|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
Voor het beluisteren van deze lezing is het gratis programma Realplayer van real.com vereist. Op veel computers is dit programma al geïnstalleerd. Is dat niet het geval, dan kan het via deze koppeling worden geïnstalleerd. Klik hier om de lezing te beluisteren.
Iedere periode in de literaire geschiedenis heeft haar eigen artistieke taalgebruik. Maar niet alle schrijvende tijdgenoten bedienen zich van het heersend kunstzinnig idioom. Sommigen drukken zich anders uit: minder gevoelig voor het hogere, maar wel iets verstaanbaarder voor bredere lagen van het volk. En ze drukken zich zo uit, óf uit protest tegen de norm van het moment, óf om zich te onderscheiden van het artistentype; wellicht ook omdat ze het anders niet kunnen of willen. Daarom heeft het taalgebruik dat een literaire periode kenmerkt ook altijd zijn ondergrondse tegenhanger in de volkser taal van deze enkelingen, die zich niet uitspreken conform de geest des tijds. Om die reden werden ze ook vergeten: niet door de ongeschoolde tijdgenoot, maar door de tijdgelijke kritiek. En op gezag daarvan door een later geslacht, dat altijd minder gevoel opbrengt voor de eens zo tastbare realiteiten uit het verleden, dan voor de in dat verleden beleden hogere, en aanzienlijk onaantastbaarder waarden.
Wie literair gesproken zegt 'de 17e eeuw', zegt op z'n minst Vondel, Huygens, Hooft, en heeft het over de incrowd op het Muiderslot. Hij heeft het dan niet over Focquenbroch bijvoorbeeld, die zoals men weet niet door een elite werd bewonderd, maar die toch hele volksstammen amuseerde zonder zich om artisticiteit te bekommeren, en zonder de mensen met hun neus op het hogere te drukken. Zoals gezegd keek niet de tijdgenoot, maar een latere generatie op hem neer, en zij kon dat des te veiliger doen - en dus ook des te geringschattender - naarmate ze bewonderender opkeek naar die anderen: Vondel, Huygens, Hooft. Men begrijpe mij wel: deze laatste dichters verdienen die bewondering ook, - al is het even duidelijk als zuur, dat aan deze opmerking toegevoegd moet worden, dat die zo grif gegeven bewondering nauwelijks of in het geheel niet berust op lectuur van hun werk. De kunststijl van de gouden eeuwers werd op den duur tot het nogal lege cultuurbezit van velen, dankzij de panegyriek van critici en filologen natuurlijk, die zich overigens - en dat is al zo gebleven tot op deze dag - meer interesseren voor taalkundige en stilistische kwesties dan voor het lagere, dat men toch ook bij deze halfgoden in ruime mate vinden kan. Daarentegen bezonk de onliteraire of anti-literaire stijl. Ze werd uit dat cultuurbezit der velen weggezeefd, en ten onrechte bracht men de menigte bij dat die stijl voor tweederangs gold. De geringe waarde die de welopgevoeden aan dit soort literatuur toeschrijven, kan men niet beschouwen als een soort vluchthouding voor het spotzieke, scabreuze of obscene. Wanneer in die Gouden Eeuw iemand bewezen heeft dat obscene zaken in fameus, want Vondeliaans klinkende verzen gekleed konden gaan, dan moeten we wijzen op Merwede van Clootwijk, wiens werk uiteraard in slechte aarde viel toen, en ook regelrecht werd verboden. Wel maakte hij later veel goed, toen hij na zijn inkeer en huwelijk werk publiceerde dat even stichtelijk als vervelend aandoet. Populair werd Merwede nooit. Zo blijkt dat nooit het onderwerp - sex - de kloof overbrugt die de kunstenaar scheidt van het publiek, zoals men zegt. Men moet er zich om die reden voor wachten de term 'lichamelijke taal' te verbinden met associaties aan sex, of aan beeldspraak die steeds op het lichamelijke teruggrijpt. Het dempen van de kloof tussen dichter en publiek gebeurt niet door een onderwerp, maar enkel en alleen door een taalgebruik dat zich niet zo heel erg druk maakt om sierlijke wendingen in ingenieuze verzen, om esthetische aandoeningen of het wegredeneren van driften. Het gebeurt door het taalgebruik van dichters die zich niet van het publiek afwenden, die zich niet wenden tot een incrowd, en die al evenmin iets voelen voor een zogenaamde 'sociale' kunst. Door dichters gebeurt het, die een taal hanteren die zich niet richt tot het gevoelige trommelvlies, die daarentegen afstemt op het hart en alleen al daarom niet opzettelijk artistiek kán zijn.
Men noeme die taal op goede gronden lichamelijke taal. Die lichamelijke taal staat uiteraard tegenover onlichamelijke taal, wat nog iets anders betekent dan geestelijke taal. Lichamelijke taal staat tegenover het volatile, het romantische en het hogere, tegenover dat wat zich gaandeweg - en steeds meer naarmate de eeuwen verstrijken - losmaakt uit wat in een verleden realiteit ooit voor werkelijkheid werd gehouden, en dat om zijn immaterialiteit voortdurend aan prestige wint, en ons voorzweeft als iets dat zich engelachtig voordoet: onbereikbaar, Platonisch en Dantesk. Laten we reëel zijn. Natuurlijk gaat het iedere dichter om het zielsgenot, eerder dan om lichamelijk contact. Want openstaan voor een ander betekent immers voor iedere mensenziel akkoord gaan met het terzijde stellen van zichzelf. Maar wat de dichter bedreigt, is het gevaar dat hij zich losmaakt uit zijn betrekkingen met de gemeenschap, dat hij zich terugtrekt in zijn ivoren toren en zich uitsluitend druk maakt om van de wereld geabstraheerde waarden. De burgerlijke kunst, althans de kunst die in marxistische ogen als burgerlijk aandoet, komt ons voor als in hoofdzaak een kunst van deze waarden, een in hoofdzaak idealistische, individualistische, onlichamelijke kunst. Op die kunst heeft de lichamelijke taal het gemunt, om dit woord van de Vijftigers te gebruiken. 'In de menigte is de dichter een denkend mens' zegt Lucebert, in een naar de leuze zwemende uitspraak. Want dit gezegde geldt toch speciaal voor die dichter, die de ellende en de blijdschap en de taal van die menigte kent, en die zich zelf beschouwt als de 'dief van de volksmond', zoals alweer Lucebert het uitdrukt. Tot deze dichters die midden in de menigte staan, behoorde stellig ook Focquenbroch - en hij formuleert het karakteristieke kenmerk van lichamelijke taal in het volgende:
Ick singh met Harp, noch Luyt, noch Orgel Noch met een kunstigh maetgesang, Maer met een halfverroeste Gorgel Niet de geest, gesymboliseerd door harp, luit en orgel maakt zijn belangstelling gaande, maar het leven zelf: die halfverroeste gorgel. Ook andere dichters van lichamelijke taal laten zich over hun taalgebruik op overeenkomstige wijze uit. Robert Hennebo bijvoorbeeld schrijft:
Kom Mout-Wyn, en Jeneever-By, Hoofdoorzaak van myn Poëzy; En Koos Speenhoff:
Als je danst moet je niet weten Niet begrijpen wat je doet, Maar dan moet je bevend voelen Dat je dansen, dansen moet Lucebert richt zich in een van zijn gedichten tegen de dichters van de onlichamelijk taal, en kondigt daarbij meteen aan wat ons van hem en zijn gelijkgezinden te wachten staat:
ik bericht, dat de dichters van fluweel schuw en humanistisch dood gaan. voortaan zal de hete ijzeren keel der ontroerde beulen muzikaal open gaan. Niet de harp dus, maar de ijzeren keel. Allerminst de allerhoogste zaken, en veeleer dat soort dingen dat men in voorafgaande tijden had leren wantrouwen als in strijd met de geest, of in overeenstemming met het lagere, lichamelijke en materialistische. Daarom spreekt het eigenlijk min of meer voor zichzelf dat Focquenbroch, Hennebo en Speenhoff, om me tot deze drie te beperken, in hun tijd op subcultuurniveau moesten werken. Het inzicht in de betekenis van het materialisme en de economische onderbouw komt immers pas na Marx aan bod. En wat voor verschrikkelijke vergissingen in de gestalte van Adama van Scheltema, om daar de ergste maar van te noemen, sproten daar niet uit voort.
Van die strijd tegen in ons aanwezige destructieve strevingen, die ons naar het leven staan als wij er niet in slagen ze te beheersen, getuigt vrijwel iedere tekening, ieder schilderij, ieder gedicht van deze artisten, wie het er niet om gaat die machten - sexuele driften en de machtsdrift - te sublimeren of te verdringen. Al evenmin kan men stellen dat in hun kunst een onderdrukte sexualiteit zich vulkanisch ontlaadde. Men kan hoogstens zeggen dat die bronnen voor ondergrondse energie de vormwil van de kunstenaar aanwakkerde en scherpte. Een vormwil waarvan de weerbarstige, barbaarse, door geen hindernis te belemmeren bezieling bepaald wordt door de intensiteit van de strevingen tegenover zich. De fluwelen dichter delft tegen de aanslagen van het primitieve dier in zich het onderspit, en daarom stelt Lucebert zich voor als een muzikale beul, als iemand wiens stem en taal maar door enkelen naar waarde kon worden geschat, en die voor de vele overigen geen andere functie had dan die van zondebok, waarop men zijn onlustgevoelens kwijt kon. In het beroemde gedicht horror, dat voor tal van uitleggingen vatbaar lijkt, komt dit dubbelzijdige karakter van de dichter tot uitdrukking. Horror is geen gedicht dat een lezer tot sympathie met de daarin voorgestelde figuur brengt. Vrijwel iedere lezer stelt zich op tegenover dit gedicht en dus ook tegenover horror zelf. Zijn interpretatie van het geheel openbaart vooral dat wat in hém leeft, en horror doet dus ongeveer dienst als een soort van Rorschachtest in poëtische vorm, - die, zo voeg ik er aan toe, een waardering voor de esthetische kant van de zaak uiteraard niet in de weg hoeft te staan. Men zal beamen dat de eerste regels de beste geen poging doen begrip te wekken voor een man als horror. Deze regels:
savonds gaat heer horror uit (hij pienkt aan de ladies, hij pienkt aan de poem) maken in tegendeel de moraaltheoloog in ons wakker. De verdrongen sexualiteit zet ons tegen horror op, hij wekt onze agressiviteit. Reeds zien we een verdorven wellusteling in hem die het, evenals heer Halewyn, op de onschuld voorzien heeft; reeds vereenzelvigen we ons met die onschuld en maken we ons vrij van schuld, - maar alleen door die op horror, de zondebok, af te wentelen. Maar als we zien hoezeer het karakter van horror overeenstemt met dat van de beul, wiens hete ijzeren keel de dichter van fluweel afblaft, dan moeten we in heer horror wel een zelfportret in poëzie van de dichter herkennen. Wie zegt: 'hij pienkt aan de ladies', drukt zich in ieder geval niet in onlichamelijke taal uit.
Laat ik dat trachten te illustreren door de lectuur van een op het eerste gezicht vrij ondoorzichtig, maar in wezen tamelijk helder gedicht. Lucebert vervaardigt zijn gedichten altijd bijzonder bedachtzaam. In zijn poëzie vindt niet iedere opwelling direct een onderdak. Met het aanbod van de uitstroming van het subjectiefste experimenteert hij, lang, kritisch en niet uitsluitend op eigen gezag, maar heel vaak met behulp van het woordenboek van Van Dale. Lectuur van zijn poëzie komt dan ook niet volkomen tot zijn recht wanneer men daarbij dit woordenboek niet te hulp roept. Wanneer ik dan ook het gedicht het vlees is woord geworden zal gaan lezen - ik doe dat hier volledig - dan zal ik mezelf in die lectuur herhaaldelijk onderbreken voor een toelichting, waarzonder het misschien duister blijven zou. Allereerst de titel het vlees is woord geworden, deze omkering van 1 Johannes 14:1 'het woord is vlees geworden'. Men kent het gevolg van dit Johannitische vleeswoordingsproces: de taal werd een onlichamelijke taal daardoor. Om nu die taal opnieuw lichamelijk te maken, moet de dichter het vlees terug tot woord maken. Ik citeer nu de eerste strofe van het vlees is woord geworden:
nu komen ook de kooien van de poëzie weer open voor het gedierte van miro een vlo een lekkerkerker en een julikever raken met hun tentakels in de taal Miró is een Spaans schilder die zijn aan de fantasie ontsproten wereld bevolkte met ondefinieerbare wezentjes: het gedierte waar Lucebert van spreekt, en die hij vlo, lekkerkerker en julikever noemt. De tweede strofe begint met
oh droomkadaster gevoelig vatikaan Deze versregel heeft de vorm van een aanspreking. Er wordt hier iets toegesproken, maar wat? Wat zou Lucebert als een droomkadaster kunnen beschouwen? Daar past maar een antwoord op: in droomkadaster typeert Lucebert Van Dale's woordenboek. Ik herneem:
oh droomkadaster gevoelig vatikaan nu dwalen de devoten veel in uw terrarium en kikkerstar ademend op avondmis een aeralang - waarmee gezegd wordt dat de devoten, de dichters dus, veel in het woordenboek bladeren, en star als een kikker urenlang kunnen staren op een woord als avondmis, dat in Van Dale niet voorkomt. In Van Dale vindt men: avondmist.
en kikkerstar ademend op avondmis een aeralang - duister als bankgebouwen onder de onweerlucht - ruisend van inflatiegerucht In de nu volgende derde strofe komt de dichter weer als muzikale beul, als horror tevoorschijn, compleet met kanonnen en granaten en al:
maar snachts ontwaken de kanonnen hunner tongen en kwakend gaan de granaten van hun kreten over het ijskoude woud kinderen op hun ogen koud en schamel hurken om de stulpen van hun lippen We zien de dichters hier als omroepers van oproer, we zien ze lezen: 'kinderen op hun ogen'; we zien ze het gelezene verbaliseren: kinderen 'hurken om de stulpen van hun lippen'. Dat betekent dat op dit moment het vlees werkelijk woord werd. De dichter weet zich éen met het woord - en nu volgt de zeer begrijpelijk geworden versregel:
daar knettert het geraamte van de kerststal al Toen het woord vlees werd, gebeurde dat in een tot woning herschapen stal. Nu het vlees woord wordt, gaat de stal in vlammen op. Niet het kindje toont de dichter ons dus, - ik herneem:
daar knettert het geraamte van de kerststal al er is een heiland in met door zijn lijf vijf kogeltrechters voor een nagelval De slotstrofe is een dooreenhaling van de retorische beelden 'maden van de dood' en 'tranen van kristal'. Ze luidt:
de tranen van de dood de maden van kristal en ze bevestigt in de vorm die ze heeft dat het vlees, de retoriek, opnieuw tot woord wordt, tot nieuwe, raadselachtige, maar levende taal.
Men kan zich voorstellen dat er onder de experimentele dichters ook geweest zijn, die terugkeerden naar de wieg van de moderne Europese poëzie. Zoals men weet moeten we die zoeken in de Languedoc, het gebied van de troubadours en van de vrouwendienst. Het gebied ook waar die vrouwendienst allengs tot een vrouwenverering werd, een verering die na de overplanting naar Italië geen lichamelijke taal meer gedogen kon. Daar werd dus de kiem gelegd voor een taal die bij uitstek ónlichamelijk was: de taal van Dante, in wiens tijd keizer en paus geen eenheid meer vormden, de tijd ook waarin lichaam en geest uit elkaar gingen - en met de jaren steeds meer. Naar de pre-Danteske, Provençaalse tijd keert Jan Elburg terug voor zijn poëzie: naar de dichtkunst van de ridder die streed, en de minnaar die liefhad. Niet met de geest en uitsluitend met de geest, maar als ridder-minnaar, met die eenheid van lichaam en geest die het vlees woord worden doet. Ik citeer van Elburg het gedicht met de veelzeggende titel Dag en nacht
Dit is mijn meesteres, smal als een zonnestraal; een bloem ligt op haar tong. zij is een stem over het water, een liefelijk eiland met één inwoner, mijn meesteres. dit is zij, diep als haar ogen, buigzaam als haar naam in het donker tussen onze lippen. mijn licht en mijn donker is zij.
Lucebert deed dat ook nooit. Hij schreef een smartlap, door de Zangeres Zonder Naam gezongen, op muziek van Bruno Maderna, een door stem en intonatie verrukkelijk geworden meedeinertje, dat van de welbekende kloof niet veel meer overlaat: De soldatenmoeder
Zij heeft haar zonen in de krijg verloren
Zij haat de Roden nu, die ziet ze overal Ze wonen in haar huis onder de vloeren, Zij voelt hoe ze haar dagelijks beloeren Oh mensen, is dit niet een naar verhaal? (refrein): Zij hebben haar haar hart geroofd, Haar lichaam leeg en ook haar hoofd. Zij slaapt met stenen in haar bed en als zij opstaat is zij als dood. De Roden komen binnen in brood verborgen En in de nacht zij richten op haar knie een straal, Zodat die rood en pijnlijk op gaat zwellen, Terwijl haar buik, haar rug, haar hand vervellen. Oh mensen, is dit niet een een naar verhaal? (refrein) Een prooi der Roden verliest zij alle zinnen. Soldatenmoeder was zij, nu een lichtekooi. Als Amerikaanse moet ze ze wel haten, Maar geeft zich toch aan de Vietcong-soldaten. Oh mensen, dit deden de Roden uit Hanoi: (refrein)
|