Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Beatrijs, Freud en ik

Nonnenwerk is monnikenwerk

(Inleiding)



Ontwerp gipsafgietsel, ongedateerd.
Minder dan een filologische studie of zelfs een essay zou men deze bijdrage aan de Beatrijsvorsing een kritiek kunnen noemen: niet op de vele eerdere commentatoren, als wel op het middelnederlandse dichtwerk zelf. Het eerste middel dat Cornets de Groot daartoe inzet is het tijdsbegrip dat in de Beatrijs een allesoverheersende rol speelt. Over de verschillende behandelingen van de tijd in Cornets de Groots werk zou een aparte beschouwing te schrijven zijn: enerzijds zijn 'kalenders' bij Vestdijk en Mulisch, de dagboekvorm van de bundel Striptease en de 'kebatinan', de Javaanse mystieke kalender in de roman Tropische jaren; anderzijds de 'totaliteitswet' uit Bikini, zijn 'anti-historische' beschouwing van oude literatuur, het 'dubbelproces' in de alchemie en de striptease, en tenslotte zijn aandacht voor 'synchroniciteiten' in zijn laatste werk. Nonnenwerk is monnikenwerk toont welke fatale gevolgen de conceptie van de tijd in de Beatrijs voor de morele en compositorische kwaliteiten van het dichtwerk heeft gehad. In het essay Motieven voor tijdschrijvers, opgenomen in Striptease, kwam hij hier nogmaals op terug.

Een tweede argument ontleent Cornets de Groot in Nonnenwerk is monnikenwerk aan de theorieën van Freud. In de bundel Intieme optiek werd het stuk geïntegreerd temidden van essays over Vestdijk en Mulisch, waarmee hij een nieuwe mythische, maar ook psychanalytische drievuldigheid - 'Vestdijk is de vader, Beatrijs de moeder en Mulisch de zoon' - benadrukte. Al vanaf zijn eerste essays maakt Freud deel uit van Cornets de Groots kritisch apparaat, al ligt in de vroegste periode - die van De chaos en de volheid en De zevensprong - het accent vooral op de uitbreiding en verdieping van de psychoanalyse in de mythologie, waar vooral Jung zich mee bezig hield. Vanaf Een wijze van lev/zen, en vooral in de latere periode van Intieme optiek en Striptease bedient Cornets de Groot zich in toenemende mate van begrippen en termen uit Freuds psychoanalyse. Zo worden in Nonnenwerk is monnikenwerk het lust- en het realiteitsprincipe tegenover elkaar gezet, herkent hij in Beatrijs narcistische en anaal-erotische trekken, en wijst hij haar ten slotte als 'dwangneurotisch typetje' af: een vroeg voorbeeld van hoe het niet moet.

Cornets de Groots gebruik van Freudiaanse termen en begrippen kan het beste worden verklaard uit de verhouding tussen lezer en tekst die in zijn werk - als in geen ander - wordt nagebootst, en waarbij minder een beroep op rationele of cognitieve vermogens wordt gedaan dan op intuïtieve, associatieve, speculatieve en wie weet ook meditatieve kwaliteiten. Cornets de Groot bedoelde met zijn lectuur geen bijdrage aan een theoretisch corpus te leveren, maar anderen deelgenoot te maken van bevindingen die alleen langs die weg en met inzet van eigen psychisch materiaal bereikt kunnen worden. De karakteristieken van zijn werk - zijn associatieve, op eigen indrukken vertrouwende werkwijze, het verbinden van ver uiteengelegen gebieden - zijn gelijk aan die van de psychoanalytische methode; zijn verkenningen van mythologische achtergronden bij schrijvers - astrologische, alchemistische, gnostische - zijn er de uitkomst van.

Meer dan tien jaar na het schrijven van dit essay noteerde Cornets de Groot op een los velletje nog: 'Beatrijs: de biecht. Het hele verhaal is de mythe van het biechtgeheim. Niemand weet 't. Behalve de Alziende, de Allesweter. En Maria. En Beatrijs'.
De biecht als voorloper van de psychoanalyse?