Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot.


Bloemlezing - Striptease - De kunst van het falen

De kunst van het falen

(Inleiding)



uitnodiging voor presentatie De kunst van het falen
In 1978, na een periode van betrekkelijke stilte, maakte Cornets de Groot bij uitgeverij Bzztôh 1 zijn rentree met De kunst van het falen. Op formele gronden hoort dit 'ego-dokument' aan het begin van zijn tweede, autobiografische periode te worden geplaatst, maar qua inhoud behoort het nog tot het essayistische werk. Het bevat anekdotes en beschouwingen over zijn 'leermeesters' Greshoff, Rodenko en Donner, essays over Elsschot, Mulisch en Vestdijk en herinneringen aan zijn literaire vrienden Jan Arends, Heere Heeresma en Jan Molitor. In het hier gegeven Inleidend... passeren de belangrijkste momenten uit zijn toen vijftienjarig schrijverschap de revue: van zijn intree in de literatuur, de vondst van de kosmische metafoor en zijn omstreden positie in de literaire kritiek, tot aan zijn aandacht voor Vestdijk, Mulisch, de Beatrijs en tenslotte Lucebert, wiens Lilith-figuur van Cornets de Groot' verdere autobiografische œuvre het zinnebeeld zou worden.

Toch is De kunst van het falen geen poging om een en ander nog eens netjes op een rij te zetten. Cornets de Groots denken richtte zich veeleer op de 'kern' van het object van zijn aandacht, en een conceptie als de kosmische metafoor, dit onmiddellijke verband tussen schrijver en heelal - 'Vestdijk "is" astrologie; Marsman "is" heliocentrisme', 2 etc. - kon ook onmogelijk aan een causaal, lineair denkend brein zijn ontsproten. Het was deze concentratie, deze 'middelpuntzoekende kracht', die het labyrint deed ontstaan, 'waarvan het de kennelijke bedoeling is, dat men er pas uitkomt, naarmate men er zich steeds verder inwerkt'. 3
De kunst van het falen bewees dit opnieuw: het is een geschiedenis, in zoverre het autobiografisch is; denkt men dit verhalend element weg, dan laat het zien dat zijn werk inderdaad een 'labyrint', of 'open ruimte' is, die men van alle mogelijke kanten kan betreden: vanuit de kosmische metafoor, vanuit Bikini, de alchemie, het fantastikon en het plagiaat, vanuit al de schrijvers en dichters die hij er een plaats in gaf.
'Ik denk dat het open kunstwerk alleen dan kan ontstaan, wanneer ook de mensen "open" zijn, wanneer je ze in en uit kunt. Open mensen zijn doordringbare mensen, en de mensen werden doordringbaar. Röntgen, het kubisme, de democratie, film, fotografie, de dieptepsychologie, het interview breken je open. Zo is wat ik doe, ook "open" (de titels wijzen erop: De open ruimte, Ladders in de leegte, Striptease, De zevensprong)'. 4
Waartegenover: 'Mijn geliefde schrijvers zijn Lucebert, Achterberg, Mulisch en Hermans. Vestdijk natuurlijk en boven alles Van het Reve. Maar over hem heb ik nog nooit een letter geschreven. De volmaaktheid van zijn schrijverschap sluit dat uit. Zijn werk is aan alle kanten dicht'. 5


NOTEN
  1. Cornets de Groot' sympathie voor deze uitgeverij was gewekt nadat zij bereid was gebleken het vroeg-experimentele Chambre-antichambre in het licht te geven, een reeks experimentele prozateksten van Lucebert en Bert Schierbeek uit 1949, waar Cornets de Groot enige jaren bij verschillende uitgevers tevergeefs voor had aangeklopt. Het boek, bezorgd en ingeleid door Cornets de Groot, verscheen in 1978 als twaalfde titel uit het fonds.  
  2. Bikini, p. 148.  
  3. Labirinteek, voorwoord, p. 1.  
  4. Dagboekaantekening van 28 april 1986.  
  5. Interview door Rico Bulthuis, Haagsche Courant, 7 maart 1972.