oprecht van hart. Men spreekt te gemakkelijk van subjectivisme en objectiviteit. Wie zich van zijn eigen wereld bewust is, en van zijn antihistorische data die hem van de eisen van de geschiedenis bevrijden, ziet vanzelf in dat het realiteitsprincipe de begeerte vermoordt, de kans op een beetje geluk. De objectieven lopen achter, altijd. De menselijk vrijheid vieren, de onherhaalbaarheid van het moment, at andere zaken zijn dan de conditionering van het gedrag, valt bij hen b.v. onder 'literatuurtheologie' of onder ongeoorloofde vrijheid. Nee, dan zij! Zij onderwerpen zich aan een stringente methode! Hoe zal ik ze duidelijk maken dat zij die z.g. literatuurtheologie door een onuitgesproken aanrakingsverbod buiten spel hebben gezet? Het is waar dat de werkelijk belangrijke dingen in de literatuur mysterieus zijn, en waar is het ook dat het mysterieuze niet rationeel is en daarom? geen? object? van? wetenschappelijke? studie? kan? zijn? -. Maar is het daarom eveneens waar dat de waarheid in pacht gegeven is aan een paar idioten die alleen maar het rationele in hun gezichtsveld dulden? Wie alleen maar van een controleerbare methode alle heil verwacht, wie meent niets te mogen dien dan het verstrekken van verifieerbare informatie, verifieerbare informatie en niets dan verifieerbare informatie, wat nog iets anders is dan de waarheid, kan ook alleen maar iets zeggen over wat objectief aantoonbaar is, maar niets over de werkelijk belangrijke problemen van de literatuur. Hij heeft zich de kans ontnomen het mysterieuze te onthullen, het irrationele bewust te maken en daardoor het rationele te vermeerderen: immers 'literatuurtheologie' is taboe. De wetenschapper houdt er zich verre van uit eigen vrije wil. Dreigementen van buitenaf zijn dan ook volstrekt overbodig. Er bestaat immers een innerlijke zekerheid - irrationeler kan het niet - dat overtreding van het verbod hem buiten de kring van zijn in-group plaatst. Maar waar een verbod is, moet een begeren zijn en waar het realiteitsprincipe heerst, wordt dit begeren onderdrukt. De wetenschapper schrijft de essayist heel vlot een benijdenswaardige vrijheid toe. Maar hij kijkt wel uit, zichzelf een weinig benijdenswaardige angst toe te schrijven voor het voorbeeld dat de vrije essayist voor hem is. De verleiding tot nadoen, het infectiegevaar van het taboe, moet hij daar geen maatregelen tegen treffen van een uiteraard dwangmatig karakter? Wie het verdrongen verlangen naar die vrijheid bevredigt, krijgt dan ook al die neurotici op zijn dak. Hij wordt afgestraft, en het is de straf zelf die het de heren wetenschappers mogelijk maakt ook het taboe te doorbreken: niets pas onwetenschappelijker dan hun kritiek op het werk van zo'n essayist. De zich wrekende critici zijn dan ook geen haar beter dan de dissident, integendeel: ze zijn beroerder. Zij zijn, als alle machthebbers, zo slecht als ze maar durven. Hun reactie op 'onwetenschappelijk' werk is het best te verklaren uit geconditioneerd wangedrag. Zeg methode en ze kwijlen, zeg vrijheid en ze vliegen u naar de strot. Wat is daar voor wetenschappelijks aan? Ik heb schijt aan wetenschap, dat weet toch de eerste de beste idioot. * Mijn vrij onbeveerde lachebek (Jan G. Elburg) Wanneer in het creatief proces de logica en het causale denken uitgeschakeld kunnen worden, moet dat ook in de kritiek mogelijk zijn. Het is voldoende - in eerste aanleg - woorden, gedichten, boeken, op te laten wellen uit de herinnering. Hemel en aarde gaan ten onder en herrijzen. Waarom zou dat anders zijn met het woord? Iets kunnen vergeten, zich vergissen, waartoe geen computer in staat is, is creatief. De zuiverste kwaliteiten van het artistieke denken zijn onmogelijk zonder het defect dat ze in beweging zet. Derhalve: deformatie van teksten helpt je soms op weg, vooral als je geen pech hebt. Kritiseren kan een psychisch automatisme zijn, gevoed door liefde of haat, dat de tussenkomt van het toeval mogelijk maakt en de logica logica laat. Niets geldt dan het verlangen daarin op te gaan: in dat woord, dat rijm, dat boek - en niets is ook belangrijker dan het vinden van alle middelen om daarin te slagen. Het gaat om de droom, de dagdroom, de meditatie, het magische, mythische en mysterieuze - het gaat erom situaties te provoceren waarin het denken verstoord wordt, mythen, fantasmata worden geboren, waar de kritiek profijt van trekt. Intieme optiek jongleert met de literaire objecten die het lezen schept. Ze worden losgehaakt van hun natuurlijke functie en tegenover elkaar geplaatst in een relatie die absurd is: Feith, Freud en ik, b.v. Feiths Julia barst van de freudiaanse symbolen; het boek is op sommige plaatsen in droomtaal geschreven en volgens het procédé van de automatische schriftuur uit het onbewuste ontstaan. In theorie misschien niet, maar in de praktijk verwachtte Feith stichting via de tong door de geest. Zijn werk is een recherche op godsdienstig gebied. Religie is voor hem emotionele noodzaak. Daarom is hij nog geen obscurantist. Hij vermoedde de armoede van de rationalistische filosofie. Maar hij was ook overtuigd van haar rijkdom, omdat hij - en iedereen in zijn tijd - geloofde dat de rede voor alle aardse problemen de oplossing al klaar had. Waarom zou de rede niet ook over kwaliteiten beschikken die de spirituele kanten van het leven konden onderzoeken? Wie haalde het in zijn hoofd grenzen te stellen aan de rede? Intieme optiek opereert in de tegenwereld, de antihistorische. Daarom is intieme optiek zowel fantastisch als mimetisch. Door de intimisering van het zien krijgt de wereld, de werkelijkheid, het leven pas aanzijn. Intieme optiek is een queeste die een structuur veroorzaakt, identiek met de queeste en ze is gegrond op de weldoordachte en maniëristische behandeling van via het boek zich voordoende associaties en irrationele interpretaties, ontlokt aan antwoorden op zulke in het ook lopende zinledige vragen, dat het fictieve karakter dier vragen onmogelijk kan worden geloochend. Het intieme karakter van deze verhouding tussen lezer en boek is de conditio sine qua non voor het naar de oppervlakte brengen van gegevens die zich aan de objectieve blik onttrekken - gegevens waarvan het kenmerk misleidend genoeg is om de waarnemer te doen geloven dat een nadere verklaring van hem niet wordt verwacht en een zinlege vraag nog minder. Natuurlijk is intieme optiek naïef. Maar aangezien ze de mimesis is van een fantastikon, is ze vooral ook betrouwbaar en bovendien iets amusanter, iets interessanter dan wat gedistantieerde objectiviteit tot nu toe presteerde. Men kan dus ook zeggen dat intieme optiek gewoon onzin is, die het op zich genomen heeft af te rekenen met veel dat gevestigd is of voor de hand schijnt te liggen; onzin die zich niet weerhouden laat door wat verboden is of taboe. Noem me daarom gerust charlatan, literatuurtheoloog of losbol. Onlust van anderen dulden leidt immers tot verdraagzaamheid, en hoewel ik werkelijk niet weten zou waarom dat mijn probleem zou moeten wezen, zeg ik: 'doen jullie maar. Een aantal nullen te moeten verduren is niets te hoeven verduren. En dat is dan mijn verdraagzaamheid: de weg naar mijn Nirwana, en ik ga die: met vaste stap en vooruitziende blik'. Den Haag, 20 oktober 1971
|