|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
|
Striptease, Nijgh & Van Ditmar, 's Gravenhage, 1980, p. 43-47.
Ik moest in L. zijn, en nam de romantische busroute, mij door Grootstende aangepraat, die ik vanmiddag op zijn nieuwe adres bezoeken zou. Het landschap schonk ik pas mijn aandacht, toen ik zeker wist, er toch niet op tijd te zullen aankomen. 'Het huis staat rechts', had hij gezegd. Een noodbruggetje, wiebelend over het water, bracht me naar de overkant, maar 'rechts' stonden er verschillende huizen, die ik in de barre wind een keer of vijf voorbijliep, om een keus te bepalen. Een bemoeiziekkind weerhield me van een zesde tocht: ik belde aan bij het door hem aangewezen huis. En daar stond hij, in het zwart gekleed, - de vriend die jarenlang mijn goeroe was: scherpzinnig lezer, hoofdklasseschaker, onfeilbaar astroloog en zakenman. De halfgesloten gordijnen hielden bij het winterlicht de kamer in een atmosfeer voor opwellingen, zo aan hetonbewuste ontsproten! Bij het geluid van onze voet keek een anderebezoeker op, die zich aan mij bekend maakte: Brimbal. Ik struikelde over een lege fles port, maar er stond nog een half volle op tafel, en de gastheer stond al klaar met een nieuw glas en een uitnodigend gebaar. 'Stoor ik niet?', vroeg ik 'Storen? Zeker niet,' zei Grootstende. 'je komt juist goed van pas. Je kunt ons je oordeel geven over een verschil van mening'. 'Maar ik ben juist van plan mijn loslippigheid in de gaten te houden', zei ik, niet helemaal op mijn gemak met zo'n vreemde. 'Daar hebben we het juist over', zeiGrootstende. 'Over het fenomeen van de persoonlijkheid. Onze psycholoog hier is van mening dat dat begrip geen inhoud heeft, hoewel iemand als Vestdijk er geregeld over spreekt'. 1 'Het is schitterende gespreksstof, antwoordde ik. 'Schitterend en leeg', beaamde Brimbal, 'Hoe moet je het definiëren? Het is een vaag, glibberig en ongrijpbaar begrip!' Hij leek me niet eens uit de hoogte, niet buiten sporig snoeverig, hoewel ook niet overdreven bescheiden. 'Het is een wisselend begrip,' probeerde ik. 'Beschouw je persoonlijkheid en individualist als synoniemen, dan is Elsschot bv. persoonlijker dan Van Ostaijen. Maar hanteer je het begrip "epigonisme" als norm, dan zijn ze allebei voorbeeldig... "Innerlijke noodzaak" - nog zo'n term. Niet alleen poëtisch te rechtvaardigen ongrammaticaliteiten werden er door goed gepraat, maar ook regelrechte zonden tegen het taaleigen. Wat zeg ik? - die werden niet eens opgemerkt! Neem de contaminatie in "Want tussen droom en daad staan wetten in de weg". Toch is dat best een aardig vers, hoe krukkig het Nederlands ook is', zei ik, en schoof mijn lege glas opzichtig weg, in de richting van de fles. 'Schrijf jij nou maar een essay, jongen', zei Brimbal. 'Maar weiger oorspronkelijk te denken', vulde Grootstende hem aan. 'Een essay', zei ik met afwerend handgebaar, 'al is het nog zo briljant, vindt in kritische ogen geen genade, als er niemand bereid gevonden wordt, de verkondigde ideeën met zijn autoriteit te dekken. De vraag is, of een creatief betoog van wetenschappelijk belang kan zijn, wanneer het zou blijken dat ieder idee erin oorspronkelijk zou zijn'. Grootstende scheen het nogal aardig te vinden, maar Brimbal hield voet bij stuk: 'Daar heb jij immers geen moeite mee, met je in het verderf te storten?' 'Wat nou?' riep ik onthutst door deze uitval van iemand van wiens bestaan ik tot nu toe niet geweten had, en die me blijkbaar volkomen doorzag. 'Niets brengt ons zo gemakkelijk op het verkeerde pad als de eigendunk, zegt Goethe,' zei Grootstende, 'maar is zo'n verdoolde verdorven?' 'Ach kom, het begrip persoonlijkheid is niet in een bepaalde opvatting te vangen. Jullie, met je astrologie, jullie zouden bv. kunnen zeggen, dat ook Vestdijk er niet mee uit de voeten kon. Dat het persoonlijke bij hem op gaat in het bovenindividuele, en dat weer in het eeuwige; zoals de mens wordt opgezogen in zijn gesternte, en dit weer in het universum. Maar dan zitten we in de mythologie en kun je wel van alles beweren...' Ik was uit het veld geslagen. Grootstende opende zijn derde fles, om een eventueel inzicht, groeiend tegen de verdrukking in, met kracht van argumenten te kunnen staven. Brimbal hief sprakeloos zijn armen ten hemel. 'Hoed je voor de astrologische stijl bij het behandelen van wereldse zaken', zei Grootstende vaderlijk. 'Ik heb toevallig ontdekt, dat de wereld nogal profaan is,' liet ik me ontvallen, en, alsof ik eerder met briefjes dan met telefoontjes vertrouwd was: 'Aan welke beweegreden van de ziel moet je dat verschil tussen woord en geschrift, of juister, tussen bij elkaar en van elkaar verwijderd zijn, toeschrijven? Je zou toch zeggen dat het op een afstand makkelijker is je anders voor te doen dan je bent. Maar het is juist andersom'. 2 'Precies, dat is jouw hypocrisie', zei Brimbal. Maar Grootstende viel hem in de rede: 'Je overdrijft. Men schrijft over persoonlijke zaken in onzekere termen. Wanneer onze gevoelens oprecht zijn, is onze taal gesloten. Iemand heeft es uitgezocht, dat er voor een dichter maar drie manieren zijn, om een meisje te versieren. Hij zegt bv. "Pluk de dag", - het is nu de tijd; of hij zegt: 'Kijk, hoe ongelukkig je me maakt'. Of, maar dat is vooral tegen lichte meisjes, of tegen schandknapen: 'Ik zal je gelukkig maken. Met geld, of geschenken, of door je te trouwen'. Toevallig weet ik dat er een vierde manier is, wanneer dichters door omstandigheden worden gedwongen tot fluisteren en hun meisje tot zo'n scherpzinnig verstaan ervan, dat de grens tussen dat wat er eufemistisch uitziet, maar disfemistisch is, wordt opgeheven. "Toe dan aai me maar," zegt Arie van den Berg in Midnight tango. Elke persoonlijkheid is een idioom op zichzelf, een ogenschijnlijke inbreuk op de syntaxis van de soort'. 'Dronkemanspraat, wereldse hoogmoed', zei Brimbal. 'En tóch! Ik hou van dit proza. Het leidt tot niets, want die persoonlijkheid blijft ongrijpbaar, hoe sprekend je beeldspraak ook is. Wat doen we? Onze geest is altijd geneigd alles te interpreteren. We kunnen niets ongéinterpreteerd laten. Maar nou jij' - en daarbij wees hij op mij - 'jij legt dingen in een tekst die er niet zijn. Wie bewonderen we dan: de dichter of zijn exegeet? Ik vind jouw werkwijze onbescheiden!' Dat was lang geen domme opmerking. Maar mijn misantropie groeit erdoor, evenals mijn liefde voor de waarheid. 'Neem dat verhaal van je over de Beatrijs in Intieme optiek, waarin je zo veelbelovend start met het verband tussen de beelden van het aanbreken van de dag en de wachterliederen...' '0, maar dat is nog niets', zei ik provocerend, 'ik heb met betrekking tot de astrologie de grootst mogelijke moeite gedaan terughoudend te blijven...' 'De grootste terughoudendheid? Maar man, je houdt je er meer mee bezig dan goed voor je is', riep hij. 'De grootste terughoudendheid', begon ik opnieuw. 'Wat zou het niet aardig zijn, de hypothese te wagen, dat de twee Beatrijsen - deze van de op- en die van de neergang -, beelden voor de morgen- en de avondster zijn? "Hem dochte daer si voor hem stont dat die dach verclaerde" '. 'Jij zult ook werkelijk geen moeite doen ergens níet een symbool in te zien. Je symboliseert, je generaliseert, je rotzooit er maar op los, bv. als je zegt dat de invoering van de klokketijd in de dertiende eeuw het hele leven heeft geperverteerd in zintuigelijk en immaterieel opzicht.' 'Nee', zei ik. 'Jij generaliseert. Wat ik daar zeg, geldt voor het hele kloosterleven. En al noem ik tussen haken ook nog schepelingen en hovelingen voor wie de klok veel meer een praktische waarde had, - de rest van de mensheid trok zich van de klok eigenlijk niets aan'. 'In dat Beatrijsstuk gooi je allerlei eigenschappen op een hoop: netheid, precies zijn, zuinigheid met de tijd, neurotisch overleg dat tot dwanghandelingen leidt - en verklaart ze zonder enig commentaar tot anaal erotische trekken. Waarom is dat anaal-erotisch?' 'Maar jij bent helemaal geen psycholoog!' riep ik verheugd: ik had hem ontmaskerd. 'De eerste de beste ontwikkelde leek wéét dat dit anaal-erotische trekken zijn!' Grootstende lachte; Brimbal zei: 'Nee, geen psycholoog. Ik ben maar een eenvoudige krantejongen. Maar ik had natuurlijk kunnen weten, dat Freud alles wel mooi voor je op zou knappen. Zelfs het klokketouw van Beatrijs is niet veilig voor je. Maar had je je niet voorgenomen om literair werk uit het verleden met de ogen van de toenmalige tijdgenoot te lezen? Daar ben je dan wel een heel eind van af, wanneer je de middeleeuwse hoofsheid eenvoudig gelijk stelt met wat jij in déze jaren als conventioneel en geijkt en gepast om je heen ziet'. 'Maar dat doe ik niet', zei ik verontrust over zoveel vooringenomenheid. 'Ik zie de hoofsheid in de Beatrijs als conventioneel. En geen wonder: conventie is immers de ene pool van het hoofse, tegenover die andere, de mystieke aanschouwing van de geliefde, zoals je ervaren kunt bij Hadewijch. Als je wilt weten hoe leeg en gedachteloos de Beatrijs is, hoef je dat gedicht op het stuk van het hoofse maar met Lanseloet van Denemerken te vergelijken. En trouwens, iemand als Maerlant is als criticus nog wel doortastender dan ik: die doorzag het conventionele van zijn tijd als een illusie, en ... Zeg, vader! - heb jij soms een artikel van P. M. Reinders in de NRC Handelsblad van zestien november '73 uit je hoofd geleerd? Punt voor punt som je zijn bezwaren tegen Intieme optiek op!' Brimbal gromde; Grootstende kwam uit de keuken terug en riep: 'Ham!' En hij zette een stuk ham op tafel, waarin wreed een mes gestoken was! 'We gaan zuipen', zei hij, en ontkurkte de vierde of vijfde fles! 'Eerst kotsen', zei Brimbal; hij stond wankel op en keek me doordringend aan: 'Met die oosterling heb ik nog een appeltje te schillen'. Met snelle pas liep hij naar het toilet, met zijn vinger al in de keel. Pas toen ik in de bus naar huis zat, kwam ik op verhaal. Mijn zwaarmoedigheid nam snel af. 'Is het niet aanmatigend,' dacht ik, 'een instinctieve drijfveer "onbescheiden" te noemen? "Dronkemanspraat"?'. 3
|