Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - Lichamelijke taal

Lichamelijke taal

(Inleiding)



pentekening
Ongedateerd, pen op karton, 31,5 x 21 cm.

Dit essay, waarvan een lezing door de Radio Volksuniversiteit (RVU) werd uitgezonden, bevat een korte literatuurgeschiedenis aan de hand van het thema 'lichamelijke taal'. Met dit begrip - afkomstig van Lucebert, 1 maar hier in literair-kritische zin gehanteerd - wordt de taal van een literaire onderstroom aangeduid: van schrijvers die zich van het hogere niet teveel aantrokken, maar zich integendeel op een voor het volk verstaanbare wijze uitdrukten.
Aan deze aandacht voor 'lichamelijke taal' lag niet alleen een literair-esthetisch belang ten grondslag. Doorslaggevend was Cornets de Groots betrokkenheid bij artistiek-revolutionaire tegenbewegingen, die hij bevestigd zag in de klaarblijkelijke invloeden van alchemie en maniërisme in de literatuur van zijn voorkeur, en die hij op zijn beurt weer tot uitdrukking bracht in enkele bijdragen aan provoïde publicaties. Hoewel deze preoccupatie met het 'lagere' zijn aandacht voor het 'hogere' - de kosmische metafoor - niet uitsloot, vertonen Cornets de Groots literaire preferenties op het stuk van het 'lichamelijke' - eventueel de 'revolte', 'hybris', of andere voorkomende termen - inderdaad een vrij homogeen karakter. In 1985 noteerde hij in zijn dagboek:
'Ik zou als ik er de moed toe had alle historische literatuur die uitsluitend "literatuur" zou zijn voor mij, weg willen doen. Hooft, Vondel, Huygens, - maar niet Hoofts Historiën (de Nijhoff-bloemlezing) en niet Vondels Lucifer, en niet Huygens Kniedichten (Hellinga) en zeker ook niet Focquenbroch en Hermans' studie over hem. Maar wat heeft het dan voor zin de rest wel af te stoten?
Potgieter, Busken Huet: houden. En Bilderdijk? En Da Costa?
Maar bekijk het eens van de andere kant. Als je werkelijk niets van al die boeken meer bezat: dat was bij een denkbeeldige brand verloren gegaan, - wat zou je je dan aanschaffen?
Van het bovenstaande niet veel meer. Focquenbroch. De Lucifer, de Historiën, de Kniedichten. We beginnen met Multatuli: alles.
En verder zou ik het aanleggen op de belangrijkste Forumschrijvers, op de belangrijkste schrijvers uit l'Entre deux guerres (Greshoff, Bordewijk, Van Ostaijen - voor de mooiigheid - Burssens, van wie ik echt hou). Een aantal Vijftigers, Hermans, Reve, Mulisch, Wolkers, Jan Cremer, Jan Arends, Heeresma. Een aantal Tachtigers: Kloos, Boutens, Perk, Leopold. Van Deyssel, Van Looy, Gorter.
Onmisbaar zijn ook Roland Holst, A., Bloem, Slauerhoff, Dèr Mouw. Plus enig commentaar.
Buitenland: Sartre, Mann, Brecht, Hölderlin, een handjevol dadaïsten, Dali, Morgenstern, Rilke, Heine.
Je zou eens een lijstje moeten maken van schrijvers, die je werkelijk niet in je boekenkast wilt hebben. Warren, Zuiderent, Andriesse, Verrips, Morriën. Büch, Sötemann, Blok. 2
En een lijstje "ambivalent": Komrij, Gomperts, Fens.
En een lijstje "livre de chevet": Marie Cremers, Speenhoffs 100 gedichten, Van Duinkerken (maar niet alles), Engelman, Staring, en veel uit de Indische literatuur'. 3
Van al deze schrijvers op dit 'Procustesbed' 4 lijkt Lucebert de 'lichamelijke taal' het zuiverst te hebben uitgedrukt en vormgegeven. Zijn aanwezigheid in dit essay kan gezien worden als een tussentijds blijk van Cornets de Groots groeiende inzicht in de zeer specifieke betekenis die het begrip bij deze dichter kreeg.
Daarbij wijst het optreden van andere, onderling sterk uiteenlopende schrijvers als Focquenbroch, Speenhoff en Jan Elburg in dit essay minder op een al te algemene voorstelling van het begrip, dan op een 'fenomenologische' inslag, die veel van Cornets de Groots werk karakteriseert, en die overigens vooral niet moet worden verward met een behoefte aan alomvattendheid.
Tenslotte ontbreekt ook de erotische of sexuele component van het fenomeen - tegen de onmiddellijke associatie waarvan in het essay overigens wordt gewaarschuwd - niet in zijn werk. Een eerste voorbeeld daarvan is Een wijze van lev/zen, waarin aan bereidwillige meisjes geen gebrek lijkt. Naarmate Cornets de Groot meer beschikking kreeg over de door hem zo verlangde 'psychische taal', zou deze verbijzondering van het begrip tenslotte onontkoombaar blijken, getuige met name de autobiografische fragmenten uit de bundel Striptease en zijn daaropvolgende eerste roman Liefde, wat heet!
Tenslotte - ook hier - het meisje aan het strand: Bikini.

Verder naar:
Lichamelijke taal

NOTEN
  1. 'men strompelt vrijwillig/ van letter naar letter/ roept oe en a/ in de schaduw der schaamte/ de lichamelijke taal/ maakt licht ons en schande/ gaat sprakeloos schuil'. Lucebert, nu na twee volle ogen vlammen.  
  2. De laatste drie namen in het bijzonder wegens ongunstige besprekingen van zijn werk.  
  3. Dagboekaantekening van 14 november 1985.  
  4. Uit een advertentie in Maatstaf voor De chaos en de volheid.