De eerste regel van Astrid Lampe’s vijfde bundel Park Slope luidt: ‘er was geeneens’. Wat dan volgt is dus geen scheppingsverhaal, sprookje, anekdote of geheim dat om ontraadseling vraagt. Integendeel, de ondertitel van de bundel is K’Nex – spr. uit: ‘connects’ – Studies, naar een Lego-achtig speelgoed waarmee allerlei soorten bouwsels kunnen worden gemaakt. Dat betekent dat in principe elk stukje taal op elk ander stukje taal gemonteerd kan worden. Het resultaat hoeft men dan niet te begrijpen; men hoeft zich alleen maar over al het fraais te verwonderen.
Met de titel en die eerste regel worden dus meteen een paar zware lasten van de lezer zijn schouders genomen. Hij hoeft zich geen hoofdbrekens te maken over een betekenis of een ‘achterliggende gedachte’; er valt, buiten de lexicale betekenis van woorden, niets te ‘begrijpen’. Wel wordt zijn verbeeldingsvermogen flink geactiveerd, maar zodra een aantal woorden of regels betekenis dreigen aan te nemen, kapt Lampe de boel af. Dan schrijft ze plotseling iets raars, iets ongerijmds: ‘significant in de bonen’ bijv., waar met geen mogelijkheid chocola van te maken valt, allicht ook door haarzelf niet, wie weet. Misschien bedoelt ze dat de taal bij haar niet op zijn significatieve, maar op zijn muzische kwaliteit wordt genomen? Geen betekenden, maar alleen betekenaars? Hoe dan ook gaat ze niet uit van een bestaande werkelijkheid, maar ontwerpt ze er, als een met K’Nex spelend kind, zelf een, waardoor de lezer alleen nog kan zeggen: dat klinkt goed (of niet), en dat is iets anders dan: dat begrijp ik.
Doordat haar poëzie zich tegen begripsvorming verzet, staat Lampe bij voorbaat op gespannen voet met het poëziedebat zoals dat tegenwoordig vooral op weblogs wordt gevoerd. In ‘Alice’s date / blogger in wonderland’, een gedicht met als ondertitel ‘een beetje prof houdt er tegenwoordig een weblog op na’ trekt ze liefst dertien pagina’s uit om die figuur – dat ben ik dus, o.a. – de oren te wassen. Lampe vindt al dat geklets over poëzie maar overdreven, zoals ze, zelf oud-actrice, huiverig is voor alle vormen van pathos en theatraliteit. Ze is daar nogal Hollands in: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Het gekke is, dat juist door die houding het gekke pas ontstaat. Wanneer niets zich kan vestigen, blijft alles ongrijpbaar, vreemd, kunstmatig, grotesk. Het verzet tegen aanstellerij leidt zo tot andere aanstellerij, tot Brechtiaanse onnatuur, die ook niet vrij is van dwang. Dat valt meteen al op aan de Van Ostayen-achtige typografie die in deze vijfde bundel voluit is doorgevoerd. Het is een visueel spektakel, dat het oog richt, en waardoor de gedichten ook niet adequaat meer kunnen worden voorgelezen. Tegelijk krijgen ze door de voortdurende zwenkingen en afkappingen zapp-achtige, flarf-achtige trekken: een verzameling uitspraken afkomstig uit verschillende bronnen. Het resultaat is een soort toneeldicht of oratorium, en dat verklaart waarom haar poëzie, ook in deze bundel, zich toch vooral voor voordracht leent, voor registratie door een fatisch orgaan als het oor, in plaats van door een kennend en begrijpend orgaan als het oog.
Toch is het niet zo, dat de verschillende stukjes tekst gebonden zijn aan specifieke ‘stemmen’ die in één corpus bijeen zijn gebracht. Het gaat wel om verschillende stukjes monteerbare tekst, maar er is maar één partij, en dat is het gedicht, dat op zijn beurt weer niet met de dichter kan worden vereenzelvigd. Immers, de stukjes tekst zijn als objets trouvés, die volgens de K’Nex-methode bij en aan elkaar zijn gezet. Er is geen enkelvoudige bron, geen 19e eeuws genie dat voor deze briljante waanzin verantwoordelijk kan worden gesteld. Er is alleen een tekst, die het hoegenaamd zonder auteur moet stellen, en die zich bij voorbaat van zijn vertolker distantieert. Wanneer je de dichteres haar gedichten ziet en hoort voordragen, krijg je de indruk van een vervreemde, op afstand geplaatste dame, die zich met haar acteertalent allicht een beetje aanstelt, maar die niet onverschillig is bij wat ze doet, – integendeel, die haast in shock lijkt te verkeren door de overstelpende verwondering die zich van haar meester maakt. Zou er, zo vragen wij ons met haar af, dan tóch een ‘achterliggende gedachte’ zijn, een wereld waarnaar verwezen wordt? Pas door deze poëzie, en die van vergelijkbare dichters, merken we dat dit niet het hele verhaal is, dat er iets onherroepelijk verloren is gegaan, iets wat alleen via deze onvolkomen weg aan ons kenbaar kan worden gemaakt. En zo is niets van betekenis, maar is het allemaal volop op ons van toepassing. Dat is, bij alle ongecompliceerde vrolijkheid, het ongemakkelijke, het vervreemdende, het trauma dat de poëzie van Astrid Lampe voelbaar maakt.
(Uit: Awater, najaar 2008, p. 36-37)
Joop Leibbrand, mijn oude mentor die nog altijd met me meeleest, schreef me: ‘Je slotopmerkingen spraken mij als cultuurpessimist en ondergangsprediker zeer aan. Die omineuze betekenisloosheid van een uiteenvallende werkelijkheid, die als zij opnieuw wordt opgebouwd de wereld niet meer is, is misschien wel het op een bepaalde manier voorvoelen van het einde van het aardse hoofdstuk mens. (…) Ik vrees alleen dat al die tekenen die er in de afgelopen honderd jaar in de cutuur op duidden, later nooit meer op hun voorzeggende merites beoordeeld kunnen worden. Als de ratten en de schorpioenen zodanig geëvolueerd zijn dat ze daartoe in staat zijn, is het daarvoor te laat.’
Dat is mooi gezegd, en het legt een opvallend verband met waar ik hierboven over begon. Toch had ik met die slotalinea heel wat anders op het oog. Ik doelde ermee op het idee dat de taal die wij spreken niet de onze is: dat wanneer je “ik” zegt, je je uitdrukt in een taal die niet van jou is. Het is een taal die je wordt bijgebracht, en waarvoor je, om erin binnen te treden, dat ik (het echte ik, het reële) moet prijsgeven. Dat is het verlies waar ik (en vóór mij Lacan) op doelde. Daarom heeft die taal wel betrekking op ons, maar kunnen we ons er nooit volledig in uitdrukken. Wat je dan hoort, wanneer je naar taal luistert, herinnert je via een omweg aan wie je was, zonder dat je je ooit adequaat in die taal kunt vestigen of herkennen, laat staan dat die taal je terug zou kunnen brengen naar wie je was. ‘Er was geeneens’: in die ontkenning van een aan deze wereld voorafgaande werkelijkheid schuilt de verwantschap van Lampe met Van Dixhoorn, en wellicht ook met Kregting en anderen. En toch is hun poëzie juist op die hermetisch afgesloten, onachterhaalbare en niet in taal te vatten wereld betrokken. Het is een poëzie die niet vrij is van paranoia: een beetje als bij sommige vormen van afasie, stel ik me voor, waarbij mensen wel kunnen spreken of luisteren, maar niet begrijpen wat er wordt gezegd, omdat ze buiten de taal staan. En toch heeft die taal met hen te maken, en dat weten ze.
(Oorspronkelijk gepubliceerd op 31-10-2008).

Recente reacties