Taalmetafysica

Over: Nachoem Wijnberg, Het leven van, Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2008.
Bron: Awater, jaargang 8, nr. 1, winter 2009, p. 36-37.

Omslag Wijnberg, 'Het leven van'

De problemen beginnen bij deze bundel al op het omslag. In een hagelwit veld staat in zwarte letters de naam Nachoem M. Wijnberg, en daaronder, in een groter korps: ‘Het leven van’. Hoe moet je dit nu lezen: als ‘Het leven van Nachoem M. Wijnberg’? Of ontbreekt er een derde term: de uitkomst van de woordenreeks? Een laatste mogelijkheid is de titel te lezen als ‘Van het leven’. Dat staat er niet, maar Wijnberg levert wel het materiaal om de titel zo te lezen. En wie dat doet, gaat allicht niet anders te werk dan Wijnberg zelf, die zoals uit de bundel blijkt, het beschikbare taalmateriaal telkens zo schikt dat er een ordelijk geheel ontstaat.

Het is niet voor het eerst dat Wijnberg taal gebruikt om inzicht in de werkelijkheid te krijgen. Met deze bundel vervangt hij de herhaalbaarheid van de liedjes uit zijn vorige bundel door de eenmaligheid en lineariteit van het proza: in deze gedichten vallen de regels telkens samen met volledige zinnen. Maar de inzet en het procédé zijn hetzelfde gebleven. Het is, kort en goed, een exploratie van de werkelijkheid die een retorische vorm oplevert waaraan een natuurlijke orde kan worden afgelezen.
Met dat laatste, de analogie tussen een grammaticale en een natuurlijke orde, geeft Wijnberg blijk van veel vertrouwen in de band tussen taal en werkelijkheid. Zijn gedichten doen geen verslag van gebeurtenissen uit het verleden, maar bedrijven een soort historische contingentie: wat gebeurt er, als …? Om die vraag te beantwoorden bedient hij zich van een logische redeneertrant, en van in programmeertalen gehanteerde constructies als als – dan; anders zus, of zo. Daarmee onttrekt hij zich aan de huidige flarfpraktijk: hij monteert geen willekeurige stukjes taal op elkaar, maar maakt zich meester van de taal en onderwerpt die vervolgens aan een hoogstpersoonlijke ars combinatoria. Het resultaat is een soort taalmetafysica die verondersteld wordt aan dezelfde wetten te beantwoorden als die op de werkelijkheid van toepassing worden geacht.

Dat levert mooie, doordachte, briljante gedichten op, die hun glans niet in de laatste plaats ontlenen aan het eerbetoon dat zij door dit puzzelen en rangschikken aan de poëzie zelf brengen. Maar tegelijk ontbreekt het aan vluchtlijnen en ontsnappingsmogelijkheden. Zijn gedichten zijn aan instructies, wetten en definities onderworpen, en zijn termen lopen binnen de kortste keren vast in een welbepaalde identiteit, die binnen zijn gedicht geldig is, maar daarbuiten onvermijdelijk uit elkaar valt. Het lezen van de poëzie van Wijnberg is dan ook als het leren van een nieuwe taal:

Mij aan de regels te houden zonder mij aan de regels te houden door daarheen te gaan waar de regels niet meer van toepassing zijn.
Ik zou mij ook daar aan de regels kunnen houden door ze toe te passen op wat van grote afstand kan lijken op waar de regels over gaan.
Maar waarom zou ik dat doen, om iemand die mij van grote afstand ziet niet in de war te brengen?
Achter vanochtend maakt de ochtend zich klaar wanneer de regels alles zijn wat ik heb.

zo zegt hij in een gedicht met als titel Mijn hart volgen zonder de regels te overtreden.
Tussen deze beide polen – het hart en de regels – beweegt zich Wijnbergs poëzie.

‘Ik vrees dat wij God niet kwijtraken, omdat wij nog geloven in de grammatica’, zei Nietzsche. Daarmee bedoelde hij dat onze dwalingen pas met de taal zijn ontstaan: dankzij het sprekend subject lag het voor de hand een substantie, een ‘ik’ als oorzaak aan te nemen: als ik dit doe gebeurt er dat. Maar de empirie laat zien dat de wereld niet uit substanties bestaat: ze wisselt per moment. Alleen omdat zoiets zich aan ons bevattingsvermogen onttrekt, voeren we de zaken terug op een oorzaak, op daders en daden. Het een leidt dan weliswaar tot het ander – maar niet tot begrip, want er is niets verklaard; er is alleen maar een stukje werkelijkheid geïsoleerd van de gigantische maalstroom die de wereld is.

Nu is Wijnberg verstandig genoeg om dat onder ogen te zien, en daarom komen zijn voorspellingen ook vaak niet uit – of de uitkomst wordt eenvoudig aan het verhaal onthouden, zoals de persoonsnaam aan de titel van deze bundel. Hij is nu eenmaal geen empiricus, maar een logicus: iemand die zo goed kan denken dat hij de ontoereikendheid van dat denken inziet. Zijn methode loopt stuk op de veronderstellingen die eraan ten grondslag liggen: taal en werkelijkheid vormen geen afspiegeling van elkaar. Natuurlijk is dat op zichzelf al een inzicht. Wat overblijft is een taal die doet wat het kan: klinken, bezielen, spreken tot het hart door de regels tot het uiterste toe te passen.

Over Damien Hirst »

Reageren

U kunt deze HTML-tags gebruiken.

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>