|
Klik hier voor het weblog van
Rutger H. Cornets de Groot. |
|
Intieme optiek, Nijgh & Van Ditmar, 's Gravenhage, Rotterdam, 1973, p. 116-126.
Je krijgt feeling voor zulk soort werk. De vorming van je inzicht is ten slotte door een lang proces gegaan, zodat het er soms op lijkt, dat je spontaan de weg weet in om het even welk labirint. Want dit wil ik wel even in het oog houden: gestamel, het moeizaam zeggen van de gewenste uitdrukking, staat niet open voor eenvoudige vormen van aandacht en kennisnemen. Daarom wordt zo'n tekst ook tot een voorwerp waaraan zich gevoelens hechten gaan. Je aanvankelijke combinaties, zonder onderlinge samenhang nog, krijgen na lange omgang met deze pogingen het rationeel beschouwd onzegbare uit te drukken, een vaster organisatie, gaan over in clusters van persoonlijke aard: men verbeeldt zich een nieuw gebied tot eigen (geestelijk) bezit te hebben gemaakt. Tot welke wanhoopswoorden wordt Donner niet gebracht! Maar Mulisch zelf - zei die niet van zijn eigen affecten bij het doorlezen van (weliswaar ongepubliceerd) werk: 'Dit is wat ik zag: meteoren, uit de diepten van het wereldruim, soms van prachtige gesteente. Meer dan de helft begreep ik niet meer, geheimtaal was het geworden; cryptische tekens in de rotswand van een oude grot, mijn Altamira, sedert lang verlaten...' Donner doet in Mulisch, naar ik veronderstel? een voor mij niet geslaagde poging zijn bovenbedoeld essay uit Podium 1960 op losse schroeven te zetten. 'Het is', zo schrijft hij daar, 'een proeve van een geheel nieuwe wijze van literatuurbeschouwing en ongetwijfeld het beste, wat ooit over Mulisch is geschreven. Het is inderdaad volkomen onbegrijpelijk. Dat viel mij toen ook al op en trof mij zeer onaangenaam ...' Maar zijn tirade tegen d'Oliveira in dit boek lijkt me een betere verdediging - niet alleen van Mulisch', maar ook van eigen z.g. wartaal: '( ) Jessurun d'Oliveira, die Mulisch meende te moeten verwijten, "dat hij zijn verstand niet gebruikt," was b.v. een groot bewonderaar van Lucebert. Diens meest dolzinnige experimenten werden devoot en welwillend uitgeplozen, zeker niet op onverdienstelijke wijze overigens. Maar daar mocht het, dat was poëzie.' Maar natuurlijk is er niet een zodanig verband tussen 'je hersens gebruiken' en zó schrijven dat het d'Oliveira bevalt, als zou er b.v. eerst hersenwerk zijn, dat vervolgens in schrijfbewegingen van de hand wordt omgezet. Juist iemand als Mulisch weet dat die twee zaken geen twee zaken zijn. 'Het verstand!', zegt Archibald Strohalm. 'Wat wil men? Het is een doeltreffend afweerwapen voor dagelijks gebruik, maar daarbuiten...' Tsja. Ik besef natuurlijk ook wel dat Donners oudste essay niet uit esthetisch-rationalistische beginselen geboren is. Maar is het dan ondoordacht? Vormeloos? Ach kom. Zelf heb ik Bikini geschreven. Kunst, zei Poelhekke, is het maken van mooie dingen. En met Ter Braak hebben we ons gek gelachen om die man. Volgens Lodewick (in Literaire kunst) doet men door deze definitie niet veel meer dan de moeilijkheden verplaatsen, want, vraagt hij: 'Wat is mooi?' Alsof Poelhekkes naïviteit openstaat voor zulke banale retoriek! Is 'lelijk' soms de tegenstelling van 'mooi'? Integendeel. De tegenstelling van het schone is het onvolgroeide. Poelhekke had natuurlijk gewoon gelijk met zijn intuïtief gevonden definitie. Ik weet geen betere die even eenvoudig te verdedigen is. Sommige kindertekeningen zijn mooi, want lelijk. Donners essay is mooi, want tot in alle lagen doordacht, doorkneed en verre van bescheiden; logica was niet zijn instrument - maar er zijn samenhangen, en men weet dit, ook al weet men niet welke, en al zou men die nooit te weten komen. Mulisch zelf verliet in zijn essay 'De tegenaarde' (uit Voer) het eenvoudigheidspostulaat ten gunste van het overdadigheidspostulaat, dat niet appelleert aan het esthetische en rationele, maar aan de zinloosheid, die het overbodige broodnodig en het chaotische doorzichtig maakt - al is dat laatste van het standpunt van de logica uit gezien duister, verward en op het idiote af. 'Men vergisse zich niet', zegt hij daar, 'nooit kan men zeggen: zo ziet de mens er toch niet uit. Door hen (t.w. door de aanhangers van het 'overdadigheidspostulaat': Klee, Picasso, etc.) ziet hij er pas uit.' Of, zoals hij in Archibald Strohalm schrijft: 'Datgene wat de mens van Nazareth leefde en stierf, het is hetzelfde als datgene wat het aanzijn geeft aan de wereld zoals wij haar zien.' Ik heb van het alchemistisch dubbelproces nog niet één formulering gelezen die beter, helderder en raadselachtiger is dan deze. Donners ovum philosophicum is niet zijn grote boek Mulisch, naar ik veronderstel, maar zijn oudste essay, waar ik niet weinig op gesteld ben. Hij had vertrouwen in zijn onmacht. Dat niet alleen: hij gaf er ook meesterschap aan. Maar dat mag niet. Het is immers geen poëzie! En toch! Donner zelf is het, die het zei: 'Zij hebben in dit land geen idéé, wat literatuur zijn kàn.' Door zich in zijn boek te bepalen tot het algemene reduceerde hij zijn 'onmacht' - en dus ook de magische leiding die het gestamelde woord nu eenmaal ingeschapen is. Om het samen te vatten: uit Donners eerste essay komt ons een Mulisch tegemoet: gesloten, onberekenbaar en ongrijpbaar. In zijn boek maakt Donner de waarheid openbaar; het 'naar ik veronderstel' is wat ik 'onderkastretoriek' noem. Het is natuurlijk niet erg dat Donner dat doet, maar het vergroot het raadsel niet. We kunnen ons afvragen of de geopenbaarde Mulisch nog congruent is met deze die Donner voorzweefde, voor hij aan zijn boek begon; ik vrees van niet. Donner heeft zich te veel bekommerd om uitgangspunt en doelstelling - de weg daartussen, het labirint, trok hij recht. Het schema lag vast, de enige moeilijkheid was de realia daarin te wurmen. De wil tot raadsels, een vitalistisch motief, werd door de wil tot kennis, een gnostisch motief, buiten werking gesteld. Mijn opvatting is dat niet het doel de weg bepaalt, maar dat de weg naar een doel voert. Wat erop neer komt, dat de weg belangrijker is dan de finish. Ignotum per ignotius - als Donner die weg gaat, gebeurt dat in weerwil van zijn streven. Hij bepaalt zich tot het algemene, zei ik; maar hij gaat daarbij van het bijzondere uit. Zijn opvatting van lezen is die van lezen als een volstrekt persoonlijke daad. Zo rechtvaardigt hij zijn boek: 'Het betekende het besluit, alles aan een eigen boek toe te vertrouwen, omdat, als ik dat niet deed, niemand Het stenen bruidsbed zou lezen, zoals ik het gelezen had.' Maar lezen is gebonden aan een tekst. Wat niet door het geschrevene gewekt wordt, kan niet worden gelezen. Dat sluit hineininterpretieren niet uit, maar het verhindert dat men een tekst op eigen verantwoording afrondt, zoals b.v. gebeuren kan bij luisteren: zegt de spreker iets dat je emotioneel verwerken moet, dan luister je niet meer, maar rond je zijn gedachten af naar eigen idee - terwijl hij intussen al met heel andere zaken bezig is. Donner zoekt tot Mulisch' werk een verhouding, als deze die Mulisch had tegenover Bram Vingerling: 'Zijn avonturen', zo schrijft hij op p. 118 van Voer, 'eenmaal onzichtbaar geworden, vervelen mij, - ik kan zelf betere fantaseren...' - woorden, die Donner zich met betrekking tot Mulisch niet veroorloven kan. Zijn lezen moet binnen de voorstellingskring van het geschrevene blijven: dat is rationeel. Een verhaal als De sprong der paarden en de zoete zee laat nòg es zien, hoe mensen (of wat er de symbolen voor zijn: de figuren uit dit verhaal) zich werkelijk verhouden tot het geschreven woord - maar laat een criticus het niet proberen na te doen. De derde wereldoorlog in de Nederlandse Republiek der Letteren zou uitbreken. Het 'Zersingen' van een tekst is, sinds met de Renaissance (La mort, zegt René Guénon, terecht naar mijn smaak, al kan ik me niet voorstellen dat hij me sympathiek zou zijn) de bron heilig werd verklaard, je reinste ketterij. Het kritische motief maakt de opvatting van lezen als een volstrekt persoonlijke daad onmogelijk. Conclusie: noch dit motief, noch dat van de wil tot kennis is in staat het duistere te verklaren door het duistere. Donner legt op het duistere de hand, maar tot verklaringen komt het niet: voor het zover is, laat hij zijn trouvaille weer los. Bij voorbeeld: 'Norman Corinth uit Baltimore, Maryland, vond de uitnodiging voor het congres op een ochtend in september bij zijn ontbijt. Hijgend en bezweet kwam hij uit de tuin, de zon lag op het tafellaken...' Dit citaat uit Het stenen bruidsbed is terecht aanleiding tot deze gedachtegang van Donner: 'De zon ligt op het tafellaken. Corinth vindt op een morgen de zon op het tafellaken liggen. Nee, dat was de uitnodiging (de tekst wordt zersungen - de kritische geest wordt vaardig, de fout wordt hersteld, CN). Er ligt een brief op tafel, 'de zon ligt op tafel'. En Donner besluit: Zo komt de kortsluiting: 'zon = brief'. En omdat de brief een uitnodiging bevat, is die brief zongelijk, zegt Donner, die voorbijziet aan het feit dat een brief dichtgevouwen en toegesloten is, en als symbool een moederbeeld kan zijn - tegenover de zon, die een vaderbeeld is. Men kan natuurlijk tegenwerpen dat déze brief ontsloten is en opengevouwen. Maar juist dan wordt Mulisch' opvatting: 'Het geschrevene openbaart mij als een tweede moeder' van beslissend belang. Trouwens, Mulisch, die natuurlijk weet dat Donner brief en zon vereenzelvigt, geeft in De verteller aan dat andere interpretatiemogelijkheden bestaan: 'Maar de maan boven de bovenstad schijnt door de patrijspoort op zijn laatste berekening...' (p. 102). Waarbij maan en berekening de exacte tegenstellingen van zon en brief zijn: moeder- en vaderbeeld. Zon, brief en Corinth zijn bijeen: zon = brief = Corinth. Ze komen ook allemaal van één kant: ze komen uit de lucht gevallen. Wie, als Donner, spreekt van een 'totale verbeeldingswereld', mag daar ook best zijn consequentie uittrekken. Zon, brief en Corinth zijn vader, moeder en zoon - en die drie zijn samen één. Natuurlijk is die brief ook een boodschap, een bericht uit Dresden, een voorbode van Hella. Corinth wist dat hij zou gaan - niet omdat hij dat wil, maar omdat een nostalgie naar wat schoon is en edel, hem dwingt. Gauguin ging naar Tahiti, Mulisch naar Cuba - niet alles hoeft duister te wezen. Professor Baudet schreef over dit soort zaken in zijn bij Van Gorcum verschenen publicatie Het paradijs op aarde. Waar Donner spreekt van Mulisch' politiek engagement dat we niet los mogen zien, m.i., van zijn 'elementaire beweging', kan dit boek er misschien toe bijdragen de samenhang tussen politieke realiteit en mythe bij Mulisch doorzichtig te maken. Een aardigheid terzijde: Baudet spreekt hier van lieden als Rhodes, Galiéni, Lyautey en De Lesseps. 'Mystici zijn zij, misschien Stanley uitgezonderd, allen', zegt hij. Kijk, zoiets lees je natuurlijk niet zonder gemeen plezier. Maar ja, ook ik gaf aan mijn essaybundel De zevensprong Stanleys woord 'Mister Livingstone, 1 presume?' mee.
|