|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
|
Wel hier, maar niet ván hier, boet zij de val der ziel in 't vlees - en naar die val gemeten had zij het licht allang moeten vergeten - Toch brándt dat licht - schoon niet in dit heelal. Gekneveld bij de zwijnen in de stal Liet ik haar naaien door 't godvergeten Tuig. Gloeide ook toen de vlam van mijn docete? 't Is alles schijn: te zoet is zij voor God! Zo blank van huid: geen slijk bezoedelt haar. Zo rank van lijf: geen vlegel die haar deert. Zo rein van ziel, verleent zij 't al haar glans: Zet flink de tanden in die kittelaar. Verhef u boven God die haar onteert, En vlak de sluitpost weg op haar balans!
|