Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Het persoonlijk systeem - De kosmische metafoor

Bikini (2)

Rudy Cornets de Groot



Copernicus dat is een licht dat geen romantische gevoelens gedoogt. In de duisternis van parken en kloosters, van kerken en bossen horen monniken en minnaars thuis, gebeden prevelend of een zoete naam: verslingerden aan het Woord. Maar hier onder deze zon regeert de barricadeheld, de microbenjager, de conquistador, de verlichte despoot. Geen woorden maar daden. Revolutie, anticlericalisme, een betere maatschappij - vrede: een paradise regained, het hele program der Verlichting ver voor de Verlichting. Het ideaaltype van deze beweging is Lodewijk XIV. Zijn particuliere revolutie van 1661 die hem het absolutisme schonk, zijn anticlericalisme, dat eindelijk de Gallicaanse Kerk vestigde, zijn betere maatschappij door bevoorrechting van de burgers, zijn (moeilijke) binnenlandse vrede en zijn paradijs in Versailles, dit middelpunt van Frankrijk, pralend paleis in 't centrum van een immense tuin, deze woning van de roi soleil, maken dat duidelijk. Hij had zijn heliocentrisme niet beter tot uitdrukking kunnen brengen, deze koning, dan door die architectuur.

Versailles
Versailles. Le Nôtre's tuinarchitectuur in dienst van Louis' heliocentrisme.

Waar 1661 als een belofte klonk aan Frankrijk, klonk Marsmans 'paradise regained' zo vlak na de oorlog zelfs als een belofte aan de wereld. Men doet verstandig te huiveren voor zulke heilige woorden. Wanneer lieden voor wie het begrip gemeenschapszin een holle klank is, mij iets beloven bid ik hen de belofte in te trekken. Doe het niet, zeg ik, ik hoor in jullie heilstaat helaas niet thuis, ik heb aanpassingsproblemen en jullie zijn de eersten niet die eigen wel en wee in veilige haven hopen te brengen door mij die plaats uit de verte aan te wijzen. Jullie komt wel waar je wezen wilt, misschien, maar het is, helaas alweer, over mijn rug. Je belofte is niet op mij, maar op eigen glorie betrokken. Bespaar me 1661, ik ben te veel democraat. Paai me niet door de burger te bevoordelen, Louis, en praat me niet aan, Henny, een 'goed soldaat' te zijn, want in weerwil van mijn gezindheid houd ik het maar op de ridderminnaar, o, gvd. blijf me van m'n lijf met je kunst!
Marsman, le poète soleil, die Echnaton kent op zijn manier, die zich verbroedert met Babylonische hemelbestormers en die de Dierenriem doorsnelt, is om al deze en andere feiten op een onmetelijke afstand van zijn medemensen verwijderd: hen, die hij tenslotte met 'volk' aan zal spreken, smekend, of ze zijn 'klankbodem' niet willen zijn? Het is tevergeefs, natuurlijk, wie had het anders gewenst? Uit die verte ziet hij ze ook niet eens goed. In zijn boeken leven ze niet. Ze lopen, zoals Ter Braak het zei, 'te symboliseren'. Het werkelijke leven dat is Marsman zelf, de rest is maar reflectie daarvan, zijn 'spiegelzaal'. Hij straalt uit, conform de zon: 'Hoe vaster ik slaap / des te zwaarder slaapt het heelal / kan het zijn / dat / de ellips der geschiedenis niets anders is dan het spiegelbeeld van mijn slaap?' (Tempel en kruis). Hij heeft uit dit beginsel, het dient erkend en ik erken het, moedig de consequentie getrokken: Hitlers hysterie vatte hij op als zijn boze droom en in overeenstemming met bovenstaand citaat zag hij in het ontaarde Duitsland 't 'spiegelbeeld van zijn slaap'. Marsman walgde dus niet omdat hij dit Duitsland zag, maar dit Duitsland kwam er pas als gevolg van zijn onpasselijkheid, het was de 'steenprojectie van zijn eigen walg' (Tempel en kruis)...
Door deze omtuimeling van waarden verdween zijn rust. Het hele stelsel stond op zijn kop. 'Die eens als zon in 't zenith heeft gestaan / zal bijten in het zand als een creperend dier' schreef hij naar waarheid. Het dolgedraaide heliocentrisme dat op zijn glorie doelde, maakte hem een zandkorrel gelijk, wie had het kunnen voorzien? De fout van Marsmans conceptie zit in de eisen die hij stelt. De normen waar zijn mensen en zijn paradijs aan moeten voldoen zijn namelijk pas aan te leggen in tijden van vrede en rust. Daar zoekt de despoot ook naar om 'verlicht' te kunnen zijn, om te kunnen schitteren dus. Het is de rust van het kerkhof en het is niet de rust die ik zoek...
Maar het evenwicht in poëticis is weg en moet worden hersteld. Er is maar éen oplossing daarvoor: Marsman moet zich zo spoedig mogelijk losmaken uit het middelpunt en er een buitenpersoonlijk beginsel in plaatsen. Een beginsel dat zich niet vernietigen laat, dat de middelpuntvliedende kracht overwint, om in de juiste afstand de juiste verhouding te bewaren. Die bindende kracht vond hij tenslotte in wat hij 'de creatieve geest' ging noemen, die van de Middellandse Zee. Eerst toen hij zijn werk daarin verankerd zag, daalde 'in zijn antieke hart vrede' neer.
Geen zonnekoning of er is een droit divin, zou ik willen zeggen, maar niet zonder daaraan toe te voegen dat deze ommezwaai voor Marsman een volledige bekering is geweest tot de astrologische vormenwereld. Hoe groot is het verschil tussen de creatieve geest van deze zee en die van bijvoorbeeld Ina Damman? Vele wegen gaan naar Rome, geen Copernicus die daaraan ontkwam tot nog toe.
'Et in Arcadia ego' schilderde Poussin en tal van beeldende kunstenaars kozen na hem hetzelfde onderwerp.

Poussin: 'Et in Arcadia ego'.

Newton had nog niets gezegd, maar het was al aanwezig: in het paradijs waarde hij rond, Hein, met of zonder zeis. Blindelings trapte je hem op zijn tenen. De lijn der redelijkheid verdween, de redelijkheid der lijnen. De geest der geometrie bezweek. Er was geen licht, geen kennis, geen rekensom. 't Oog werd blind voor lijnen en ontdekte slechts hier en daar een vlek. 't Kende de wereld niet meer maar gaf zich er aan over. Het vertelde niet langer over de dingen, maar gaf die zoals zij zich voordeden, in massa's, vlekken samengevat. De wereld van de vierde naamval, van het belangeloze denken was er een van de derde geworden, een wereld, die, zelfstandig geworden, handelend optrad. In tegenstelling daartoe werd het actieve oog, het 'tastorgaan', passief: spons, consument. De hele wereld zoog het op. Die drong zich in ons binnenste in en vestigde daar het rijk van de ethische datief. Daarom liet men in de dingen (die minstens zoveel gestalten hadden als er lichtverdelingen zijn) het innerlijk streven naar manifestatie in vormen los. Hij weigerde regelend - lineair - op te treden, de artist: passief, passief! De vlucht uit het scheppingsproces. De wereld regelde immers alles zelf?
Dat was de challenge, de responsorische situatie van de Newtonmens. Het beginsel achter het leven was een probleem geworden. Sinds Newton was het oneindige heelal of leeg of vol. De theologen raakten er niet over uitgepraat. Moest men geloven dat Christus' werking zich beperkte tot het menselijk hart? Moest men het kosmisch perspectief der theologie maar loslaten, of moest men integendeel voortgaan het heelal te bevolken met engelen en duivels, alsof Newton er nooit was geweest?
Wanneer het heelal leeg was, dan stelde men de mens daar als een volheid tegenover. Maar hield men het heelal voor vol, dan was de mens een zandkorrel gelijk. En geen van beide vraagstukken was voor een objectieve kijk meer vatbaar. De vraag was inderdaad: 'Hoe doet de wereld zich aan mij voor en hoe groot schijn ik mijzelf daarin toe?'

Ik meende ook de Godheid woonde verre
In eenen troon, hoog boven maan en sterre
En heften menigmaal mijn oog
Met diep verzuchten naar omhoog:
Maar toen gij u beliefden te openbaaren
Toen zag ik niets van boven nedervaaren
Maar in den grond van mijn gemoed
Daar wierd het liefelijk en zoet.

Hier is de zelfwerkzaamheid, de innerlijke drang der dingen naar manifestatie in vormen. Zo gaat het in het leeg heelal van de piëtist Jan Luycken voor wie de wereld niets was, het hart daarentegen, de kern van de kern, alles. Van dit piëtisme naar 'Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten' is maar een stap, en hij had gelijk, die de stap waagde: 'het gelijk van het gelijken / op een grote gek die door drinken denkt' (Lucebert, het gelijk - een chanson).
De andere kant, de nietswaardige mens in het vol heelal zien we in Pieter Nieuwlands 'Orion':

Vermeet'le! draait voor u alleen
De gansche schepping om u heen?
Is ze u alleen ten dienst gegeven
U, die uit nietig stof geteeld,
Het broos genot van 't vluchtig leven
Met vlieg en mier en made deelt?

Die zienswijze werd óok mogelijk na Newton: wij zijn geen kroon der schepping meer. Nieuwland zegt 't: het zij zo. Wij zijn larven, maden, vliegen.
Maar hoe zegt hij het, deze versifex, op een toon, uit een hoogte of hij Godzelf is. Natuurlijk stelt hij, objectief, wat niet meer zonder valse klanken kan, mens en mier op een lijn. Maar hoe lang houdt hij dat vol, dat zitten op een hoogte die hem niet past? Wanneer zal hij de hiërarchie waar in de Middeleeuwen niemand aan twijfelde, waar hijzelf nooit ernstig aan getwijfeld had, herstellen? Had hij met Darwin misschien een vooroordeel gemeen en was de laatste alleen wat gelukkiger in de uitwerking van zijn droom? Die lijn zat er in. Darwin herstelde de mens weer in ere, al gebeurde dat begrijpelijk genoeg onder luid protest van dominees en paters die de gedachte niet konden verdragen Adam van een paap in een aap te zien veranderen. Het herstel van de hiërarchie in de levende natuur ging gepaard met een secularisatie van het Middeleeuwse beeld: God was dood. Maar: de Uebermensch stond op het punt geboren te worden en daarmee was de mogelijkheid om terug te keren naar de vormenwereld van de astrologische metafoor, de wereld van de ridderminnaar, de cortegiano, de gentleman, die van het Herrenvolk èn van de honnête homme geopend, opnieuw. Zo komt ook Newton in Rome terecht. Er is weinig aan te doen. 'Mimikrie als leitmotiv', commentarieert Lucebert in zijn chanson.
Rome, de logotheologie, de eerste categorie uit het schema. Uit werk van Aafjes en Andreus - bien étonné de se trouver ensemble - stelde ik een 'echogedicht' in het 'hogere' samen, een samenspraak tussen Adam, zijn Schepper en een zoekende dichter.

Adam:
Eva, ik beeld. Ik kan u niet meer noemen
Zoals gij waart. Door een moeras van beelden
Waad ik mij naar u toe, omvat uw leden,
Die jonge hinden springende van wellust,
Sprankelende, spreidgraag. Ik sterf van beelden...
dichter:
Je naam? Maar ik ben je naam vergeten
Je letters kopen over in elkaar.
Wij zijn van zoveel ik bezeten
Dat wij geen leven hebben voor elkaar.
Ik weet je naam wel, maar hoe wil je heten
Springveer, Wilde, Kleine Clown, Vogelenhaar?
Adam:
Gij zult verdeeld zijn in uw eigen woorden
Zij zullen in zichzelven rebelleren
Hun ziel en lichaam strijdend om de voorrang
En eeuwig zult gij beelden en herbeelden
Om hun verloren eenheid te hervinden...
dichter:
(jij)
(...) een wijwatervat
en een prinsdom
en een diefstal
en een bastaard
en een fluwelen masker liefde
jij
Schepper, (tot Adam):
Zie gij zijt naakt, armzalige, uw spreken
Werd zinneloos van kaalheid. Ga, pluk lover
Het armetierige lover van de beeldspraak
Om er uw zuiv're naaktheid mee te dekken...
dichter:
Mijn ziekte, je hebt een bloedige naam
Daarom vraag ik om meer lettertekens
De taal dekt mij toe met te weinig dekens
Omdat ik mij steeds voor de ruimte schaam...

Dat is logotheologie! Afgaande op het geciteerde zou men wellicht geneigd zijn te denken dat beide dichters dezelfde visie op de wereld gemeen hebben. Het is niet waar, alleen hun responsorische situatie is eender. Een dichter, zegt Aafjes, is iemand die niet meer noemen kan, hij is tot 'beelden' gedoemd. Hij moet het doen met een surrogaat voor 'noemen', 'Want alles aan u (Eva) is onbenaambaar. Slechts vergelijkbaar', etc. Zo probeert ook Andreus snel alles onder de noemer 'jij' te brengen. Het heeft weinig zin helaas en al spoedig wil Andreus niets meer weten van wat zijn 'woorden aan zon weerkaatsen'. Ook bij Aafjes zucht Adam dat de woorden zullen trachten ''t Onzegbaar zuivere nog eens te noemen' maar 'niets dan 't schaduwrijk der beelden vinden'.
Dan komen de verschillen. Aafjes kent het principe achter zijn leven, Andreus nog niet. De een begint waar de ander eindigt: in het paradijs, het geluk. Zo eindigt Aafjes ook waar Andreus begint: bij het pessimisme van de in de wereld geworpen mens. Waar Aafjes het Woord verliest schijnt Andreus het juist te vinden:

En ik die heg noch steg wist waar dan ook
en ik die onder vreemde vlaggen voer
en jong was en toen al blind van gemis
maar hiervoor bestond: dit woord en een oer-
woord dit doorschemerend, ik wil nu ook
stilstaan en rond zijn, vanzelf als licht is.

Hij schept het transparante woord waar het oerwoord doorheen straalt, een lied om tegen het licht te bekijken. Men kan niet volhouden dat beeldspraak hierop gebaseerd autonoom genoemd moet worden, zoals Buddingh' aannemelijk hoopt te maken.
Die beeldspraak is theonoom en zij is het instrument van een categorie van schrijvers die hun leven zoeken te aarden in een 'jij' die het woord tot steunvlak heeft. Daar is het ook aan te danken dat het woord zowel in de religieuze als in de gebruikelijke zin van deze formulering een plaats kreeg in de logotheologische literatuur. Hoe groot is het verschil in de aanwending van dit tweesnijdend zwaard door de dichter Achterberg en de dominee Guillaume van der Graft? Men kan in bovenstaande zin bijna zonder liegen de beroepen van plaats doen verwisselen!
Waar komt de astrologische metafoor vandaan, psychologisch beschouwd?
Deze vorm - een ridderzanger die zich in dienst stelt van een donna, die door hem beschermd en boven allen verheven zich in aller achting verheugt; die metaforisch gezien het sterrenbeeld is van haar held (zij is bovendien haar eigen sterrenbeeld) - houdt een volledig lotsontwerp in.

Gestoken in het harnas en gezind
tot kruistocht, met de pauselijke zegen
is mij aan huis en hof niets meer gelegen,

zegt Achterberg ervan (in Spel van de wilde jacht).
Hoe maniakaal het schema kan worden vervuld bewijst Don Quichote. Hij raakt vervreemd van de wereld, een ontwortelde, die trouwens die vervreemding helemaal niet betreurt. Een rampzalige gebeurtenis (Don Quichote werd alleen maar gek, doch er zijn andere mogelijkheden) verhief hem boven eigen kracht en hij weet het nu: dat niets belangrijk was, niets - zijn ervaring niet, die fooi van het bestaan, en zijn bezit niet, zomin als zijn vertrouwdheid met zijn milieu. Eén ding werd van belang: het besef iets te moeten doen, de wil om een paar tronen om te gooien, een paar mensen op te lichten. Eigenlijk is het gewoon dit: Hoe overwin je een verlies zonder je door het pestleven te laten bedotten? 'Er stond een scheepje op de kast / dat was millioenen waard', zegt Speenhoff. Voor de ouders de smartelijkste, de liefste herinnering aan het verdronken jongetje uit dit gedicht. Bezielde herinnering: het is dit scheepje dat de koers van hun leven bepaalt: voorbeeld waarzonder hun bestaan op drift zou raken.
Ervaring en het voorbeeld vormen de bouwstenen van ons bestaan, misschien. Dan komt de ramp, die ons van onze verworvenheden (bezit, ervaring, aanpassingsvermogen) berooft. Maar tegelijkertijd gebeurt het miraculeuze, want in tegenstelling tot het verlies aan dit alles neemt de betekenis van het voorbeeld in omgekeerd evenredige verhouding toe. 't Scheepje wordt kostbaarder met de dag - Isolde mooier, liever, naarmate zij onbereikbaarder wordt. Neem Multatuli, bijvoorbeeld. Lebak wordt buitensporig groot - in onze ogen, hèm kon het niet groot genoeg zijn...
Al wat er na de ramp gebeurt staat in het teken daarvan, is daarin geworteld en spruit daar ook uit voort. Dit woord: het scheepje, Isolde, Lebak, Ina Damman, de dode Geliefde is het steunvlak van het daarmee aangeduide object, waar deze mensen van de hoofse ridder af tot aan Achterberg toe op jagen. Hun literatuur is een spel met het woord dat in het metafysische verankerd is. Zij zijn inderdaad een geraffineerd soort logotheologen. Zij zijn dat op grond van een overtuiging, die men gerust heilig of nagenoeg zo noemen mag.
Alleen mij is dit alles niet zeker meer. Sinds 1-7-46 werd de keuze voor het woord een precaire aangelegenheid. Sinds die dag immers ligt de tijd achter ons dat de wereld ondergeschikt moest worden gedacht aan het hogere waar dat Woord op doelt. Het leven zelf werd het hoogste goed. Mij is het daarom niet gegeven zelfs het kleinste vraagstuk los te zien van mijn bestaan. 't Belangeloze denken, het denken alsof ik er niet toe deed, gaat me slecht af en met academische problemen hou ik me niet meer bezig, nu problemen het recht verloren hebben academisch te zijn. Literatuur raakt mij dus, niet ergens maar overal en laat ik het daarom toch maar zeggen nu, dat literaire kritiek voor mij geen kritiek is, zolang zij geen kritiek is op het leven zelf...

Ga verder:
Bikini 3
Bikini 4

Of terug:
Inleiding
Bikini 1