Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Werken voor niemand

Intieme optiek

(Inleiding)



Cornets de Groot in de karate-uitrusting van zijn vriend Hans Dütting, ± 1983.
Vier fragmenten uit Cornets de Groots zesde bundel Intieme optiek (1973), die eerder in nagenoeg dezelfde vorm in het tijdschrift Soma werden gepubliceerd. Hun opneming buiten de context van het als eenheid gepresenteerde 'feuilleton-essay' is daardoor althans op historisch-bibliografische gronden gerechtvaardigd; herenigd kunnen ze opnieuw als éen doorlopend essay worden beschouwd.

Intieme optiek, een 'ronduit polemisch boek', zoals Cornets de Groot het later zelf zou karakteriseren, is volgens het voorwoord 'een eerste stap op de weg terug naar het begin. Al te lang heb ik ernaar gestreefd het op een akkoordje te gooien met een essayistiek die hier te lande voor aanvaardbaar wordt gehouden. Maar ik werd hardhandig uit de droom geholpen. Ik ga terug, haastig, haastig, verwarring zaaiend - "erudiet en potsierlijk", naar de eisen van mijn ars combinatoria. [] Ik was krankjorum dat ik, wat niet anders kon, anders wou. Ik wil gewoon weer schrijven zoals ik deed in het begin: hoopvol, - al zit het me natuurlijk tot hier'. 1
Bijna tien jaar waren inmiddels verstreken sinds zijn debuut, en hoewel Cornets de Groot in die eerste periode zijn essays te pas en te onpas placht te onderbreken voor sarcastische terzijdes en sneren naar 'hoogstervaren schrijvers', 'methodisten', 'vakidioten' en meer - als zodanig haast als stijlfiguur te herkennen - heeft het toch vrij lang geduurd voor hij de aanvallen op zijn werk rechtstreeks en exclusief beantwoordde. 'Ik ben geen polemist van huis uit: ik werd het. Ik leerde van me af te bijten', schrijft hij hier.
Inderdaad gaf hij in zijn eerste polemische artikel, het autobiografische Een onroman een bitterboek (1967), meteen al uiting aan zijn afkeer van het genre en de positie waar hij zich inmiddels in gemanoeuvreerd wist:
'Het zal wel iets bevredigends hebben je stuk te schrijven tegen wie zich als je tegenstanders voordoen. Ik heb echter geen tegenstanders, de tegenstanders hebben mij. Het schenkt me heel geen bevrediging allerlei hufters als hufters aan te wijzen. [] Duizendmaal liever had ik me gewijd aan een van projecten: een boek over Mulisch, een opstel over Achterberg, iets over plagiaat en plagiatoren, werk dat me vervult. Dit onzinnig gedoe tegen de bierkaai vervult niet mij, maar deze lui. En toch sta ik voor ze open, en wie hunner zijn vet wil hebben, kan het bij me komen halen, overal, altijd, ik ben een vriendelijk mens, en onuitputtelijk, al put het me uit'. 2
Toch had hij deze positie voor een groot deel ook aan zichzelf te danken. Essays als Een wijze van lev/zen werden niet in de laatste plaats geboren uit een behoefte aan provocatie, - zoals ook titels als Een proeve van Hineininterpretierung, Een hybridisch geschrift of Labirinteek mede de bedoeling leken te hebben de critici op de kast te jagen.

Het is ook in deze periode, aan het begin van de zeventiger jaren, dat Cornets de Groot voor Haagse Provoblaadjes politiek geëngageerde artikelen onder het pseudoniem A.R. Ronin begint te schrijven, een naam die hij als volgt verklaarde:
'Ronin is de naam, zei hij bij de eerste ontmoeting. Nee, niet op z'n Frans, ronin is Japans - een ronin is een samoerai die de dienst van zijn heer verlaten heeft, en rondzwerft door het land, in de hoop emplooi te vinden in een burgeroorlog'. 3
Over zijn ware motieven liet hij weinig misverstand bestaan. De bovengeciteerde passage vervolgt met de zin: '[Ik zie uit] naar een kans de Waarheid te ontkleden en geweld aan te doen, om haar, ontmaskerd door mijn leugenachtige valsheid, voor een waarheid te doen doorgaan, die waarder is dan ooit tevoren: mijn crime passionel op de muze'. 4
Deze aan Nietzsche herinnerende bekentenis 5 lijkt essentieel, omdat ze niet alleen van toepassing is op de polemieken, of op de provocaties die eraan voorafgingen, maar allicht ook op de onschuld waar alles mee begonnen was, en die hij in Intieme optiek hoopte terug te vinden, - maar waarvan hij verder verwijderd was dan ooit.
Eerst ná Intieme optiek zou hij erin slagen deze noodzakelijke polemische fase te laten voor wat ze was, - men zou haast zeggen: zodra hij er de kans toe zag. Het polemiseren zat hem nu eenmaal niet in het bloed, - en juist dit feit lijkt verantwoordelijk voor de ongekend felle en gedreven toon van zijn artikelen uit deze periode.
De hier opgenomen stukken zijn niet alleen gericht tegen de literair-kritische methode van literatuurprofessoren en close readers, maar vooral ook tegen hun literair-politieke methode: het doelbewust marginaliseren van al wie bereid is af te zien van de schijnbare zekerheden die methode, systeem en dogma bieden.


NOTEN
  1. Intieme optiek, p. 7.  
  2. 'Een onroman een bitterboek', Maatstaf, 15e jrg., nr. 3 (juni 1967), p. 160.  
  3. Idem, p. 146.  
  4. Idem, p. 161.  
  5. 'Ik heb de deugd een nieuwe aantrekkelijkheid geschonken, - ze werkt als iets verbodens. [] Pas doordat wij van de deugd hebben aangetoond dat ze een vorm van immoraliteit is, is ze weer gerechtvaardigd, - ze is ingepast en gelijkgeschakeld met betrekking tot haar fundamentele betekenis, ze heeft deel aan de fundamentele immoraliteit van alle bestaan'. (F. Nietzsche, Herwaardering van alle waarden [De wil tot macht], Meppel [etc], 1992, p. 558).